Wat doen we met de oudjes?

17 januari 2012

Het is nu definitief: vanaf het 45ste levensjaar gaat het met ons mentaal snel bergaf, aldus het prestigieuze British Medical Journal. De “cognitieve vermogens” (geheugen, zin voor logica, begripsvermogen) laten het afweten, we worden vergeetachtig en verward.

Eigenlijk is dat een verbijsterende vaststelling, want het zijn uiteindelijk de 45+-ers die over deze planeet regeren. In alle maatschappelijke geledingen zwaaien ze de plak, terwijl ze aan een recordtempo hersencellen verliezen. Op alle domeinen falen ze dan ook, van Fukushima tot Wall Street: politiek, technologie, economie, milieu,- we gaan planetair regelrecht de verdoemenis in, zonder meer dankzij de gescleroseerde breinen. Ik noem het de ouderdomsparadox: hoe minder hersencellen, hoe meer macht.

Het “jeunisme”, de jeugdcultus die o.m. in de popcultuur hoogtij viert, is eigenlijk maar een mistgordijn voor dat wat men gerontocratie noemt: het complot van de oude(re) mannen,- ik zeg wel degelijk: mannen. Hoe hebben ze dat klaargespeeld?

 

“Kiemen van distopie”

Biologisch gezien komt macht enkel toe aan de exemplaren die het voortbestaan van de soort kunnen waarborgen, de alfa-dieren dus. Maar in de antroposfeer weten de oudere mannetjes, die biologisch afgeschreven zijn, zich te handhaven en hun eigen noodzakelijkheid te herdefiniëren, onder het mom van “maturiteit”. Macht is sowieso een compensatiefenomeen: omdat de biologische nuttigheid verdwijnt moet er een “levensverzekering” afgesloten worden die de groep belet om het nutteloze exemplaar te elimineren. Politici, zakenlui, wetenschappers, kunstenaars: het zijn beta en gamma’s die rondlopen met een alfa-sticker. Ze doen alsof ze macht hebben, en ze krijgen die ook echt.

Wat al zo lang sluimert als een “generatiekloof”, lijkt nu de afmetingen afgenomen te hebben van een oorlog tegen de seniliteit.

Al deze “excellenties” leven biologisch op krediet, maar ze zijn erin geslaagd om een fictieve meerwaarde af te dwingen. Hun hoge stand in de sociale hiërarchie berust niet op reële potentie, maar op blufpoker, een soort intelligentie van de domheid.

Dat is een pervers gegeven, het resultaat is dan ook catastrofaal. Maar aan het einde van de eerste decade van de XXIste eeuw verschijnt er toch iets dat lijkt op een opstand tegen het complot van de dementerenden. Wat al zo lang sluimert als een “generatiekloof”, lijkt nu de afmetingen afgenomen te hebben van een oorlog tegen de seniliteit. En kijk: uitgerekend op een van de hoogmissen van de gerontocratie, de top van het Wereld Economisch Forum in  Davos/Zwitserland (waar anders?), worden voor het eerst “kiemen van distopie” (sic) gesignaleerd, zijnde apokalyptische denkbeelden die onder jongeren sluimeren, en die leiden tot een regelrechte gerontofobie tegen de oude orde, het krakkemikkige systeem, maar vooral ook de fysieke vertegenwoordigers ervan. Occupy Wall Street, de Indignados en de Arabische Lente worden geciteerd. En het fenomeen is nog veel breder.

 

Generatie-oorlog

Met de vergrijzing en de kanteling van de pensioenspyramide (de actieven die betalen voor de gepensioneerden), zelf het gevolg van een stijgende levensverwachting, wordt het economisch nut van de ouderdom aarzelend uit de taboesfeer gehaald. Het recente opstootje tussen de jonge pensioenminister Vincent Van Quickenborne en de vergrijsde vakbonden had een existentiële dimensie, los van de economisch-financiële discussie. 

Het besef dat de 45+ers de wereld kapot maken door hun mentale degradatie, kan niet anders dan tot een distopisch denken én een opstand leiden bij de jeugd. 

Snel, ik verwacht de komende jaren, zal het debat gevoerd worden op het niveau waar het thuishoort: het cultureel-antropologisch niveau. Moeten wij echt koste wat kost zwaar investeren in medische en farmaceutische spitstechnologie om bejaarden in leven te houden? Anderzijds, als wij senioren “her-activeren”, terug in het economisch circuit halen, wordt de kans op ongelukken nog groter. Wat hebben we aan een gepensioneerde schoolbuschauffeur die een kind doodrijdt? De cultuurclash tussen oud en jong wordt onvermijdelijk, en ze heeft ook een eigen biologische redelijkheid. Het besef dat de 45+ers de wereld kapot maken door hun mentale degradatie, kan niet anders dan tot een distopisch denken leiden bij de jeugd. Zij moet de macht grijpen en de samenleving ont-scleroseren.

Het kan niet zijn dat tachtigers bij ons medisch en farmaceutisch steeds weer opgelapt worden, terwijl op andere continenten het gros van de bevolking niet eens de 45 haalt.

 

Costa Concordia

Ondertussen kan de pret niet op onder onze gepensioneerden. In de TV-reeks De Benidorm Bastards zien we ze aan het werk, de vrolijke hangouderen, de zgn. babyboom-generatie die zich wentelt in haar parasietenbestaan. Een complete welness-industrie en een hele rist boekjes, genre Plus Magazine, een blad met ‘Alle informatie voor een boeiende generatie’, cultiveert het seniorenhedonisme, met aandacht voor die 1001 kleine ongemakken zoals rimpels, erectieproblemen en, jawel, geheugenverlies.

Ze maken goede sier op reusachtige drijvende luxe-resorts zoals de Costa Concordia, alwaar een zatte stripverhaalkapitein Schettino, het verstand op nul, het schip doet kapseizen. Jonge duikers wagen vervolgens hun leven om de oude karkassen op te halen. Er schuilt veel tragi-komedie in die katastrofe, net omdat het een verhaal betreft van ouderdom, glamour en domheid. Idee voor een collectieve euthanasietrip: een cruise naar de zeebodem? De gezonken Costa Concordia: het lijkt een grotesk symbool van een verbroken generatiepact.

 

God

Natuurlijk had Freud al die tijd gelijk, hoezeer hij vandaag ook wordt verguisd: God, de kwadratuur van de macht, is in wezen een potentaat-in-verval, een patriarch die zijn falende sexuele kracht compenseert met scheppingverhaaltjes. Vooral de absolute demiurg van het monotheïsme leek Freud een suspecte figuur: een slappe fallus die zijn eigen Viagra-retoriek uitvond, waarvan het Grote Boek niet meer dan een schaduw is. God is de dementerende tiran die eeuwig wil blijven en niet kan vertrekken. God heeft zichzelf een oneindig krediet toegekend, hij is de absolute Benidorm Bastard, vermomd als Machiavelli’s Principe.

God is de dementerende tiran die eeuwig wil blijven en niet kan vertrekken. God heeft zichzelf een oneindig krediet toegekend, hij is de absolute Benidorm Bastard…

God is de absolute parasiet die zelfs geen genoegen neemt met een luxe-sanatorium, maar die resoluut ons bestaan wil domineren, vanuit een tautologische premis die noch te bewijzen, noch te weerleggen valt. Hij is dus een mysterie, slim bekeken voor iemand met nog één hersencel. Want dat is natuurlijk ook een vermakelijke eigenschap van het brein: het herorganiseert zich telkens opnieuw, hoeveel hersencellen er ook afsterven en hoeveel verbindingen er ook dichtslibben. Zo worden en blijven we een God, in het diepst van onze gedachten, hoe dement ook. Zonder deze “tegennatuurlijke” regeneratie zou er van gerontocratie nooit sprake zijn.

De manier hoe religie functioneert, is dan ook exact de wijze hoe macht zichzelf sociaal consolideert in gezagsstructuren allerhande, vanuit een compleet gefakete hersenstructuur, met een compleet gesimuleerde intelligentie, die een compleet virtuele autoriteit oplevert.

 

Groene koekjes

Met dit alles op de achtergrond is de Occupy-beweging een intrigerende juveniele verwerping van alles wat de oudere generaties hebben opgebouwd en vandaag bemannen. Dat zal en moet zich op de schoolbanken laten gevoelen. Alleen een resolute pedagogische breuk kan de menselijke soort redden, –gesteld dat die al zou moeten gered worden: het verwerpen van de oude kennis, de maturiteit als argument, het leergezag van de senior vooraan de klas. Ontneem hem zijn rijbewijs en maak er groene koekjes van.

We gaan dan naar twee soorten discours: eentje dat ik literair-theatraal zou noemen, de retoriek van de macht die altijd opnieuw wil bevestigen, en het discours van de wetenschap, pardon: zeg maar fysica

99% van wat zich als “kunst” presenteert, is een vergrijzingsfenomeen en moet als aanstellerige nonsens gecatalogeerd worden

De eerste wordt helemaal ingenomen door de gerontocratie: politici, kunstenaars en kleinkunstenaars, wetenschappers (vooral menswetenschappers), economen, alle soorten koffiedikkijkers. Zij regeren vandaag,- zij maken de fantasmagorie uit van het ontbindende brein en zijn pathetische retoriek. Het fysische discours daarentegen ontmaskert constant die literair-theatrale baardenkomedie van de macht. Het is jeugdig en basic. Daarom moet ze zich ook keren tegen de literatuur-an-sich, en meteen tegen alle bezigheden die wij als “cultuur” aanzien, maar die eigenlijk de kluit belazeren. 99% van wat zich als “kunst” presenteert, is een vergrijzingsfenomeen en moet als aanstellerige nonsens gecatalogeerd worden.

De fysica is, in de Nietzscheaanse zin, een jonge, “Fröhliche Wissenschaft”, een rede die alles ontluistert maar die wellicht ook als enige de fatale schipbreuk kan afwenden. De fysica is biologisch en compromisloos. Er moet daarbij onvermijdelijk gespeeld worden met scenario’s die de paradox van de ouderdom oplossen. Rationeel en bezonnen. Scenario’s die ouderen vrolijk laten gaan. Ik wees al op de mogelijkheid van funeral cruises. Het lijkt makaber, maar mensen moeten weer leren sterven, met stijl, anders hebben ze ook nooit geleefd.

Dit alles natuurlijk gezegd zijnde, vanuit het feit dat ook ondergetekende de 45 ruimschoots gepasseerd is, en het verlies aan hersencellen misschien compenseert met pathetische tirades.

 

Johan Sanctorum

 

 

 

 

 

 

 


Een glijmiddel met een reukje aan

9 januari 2012

De Belgische Neanderthaler rukt wereldwijd op

Grote verslagenheid in het kamp van Rick Santorum, de ultra-conservatieve presidentskandidaat in de VS. Heeft de man van de strijd voor God, huwelijk en vaderland, en tegen de zedenverwildering zijn handelsmerk gemaakt, dan blijkt er iets mis met zijn familienaam. Wie daarop googlet, vindt immers als eerste zoekresultaat niét een bio van de republikeinse politicus, maar een tamelijk onappetijtelijke encyclopedie-omschrijving van “Santorum”, zijnde “een mengsel van glijmiddel en uitwerpselen, als bijproduct van anale seks.”  Een vertrouwd fenomeen allicht voor homofielen en liefhebbers van sodomie. En laat de puriteinse Rick Santorum nu juist de heilige oorlog verklaard hebben aan dit soort perversiteiten!

Nomen non est omen, maar toch: in een supergemediatiseerde democratie als de Amerikaanse sleur je een foute naam als een vervelende ballast mee, denk maar aan de treiterige woordspelletjes Obama-Osama die de huidige VS-president tot op vandaag te beurt vallen. En het idee alleen al dat een verre voorvader van Rick Santorum een expert zou zijn geweest in hogervermelde activiteiten, en dat genealogisch wou vereeuwigen…

De man van Spy

Ik ken nu mensen, ook in Vlaanderen, die blij zijn met een c in hun familienaam, u wellicht ook. Het verhaal toont alleszins aan, hoe ver politieke moddercatch wel kan gaan. Het woord “Santorum” bestaat namelijk zelfs niet in die speciale medische betekenis, maar is gewoon het bedenksel van een chagrijnige homofiel die de presidentskandidaat een hak wou zetten. Met de hulp van een aantal kompanen was het een koud kunstje om de nepterm helemaal bovenaan te krijgen op de zoekrobot van Google, waar ze zich van geen kwaad bewust zijn. Leve het internet en de vrije informatieverspreiding!

Maar de gore uitsmijter van het verhaal komt nu. Dan Savage, zou heet de roddelnicht, vond zijn grap zelf zo geslaagd, dat hij Rick Santorum voorstelde om de kwalijke webstek af te sluiten… mits betaling van 5 miljoen dollar. Afpersing? Hoe komt u erbij: leve de vrije markt en de wet van vraag en aanbod!

Beeld u inderdaad in wat voor een bloeiende bedrijfstak dit ookbij onszou kunnen worden, en dan denk ik vooral aan riooljournalisten zoals Tom Cochez. Eerst leugens verspreiden, en dan geld vragen om ze recht te zetten, kassa verzekerd.

In afwachting kan dit soort fantasten zeker al terecht bij de toeristische dienst van Jemeppe-sur-Sambre. U hebt hem ongetwijfeld ook in de krant gezien: de man van Spy, zijnde de “Belgische Neanderthaler”, waarvan de knoken in een Waalse grot nabij Jemeppe werden ontdekt, en die nu in het plaatselijk museum te bezichtigen is als een realistische reconstructie, nota bene door twee Hollanders in elkaar gestoken.

Natuurlijk rammelt het verhaal wetenschappelijk aan alle kanten: in de media wordt deze vriendelijk ogende holenmens (ze hebben hem de glimlach van Sean Connery meegegeven!) opgevoerd als “onze verre voorouder”, terwijl elke antropoloog u kan bevestigen dat de Homo Neanderthalensis een uitgestorven tussensoort is, waar de Homo Sapiens niét van afstamt.  De man van Spy is dus een doodlopende tak van de evolutie. Temeer daar er uren in het rond geen vrouw van Spy te bekennen valt.

Vanwaar dan deze fabel? Omdat de Walen daarmee pogen te bewijzen dat zij de echte autochtonen en legitieme erfgenamen zijn van het gebied dat vandaag België heet. Het is een formidabel stukje pseudowetenschap, gefabriceerd door de PS-studiedienst, het best werkende bedrijf in Wallonië: de Vlamingen moeten zo hoog van de toren niet blazen, want de wieg van onze beschaving staat aan de oevers van de Sambre. Se non è vero, è ben trovato, zeggen ze in de taal van Elio Di Rupo. Sinds het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis en de “Histoire de la Belgique” van Henri Pirenne zijn we zoveel amusante geschiedenisvervalsing niet meer tegengekomen.

Nuttige idioten

Maar er is nog meer. Door een prehistorische replica van de oerbelg te reconstrueren, weliswaar via een wetenschappelijk leugentje-om-bestwil, komen wij ook wereldwijd in beeld als museumattractie met een hoog masquottegehalte. Hier lonkt een patriottistische imagocampagne om de binnenlandse Neanderthaler te promoveren tot internationaal uitleenobject. De Oude Belg dus, in zijn non-identitaire gedaante van niet al te snuggere, maar vriendelijke en vooral zeer flexibele ondersoort die altijd lacht, ook als er niets te lachen valt. De Belg als grijze muis die zelfs door geen enkele kat wordt opgemerkt. De Belg als piepschuimen schertskoning, wanneer de echte machthebbers verder palaveren in de coulissen. Of zeg maar gewoon: een nuttige idioot.

U denkt aan Herman Van Rompuy? U zit er niet ver naast.

Naar aanleiding van de benoeming van Peter Praet tot hoofdeconoom van de Europese Centrale Bank, bezingt De Standaard op 5 januari breedvoerig onze nationale Belgische kwaliteiten, die ook Herman Van Rompuy tot het hoogste Europese ambt brachten: de “bereidheid tot compromis”, de gave “om andere culturen te absorberen” (!), het talent om niet op te vallen, en vooral: de gave om “te weten wanneer men moet praten, maar ook wanneer men moet zwijgen”. Dat laatste schijnt dan ook zowat dé reden geweest te zijn waarom Peter Praet in de prijzen viel: ondanks zijn naam kan hij vooral zijn mond houden. Emotionele intelligentie heet dat tegenwoordig. In tegenstelling tot flapuit Paul De Grauwe, intellectueel minstens twee klasses hoger dan Praet, en ook kandidaat voor diens functie, maar met minder “emotionele intelligentie”: De Grauwe zegt gewoon altijd wat hij denkt, iets wat in Berlijn, Parijs en zeker Londen maar matig van Belgen geapprecieerd wordt.

De nauwelijks verholen minachting, waarmee iemand als Van Rompuy wordt bejegend in de buitenlandse pers,  weerspiegelt dan ook exact de reële perceptie: we zijn en blijven de internationale risée. “De Belg als bruggenbouwer”, kopt De Standaard euforisch. Terwijl eigenlijk “De Belg als glijmiddel” een juistere maar tegelijk politiek-incorrectere titel ware geweest.

Peter Praet, afkomstig uit de MR-stal van Didier Reynders die hem tot directeur van de Nationale Bank katapulteerde, wordt dan ook door Europa gekwalificeerd als, jawel, een kleurloze compromisfiguur omdat Merkel en Sarkozy het elkaar niet gunden. Het is exact de manier hoe Herman Van Rompuy op de presidentiële stoel is terecht gekomen: als een dummie. “Internationaal kende niemand hem”, wijsneust Paul Goossens in hetzelfde artikel, waarmee hij eigenlijk aangeeft dat men net zo goed het paard van Herman De Croo tot EU-president had kunnen maken, met een lichte verwijzing naar de Romeinse keizer Caligula.

De man van Spy maakt dus internationale carrière. En ik weet niet of ze Sean Connery de toelating gevraagd hebben om zijn fotogenieke smoel te verbinden aan de heropstanding van de Belgische Neanderthaler. Het zou me verbazen, wellicht zit de man er al even erg mee verveeld als Rick S. met die internetkwakkel. Connery wordt namelijk nog regelmatig gesignaleerd in Schotse kilt en is lid van de separatistische Scottish National Party.

“Quelle connerie!”, zullen ze in Jemeppe-sur-Sambre uitgeroepen hebben. Zuurzoete wraak van de glijmiddelsector? Toch maar uitkijken met die kilt bij het bukken, Sean.

Johan Sanctorum


Grootvader heeft het gedaan

19 december 2011

De oorlog tegen Freud is zelf voer voor psychoanalyse

Het is oorlog in het land van de shrinks. Niemand minder dan Sigmund Freud, vader van de psychoanalyse, en diens voornaamste adept, de Franse psychiater Jacques Lacan, worden van hun sokkel gehaald: “in onverstaanbare abrakadabra verpakte nonsens, criminele kwakzalverij”, zo luidt het verdict over Freud en de school die hij voortbracht. De discussie wordt vooral op de Franse intellectuele scène gevoerd, maar als het in Parijs regent, druppelt het in Brussel (of in dit geval: vooral in Gent),- dus bekogelen pro en contra elkaar ook bij ons met krantencolumns.

Vanop enige afstand lijkt het een discussie over het geslacht der engelen, waar gewone mensen, die zich afvragen of ze volgend jaar nog een inkomen zullen hebben, met enige verbijstering op staan te kijken. Een platvloers standpunt dat ik geneigd ben om te delen: dit hemelbestormend “debat” smeekt om vulgarisatie en een terugkeer op de begane grond.

Als all-round-filosoof heb ik dan ook geen zin om me in de discussie onder vakbroeders te mengen. Wel roepen de stijl en de toon van de beeldenstormers grote vragen op, die zelf aanleiding geven tot een Freudige greep in het kruis. Wat drijft hen? Waarom doen zij het? Vanwaar dat chagrijn?

Exorcisme

Zonder al te technisch te worden, en voor absolute leken: Freud is de man die aan het begin van de 20ste eeuw heel de klassieke zielkunde overhoop haalde, door de mens op te vatten als een vat vol driften, het onbewuste genoemd, met de seksuele appetijt als de voornaamste drijfveer. Door cultuur en opvoeding proberen we die wilde energie onder controle te houden, anders zou het sociaal nogal een zootje worden. Die zelfcontrole lukt echter maar half, want ze levert maagzweren op of, erger, muizenissen en depressies, tot en met stoppen die compleet doorslaan. Gelukkig zoekt het onbewuste ook uitlaatkleppen waar de censuur niet geldt (eens goed uittieren rond het voetbalveld kan al veel oplossen, al worden ook daar tegenwoordig de spreekkoren op hun poco-gehalte gecheckt), en laat het zich o.a. in onze dromen gelden. Dat is ook de essentie van de therapie op de welbekende sofa: een goed gesprek, opdiepen wat in ons achterhoofd zit en er niet uit kan, doet al wonderen.

Maar een clubje gelijkhebbers aan de Gentse univ heeft beslist dat het nu maar eens gedaan moet zijn met dat Weense wufte sofa-gedoe. Onder de veelzeggende titels “De val van de psychoanalyse”, “Proefvlucht in het luchtledige” en “De helse zielenknijper” wordt er een hallucinant stukje schijnboksen tegen Freud opgevoerd, met een fanatisme dat, jawel, aan de meest donkere periodes van de kerkgeschiedenis herinnert. Vade retro, Satanas…

Het blijft bij bashen, verdachtmakingen, en demoniseren van een figuur die al meer dan zeventig jaar dood is, en waarvan de kritikasters, laten we eerlijk wezen, intellectueel nog niet tot aan zijn enkels reiken.

Tot de rechters van deze inquisitie behoren: de professoren Johan Braeckman en Filip Buekens, journalist Joël De Ceulaer, en vooral de door de media als wonderkind opgevoerde Maarten Boudry, pupil van Braeckman. Wat opvalt in al hun artikels en essays is, dat ze eigenlijk maar weinig constructiefs in te brengen hebben, laat staan dat ze een volwaardig alternatief paradigma zouden ontwikkelen. Het blijft bij bashen, verdachtmakingen, en demoniseren van een figuur die al meer dan zeventig jaar dood en begraven is, en waarvan de kritikasters, laten we eerlijk wezen, intellectueel nog niet tot aan zijn enkels reiken.

Boudry gaat de discussie ten gronde dan ook zorgvuldig uit de weg. Veeleer gebruikt hij een afrekeningsvocabularium dat bol staat van de bezweringsformules. Vreemd voor een wetenschapsfilosoof, dat doordrammerig gebrek aan empathie. Dit is geen gezonde invraagstelling meer, maar een ziekelijk exorcisme, vanwege mensen die van zichzelf ongetwijfeld vinden dat ze het religieuze denken ver achter zich hebben gelaten, maar waar Freud een hele kluif aan zou gehad hebben. Andermaal: wat is het probleem van Maarten Boudry? Op de sofa ermee…

Minder Freud, meer pillen

Uiteraard zijn de heren beeldenstormers ook allemaal grote fans van SKEPP (Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale), een gezelschap dat uitblinkt in zelfgenoegzaamheid, en dat de banvloek uitspreekt tegen alles waar de actuele Wetenschap (met hoofdletter) niet goed raad mee weet: telepatie, UFO’s, graancirkels, onschuldig volksvermaak zoals astrologie en handlezen, maar ook acupunctuur, homeopathie, kruidengeneeskunde en alternatieve kankertherapieën. Straks wordt ook het Higgs-boson naar het rijk der fabelen verwezen, als zijnde een “pseudowetenschappelijke” hersenschim. Wie zal SKEPP durven tegenspreken?

Vooral een zekere Dr. Willem Betz laat zich hier opmerken als verdediger van de klassieke Ars Medica én de bijbehorende pillendraaierij: als de farmaceutische industrie zich een ideaal lobby-instrument droomt, dan zou het SKEPP moeten heten. (→ lees ook: “Van heksenjacht tot pharma.be”).

Want wat deze club van rabiate ratio-puristen ook moge beweren,- hun argumentatie is iets té corporatistisch, gericht tegen de concurrentie van niet-gehomologeerde therapeuten, die uiteraard als “kwakzalvers” worden betiteld. Terwijl men, puur vanuit intellectueel standpunt, een brede diversiteit zou moeten voorstaan van ideeën, theorieën, therapeutische visies. 

In dat perspectief is en blijft de sofamethode van Freud een interessant nichegebeuren voor believers. Geloof je het niet, blijf er dan weg.

Aan de patiëntzijde (want die patiënt is men wel even vergeten in heel de hetze) valt anderzijds het eclectische shoppingmodel te verdedigen: indien de ene therapie niet helpt, probeer dan een andere. Als ergens de vrije markt een zin heeft, dan is het wel in de geneeskunde: weg met de Orde en de therapeutische monocultuur.

In dat perspectief is en blijft de sofamethode van Freud (vertellen, herhalen, herinneren, en vooral: een therapeut die luistert) een interessant nichegebeuren voor believers. Geloof je het niet, blijf er dan weg. Maar bij SKEPP wordt, onder het waakzaam oog van peetvader Etienne Vermeersch, elke vorm van heterodoxie en alternatief denken gebrandmerkt als “boerenbedrog” en “charlatanisme”. Een verregaande vorm van onverdraagzaamheid als u het mij vraagt,- om niet de meer beladen term “wetenschappelijk racisme” te gebruiken. Of is het toch de farma-lobby die hier in de coulissen dicteert? Minder Freud, meer pillen?

Parodische valstrikken

Het nemen van intellectuele risico’s is de essentie van de wetenschappelijke praxis. Soms blijven ze marginaal, soms groeien ze uit tot holistische systemen, die de spiegel vormen van ons eigen mentaal labyrinth. De psychoanalyse is en blijft een formidabele poging van het brein om zichzelf te denken,- een onderneming die per definitie tot mislukken gedoemd is, want we kunnen nu eenmaal niet slimmer zijn dan onze eigen hersenen. Net daarom, omwille van die stoutmoedigheid, verdient dit alomvattende antropologische perspectief, met zijn filosofische, literaire én wetenschappelijke lagen, euh… respect. Het koor van brullende muizen overtuigt mij anderzijds niet. Het is kleingeestig en rancuneus. Ik zou zeggen: doe zelf eens een poging om een alomvattende theorie uit te bouwen, in plaats van te zaniken. Als de psychoanalyse “gedoemd is om te verdwijnen”, dan zullen we dat wel zien. Maar dan zal het zijn omdat de patiënt daarvoor kiest, en niet via kinderachtig ressentiment, dat bijvoorbeeld ook spreekt uit tendentieuze documentaires zoals Le Mur (Fr.), waar de visie van de psychoanalyse op autisme wordt verhaspeld via een weinig bonafide montagetechniek.

Ook de valstrikken à la Sokal (naar een vaktijdschrift een nonsensikale pastiche insturen en dan eens goed lachen als de redactie erin tuint) behoren tot het register van de parodische grapjasserij. Vermakelijk, maar voor de rest: passons. Voor mij ontmaskeren ze niets, tenzij de vervalsing zelf, want er zijn ook schilders die perfect Van Gogh kunnen imiteren en respectabele veilinghuizen om de tuin leiden. Maar zegt dit iets over Van Gogh?

Het koor van brullende muizen overtuigt niet. Ik zou zeggen: doe zelf eens een poging om een alomvattende theorie uit te bouwen, in plaats van te zaniken.

Het is dus het een of het ander: voortbouwen, ofwel van nul beginnen. Men kan de relativiteitstheorie corrigeren, ofwel vervangen door straffer spul. Maar in de scepsis blijven hangen is tamelijk nihilistisch en wordt op het einde lachwekkend.

Idem voor Freud’s theorie. Ofwel zoekt men naar missing links, ofwel begint men van nul. In het eerste heeft iemand als Maarten Boudry geen zin, voor het tweede is zijn intellectuele slagkracht gewoon niet toereikend. Of is er nog meer aan de hand? Is de theorie van het “onbewuste” gevaarlijk drijfzand voor wie van vastigheid houdt? Komaan zeg, hoe zit dat daar in Gent?

Neopositivisme

Dat brengt ons op de politieke agenda van de nieuwe gedachtepolitie. Boudry en konsoorten zijn de apostelen van het neopositivisme, dit zowel in de wetenschappelijke als in de politieke betekenis. Heel hun zogenaamd scepticisme is reactionair, en vooral gericht tegen theorieën en attitudes die onze cultuur en samenleving op losse schroeven zetten.

Er moet orde in het denken zijn, klaarheid in de taal, en speculeren is des duivels. De ééndimensionele SKEPP-algoritmen tonen ook hier de weg: onder het mom van strenge verificatiecriteria worden nogal wat systeembedreigende inzichten en vermoedens onder de mat geveegd. Zo zijn ook complottheorieën niet meer toegestaan: we beelden ons maar wat in. Neen, U wordt niet belazerd, neen, er was niets aan de hand met de Irak-oorlog, Julian Assange lijdt aan paranoia, en neen, de media maken ons niet dom. De kruistocht tegen Freud, maar ook tegen Hegel, Marx, Deleuze, Lacan (uiteraard), en heel de kritische filosofie tout-court, draait rond een postmoderne afwijzing van denkmethodes en analyses die de socio-politieke constructies zouden kunnen ondergraven.

De politieke koffiedikkijkers zouden bijvoorbeeld gerust wat méér aan psychoanalyse kunnen doen, om aan te tonen wat voor een gekkenhuis de Belgische politiek wel is…

Want, weliswaar heeft de psychoanalytische school een stevige traditie opgebouwd, en gedraagt ze zich als een autoriteit, toch blijft ze subversief, omdat ze de vettige onderlagen van het menselijk theater exploreert en de schone schijn ontmaskert. De politieke koffiedikkijkers zouden bijvoorbeeld gerust wat méér aan psychoanalyse kunnen doen, om aan te tonen wat voor een gekkenhuis de Belgische politiek wel is, hoezeer macht op haantjesgedrag berust, en op welke sofa bij ons het concubinaat van politiek en media wordt beoefend, ook wel bekend als de Wetstraatmatras.  

Incestueuze kermis

De stinkende potjes moeten dus gedekt blijven, business as usual. De haat tegen de psychoanalyse loopt parallel met een schrik om zelf geanalyseerd te worden. Voor de rest gaat dit natuurlijk vooral over carrières en academische erfopvolging, wellicht is dat zelfs de essentie. Johan Braeckman is namelijk de opvolger van Etienne Vermeersch, en houdt zelf de stoel warm voor zijn poulain Maarten Boudry. Alle drie kloppen ze op dezelfde nagel, met dezelfde hardnekkigheid, en met evenveel arrogantie, elkaar wederzijds bejubelend.

Traditie dus, in de slechtste zin van het woord: drie generaties wetenschapsfilosofen die elkaar het gen van de domheid doorgeven. Waarom wordt hier eens geen vadermoord gepleegd? Wie doorbreekt de hiërarchie? Niemand dus. De media spelen er onbeschaamd op in en breien verlengstukken aan deze incestueuze kermis der ijdelheid. Zo bestond De Standaard het, om een recensie van het meesterwerk van de tandem Braeckman-Boudry, “De ongelovige Thomas heeft een punt”, uit te besteden aan Geerdt Magiels, een amicale collega van beiden, tevens zelf een notoire Freudbasher. Het kon niet op met de superlatieven. Van kritisch denken gesproken.

Academische loopbanen worden nu eenmaal niet gemaakt via het schoppen tegen de schenen van een promotor. Veel gemakkelijker is het om eendrachtig tegen een standbeeld te plassen.

Het lijkt dus allemaal weinig meer dan een afleidingsmanoeuvre. De oorlog tegen Freud –of beter: tegen diens spook- is een opportunistische karaktermoord van mensen die de moed niet hebben om binnen hun eigen omgeving en vakgebied autoriteit in vraag te stellen. Om het in het jargon te zeggen: een geval van overcompensatie, en een verschuiving van inwendige agressie (zelfcensuur) naar een externe pispaal. Vader is immuun, maar grootvader is de pineut,- een Oedipale poespas voorwaar, die per ongeluk in de vaderlandse media is opgespetterd. Academische loopbanen worden nu eenmaal niet gemaakt via het schoppen tegen de schenen van een promotor. Veel gemakkelijker is het om eendrachtig tegen een standbeeld te plassen. Het puberachtig iconoklasme van Boudry en konsorten, dat zichzelf verschrikkelijk ernstig neemt, is dan ook grotendeels te herleiden tot de retoriek van een academische generatiewissel. Het voorstel is daarbij, om de Gentse vakgroep Psychoanalyse gewoon op te doeken: weer een paar plaatsen die vrijkomen in de universitaire krabbenmand. Jammer dat een monument als Freud hiervoor moet sneuvelen.

Dan getuigt het idee van Abu Amrin om het Atomium af te breken toch van meer gevoel voor humor. Salamaleikum.

 

Johan Sanctorum


De kunstenaar als huisdier

12 december 2011

Het beste cultuurbeleid is helemaal géén cultuurbeleid

Zopas werd het boek “Niet de kers op de taart” van Bart Caron, Vlaams parlementslid (Groen!), cultuurminnaar en amateur-contrabassist, boven de doopvont gehouden. Als gewezen kabinetchef van Bert Anciaux is hij het brein achter diens idee van cultuurparticipatie, verbreding, drempelverlaging, democratisering, enz. Dat blijkt ook duidelijk uit het boek, waarin ronduit het bestaande model van subsidiëring wordt verdedigd: de overheid moet in zijn visie een zo breed mogelijk veld patroneren, gaande van “Cultuur met grote c” (theater, opera, literatuur), over de amateurkunsten, tot en met het vormingswerk en de zgn. socio-culturele sector, zeg maar de kookcursussen van de boerinnenbond.

Achter dat paternalisme van de “flankerende en stimulerende maatregelen” (het sectorjargon is bijwijlen hilarisch) schuilt een maakbaarheidsideaal met totalitaire trekjes: de staat vormt de mens, met een intermediaire cultuurbureaucratie als buffer, want voor alles moeten we toelating vragen en overal komt er paperasserij bij kijken. Goed voor de terwerkstelling in de zachte sector, dat wel. Let u alleen al op de kaft: ze toont ons een kers die aan obesitas lijkt te lijden, en die ei zo na de taart verplettert.

Bart Caron zweert namelijk bij de bovenbouw en het bestaande systeem,- in die zin is zijn visie zelfs ronduit conservatief. Nergens lees ik iets wat lijkt op een invraagstelling ten gronde. Bijvoorbeeld: moet elke artistieke hond met een hoed op langs de subsidiekassa passeren? Wordt radicale, compromisloze kunst beter van dat pampersysteem? Valt het begrip “kwaliteit” niet terug te voeren tot de smaak van een aantal zogenaamde deskundigen, die dikwijls zelf banden hebben met het kunstenmilieu? Moeten mensen niet vooral, net op cultureel vlak, zelfredzaam leren worden? Is de scheiding tussen “serieuze” Cultuur met hoofdletter en de zgn. populaire cultuur houdbaar? Socioloog Gust De Meyer heeft de kat al een tijd geleden de bel aangebonden met provocerende teksten zoals “Waarom cultuur niet belangrijk is en cultuursubsidie nog minder”. Ik wil die kritische tegenvisie even kort uitdiepen, en dan net niét in de geijkte populistische terminologie van nieuw rechts en Geert Wilders, die het heeft over verspild geld voor “linkse hobby’s”.

Crisis en revolutie

De reële situatie is veel extremer en conflictvoller,- het sluit aan bij de recente lezing die de filosoof Slavoj Žižek onlangs in Brussel gaf. De 21ste eeuw kondigt zich aan als een tijdperk van grote veranderingen. Met tussenpozen van zo’n 200 à 250 jaar kraken de breukzones in onze Westerse wereld: 1300 (begin van de renaissance), 1500 (uitvinding van de boekdrukkunst, begin van de reformatie), 1700 (verlichting, uitmondend in de Franse revolutie), 1900 (industriële revolutie), en dus nu op naar het breekpunt 2100. Het gaat niet zomaar om revoluties maar om echte paradigmaverschuivingen, nieuwe wereldbeelden die ver buiten wetenschap en kunst ook het dagelijks leven beïnvloeden, de economie, de machtsverhoudingen, de sociale omgang, cultuur, in de breedste zin van het woord.

Politiek, sociaal, economisch, cultureel, beeft de wereldorde vandaag op haar grondvesten, en het feest is pas begonnen.  We gaan naar een gezagscrisis zonder weerga, culminerend in een enorme opstoot van burgerlijk autonomisme. Staten en federaties zullen uiteenvallen, systemen imploderen, nieuwe republieken zullen het levenslicht zien, andere samenlevingsvormen ontkiemen.

De vraag is, of in die prerevolutionaire context een door het establishment doodgepamperde kunstenaar nog enige relevantie heeft. Wat moeten we met een marktconforme en/of systeembestendigende “actuele kunst” van Wim Delvoye, Tuymans, Borremans, Toneelhuis, Rosas? Natuurlijk is dat soort franje- en decorcultuur pure luxe: het gaat om een cultuurnijverheid die uitsluitend haar eigen voortbestaan nastreeft, en daarbij strategisch tot elk compromis bereid is. De gespletenheid van zogenaamde “progressieve” artiesten zoals Jan Fabre enAnne Teresa De Keersmaeker, die maar wat graag met een adellijke titel pronken en zich als lakeien van het regime opwerpen, is symptomatisch.

In een gesprek op Radio Klara met Werner Trio en Bart Caron himself sprak ik over de kunstenaar als huisdier: overvoede hamsters en cavia’s waggelen doorheen het kartonnen decor,- terwijl het ons om de wolven en vossen in de wildernis gaat. Sinds midden vorige eeuw is de inbedding van cultuur in het complex van macht en media een prioriteit voor elk zogenaamd democratisch regime. Het panisch gekakel van de Animal Farm, telkens er over besparingen wordt gesproken,- inclusief moraliserende jeremiades dat “de democratie in gevaar is”-, bewijst alleen maar de ernst van die domesticatie. Voor meer over het cynisme van de moderne intelligentsia kan ik de lectuur van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Sloterdijk aanbevelen.

Gezelligheidsfascisme

Met de opeenvolgende bankencrisissen en de Occupy-beweging die de economische wereldorde van onderuit zullen aantasten, is een nieuwe periode van instabiliteit ingezet. Kunnen kunstenaars en intellectuelen hier business as usual bedrijven en aan het grote potverteren blijven deelnemen? Ja natuurlijk kunnen ze dat,- het boek van Bart Caron verschaft hen daartoe het perfecte alibi en de nodige gemoedsrust. Maar daarmee wordt wel heel het intellectueel potentiaal, waartoe bijvoorbeeld Rousseau en Voltaire behoorden, als wegbereiders van de Franse revolutie, onschadelijk gemaakt. Het is dus reikhalzend uitkijken naar een tegencultuur van de kunstenaar als buitenstaander, een alien die het spel niét meespeelt en buiten het systeem gaat staan. Terugkeer naar de romantische zwarte sneeuw, zoals Caron het smalend uitdrukt? Neen, want die tegencultuur zal zich organiseren tot een universum, een tijdelijke en ruimtelijke enclave, waardoor er terug echte conflicten mogelijk zijn, een ideologische confrontatie en cultuurstrijd die door de predikers van het globalisme voor dood werd verklaard.

Heel het subsidiesysteem, de bijbehorende bureaucratie, de decreten, de experten, steunpunten, commissies, adviesraden, het abrakadabra waarin deze mensen zich uitdrukken, enz.: het zijn niets meer dan achterhoedegevechten. Macht heeft in wezen schrik van cultuur, daarom moest deze gerecupereerd worden. In het verlengde van die Sirenenzang ligt ook de architecturale inkapseling, die cultuur wil lokaliseren en zo controleren. Daarbij komt dat politici graag lintjes doorknippen, en daar leent prestige-architectuur zich uitstekend toe, zie ook de opgepepte hoerasfeer rond het Antwerpse MAS.

De fluwelen greep van de overheid op onze vrijetijdsbesteding, via het subsidiesysteem en de gratiscultuur à la Stevaert, staat echter haaks op de toenemende druk van de burger zelf om zich aan die controle te onttrekken. Heel de idee van “participatie”,bij ons ontwikkeld in de jaren ’90, valt nu als een mislukte soufflé in elkaar: participeren waaraan, waartoe? We hoeven geen gratis museumkaartjes, geen gesubsidieerde barbecues, en de grote “sociale cohesie” waar Bert Anciaux (maar merkwaardig genoeg nu ook Bart De Wever) naar streeft, blijkt toch maar een voorwendsel om mensen vrolijk, braaf en onkritisch te houden (Erwin Mortier spreekt in dat verband van “gezelligheidsfascisme”).

Nieuwe underground

Sorry dus voor de “sector” en haar administratie, maar de toekomst is aan de kunstenaars die géén projectvoorstellen indienen, aan de graffiti (maar dan niet op de daartoe voorbestemde panelen), aan het (niet- voorgeprogrammeerde) straattheater, én aan de nieuwe buitenkringen die zich rond die subversieve geluiden vormen. De toekomst is aan spotters zoals David Cerny (“Entropa”), die inbreken en dan weer uitbreken. Aan clowns en stand-up-comedians zonder vergunning. Aan nomaden die komen en even snel weer verdwenen zijn, polymorf, ontraceerbaar, zoals het leven zelf. Aan amateurs die vehikels, behuizingen, sculpturen, teksten verzinnen buiten elk protocol.

De staat is dood, maar er is een regimecultuur die teert op pure nostalgie en een schijn van continuïteit ophoudt. Die nostalgische toon vind ik ook heel de tijd terug in het kalligrafisch boekje van de estheet Bart Caron, die gelooft dat kunst de zeden verzacht en het volk naar de Hemelse Vrede moet begeleiden. Terwijl Beethovens 9de symfonie, kapotgespeeld omwille van de door Europa geënterde “Ode an die Freude”, toch veel duistere en boosaardige geluiden bevat die in een Paleis van Schone Kunsten amper hoorbaar zijn.

Wel of niet de kers op de taart? Het is een futiele discussie, nu een aantal boosdoeners besloten heeft om met taarten te gaan gooien, en misschien met nog explosievere projectielen. Ik steun ze, ik wil ze zien en horen, net omdat ze lichtjaren ver van het sectorieel geroezemoes staan, en zich in een sociaal-existentieel avontuur van de nieuwe underground begeven.

Tot slot nog dit: als tiener moest ik een half jaar sparen om een operaticket te kunnen betalen. Het heeft me geleerd om de waarde van kunst te smaken en de zin van offers in te zien. Gratis cultuur is waardeloos, kunst moet een prijs hebben. Hoge drempels, toegangsvoorwaarden, discriminatie, ze mogen en moeten er zijn, want niets is zo saai als een opendeurdag met luchtkasteel en trampolines.

De kaasschaaf van Schauvliege: ik blijf het een formidabel stuk keukengerei vinden.

Johan Sanctorum


We hebben (bijna) een regering, leve de oppositie!

29 november 2011

Habemus papam, de witte rook zal dra uit de Wetstraat opstijgen. Dat het compromis à la belge niemand begeestert –en daarom wellicht een “goed compromis” is- lijkt vooral een zelflovend statement van de politieke klasse. De waarheid is veel onthutsender: het kan Jan en Mie Modaal geen fluit schelen of we een regering hebben. De gevolgen voor de portemonnee, dat gaat ons natuurlijk wel aan. Maar het idee op zich, dat er weer een kapitein aan het roer staat, dat we weer voor vol aanzien worden in het buitenland, neen, dat zal ons worst wezen. De schijterige antiheld Leterme had nog tot in de eeuwigheid met voorlopige twaalfden mogen schuiven.

De algemene weerzin tegen politiek en politici zal alvast in Vlaanderen niet verdwijnen, integendeel. Zeker met een premier wiens Nederfrans we tenenkrullend aanhoren, en met een regering die niet eens een meerderheid heeft aan Vlaamse kant, is Di Rupo gedoemd tot het acteren van zijn eigen karikatuur. Cartoonist Erwin Vanmol scherpt nu al zijn potloden.

Ach, eigenlijk willen wij het liefst helemaal geen regering. Er mag wel iemand op de winkel letten, maar het charisma van de macht is bij ons haast iets obsceen. Soms probeert men die Vlaamse anti-establishment-attitude historisch te duiden. Ik houd het bij de val van Antwerpen in 1585, toen onze lokale “cultuurdragers” (zo noemen ze zich graag)  alle tijd kregen om naar het Noorden te emigreren, waarna burgemeester Marnix van St. Aldegonde de poorten opende voor de Spaanse furie.

Sindsdien hebben de Antwerpenaars lak aan de bewoners van ’t schoon verdiep én aan intellectuelen. Het liefst zien we ze stuntelen, spartelen, slijkworstelen, of gewoon zachtjes sudderen in hun eigen vet tot ze radeloos in het rond beginnen te twitteren.

Incivieke strategie

De politici onverantwoordelijk? We hebben vooral burgers zonder burgerzin. Het initiatief van David van Reybrouck sloeg niet aan, de frietrevolutie leverde al bij al slechts wat slappe, op te lage temperatuur gebakken drentels op.

Het is uiteindelijk de Vlaamse kiezer (en als ik nog specifieker mag zijn: de Antwerpse stembusganger) die de incivieke strategie van de onthouding heeft gevolgd en verantwoordelijk is voor de langste regeringscrisis ooit. Hij schoof de underdog naar voor, maar dan in de heimelijke hoop dat die zijn politieke maagdelijkheid zou behouden,- een rol die Bart De Wever met verve speelt.

De politici onverantwoordelijk? We hebben vooral burgers zonder burgerzin.

De Vlaamse kiezer – om maar eenvoudigheidshalve van dit statistisch wezen te blijven spreken- gebruikt de politicus enkel nog om het systeem te destabiliseren. De Winter, De Decker, De Wever zijn de hefbomen van deze ontwrichtingsstrategie. Men spreekt over “populisme”, als van een politiek die het volk naar de mond spreekt, maar dat is een understatement: eigenlijk heeft het volk met de politiek al lang afgerekend en zoekt het nu de uitgang.

Bart De Wever zal zijn charisma behouden, zolang hij aan de macht niet deelneemt. En ik denk ook dat hij het weet, daarom weigert hij bij voorbaat elk ambt. Zijn macht bestaat uit pure contre-démocratie, het tegengewicht van de niet-deelnemer en saboteur, zoals voordien het Vlaams Blok/Belang dat uitoefende. Wordt Bart De Wever burgemeester van Antwerpen, dan is de pret er helemaal af, en kiezen we wel weer een andere schaduwpoliticus.

Testosteron

Het is pas door dit inciviek fenomeen in een internationale context te plaatsen, dat we beseffen hoe ver we onze tijd vooruit zijn. In plaats van altijd maar weer te schelden op de antipolitiek, is het boeiender om dat fenomeen eens ten gronde te doordenken.

De 21ste eeuw wordt vooral een eeuw van de ontluistering, de desublimatie en het iconoclasme: het neerhalen van regimes, van systemen, maar vooral van personen die in het systeem een glansrol vervullen. De man die in Irak ooit een schoen gooide naar president Bush, heeft iets veel fundamenteler in gang gezet dan alle Arabische en andere revoluties samen. We gaan naar een tijdperk van taarten en rotte eieren gooien, uitschelden, en wellicht ook het straffere werk: de aanslag.

Deze focus op persoonlijke machtspunten, in plaats van steriele systeemkritiek, wijst op de heropleving van de antieke tirannenmoord. Het besef groeit dat  kritiek zinloos is, omdat in elk systeem hetzelfde soort machtsbeluste individuen opduikt dat zich op het verhoog weet te hijsen (“verantwoordelijkheid nemen” is het steevaste eufemisme). Dus moeten die individuen eraan.

Testosteron is de enige en echte motor van deze planeet.

Van Julius Caesar tot Pol Pot,- altijd weer reïncarneren ze zich, de performers die zich ontpoppen tot tirannen. De weerzin tegen dit machtsmisbruik, en het inzicht dat macht zich ook alleen maar lààt misbruiken, levert wereldwijd een enorme dosis negatieve energie op.

De dagen van bejaarde potentaten zoals Jean-Luc Dehaene of Dominique Strauss-Kahn zijn geteld. Financiële en/of sexuele graaizucht, het sprookje van de “erotiserende macht”,- het is allemaal gedaan, de roedel wil de scalp van het alfadier. Vooral de jacht op DSK had een hoog gehalte van seksuele afgunst. Testosteron is de enige en echte motor van deze planeet.

V for Vendetta

De haast biologische rancune van de groep tegen de leider, het politieke dier, de volksheld, de demagoog, de vedette, die eerst gekozen wordt en daarna als zondebok wordt afgemaakt, betekent het einde van de democratie, in de klassieke zin van representatieve macht. Wie uitverkoren wordt, wacht nog enkel de schande. Elk podium verandert bliksemsnel in een schavot,- het geldt voor kunstenaars, schrijvers, politici, celebrities: we willen ze zien sterven, zo  goor mogelijk. Het lynchen van Mussolini in 1945 (omgekeerd opgehangen aan de dwarsbalk van een benzinestation) is een waarschuwing voor alle acteurs en performers, politieke en andere, vandaag en morgen. De functie van de zgn. schandaalpers is, om eerst het proces van de vedette te maken en dan zijn publieke executie te voltrekken.

De machtswissel interesseert ons niet, we genieten puur van de val.

De machtswissel interesseert ons niet, we genieten puur van de val,- dit woord zo letterlijk mogelijk te nemen. De boeksens zijn hun tijd ver vooruit: dit wraak- en zondebokproza is de literatuur van de toekomst. Het gaat om wraak en genoegdoening, niet om zelf de macht over te nemen. Het is opmerkelijk hoe de “occupy”-bewegingen in New-York, Londen, Rio en Rome, met dat anarchistisch rechtvaardigheidsgevoel spelen. Gemaskerd achter de tronie van een wraakengel uit een film van Alan Moore, zoeken ze ronduit de man en viseren de excellenties van de G-20 en de G-8. Geen systemen, maar concrete personen, fysieke lichamen, naakte apen. Eerst ludiek en soft, maar het is een kwestie van tijd alvorens er ook echt koppen vallen. “V for vendetta”:  het volk ruikt bloed en zal het krijgen.

 

Vrouwen, kinderen, gekken en homo’s

Als laatste uitweg, om die catastrofe te vermijden, zien we nu hoe de macht in alle geledingen figuren naar voor schuift die een soort valse onschuld uitstralen: vrouwen, kinderen, gekken, homo’s. Gezette tantes zoals Angela Merkel, die schiet je toch niet af, hijs ze maar door het glazen plafond. Ook Elio Di Rupo straalt, mede door zijn geaardheid, de aseksualiteit uit van een handpop die geen vlieg kwaad zou doen. Dat imago van de nette homo levert hem een enorm voordeel op: hij oogt niet als een op wijfjes belust alfadier. In een bepaalde Vlaamse satirische pers wordt hij nu al vergeleken met Pulcinella, de hansworst uit de commedia dell’arte. Het aanstellen van een nar, een gek: het kan een middel zijn om tijd te winnen, denk aan Claudius in het oude Rome. We denken dan in ons geval aan een absolute mislukking van de natuur zoals pain-in-the-ass pdw. Of een paard, ezel of kat, die zouden het zeker ook goed doen als Belgisch tussenpremier.

Tenslotte worden broekjes zoals Matthias De Clercq, Bruno Tobback, en jawel, zelfs Alexander De Croo (niet toevallig allemaal zonen of kleinzonen van) door de voorvaderen op het verhoog geplaatst, in de hoop dat de meute hen genadig zal zijn. Het zgn. jeunisme in de politiek, de komedie van de troonsafstand, is een laatste stuiptrekking van de aloude krokodillenstrategie, maar misschien ook het begin van een post-Darwiniaans paradigma waarin de macht eigenlijk enkel nog als vacuüm zichtbaar wordt.

De politieke discussie dient dringend gedepolitiseerd.

Zelfs de afvaardiging van de kind-vedette Iris, alias de 16-jarige Laura Van den Bruel uit Herentals, naar het Eurovisiesongfestival, lijkt op een ontwapenende tactiek tegen de ongenadige boulevardpers. Kinderen? Afblijven, alleen pedo’s vergrijpen er zich aan.

Elio dus als schim op een onbezette troon, de waarnemer van een postmodern interregnum: meer zat er echt niet meer in voor België. Let op mijn woorden, en ik zeg het zonder fobie voor wie of wat dan ook: de vrouwen, kinderen en homo’s zijn de goede engelen die als laatste linie tegen de volkswoede worden ingeschakeld.

Ziezo, met deze antropologische duiding is de toon van de buitenparlementaire oppositie gesteld. De politieke discussie dient dringend gedepolitiseerd. Het gaat eigenlijk helemaal niet om BHV of de transfers, maar om esthetica, theatraliteit en hormonen. Als ze slim zijn maken ze volgende keer een vrouw tot eerste minister. Ik televoot nu al voor Iris.

Johan Sanctorum


Vive la République

15 november 2011

We weten allemaal dat bovenstaande leuze door ene Julien Lahaut werd geroepen tijdens de eedaflegging van Koning Boudewijn op 11 augustus 1950. Een week later werd hij voor zijn deur geëxecuteerd. De leden van het doodseskader, afkomstig uit Leopoldistische kringen, verbonden met het koninklijk Hof, de CIA en het Gladio-netwerk, waren bekend maar zijn nooit verontrust. Ondertussen is de zaak verjaard en voer voor historici. Jean-Pierre Van Rossem deed het in 1993 nog eens dunnetjes over, toen Koning Albert werd gekroond.

Op elke 15de november, Dag der Dynastie, worden we er nog eens aan herinnerd dat we in een (weliswaar constitutioneel) koninkrijk leven, als relict van het middeleeuwse feodalisme. De Belgische kloof is hier bepaald frappant. Ik woon in Overijse, aan de taalgrens, en hoef maar een paar honderd meter te wandelen om te zien hoe talrijk de driekleur wappert in Wallonië, en hoe zuinig in Vlaanderen. De Vlaming heeft mentaal al lang afscheid genomen van het Koningshuis, al heeft datzelfde Koningshuis zijn overleving ooit te danken gehad aan diezelfde Vlamingen, toen het na WO. II tot een referendum kwam bij de terugkeer van Leopold III.

Die onthechting is het resultaat van een langzaam proces dat toch eerder met verlichting en emancipatie te maken heeft, dan met verzuring en negativisme. Maar zo ziet de Belgitude het niet, een verzamelnaam voor de systeem-ondersteundende elementen en geledingen in dit land: België, het vorstenhuis van de Coburgs, de gestelde lichamen (waarmee alle institutionele en maatschappelijke dragers worden bedoeld), en de veronderstelde culturele identiteit van deze natie (geassocieerd met het surrealisme, bier en frieten),- het behoort tot één onlosmakelijk pakket. Wie aan één van deze pijlers raakt, wordt haast als inciviek beschouwd. Ergo: Laken is en blijft het mentale middelpunt van deze natie, en frieten zullen er gegeten worden. Zijdelings speelt ook het kerkorgel nog altijd mee, want vandaag, 15 november, is de Basiliek van Koekelberg de place-to-be.

Lakeien

Jan Fabre: plafonddecoratie Koninklijk Paleis

Men zou in theorie België kunnen hermodelleren tot een republiek. Maar dat schijnt niet in de genen van deze staat te zitten. De verwevenheid van de politieke, economische en culturele elites met het Hof is daarvoor te groot, en te historisch gedetermineerd. De gestage productie van baronnen en baronessen mag men als de meest geslaagde marketingstrategie van het Belgische koningshuis beschouwen: allemaal mannen en vrouwen met verdiensten voor de samenleving, maar meteen ook gewillig ingelijfd in het tricolore establishment.

Men kan koning Albert en zijn troonsopvolger Filip niet kwalijk nemen dat ze voor hun job vechten, ik zou het misschien ook doen. Maar dat kunstenaars zoals Anne Teresa De Keersmaeker en Jan Fabre daarin enthousiast meegaan, bewijst dat ze het politiek statement achter zo’n eretitel zeer goed begrijpen én onderschrijven: het is een steun aan de het koningshuis, de Belgische constructie (in Vlaamsgezinde kringen “la Belgique à Papa” genoemd), het establishment, en de daarbij behorende identitaire ideologie.

En dat is een zeer dubieuze affiniteit. Waarom afficheren ze zich als rebellen, en gedragen ze zich als lakeien? Acties zoals “Niet in onze naam” dragen onmiskenbaar deze signatuur. Speciaal het initiatief voor dit KVS-evenement is in uiterst-linkse artistieke kringen ontstaan, maar de teneur is conservatief, tricolore, en, jawel, lichtjes Albertiaans.

Meteen valt het republikeinse discours vrijwel samen met het radicaal-flamingante. De ironie is, dat de links-progressieve Vlaamse cultuurwereld die tendens heeft bewerkstelligd. Hier en daar zie ik een eenzame dichter, genre Dirk Van Bastelaere, die zich onbeschaamd republikein durft noemen (daarom nog niet flamingant), maar doorgaans zie we overal tamelijk bizarre, “tegennatuurlijke” combinaties van modern artiestendom met melig royalisme dat we eerder in de boekskens verwachten.

Meteen is ook de complete Vlaamse culturele klasse vervreemd van een groot deel van de Vlaamse publieke opinie. Ze weet het, en gedraagt zich als een verlichte minderheid tegenover de domme, “rechtse” Vlaming. Deze haat-liefde-verhouding is sterk uitgesproken bij schrijvers als Dimitri Verhulst en kunstenaars zoals Wim Delvoye: zo Vlaams als hun idioom is, zo Vlaamshatend is hun ideologie, of wat daarvoor moet doorgaan. De Vlaming houdt dus ook niet van zijn kunstenaars, en terecht. Volgens alle clichés van de links/rechts-tegenstelling, is er een echte loopgravenoorlog ontstaan tussen de culturo’s en de zwarten, ik gebruik met opzet de stigmatiserende benamingen, zie bijvoorbeeld ook de manier hoe schilder Luc Tuymans zich in deze profileert. De affiniteit van links met het Belgische koningshuis blijft daarin een duurzaam breekpunt.

Het Land van Ooit

Het is wachten op de dag dat de Vlaamse linkerzijde het republikeins gedachtegoed herontdekt, de filosofie van de Res Publica (letterlijk: “de zaak van iedereen”) die eigenlijk tot de harde kern van ons immaterieel Europees erfgoed behoort. De republiek is dé institutionele uitdrukking van de democratie. Een rechtstreeks verkozen staatshoofd met beperkte legislatuur, en een hoge graad van burgerparticipatie (de zgn. “rechtstreekse democratie”, inclusief bindende referenda) behoren tot de essentie van die natievorm. Zelfs een pure representatieve, “ceremoniële” functie van een koninklijk staatshoofd is niet meer van deze tijd, en fantomiseert de democratie. We zitten dan met schaduwpolitiek, ongestelde lichamen en veel ruis op het debat. Een land dat samengehouden moet worden door een monarch, wordt beter afgeschaft, zo spreekt het gezond verstand.

Burgerparticipatie kan men niet afdwingen: ze moet gestimuleerd worden, ook pedagogisch, in een maatschappijvormend kader. Maar in Vlaanderen smelt dat kader nog elke dag weg: we herkennen ons niet in een natie, er is geen gemeenschapsgevoel. De culturele elite die hier een pedagogische opdracht heeft, is weggelopen en koestert zich in een vrijwillige ballingschap, zoals ze na de Val van Antwerpen in 1585 deed.

Nu het G-1000-initiatief in elkaar is geklapt tot zijn reële, niet-gemediatiseerde afmeting, namelijk die van een vaderlandslievende hobbyclub, is het tijd voor een ander, breder verhaal. Vanaf dag 1 werd David van Reybrouck al uitgespuwd door de kanunniken van de Vlaamse beweging. Hij zal er plezier aan beleefd hebben, en het opgevat hebben als een zelfbevestiging. Toch zijn ze op elkaar aangewezen, en wordt het tijd dat de Vlaamse intelligentsia de emanciperende kracht van het republikeinse denken (her)ontdekt, en dat, omgekeerd, die Vlaamse beweging uit haar stereotiepe klaagzang der kruideniers geraakt.

Voor het Belgische regime, het friet-en-bier-nationalisme, en voor onze vorst en zijn hofhouding, is er dan geen plaats meer. We hoeven hen niet naar de guillotine te sturen. Ik pleit eerder voor een Europees “Land van Ooit”, waar alle monarchen en hun uitgebreide families in een groots domein een luxueus leven kunnen leiden, met als enige tegenprestatie het publiek tentoonstellingskarakter daarvan. Ideaal voor schooluitstappen. Ze kunnen in dat sprookjesbos verder onder elkaar keuvelen, staatsiebezoeken afleggen, cohabiteren, zelfs trouwen en kindjes krijgen. Ik ken zelfs een park in Tongeren dat daar ruimte voor biedt.

Daar vallen ook de handelsmissies van Prins Filip te situeren, de troonredes, het raadplegen van verkenners, de colloques singuliers,- zelfs af en toe een aanval van onmacht, zoals het Boudewijn I overkwam toen hij de abortuswet moest ondertekenen.

Neen, als romanticus hou ik echt van operakoningen, prinsen en prinsessen, hun tribulaties, hun emoties. Het goed bestuur van een gemeenschap is natuurlijk iets helemaal anders,- daar hoeft geen drama, komedie, of, godbetert, surrealistische kunst, bij te komen kijken.

De roep “Vive la République” klinkt, speciaal in België, als vloeken in de kerk. Speciaal vandaag, als het Te Deum weerklinkt, blijven we hopen dat dat daar eens iemand recht staat en…

Johan Sanctorum


Boek.0: pleidooi voor ontlettering

29 oktober 2011

Met het vallen van de blaren schuiven belezen Vlamingen weer in dichte drommen naar Antwerp Expo om nog slimmer, nog meer belezen te worden, en een glimp op te vangen van hun schrijvende halfgoden die zich voor één keer tussen de meute begeven. Hoewel er overal ter wereld boekenbeurzen plaatsvinden –denk aan de fameuze beurs van Peking, waar ons aller David Van Reybrouck zo opgetogen over was ondanks het toegangsverbod voor dissidente schrijvers-, zie ik die Antwerpse beurs toch als een typisch Vlaams kuddefenomeen, een teken van volgzaamheid en conformisme. De Vlaming leest, niet om zich te laten verrassen of te ontdekken, laat staan om zich boos te maken, maar omdat lezen nu eenmaal tot zijn gehoorzaamheidscultuur behoort. Nauwgezet volgt hij de aanbevelingen van de boekenbijlagen in De Standaard, De Morgen en Knack, die zich zelf dan weer laten inspireren door de oekazen van de literatuurprijs-jury’s. Het hangt allemaal perfect samen, de literatuur volgt de markt en vice-versa. Wie schrijft die blijft, maar wie leest, kan meespreken en hoort erbij. En daar gaat het om. Samen-horigheid, lectuur als groepsgebed.

Vlaamse kermis

De boekenbeurs dus. Alles wel beschouwd grijpt hier de jaarlijkse apotheose plaats van het cultuurindustrieel establishment, gepatroneerd door boek.be, de vereniging van Vlaamse uitgevers en boekhandels. Boek.be is een commerciële belangengroep met een behoudsgezinde missie die onder veel ambiance en geschetter wordt gecamoufleerd.  De boekenbeurs is geen plaats voor contestatie, zelfs niet voor controverse. Het is een Vlaamse kermis waarover een parfum van politiek-correcte weldenkendheid en intellectualistische pronkzucht hangt (de verdomd interessante lezingen en debatten, de signeersessies,…), maar ook van commerce en consumentisme. Men hoort de letteren knetteren en de kassa rinkelen, en dat alles in de grootst mogelijke harmonie. In deze cultuurbraderij wordt het huwelijk gecelebreerd van de Roman (met hoofdletter) en het kookboek, hoogcultuur en hobbyisme, onder het motto: “papier is papier”.

Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie.

De wankele positie van het boek, als object en medium, maakt a fortiori ook de boekenbeurs tot een zinledig, repetitief en hysterisch spektakel. Onderhuids en off the record weet natuurlijk iedereen dat de dagen van het boek geteld zijn. Maar laat die ondergangsstemming nu net de fleurigheid van het feest uitmaken, doorspekt met ronkende zegebulletins en recordjacht: elk jaar meer bezoekers, meer standjes, meer schrijvers, meer leut. Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie. Alles herhaalt zich in meer van hetzelfde: de schrijvers, de uitgevers, de distributie, de beurs, de media, het publiek.

Oude goden

Natuurlijk hebben Brusselmans en Lanoye weer elk hun roman klaar: ze ovuleren op het gepaste moment, opgepept als ze zijn met het hormonenpreparaat dat hen door hun uitgevers-soigneurs werd bezorgd. Ooit werden ze “de jonge goden” genoemd. Nu tsjokken ze, met een pak incontinentieluiers onder de arm, naar hun signeerstandje om aldaar de honneurs waar te nemen van een verlepte Vlaamse literatuur die na Claus eigenlijk niets meer te betekenen had. Herman kijkt met glazige oogjes naar de schoolmeisjes die rond hem cirkelen, Tom doet hetzelfde met de knaapjes. Meer dan twee van zulke goden heeft deze planeet niet nodig. Tegelijk loert Brusselmans met onverholen chagrijn naar de afdeling kookboeken van de naastliggende stand, Lanoye heeft als schrijver zijn toevlucht gezocht tot het laatste redmiddel als niets meer lukt: over zichzelf schrijven, de zogenaamde autobiografische roman. Moeder!

Van bijbel tot kookboek

De kookboeken dus. Critici en literatuurfreaks doen er honend over, maar ze zijn dé sterkhouders van het ineen stuikend boekenvak. Het hobbyboek vormt de laatste fase van een literair verdampingsproces dat we alleen maar kunnen toejuichen: alles eindigt in de keuken of in de garage. Na het kookboek komt er niets meer. Hopelijk. De 21ste eeuw zal de geschiedenis ingaan als de eeuw waarin de tekst zich definitief van het papier losmaakte, om vrijer te gaan zweven, los van de hiërarchie auteur/lezer en de dwang van de inhoudsopgave.

Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden. Vergeten we niet dat de boekdrukkunst een kleine 600 jaar geleden is uitgevonden om bijbels te kunnen drukken,- dus om het ware geloof te propageren en om voor te schrijven wat ons te doen staat. Geboden en verboden.

Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden.

Nooit heeft het boek zich van die oorsprong kunnen ontdoen: de gedrukte tekst is in se prescriptief, elk boek is, ongeacht de inhoud, een handboek voor de lezer én een inprentingsmachine. Het laat zich niet zomaar doorbladeren,- het bevat integendeel instructies, een gebruiksaanwijzing die ons moet beletten om de tekst te mislezen. Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren, al was het maar over de manier om een soufflé te maken, en dat vergt een lecturale onderwerping, een lees-discipline die ons vanaf het eerste studiejaar wordt ingelepeld.

Ontlettering

Ook de roman, de seculiere tegenhanger van het bijbelmodel, ontsnapt niet aan die manipulatieve missie. Integendeel, de zogenaamde fictie dompelt ons in een verhaal dat het onze niet is, maar waarvan de compositie ons, meer nog dan het essay of het manifest, verleidt en dwingt om ons te identificeren (of net niet) met een personage. Het verhaal zou daardoor een metaforisch verklede waarheid bezitten. Daarom zat diezelfde bijbel ook boordevol verhalen: de auteurs wisten wat ze deden.

Het verhaal blijkt nu echter een leugen, en weerspiegelt slechts de leugenachtigheid die ons sociaal en politiek omgeeft: van Irak tot Dexia, overal worden ons leugens opgedist, “nuttige fictie”, die slechts veel later aan het licht komt, met dank aan gekken als Julian Assange.

Boeken zijn puur ballast, ze vergiftigen ons bestaan, ze verzoenen ons met de fabulatie. De schrijver is God, maar die had Nietzsche al dood verklaard, dus moet het eerder om een mummie gaan, een lastig spook. Lezen wordt dan, letterlijk, een dwaling.

Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft…

De opstand van de lezer, ontlettering genoemd, ligt nu in het verschiet. De ontsluiering haalt heel de romaneske tijdslijn overhoop. Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft,- tijd die we beter hadden besteed aan interessante dingen zoals een risotto maken (zonder Jeroen Meus), een stevig potje seks (zonder Goedele Liekens), op reis gaan (zonder Michiel Hendryckx), kortom: ons eigen verhaal maken, het enige dat echt telt.

Fahrenheit 451

Zei ik “de opstand van de lezer”? Er zijn verschillende strategieën om de gevaarlijke absurditeit van het boek te neutraliseren. Men kan bijvoorbeeld het boek ongelezen in de kast plaatsen,- dat komt meer voor dan zogenaamde lezers willen toegeven. Het wordt dan een rug, een decoratief element.

Daarnaast zijn er allerlei middelen die het boek op een of andere manier ontwaarden: de ramsj, de uitverkoop, de versnipperaar, het boek als pletmiddel voor een verzameling gedroogde bladeren, of als vliegenmepper. De ecologische kritiek is een belangrijke hefboom: de papierindustrie (waarvan het boekenvak maar een tak is) is een ontbosser, en bos hebben we nodig. Niet alleen om te ademen, maar ook en vooral om de vlakte te vermijden en te kunnen verdwijnen. Een boom is in die zin het perfecte boek: ongelezen, tekstloos, puur organisme.

Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh.., waarom niet, ook de kookboeken.

Het boek (etymologisch van “beuk” afgeleid) is onnatuurlijk en natuurvijandig, zoals cultuur tout-court. In die zin zou men de distopische en herhaaldelijk verfilmde roman van Ray Bradbury  “Fahrenheit 451”, over een toekomstige samenleving waar boeken verbrand worden, kunnen ont-lezen tot een utopie. De boekenverbranding, vandaag nog gezien als hét symbool van barbarij, kan even goed een ritueel worden in een zoektocht naar nieuwe authenticiteit en autonomie. Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh…, waarom niet, ook de kookboeken.

Dom blondje

Op een legendarisch geworden foto ziet men Marilyn Monroe, absoluut prototype van het domme blondje, op een bankje James Joyce “lezen”. Maar men ziet zo dat ze alleen naar de letters kijkt, mogelijk houdt ze het boek zelfs omgekeerd vast. Die dislexie opent mogelijkheden, misschien was Marylin wel veel slimmer maar ook veel onaangepaster dan wij allemaal samen. De zogezegde verloedering van de taal bij de jeugd, via het chatten en SMS-en, zou men als een spontane deconstructie kunnen opvatten van een literair kolonisatieproject dat ergens bij Gutenberg begon. De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat. Men kan verontwaardigd zijn over van alles en nog wat, maar in laatste instantie moet de taal heruit gevonden worden, en dient de tekst “ontlezen”. Onbegrip, vervorming, analfabetisme, dislexie, dialect, allerlei niet-reguliere idiomen, taalfouten: ontlettering is tegelijk zich uitschrijven,- uit de monotheïstische bijbelcultuur die ons nog steeds domineert.

De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat.

Het internet is een nuttig middel (maar meer ook niet) om dat tweevoudig proces van het ontlezen en het uitschrijven te faciliteren. Alleen het dagboek zou deze boekenverbranding kunnen overleven, als een neerslag van het persoonlijk geheugen, waar geen lezer zaken mee heeft, tenzij, op zeldzame “uitgelezen momenten”, een zielsverwant, en daar is geen boekdrukkunst of boekenbeurs voor nodig.

Met de verdwijning van het boek, als collectief fetisj en cultuurobject, verdwijnt ook de klassieke school (schola, scholastiek: ook die is theologisch), en wenkt een nieuw bestaan van de buitenstaander, dilletant, analfabeet, dagboekschrijver, zondagsschilder, dienstweigeraar, maker van onbestaande kunstwerken, reiziger, grensbewoner. Dit gaat over nieuwe naaktheid, naïviteit en levenslang beginnen. Domweg.

Meer over ontlettering:

Het boek, de bomen en het bos

Epi-fanie


Beyoncé danst Rosas, so what?

19 oktober 2011

Pleidooi voor méér artistieke en intellectuele copycats

Groot alarm: een Amerikaanse popzangeres die alleen onder de voornaam Beyoncé bekend is (terwijl ze voluit Beyoncé Giselle Knowles heet), heeft danspassen “gepikt” van Anne Teresa De Keersmaeker en in een videoclip verwerkt, zonder iets te vragen. De reactie van de bekendste Vlaamse (of moet ik in haar geval zeggen: Belgische) choreografe is dubbelzinnig. Enerzijds voelt ze zich vereerd en lijkt dit een teken van erkenning. Anderzijds laat ze Beyoncé weten dat “er protocols bestaan, en dat zulke handelingen gevolgen hebben”. Meisje is dus stout geweest, meisje moet in de hoek en zal de rekening gepresenteerd krijgen.

Zonder twijfel is Anne Teresa De Keersmaeker een mijlpaal in de geschiedenis van de moderne dans, daarover gaat de discussie niet. Wel bemerk ik een latent superioriteitsgevoel van de “hoogcultuur” t.o.v. de  “populaire cultuur”. De eerste manifesteert zich als experimenteel, vernieuwend, origineel, doordacht, intensief, diepzinnig. Van daaruit wordt de tweede geëtiketteerd als “mainstream”, inspiratieloos, entertainend, oppervlakkig, commercieel.

Establishment

Een groot deel van De Keersmaeker’s discours omtrent Beyoncé’s zogenaamde misstap draait rond dat moreel-intellectueel superioriteitsgevoel. Er is een “onbaatzuchtige” kunst die creëert en met de diepere levensinhouden omgaat, en er is een lucratieve amusementsindustrie die maar wat aanmoddert. Op een dansvoorstelling van Rosas werken onze hersenen op volle toeren en stokt onze keel, een clip van Beyoncé is slechts oppervlakkig volksvermaak. De grote choreografe schudt meewarig het hoofd en constateert vervolgens het grote gelijk van de avant-garde: “Now that I see Beyoncé dancing it, I find it pleasant but I don’t see any edge to it. It’s seductive in an entertaining consumerist way”. Terwijl de kunst van De Keersmaeker, met alle respect, zich tot een elite richt met een hoog zelfknuffelgehalte,- mensen die nu eenmaal Rosas nodig hebben om in interessante gesprekken te tonen hoe gecultiveerd ze wel zijn.

Ik zou daarbij ook het lelijke woord “establishment” kunnen gebruiken, maar ik zal me beperken tot de vaststelling dat het zogenaamde materialisme en de diva-allures van Beyoncé Knowles wortelen in de sociale ambities van een Texaans, cultuurloos low middle class gezin, terwijl barones Anne Teresa De Keersmaeker binnen de cocon van het Vlaams-Belgische subsidiecircuit is groot geworden. Haar uitgangspunt is, dat de overheid Cultuur met een grote C financieel moet in leven houden omdat de samenleving anders mentaal verkommert, terwijl Beyoncé gewoon op de markt is gaan staan en naast zichzelf ook nog parfums verkoopt. Ik stel gewoon de clash tussen twee werelden vast.

SABAM

Binnen dat cultureel establishment was er groot begrip voor de houding van De Keersmaeker, al klonk het hier en daar ook wel dat dit ontmaskerde plagiaat een mooie publiciteit oplevert. Wat ik in de discussie mis, is de cultuurfilosofische pointe: wat betekent “plagiaat” nu eigenlijk, en bestaat er zoiets als “intellectueel eigendom”?

In België waakt hoofdzakelijk de auteursvereniging SABAM over de “rechten” van de kunstenaar. Afgezien van de gerechtelijke dossiers die tegen deze vereniging lopen wegens financieel gesjoemel, en het feit dat ze een pyramidale ledenstructuur kent (waar alleen de top geld terug krijgt, en de onderlaag vooral bijdraagt), is er al jarenlang kritiek omwille van de repressieve stijl en de nultolerantie die ze hanteert jegens bijvoorbeeld muziekliefhebbers die eens een blaadje muziekpapier copiëren. Ook de gretigheid waarmee ze in alle delen van het publieke én privé-domein ingrijpt om “billijke vergoedingen te innen” (zoals voor een radio die in de werkplaats van een garagist galmt, of de heffing op blanco-CD’s waarop u waarschijnlijk toch “beschermd werk” gaat branden) wekt veel kwaad bloed.

Fundamenteel echter is SABAM een dinosauriër, een levend fossiel in een wereld waar ideeën, beelden, teksten steeds sneller circuleren. “Intellectueel eigendom” is in onze cultuurgeschiedenis altijd al iets problematisch geweest. Originaliteit is in se een belachelijk fetisj. Hoeveel keer is het thema van Don Juan vanaf de renaissance tot heden overgenomen en doorgegeven, zonder copyrightperikelen? Moet een onderzoeker de nazaten van Einstein toestemming vragen om de relativiteitstheorie te mogen gebruiken?

In de 21ste eeuw is het begrip “auteursrecht” gewoonweg onhoudbaar, omdat ten eerste de massaculturele participatie een feit is, vooral dankzij het internet, en omdat de technologie zich buitengewoon leent tot copiëren, verveelvoudigen, maar ook spiegelen en vervormen. De schemerzone tussen copie, plagiaat, referentie, citaat en bewerking wordt steeds breder. Zelfs een “plagiërende” student met een thesis vol copy-pasts is iemand die ideeën doorgeeft en aan cultuurspreiding doet. Waarom hem buizen?

Intertekst

Vandaag leven we in een bad, door filosofen “intertekst” genoemd, waarvan slechts het schuim aan de oppervlakte zichtbaar is als cultuur. Vanonder stroomt alles door elkaar, waardoor er telkens nieuw schuim ontstaat. Ideeën moeten kunnen bewegen om gerecycleerd te worden. Het vermogen tot imiteren, absorberen, copiëren, parafraseren, permuteren,… is zelfs een maat voor de mentale fitheid van een samenleving. Beschermde ideeën zijn dode ideeën. De toekomst is aan de dilettant en eclecticus, iemand die weet te shoppen en te zappen, het bestaande combineert en synthetiseert. We hebben de mond vol over horizontale communicatie, de kennismaatschappij en de netwerkcultuur, maar dan moeten we niet flauw doen over het uitwisselen en doorgeven van wat de moeite waard is.

Goede ideeën verdienen om overgenomen te worden. Of om het met Anne Teresa te zeggen: Beyoncé heeft een goede smaak, chapeau. De Keersmaeker zou dan toch ook moeten erkennen dat ideeën die zelf ergens anders vandaan komen, niet kunnen ontvreemd worden. Als een auteur een roman schrijft, “zijn” roman, dan resoneert heel de wereldliteratuur daarin mee (ik hoop het voor hem), maar ook de boodschappenlijstjes van zijn vrouw en de teksten van La Esterella. We zijn maar deeltijdse, fragmentaire wervels van een enorme chemie. Het is de grote verdienste van de popcultuur dat ze die intertekst ten volle erkent en beleeft, ook al zit ook zij uiteraard in de greep van het auteursrechtenspook, de managers, productiehuizen en CD-labels.

Respect dus voor grote vernieuwers en hun vermoeienissen, maar evenzeer voor pikkedieven als Beyoncé, die moeiteloos rythm & blues, hiphop, soul, Brigitte Bardot, Andy Warhol, Rwigyy, Diana Ross en… Anne Teresa De Keersmaeker in elkaar klutst. Ik pleit dus voor meer copycat, én natuurlijk ook voor speurzin die de draadjes ontrafelt en stamlijnen traceert. Dat is gewoon een opgave voor de betere journalistiek. Zoals het geld moet rollen in de economie, moeten ideeën van eigenaar kunnen veranderen in de culturele wereld,- dat is een bewijs dat het goed gaat. Beyoncé Knowles brengt dus goed nieuws, ze is een spons die het goed kan uitleggen, en ze heeft mijn volle sympathie.

Johan Sanctorum


“Epilogue”: passieverhaal, of sterfscène op zijn Pfaff’s ?

4 oktober 2011

Over mediatisering, esthetisering, en voyeurisme

Het is heel moeilijk om niét met een krop in de keel naar de film “Epilogue” te kijken, waarin de 50-jarige en zwaar aan kanker lijdende Neel Couwels thuis afscheid neemt van haar familie, om dan het finale spuitje toegediend te krijgen.

De vrouw wou blijkbaar aan haar vrijwillig levenseinde een publieke dimensie geven en haar laatste zes maanden in een bioscoopfilm gieten, “om te laten zien dat sterven thuis ook kan”, lees ik in de krant. Voer voor het Grote Euthanasiedebat,  wie ben ik om de beslissing van Neel te bediscussiëren. Met de regisseur Manno Lanssens wil ik anderzijds wel eens een boom opzetten over beeldcultuur, openbaarheid, sensatie en voyeurisme, in het bijzonder wat de meest intieme momenten van een mensenleven aangaat.

Ik weet wel dat het allemaal met toestemming van de betrokkenen gebeurt: ouders die hun baby’s onder de TV-spots ter wereld laten komen, koppels die filmpjes van hun seksuele esbattementen op het internet plaatsen, Hot Marijke op kanaal 2, Komen Eten (lekker gluren in de living), Expeditie Robinson, enzoverder. Onmiskenbaar is er in de spektakelmaatschappij een gretigheid om te kijken, én om bekeken te worden, zich in te schrijven in een klein verhaal, daar waar men beweert dat alle “grote verhalen” dood zijn: we heten allemaal een beetje Pfaff.

De ultieme verantwoordelijkheid is niet die van de beeldenmaker maar van de toeschouwer. Met welk recht dringen wij als wildvreemden binnen in het huis waar een vrouw sterft?

Maar bij de sterfscène van Neel is er toch wel meer aan de hand. Net heel de wollige woordwolk rond emotie, respect, intimiteit (!), enz. lijkt me een alibi van de makers om de grenzen van het voyeurisme te verleggen. Vergeten we dan niet dat het om een artistiek én commercieel project gaat, en dat de film ook al op een prestigieus festival werd gepresenteerd.

Op een of andere manier grijpt hier dus een soort artistiek vampirisme plaats, vanwege de kunstenaar naar het onderwerp. De bedoeling is zeer ambigu. Sensibiliserend, jawel, maar ook gericht op emo-effect. Is het onbehoorlijk om te stellen dat deze euthanasiefilm tot de nieuwe sentimentcultuur moet gerekend worden, die, zoals de opera’s van Puccini van weleer, aan onze traanklieren trekt? De grote sterfscènes op het theater zijn evenwel slechts kleinbier, vergeleken bij deze reality-TV. Het is echt, authentiek, maar tegelijk in scène gezet en gemanipuleerd, daarna ook nog eens verknipt en gemonteerd tot, nu ja, een volwaardig cinemaproduct.

Lanssens mag wel zeggen dat het allemaal heel respectvol gebeurde, maar ik probeer me de situatie voor te stellen van een huis vol kabels en technische toestanden die nu eenmaal bij het maken van een film horen, waar op de set dan iemand ligt te sterven in het bijzijn van de kinderen. Het zegt toch iets over de brutaliteit van onze moderne beeldcultuur, waarin de graatmagere Neel Couwels als ultieme diva helemaal opging, maar waar haar kinderen, zo lees ik toch, grote reserves bij hadden.

“Persfoto van het jaar”

Laten we dan ook maar alle morele premissen rond dit spektakel achterwege laten en de echte drijfveren erkennen: Neel was een met-zwarte humor-begaafde actrice en een beetje exhibitionistisch –haar kinderen moesten eraan wennen, je respecteert nu eenmaal de laatste wens van je moeder-, en Manno Lanssens is anderzijds een ambitieuze artiest die zijn acteurs weet uit te kiezen. Die collusie maakt, en nu ben ik heel oneerbiedig, het Pfaff-gehalte uit van de sterfreportage. Ook de dood van bompa Pfaff kreeg een enorme amplitude, zij het dat de man gewoon ’s avonds was ingeslapen en niet meer wakker werd, slechte timing dus, pech voor VTM.

Nogmaals: let op de visuele gelijkenis tussen de slotbeelden van “Epilogue” en de grote sterfscènes op het operatoneel, én de geschilderde iconen van het lijden bij bv. de Vlaamse primitieven (ik denk aan “De dood van Maria” van Hugo van der Goes, ca. 1480, zie afbeelding hiernaast).  Dit is hoogwaardige cinema. Het perspectief verschuift genadeloos van de intimiteit naar het publiek spektakel en wordt zelfs een cultuurhistorisch citaat. Dat de camera altijd een beetje liegt, ondervond overigens ook dochter Sanne, toen ze de film bekeek en zei dat ze geschrokken was:  “Toen pas heb ik goed gezien hoe mama gestorven is. Want in het echt hield ik haar in mijn armen. Dat is een ander perspectief.”  Neen Sanne, volgens mij is alleen jouw standpunt het ware, en is de camera –wij allen dus- de indringer en vervalser.

Dit lijkt me iets voor de betere pedagogie: kinderen het besef bijbrengen dat toekijken niet onschuldig is, en dat beelden kunnen versluieren of liegen.

Iets zegt me dat ik hier afstand moet houden. De publieke dood van Neel staat op hetzelfde niveau als een koppel dat het en plein public doet. Ook al was het haar beslissing, ik doe niet mee en sluit het venster. De ultieme verantwoordelijkheid is niet die van de beeldenmaker maar van de toeschouwer. Met welk recht dringen wij als wildvreemden binnen in het huis waar een vrouw sterft? Men zou die schroom kunnen uitbreiden naar andere voorbeelden van een perverse beeldcultuur.

De foto bijvoorbeeld, zie hiernaast,van een Columbiaans meisje dat langzaam in een modderstroom verdrinkt (Frank Fournier, persfoto van het jaar, 1985). Zij is geen actrice, maar de fotograaf is wel een kunstenaar die met zo’n beeld in de prijzen valt. Waardoor zij gepromoveerd wordt tot fotomodel en figurante, luttele momenten voor ze definitief die put in verdwijnt. Over een dubbele pagina (centerfold) laten glossy bladen het resultaat zien, ter grootte van een schilderij: het schone en het verschrikkelijke, in één snapshot gevangen. Het is alsof ze terug kijkt naar ons, en zegt: “wat valt er te zien?” In die zin weiger ik de foto, niet uit onverschilligheid, maar net uit respect. Of de foto van een vrouw in Somalië die haar stervend kind in de armen houdt. De catastrofe die zich in die landen afspeelt is een politiek probleem van de eerste orde, maar trekt ook een zwerm muskieten aan die voorbij elk schaamtegevoel het menselijk leed pornificeren en ons meezuigen in een voyeuristisch perspectief dat eerder sentiment dan opstandigheid creëert.

Misschien zijn er wel naievelingen die de totale zichtbaarheid van alles voor iedereen als de apotheose van de communicatiemaatschappij beschouwen. Dit lijkt me dus iets voor de betere pedagogie: kinderen het besef bijbrengen dat toekijken niet onschuldig is, en dat beelden kunnen versluieren of liegen. We moeten ze kunnen weigeren als we vinden dat er een grens overschreden wordt. Hoe sterker en dwingender het beeld, des te moeilijker wordt het om doorheen de oppervlakte te breken en achter het beeld te kijken: wie, wat, waarom. Epilogue: het verhaal achter het verhaal is dikwijls interessanter.

Johan Sanctorum


Ronald Janssen en de klassieke retorica

28 september 2011

Van alle geschriften uit de klassieke oudheid is er één die nog als een dagdagelijks handboek overleeft, en dat is de Retorica van Aristoteles, ondertussen al meer dan twee millenia oud,- over “de kunst van het overtuigen”.

Had zijn leermeester Plato vooral aandacht voor de manier hoe de werkelijkheid in elkaar zat (de ontologie) en hoe we daar kennis van konden nemen via het voor en tegen in de dialoog (de dialektiek), dan gaat Aristoteles voor de psychologie: wie zegt wat en waarom. En vooral: hoe het gehoor laten geloven dat je de waarheid spreekt.

De Sofisten hadden het pad al geëffend, met Gorgias en Protagoras als haantje-de-voorsten. Zij hebben de filosofie van haar maagdelijkheid beroofd,- de eeuwige maagd Plato haatte hen. Maar de retorica van Aristoteles volgt discreet datzelfde spoor van de verloren onschuld. Veel later zou ene Niccolo Machiavelli de draad terug opnemen, om uiteindelijk op te lossen in een aantal vuistregels voor de politieke demagogie en de reclamepsychologie.

Zeventien was ik, het laatste jaar middelbaar (vroeger toepasselijk Retorica genoemd), toen de wiskundelerares me tijdens een bijles inwijdde in heel andere geheimen dan die van differentialen en integralen. Het was een fantastische ervaring, ik ben er haar eeuwig dankbaar voor, maar meteen was de wiskunde (letterlijk: “leer van het ware”) definitief van haar sokkel gevallen. Vanaf dan werd de wereld een wervelend spel van krachten en tegenkrachten, een dynamica, waarin de moraal met wisselend succes poogt mee te spelen als superkracht en alziend oog. Vanaf dan ook werd de taal een instrument van de overtuiging en de verleiding. En van het uitvlucht, de ontkenning. Retorica dus.

Het proces

Na Dutroux in 2004 loopt er momenteel weer zo’n “proces van de eeuw”, ditmaal tegen de seriemoordenaar en seksuele delinquent Ronald Janssen. Lustmoordenaars hebben me altijd geïntrigeerd, vooral door hun dubbelheid van het zogenaamd pathologische en het rationele. Inwendig kolkende vulkanen die naar buiten uit kalm, beheerst en koelbloedig functioneren. Dikwijls hebben ze een hoog IQ en beheersen ze de kunst van het liegen, tot en met het handhaven van een dubbele persoonlijkheid, de huisvader en de killer, de engel en het monster in één lichaam, het welbekende Dr. Jekyll and Mr. Hyde-fenomeen.

Maar net hier doet zich het ontstellende feit van herkenbaarheid voor: Ronald Janssen is een uitvergroting van de menselijke psyche. We hebben allemaal een lichte en een donkere kant, we zijn hem allemaal, daarom intrigeert het proces ons zo. En vooral: we liegen constant “om bestwil”. De manier hoe hij zijn verdediging opbouwt is, hoe ondraaglijk ook voor de nabestaanden, een voortreffelijk staaltje van sofistische retorica,- zeg maar: van de manier hoe we ons uit een genante situatie proberen te praten. Van het kind dat betrapt wordt op het jatten van snoep, tot het assisenproces. Maar ook het sollicitatiegesprek, het examen, de uitleg aan de agent die ons een PV probeert aan te smeren: telkens zijn het de woorden die ons moeten redden, niet dé waarheid. Het alibi, het excuus, de smoes: dat is het wat de taal virtuoos maakt.

Janssen spreekt dubbel, maar naarmate de debatten vorderen, schijnt de waarheid zelf “op te lossen” als een bruistablet: ze is niet meer monoliet en enkelvoudig, maar gespleten en poreus.

De Atheners wisten al van wanten: het proces is een pure woordenstrijd die niets met “rechtvaardigheid” te maken heeft, maar alles met het resultaat. In die zin kan ik zelfs begrijpen dat Ronald Janssen zou proberen te ontsnappen –inclusief gijzeling-, juryleden zou hypnotiseren of omkopen. Zogenaamde perfide en immorele advocaten à la Hans Riedel (“Ik geloof niet in ethiek”) begrijpen dat zeer goed. Ze zijn eerlijker dan iemand als Jef Vermassen, die zich aanstelt als een witte ridder, terwijl dat toch ook maar een theatrale pose is in dienst van een tactisch spel. Ik wil hier nogmaals wijzen op een gevoel van herkenning: moest ik daar op het beklaagdenbankje zitten, ik deed net hetzelfde, namelijk de jury laten horen wat ze wil horen. Iemand die gemarteld wordt, weet dat er geen waarheid bestaat, tenzij deze die hem van de pijn verlost.

Logisch valt er op de verdediging van Janssen dan ook niets aan te merken. Hij is een gevangene die moet werken met de wapens die hij heeft, en dat is zijn verstand en acteertalent. Vanuit een vaststaande schuld (over de feiten) zaait hij verwarring over het motief en over zichzelf, herroept eerdere verklaringen en onthult zichzelf nu als een… dubbele persoonlijkheid. Het ultieme alibi: niet ik was het, maar mijn alter ego. Dit ongetwijfeld op advies van zijn advocaat (internering is beter dan gevangenisstraf), maar dat is de kwestie niet: dit proces, zoals alle andere, brengt niet de waarheid aan het licht, maar zet waarheden tegenover elkaar… tot er geen waarheid meer is. Heel het kluwen van magistraten, advocaten, gerechtsdeskundigen, speurders, psychiaters etc. voert onder elkaar verbale oorlogjes waar de jury –belichaming van het gezond verstand- tureluut van wordt. Dat speelt in het voordeel van de verdediging: hoe meer voor en tegens, hoe meer twijfel.

Het merkwaardige is echter dat, naarmate de debatten vorderen, de waarheid zelf “oplost” als een bruistablet: ze is niet meer monoliet en enkelvoudig, maar dubbel, gespleten en poreus. Het is zowel A als B, al naargelang men het bekijkt. De retorica begint als een woordenspel, en eindigt als een splijtzwam.

De strategie van de verwarring en het mistgordijn gaat dus over in een echte paradox. De Sofisten maakten er in hun tijd al een spelletje van: het achtereenvolgens verdedigen van twee krek tegengestelde thesen ( van het genre “Morgen staat de zon op” en “Morgen staat de zon niét op”),- een oefening die ook hoorde bij de scholastieke training aan de middeleeuwse universiteiten (“in utramque partem disputare”).

Tja, het is dus waar en niet waar. Ik was daar en niet daar. Ik herinner het me niet zo goed, ik was dronken. Zelf probeer ik als schrijver nog regelmatig stelling A en een maand later een diametraal tegenovergestelde these B te verdedigen, tot wanhoop van mijn lezers. Bij agressieve reacties wend ik dronkenschap voor, of verwijs naar de kwantummechanica waar een deeltje eveneens tegelijk ergens én elders kan zijn. Retorica dus.

Het compromis

Het is geen toeval dat onze rechtspraak én de politieke democratie in dezelfde Atheense cultuur wortelen waar de sofisten en Aristoteles de retorica beoefenden, en waar de kunst van het overtuigen uiteindelijk elk criterium van objectiviteit zou overschaduwen

Nemen we even het grote Belgische compromis onder de loep, dat zich deze dagen weer aarzelend maar onontkoombaar aftekent. Elk akkoord blijkt twee interpretaties te hebben: een Nederlandstalige en een Franstalige. Men zou denken dat de teksten dubbelzinnig of onvertaalbaar zijn, maar dat is zelfs niet zo: ook een klaar, duidelijk protocol levert twee contradictorische interpretaties op. Dat is boeiend én verontrustend. In het Zuiden gaan we naar collectivisering en de versterking van de federale staat, in het Noorden naar responsabilisering en regionale autonomie, nota bene via hetzelfde akkoord.

Er is dus geen waarheid in België. Elders ook niet, maar bij ons is het flagrant: het compromis blijkt een these die zich vertakt tot twee lecturen, die op hun beurt wellicht nog eens uitflodderen tot deel-interpretaties tussen rivaliserende fracties, enzoverder. De politicus “liegt” dus, niet in een morele maar een retorische zin van het woord: hij hanteert de democratie als een middel om de waarheid te deconstrueren en daar zijn persoonlijk voordeel mee te doen, als de duivel in het spreekwoordelijke wijwatervat. Niet toevallig is advocaat het dominerende beroep bij de politieke klasse.

…Zo blijken het proces Janssen en onze Belgische democratie elkaars evenknie. Beide zijn universa van de gespleten waarheid, en van de retorica als kunst om zichzelf “eruit te praten”.

De behendigste, de aspirant-premier die het aan beide kanten moet gaan uitleggen, in casu Elio Di Rupo, moet zelfs de scholastieke kunst beheersen en afwisselend de twee tegengestelde “waarheden” bewijzen. Bij dit alles valt niet te vergeten dat ook politici maar mensen zijn, en er een persoonlijke agenda op nahouden die rond hun eigen succes en overleving  draait (namelijk: herkozen worden),- wat hen dan weer ergens op het niveau van de lustcrimineel brengt. De politicus zoekt zelfbevestiging, macht, roem, rijkdom, en vooral: seksuele beschikbaarheid,- de Wetstraatmatras is in dat opzicht legendarisch. Ik weiger daar een moreel oordeel over uit te spreken: het is aan de burger om zijn eigen agenda te creëren, en zich strategisch te bezinnen over zijn dubbelrol als roofdier en prooi.

Zo blijken het proces Janssen en onze Belgische democratie elkaars evenknie. Beide zijn universa van de gespleten waarheid en van de retorica als kunst om zichzelf eruit te praten. Zonder twijfel had Ronald Janssen, mits een kleine verlegging van zijn biografisch parcours, een uitstekend politicus geweest. Geen premier, maar toch een partijvoorzitter.

Octopus

Wat valt hieruit te besluiten? Dankzij de Sofisten en Aristoteles beseffen we dat de mens een politiek dier is (zoon politikon), maar dan met nadruk op “dier”. We zijn biologische wezens met een overlevingsdrang en een libido, het is crimineel om dat te ontkennen. Het is misschien de enige waarheid die geen illusie is, namelijk de waarheid van de natuur zelf.

Ooit heb ik in een natuurdocumentaire een inktvis een krab zien vangen. Zijn strategie? Geen fysiek geweld, maar de verwarring: een dans-der-acht-armen (Octopus) uitvoeren, tot de krab compleet het noorden kwijt is. De hermelijn voert een gelijkaardig soort hypnotisch ballet uit tegenover zijn prooi. Ik zie dit als een oervorm van de retorica, waarbij de waarheid eigenlijk herleid wordt tot de biologische realiteit van twee wezens. Een dubbele waarheid van roofdier en prooi, man en vrouw, rechter en beklaagde, professor en examinandus,- al naargelang de context.

Vanuit deze biologische realiteit –die onze menselijke conditie bepaalt-, lijken zowel moraal als rede belachelijke bedenksels van een verstedelijkte civilisatie die de band met de natuur helemaal kwijt is. De seksuele impulsen, samen met andere behoeftes omtrent overleven, eten, drinken, geborgenheid, status en macht (die ook weer gelegenheden tot copuleren opleveren), zijn de echte bronnen van ons discours. Retorica dus.

Het feit dat iemand als Ronald Janssen als een vijand-des-volks en een verpersoonlijking van het kwaad wordt berecht (zoals eertijds Dutroux), en iemand als Bart De Wever quasi wordt vergoddelijkt tot politiek topicoon, heeft puur te maken met de manier hoe ze zich konden vermommen (of al dan niet door de mand vielen) en hoe ze hun instinct strategisch weten te exploiteren. Het Machiavellisme dat ze delen is eigenlijk een pure biologische wetmatigheid van het dier dat succesvol probeert te overleven, volgens zijn eigen constitutie.

En dan de brokstukken die achterblijven na de lustmoord. Rechtvaardigt de dood van Annick Van Uytsel de dood van Ronald Janssen? Vanuit de emoties van de nabestaanden zeker wel, want ook zij hebben hun waarheid. Dat die wraakmoord dan ook weer tot een nieuw proces zou leiden, met de dader als slachtoffer, is het beste bewijs dat zowel het recht als de politiek maar randfenomenen en humane bezigheidsterapieën zijn, die nooit greep krijgen op de natuur van het menselijk dier.

Johan Sanctorum


Wordt de jeugd echt dommer? Of hebben wij haar niets meer te bieden?

19 september 2011

Telkenmale het schooljaar in september een aanvang neemt, is dit een gelegenheid voor allerlei zelfverklaarde experts om de maat te nemen van het Vlaamse onderwijs, en, meer nog, van de schoolgaande jeugd zelf. Deze zou een schrikbarend gebrek aan eruditie vertonen en de “klassieke cultuur” links laten liggen om zich al rappend en SMS-end door het leven te begeven. De klaagzang begint met een verwijzing naar het hoge aantal spelfouten waaraan tieners zich bezondigen, inclusief een sneer naar het internet, schakelt dan een versnelling hoger via de teloorgang van het Latijn, Grieks, en uiteraard alle schrijvers die zich in die taal uitdrukten, om te eindigen bij een algemene vaststelling dat het met onze beschaving steil bergaf gaat.

Fijn Latijn

Dat laatste is waar. Alleen,- wie zijn wij om de jeugd verantwoordelijk te stellen voor de rotzooi waarin ze terechtkwam? Eerder zou men kunnen opperen dat een land waar alles vierkant draait, op een planeet die ecologisch naar de haaien gaat, dankzij een menselijk vernunft dat straks wel naar Mars vliegt maar een lek in een kerncentrale met krantenpapier probeert dicht te stoppen, alleen maar een opgestoken middenvinger verdient.

Het latente cultuurpessimisme is dus misplaatst, het classicistisch gedram al evenzeer. Dat gezellig-verwaand geneuzel van een klassieke zender als Radio Klara bijvoorbeeld, alsof het allemaal nog een eeuwigheid kan meegaan (elke namiddag: “Op de koffie bij Bach, Beethoven en Brahms”),- ik krijg het ervan. Wat voor een cultuur willen we onze pupillen eigenlijk verkopen? Onze Europese beschaving heeft Rembrandt, Shakespeare en Beethoven opgeleverd, maar ook de heksenvervolgingen, Auschwitz en het Eurovisie-songfestival. Het gruwelijke, het obscene en het wansmakelijke zijn geen antipode van die klassieke hoogcultuur, ze lijken er veeleer deel van uit te maken, ze vormen er één geheel mee. Sterker nog: misschien heeft de ene wel het andere voortgebracht. Ik denk aan de raakzone tussen de romantisch-decadente sfeer van de Donaumonarchie (het Wenen van vóór 1914, waar de genieën elkaar voor de voeten liepen) en de daarop volgende slachtpartijen van de eerste wereldoorlog waarin de Europese jeugd probleemloos werd opgeofferd. Of de spirituele band tussen Wagner en Hitler. Of, sterker eigenlijk nog, de geniale armoezaaier Van Gogh, wiens Zonnebloemen vandaag een ideale belegging vormen voor speculanten die tussendoor ook suiker en rijst opkopen om de wereldprijs hoog te houden. Natuurlijk hebben Wagner en Van Gogh dat niet gewusst, maar moeders van massamoordenaars zijn er ook met de beste bedoelingen aan begonnen. Zo is ook al dat gezeur over de klassieke talen en de teloorgang van het fijn Latijn in de humaniora (nog zo’n beladen woord) van de pot gerukt. Het Latijn is natuurlijk de taal van Horatius en Ovidius, maar de barbaarsheid van de Romeinse cultuur was grenzeloos, en dan beledig ik nog de oorspronkelijke barbaren,  waarmee “primitieve” volkeren werden aangeduid die geen mensen voor de leeuwen gooiden. Plaatsvervangende schaamte voor deze klassieke “beschaving” ware misschien een meer gepaste attitude.

Conservatieve doemdenkers zoals Roger Scruton en Theodore Dalrymple kunnen dan wel het spijbelen, de agressie op school en de Londense brandhaarden aanhalen als bewijs van een falend onderwijssysteem,- maar misschien maken we wel een zodanige draai in de geschiedenis mee, dat “traditie” (letterlijk: de overlevering van normen, waarden, smaken) van geen tel meer is. Het pedagogisch project, het doorgeefluik voor heel dat pakket, implodeert dan helemaal. Fuck Auschwitz, fuck Beethoven. Cultuur wordt dan kultuur, de bagage wordt ballast, geen enkele zekerheid blijft overeind.

En nu keer ik even terug naar de zogezegde oppervlakkigheid van de hedendaagse schoolgaande jeugd en haar onverschilligheid voor “schoonheid” (een term waar Scruton steeds opnieuw mee komt aandraven). Het idee dat uitgerekend in onze Europese cultuur de schoonheid de verschrikking voortbracht, is misschien wel een goede reden om beide af te stoten, als iets van een voorbije wereld, iets dat we achter ons moeten laten. De goedbedoelde uitstappen naar het museum en het concert staan bol van hypocriet paternalisme en ontkenningslogica, daarom slaan ze niet aan bij de jeugd. Het revolutionair karakter van de zogenaamde domheid ligt in haar vermogen om existentieel te breken met die hypocrisie. De slechte leerling, de spijbelaar, de zittenblijver,- of we ze nu benaderen met klassieke strengheid of moderne welwillendheid,- we kunnen hen als leraar niet begrijpen, omdat er niets meer te leren valt wat de moeite waard is. Het leeg, wit blad wenkt. Tabula rasa, om het nog eens in het Latijn te zeggen, als konden we de leegte daarmee bezweren.

Het Kronos-complex

We zitten dus middenin een breukzone. Cultuur, onderwijs, kennis: niets is nog wat het was. Het bankroet van een beschaving maakt alle leermeesters werkloos. Wat wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn vaststelde, namelijk dat kennis alleen evolueert binnen een bepaald paradigma (een stelsel van aanvaarde waarheden, een “geloof” dus), geldt eigenlijk voor de cultuurgeschiedenis tout-court: het liedje is gewoon uit. De wijsheid is een slechte raadgever in tijden van catastrofe, waar alleen een breuk met oude waarheden ons kan redden. De eerste mensaap die probeerde rechtop te lopen had lak aan tradities en oude waarheden, wellicht was hij binnen zijn universum ook “dom”. Het idee dat we met overgeleverde kennis en klassieke belezenheid eeuwig het licht aan kunnen blijven houden, is volstrekt achterhaald, integendeel: een groot deel van de huidige kennis is destructief en catastrofaal.

Daarom doen jongeren exact wat hen eigenlijk te doen staat: de school negeren, de zelfstudie aanvatten en de brokstukken verder fijnmalen, waaruit dan misschien wel iets nieuws kan groeien. De mallemolen die maalt, heet het internet. Het is geen geordende encyclopedie, zelfs geen web of netwerk, maar een machine van de deconstructie, een verbrijzelaar. Via het “oppervlakkige” surfen, verkeerdelijk voor een uiting van luiheid gehouden, kan dan misschien vanuit het gruis een nieuw, autodidactisch weten ontstaan dat al de ruïnes van de oude cultuur, van Hiroshima tot Fukushima, écht kan opruimen.

Ondertussen zal het gemopper van de oude garde die zweert bij de klassieken nog wel even voortduren. Hoor ik daar ook niet voortdurend puristen schamperen op de taalverloedering, de chatcultuur, alweer te wijten aan dat demonische internet en het SMS-en?

Dat is natuurlijk weer een kwestie van smaak. Voor mij zit er een nieuw soort poëzie in dat chattaaltje,- een fonetische synthese van schrijf- en spreektaal die, vreemd genoeg, nogal wat gelijkenis vertoont met de experimenten van Paul Van Ostajen, nog zo’n slechte leerling. Het standaard-Nederlands, dat overigens elke vijf jaar van spelling verandert en zelf elke continuïteit mist, moet men niet koesteren als een fetisj, maar als iets dat doorlopend verandert, en af en toe zelfs desintegreert. In die laatste fase zitten we nu: een taalkundige revolutie die een afspiegeling is van een sociale, politieke en culturele omwenteling,- het zal het generatieconflict alleen maar groter maken. De panische kinderhaat en hysterische aversie tegen de jeugdcultuur schijnt alsmaar toe te nemen,- zie bijvoorbeeld de processen tegen kinderdagverblijven wegens “overlast”. Sommigen hebben zo’n schrik voor de toekomst dat ze tekenen van een Kronos-complex beginnen te vertonen (volgens de mythe at Kronos zijn eigen kinderen op,- ziet u: nu begin ik zelf te doceren).

Ik stel dus voor dat wij, ouden, de jongen laten zingen, en enige distantie houden. Minder paternalistisch, minder klassiekerig, minder belerend. Weg die Latijnse spreuken, Bart, dat is zo aanstellerig. Ook al ben ik zelf een operaliefhebber, wil ik dat de Ronde van Vlaanderen in Meerbeke aankomt, en kan ik kwartieren lang voor een Kandinsky staan gapen: laat het gebeuren in het besef dat onze kinderen dit niet hoeven te zien,- dat dit na ons eindigt en moét eindigen. Naar de geest van Herakleitos en Nietzsche, de twee filosofen die nooit een leerling hebben gehad, in het besef dat ze die toch alleen maar konden versodemieteren. Dat vind ik écht groots.

 

Johan Sanctorum


Kunst en cultuur: business as usual?

15 september 2011

Een warme groet aan onze jongens op de boekenbeurs van Peking

De recente rel rond de Nederlandse en Vlaamse delegaties op de internationale boekenbeurs van Peking stelt de relatie tussen cultuur (in dit geval letterkunde), politiek en marketing weer op scherp. Op die discussie zat wat sleet, omdat de vierde speler in dit verhaal, de media, liever hypes creëren en surfen op dingen die goed verkopen, dan een paar vervelende vragen te stellen.
Er vielen dus zaken te doen in Peking, in weerwil van het pretbedervend geneuzel over mensenrechten en beknotting van de vrijemeningsuiting aldaar. Dat het regime nog steeds korte metten maakt met dissidente schrijvers, hen sociaal uitrangeert of gewoon achter de tralies zet, mocht voor de handelreizigers geen beletsel zijn: het heette dat hun aanwezigheid een positief effect zou kunnen hebben, “dingen in beweging zou kunnen zetten”, enzoverder.
Het Vlaams Fonds voor de Letteren, druk doende met Sukse en Wiske en Dimitri Verhulst, zat op dezelfde mercantiele golflengte: niet flauw doen hé jongens, we spreken hier over dé groeimarkt van het moment. Zo gezegd, zo gedaan…

Lees het essay


Chokri Mahassine: eerst lolbroek, nu martelaar

22 augustus 2011

Hoe emo-journalistiek en politiek theater na een fatale windhoos in elkaar dreigen te haken

Tranen met tuiten. Niet alleen bij de nabestaanden van de vier overleden jongeren, maar ook bij alle festivalgangers, en meteen daarna in heel Vlaanderen, ook bij wie nog nooit van Pukkelpop had gehoord. 14 bladzijden plakkerige emo-journalistiek in de weekendeditie van De Standaard, nog overtroffen door het Belang van Limburg met zestien pagina’s brood-en-spelen. Dit jaar geen moppen over tentensletjes maar wel grootscheeps gesnik en gesteun, waarbij toch één christelijke sekte het heeft over “de straf van god”. Maar de “organisatie treft geen blaam”, zo vindt het parket en zo blokletteren alle kranten.

De beeldvorming ondersteunt deze vroege vrijspraak, of is het omgekeerd? Woorden over “verbondenheid”, troost en “steun zoeken”, grote foto’s van meisjes en jongens die in elkaars armen vallen, artiesten die organisator Chokri Mahassine hun steun betuigden en zelfs ronduit knuffelden (“lieve Chokri”). Vooral deze laatste knuffelsessie stoort me. Uiteraard heeft de heer Mahassine die dodelijke windhoos (sorry, het KMI spreekt van “valwind”) niet besteld. Maar als organisator is en blijft hij het aanspreekpunt voor kritiek. Er was het ontbrekend rampenplan, de chaos en de falende interne communicatie (met GSM’s terwijl het netwerk plat lag, in plaats van een eigen draadloos systeem), en de dubbelzinnige communicatie na de ramp. In alle media klonk het nochtans unisono dat de organisatie geen schuld trof, en dat ons niet anders restte dan collectieve verslagenheid. De analyse verdronk zo bij voorbaat in de emotionaliteit.

Op de webstek van de NOS klonk het heel anders. Daar gewagen Nederlandse festivalgangers van een “typisch Belgische” chaos.:

‘Het was een ongeorganiseerde puinhoop. Mensen liepen van hot naar her, bijna als kippen zonder kop. De communicatie vanuit de organisatie was slecht en ambulances reden af en aan. Het maakte er niet leuker op; luguber zelfs. Het waren bizarre uren tussen zes en twaalf.’

Helemaal zijdelings konden we ook vernemen (maar ook  dat waren vervelende dissonanten in het rouwkoor) dat er flink wat gejat werd in de Pukkelpop-verwarring: massapsychologie is een boeiend vak. Gezien ik er niet bij was, moet ik dus afgaan op getuigenissen. En, sorry, kritische geluiden van nuchtere Hollanders klinken voor mij geloofwaardiger dan het oeverloze geschwärm van de door de media opgepepte “massale rouw”.

Of wie het toch houdt bij zure Hollanders, kunnen we het getuigenis van Pukkelpop-medewerker Bram Nelissen aanbevelen. Ik vind dus dat Chokri iets te gemakkelijk wegkomt, met dank aan de Vlaamse media. We kennen de goedlachse Pukkelpop-organisator als BV, jeugdidool, én Vlaams parlementslid voor de S.PA. Tot hiertoe verliep die synergie vlekkeloos. Maar als er doden vallen, door welke oorzaak ook, mag er wat meer gedaan worden dan bekketrekken. Het kan niet zijn dat iemand die altijd positief in de mediabelangstelling komt dankzij een populair muziekfestival, en daar ook de persoonlijke politieke baten uit puurt, niét voor zijn verantwoordelijkheid gesteld wordt als het misloopt.

Op dat moment de martelaar uithangen is niet ernstig. Wie Chokri op het VRT-zondagavondjournaal (21/8) quasi-strompelend uit het kerkje van Kiewit heeft zien komen, ondersteund door een jonge vrouw (echtgenote? verloofde?), beseft dat we hier met wansmakelijke theatraliteit te maken hebben. Dit deed me denken aan kermiskreupelen met een verstopt tweede been om medelijden op te wekken. Ik wil er hier even aan herinneren dat C. Mahassine tot de invloedssfeer van Steve Stevaert behoort, waar ook creaturen als Noël Slangen de dienst uit maken. Ik weet niet of Slangen Chokri even gebriefd heeft, maar het komt wel uit zijn keuken: wie in het oog van de storm (letterlijk) dreigt te staan, moet zich klein maken en als slachtoffer opstellen.

Dat is het wat Mahassine deed: de kritiek bij voorbaat ontlopen door aan de kant van de slachtoffers te gaan staan. Maar in welke zin is hij een slachtoffer? Financieel doet het hem wellicht niets want hij is degelijk verzekerd. Het rampenfonds zal bijspringen en tickets worden niet terubetaald. De echte gedupeerden zijn de kleine kraamhouders op en rond de weide, die op het einde zelfs gratis hun waar uitdeelden zonder dat iemand hen dat zal vergoeden. Persoonlijk-emotionele schade dan? Chokri een gebroken man? Ik twijfel er sterk aan. In de persconferentie, de eerste uren na het gebeuren, scheen hij vooral luidop te piekeren over het feit of het feestje nu nog wel door kon gaan. Drie doden volstonden niet, vijf naderhand wel.

Macht, rouw en massahysterie

Zo komen we bij een gewaagde deconstructie: deze van de zogenaamde collectieve rouw, dé dominante ondertoon van heel de Pukkelpop-perceptie. Afgezien van het feit dat de plusminus 200 jonge verkeersdoden per jaar in België geen moment van collectieve bezinning, laat staan rouw, waard zijn, lijkt me het grootschalig rouwproces een leugen  die de echte emotie platdrukt.  Rouw kan nooit massaal zijn. Bij de begrafenis van Koning Boudewijn was de sfeer zo opgepept dat massa’s Belgen konden wenen zonder verdriet. Het is een effect, vergelijkbaar met dat van de smartlap. Echt verdriet is namelijk individueel of gedeeld binnen een kleine groep, een gezin, een hechte gemeenschap. Een massa kan niet rouwen, in de authentieke zin, omdat een massa geen emoties heeft. Althans geen existentiële emoties. Veeleer gaat het om door de media geïnduceerde golven van sentiment, die op het randje van de hysterie kunnen geraken. Uiteraard zijn pubers extra gevoelig voor deze impulsen.

We zien dat ook in het “Oslo-drama” (de stereotiepe achtervoegsels “drama” en “tragedie” spelen uiteraard zelf een rol in de uitlokking van het massasentiment). In de maand na Breiviks exploot creëerde de nationale rouw een sentimenteel-collectief flou zonder begin of einde. Verplichte tranen, overgemediatiseerde uitdrijvingsrituelen (zoals de overlevenden die de plaats van actie terug gingen bezoeken). Er hing bovendien een zweem van meta-politiek opportunisme over: de koning en de premier van Noorwegen legden via de massarouw een absolute maatschappelijke consensus (“cohesie”) op die puur fictief was, maar die ook niet in vraag kon gesteld worden. De “nationale rouw” was voor premier Jens Stoltenberg het alibi voor een 30-dagen durende mediadominantie: tel uit uw politieke winst. Wie deze observatie als cynisme afdoet, onderschat misschien het cynisme van de politieke ratio zelf, ook in Noorwegen.

De slagzin “Dit drama zal ons, Noren, sterker en, eendrachtiger maken”, lijkt onschuldig, maar eigenlijk gaat het om een opgelegde kuddegeest. Verstild fascisme als het ware, waarbij elk afwijkend geluid haast als obsceen wordt gebrandmerkt. De heksenjacht op de vermeende “medeplichtigen” van Breivik (iedereen dus die ooit een mail van de man heeft ontvangen) hoort bij deze psychose. De theatraliteit die van bovenuit en via de massamedia wordt geregisseerd, -ook al ziet het er allemaal zo “spontaan” uit,- troost nauwelijks de nabestaanden (integendeel, ze worden door de pers belaagd), maar verontschuldigt vooral het systeem. De massa weent en voelt zich “innig verbonden”. Kan de macht zich iets beters wensen?

Zo zijn we weer bij Chokri en zijn kruisgang in Kiewit. Met de onvermijdelijke Hilde Claes, Hasselts burgemeester, nog een lid van de Stevaertclan, én dochter van Willy Claes, steeds in zijn nabijheid, kan ik niet anders dan het hypertheater van Chokri duiden als een proeve van demagogie. Als rouw, in de Freudiaanse zin, een vorm van zelfagressie is, vermengd met latente schuldgevoelens, dan is de door deze politici uitgelokte massarouw een poging om menselijke weerbaarheid (waaruit dan kritische attitudes zouden kunnen ontstaan) af te dempen. We moeten wenen, veel wenen, zo geraken we onze frustraties kwijt op momenten van tegenslag. “Stille marsen”, brandende kaarsjes, praatgroepen, knuffelsessies en rouwregisters kunnen eveneens helpen. Ook het opzetten van een speciale webstek om alle emoties te kanaliseren en te recupereren, is dan een prima tactiek.

Chokri Mahassine is de man die door Stevaert is vooruitgestuurd om jong kiespubliek aan te trekken, in de context van een vrolijke, hippe popcultuur, met dat jaarlijks festival als uitsmijter. Meer moest hij eigenlijk niet doen: blijven glunderen. Ik vond het altijd al raar dat de man nooit eens uit die lachkramp geraakte. Zoals de humor een vorm van machtsvertoon kan zijn (de BV-cultuur van altijd dezelfde mediagenieke, goedlachse lolbroeken in allerhande kwis- en praatprogramma’s op TV), zo is de massale melancholie, de obligate rouw,  evenzeer een politieke strategie om de kudde samen te houden. We spreken dan over “collectieve verwerking” en “samenhorigheid”. Ook Biza-minister Annemie Turtelboom liet zich wat dat betreft niet onbetuigd. Zij is ook de politica die nog niet zolang geleden een uitval deed tegen elke vorm van politiek radicalisme, waarmee dan speciaal het Vlaams-nationalisme werd bedoeld.

Als politici de verbondenheid prediken, is het opletten geblazen. In het weer kan men van toeval en noodlot spreken, in de politiek anderzijds is niets toevallig. En nu de Kleenex op is, mogen er misschien weer eens onaangename waarheden naar boven komen.

Johan Sanctorum

Naschrift per 26/8/2011

De reacties op mijn analyse bevestigen de overdosis aan sentimentele tunnelvisie die deze zaak besmet. Er is niets zo erg als een kind verliezen, mijn oprecht medeleven met de ouders en nabestaanden, maar deze nationale hysterie gaat over iets anders.

Ondertussen blijft het smakeloze smartlapcircus maar doorgaan, nu weer met een Pukkelpop-herdenking die weer uitdraait op een tranerige pro-Chokri-manifestatie. In De Morgen konden we ook nota nemen van zijn boezemvriendschap met Noël Slangen, notoir verkoper van gebakken lucht. Zopas verwijderde de heer Mahassine (tijdelijk) alle SP.A-logo’s van zijn thuispagina. Wellicht op aanraden van Slangen en onder invloed van de discussie op deze webstek.

Uit platte commerciële overwegingen blijven de Vlaamse media voluit meedrijven op de emo-politieke blubber. Terwijl we nu juist nuchtere analyse nodig hebben, vrij van alle politieke correctheid. Te beginnen met de simpele vraag, waar er fouten gemaakt zijn, hoe we eruit kunnen leren,- en uiteraard: of zo’n massa-evenement qua veiligheid nog wel verantwoord is. Massapsychologen en klimatologen kunnen hier zeker een bijdrage leveren. Zie ook mijn analyse rond de Love Parade in Duisburg vorig jaar: “Paniek op de wei”

J.S.


“Lawaai is lawaai”

7 augustus 2011

Gepensioneerd sportjournalist en koninklijk cardioloog komen op voor uw gezondheid

Kinderspelen (P. Brueghel)

Knorrige, van een royaal pensioen genietende oudjes die zich druk maken om spelende kinderen en processen inspannen tegen speelpleinen. Dezelfde oudjes die zich waarschijnlijk afrukken bij kinderporno op het internet. Tenzij ze zich vergapen aan Pieter Brueghels “Kinderspelen” in het Kunsthistorisches Museum te Wenen. Wat is dat toch allemaal met Vlaanderen en zijn jeugd? Waarom wordt kindergeluid nu opeens gelijk gesteld met vliegtuiglawaai en het geluid van zaagmachines? Eerst, naar goed gebruik, een korte antropologische ronde.

In mijn essay “Kreeft op zijn Japanees”, geschreven de avond na een bezoek aan een Japans restaurant waar levende kreeft werd geroosterd, ga ik uitvoerig in op de relatie tussen hoogcultuur, mannelijk sadisme en de kindermoord. De centrale stelling is:

1) Dat de mannelijke jager in de oertijd al doodde voor zijn plezier, gewoon als rituele machtsuitoefening

2) Dat de list die met deze moordlust gepaard moest gaan, intelligentie heeft voortgebracht: vernunft en sadisme zitten in dezelfde hersenregio (zie Dutroux, het criminele meesterbrein… )

3) Dat dit moorddadig vernunft zich, om aan vervolging door de groep te ontsnappen, tot “cultuur” heeft veredeld, waarin o.a. het culinaire dierenoffer wordt gecelebreerd, maar waar ook het kinderoffer discreet is blijven doorwerken, als een poging om de (vrouwelijke) biologie ondergeschikt te maken aan het mannelijk scheppingsproces. Gustav Mahlers Kindertotenlieder vormen er een makabere apotheose van. (Hier kwamen kwade reacties op van de kunstensector…)

4) Dat kinderen, vrouwen en dieren in deze gemaskerde macho-cultuur het voorwerp blijven van vervolging, ongeacht alle mogelijke socio-politieke correcties.

Dit laatste punt sluit aan op de huidige hetze tegen “onverdraaglijke” kindergeluiden en de lopende processen tegen kinderdagverblijven en speelpleinen. Twee opiniemakers, niet toevallig behorend tot de Vlaamse intellectuele bovenlaag, hebben het voortouw genomen inzake kinderhaat. Het taalgebruik liegt er niet om: moest men in hun discours het woord “kind” door “homo” of “allochtoon” vervangen, ze hadden zelf al een proces aan hun been vanwege het CGKR.

Eerst was er voormalig sportverslaggever Ivan Sonck, die een heuse buurtactie op touw heeft gezet tegen een kinderopvang die aan zijn tuin in het Vlaams-Brabantse Asse grenst.

Ivan Sonck is een sportfreak, dat is algemeen geweten, en maalt per dag vele kilometers. Eeuwig jong wil hij blijven, en kinderen lopen die illusie in de weg. Zijn eeuwige-jeugd-complex, dat naadloos zal overgaan in een discrete seniliteit zoals de natuur dat nu eenmaal heeft gewild, matcht gewoon niet met het echte “lawaai” van echte jongeren. Ivan Sonck is dus een onvermijdelijke karikatuur van de archaische jager: een kindervreter met een vals gebit maar met een goed pensioen. Jammer genoeg is hij een prototype, geen uitzondering: de generatiekloof groeit met de minuut, waarbij een groep van welvarende 60-plussers zijn biologische en sociale nutteloosheid probeert te maskeren door zich een tweede of een derde jeugd aan te meten. Zie ook het infantilisme van de Benidorm bastards.

Sociaal gezien is Ivan Sonck een geprivilegieerde parasiet. Zijn pedofobie kan niet los gezien worden van een opvallende laat-me-gerust-mentaliteit, eigen aan vroegtijdige renteniers.

Sonck geniet sinds zijn 60ste van een genereus prepensioen en wil er vooral niet aan herinnerd worden dat de jeugd van vandaag dat zal moeten betalen als hij de 80 haalt. In zijn idyllische oude dag wordt alle geluid, behalve het zijne, als “overlast” beschouwd: verkeer, vrachtwagens, vliegtuigen, en dus ook spelende jeugd. Daarom prefereert hij ook een industriële opvang van de jeugd in opvoedingskampen waarin sportvedettes kunnen worden klaargestoomd (interview in het Het Nieuwsblad van 26/8/05). Het voorstel van bepaalde buurtgroeperingen is inderdaad, houd u vast, om de kinderopvangcentra naar de industrieterreinen te verplaatsen buiten de centra. Indien mogelijk nabij een afvalverwerkingsinstallatie?

Oude Wolven

Dat brengt ons op het tweede pedofobe orakel, Dr. Marc Goethals, cardioloog in het Onze-Lieve-Vrouw-Ziekenhuis te Aalst, het vaste verzorgingsinstituut voor ons vorstenhuis. Koninklijk cardioloog Goethals neemt hier, als “expert”, hetzelfde on-biologische standpunt in van Ivan Sonck die de jeugd naar de fabriekterreinen wil draineren: “Lawaai is lawaai. Of het nu van vliegtuigen, treinen of wagens met een zware stereoinstallatie komt” (Opiniestuk in De Standaard van 3/8/11). Dat is manifest onjuist: in de opera kan het aantal decibels behoorlijk oplopen, om nog maar te zwijgen van een voetbalmatch of een popconcert. Geluid is uitermate subjectief en hangt compleet samen met de culturele associaties errond. Geluid kan aangenaam zijn of onverdraaglijk, naargelang onze perceptie van de bron. Maar Goethals medicaliseert verder en definieert het kinderlawaai als een aanslag op onze integriteit: “Lawaaischade manifesteert zich vooral door een hoge bloeddruk en aandoeningen van het hart en de bloedvaten (hartinfarct, hartfalen, hersentrombose), maar ook in een scala andere aandoeningen zoals ademhalingsziekten, psychiatrische aandoeningen, reumatische aandoeningen.”

Dat is een interessant perspectief: kinderen zijn eigenlijk gevaarlijk voor onze gezondheid, en moeten dus gemarginaliseerd/beknot worden. Dit is een kwestie van wettige zelfverdediging. Op een gesofistikeerde manier komt het kinderoffer terug op de proppen, via dezelfde culturele perversiteit van een ouderlingenregime (gerontocratie) dat zijn macht ontleent aan een compleet irreële meerwaarde. Dat is niet nieuw, integendeel, het is de archaische sjaman die zijn goocheltrucs vertoont,- de oude man die eigenlijk alleen maar op de groep parasiteert, maar die erin slaagt om tovenaarsallures te ontvouwen. Applaus. Kinderen en vrouwen worden dan automatisch in rang verlaagd, omdat zij de levende ontkenning vormen van die enscenering.

Ik noem ze “oude wolven”: in de natuur worden seniele wolven met asociaal gedrag uitgestoten,- in onze verzorgingsmaatschappij verenigen ze zich en stellen ze de wetten.

Zo verzinkt de klassieke mannelijke creatiedrang, gericht tegen de vrouw en de natuur, in een tamelijk steriel schimmenspel van geronten die schrik hebben van de dood. De eeuwige atleet Sonck en de koninklijke medicijnman Goethals leven in een luchtbel en zijn ervoor beducht dat een kinderhand die bel zou doorprikken. Heel hun discours ademt bekrompenheid en middelmatigheid uit.  Ze behoren tot een paternalistische, kleinburgerlijke laatcultuur, waarin bange oude mannen hun doodsangst projecteren in een pedofoob soort Narcisme.

Ik noem ze “oude wolven”: in de natuur worden seniele wolven met asociaal gedrag uitgestoten,- in onze verzorgingsmaatschappij verenigen ze zich en stellen ze de wetten. Door het kind als een uit te roeien kwaal voor te stellen, brengen ze de overleving van de soort in gevaar, maar dat is niet hun zorg want ze leven niet in een biologisch paradigma.

Kronos (P.P. Rubens)

Het probleem van de oude wolven is niet eens dat ze onproductief hun dagen slijten op kosten van de groep, in een hoogconjunctuur van materiële welvaart en goedkope geneeskunde. Het probleem is vooral dat ze hun biologische nutteloosheid ontkennen en ondergeschikt maken aan een culturele noodzakelijkheid, waardoor zoiets als het recht-van-de-oudste ontstaat.  Herinneren we ons ook het gepoch van Euro-parlementslid Dirk Sterckx over zijn pensioen en de rechtmatigheid ervan.

De mythe van Kronos is hier helemaal van toepassing: nog liever de eigen kinderen opvreten dan macht af te staan. Doodsangst leidt tot psychotisch gedrag, overgaand in kannibalisme. Zulke oude wolven zou men, strikt biologisch gezien, moeten euthanaseren. In dat perspectief lijkt me het kinderlawaai compleet zinvol: de groep kan er tegen, de gedegenereerde exemplaren gaan eraan kapot. Laat de natuur gewoon haar werk doen.

Merkwaardig is overigens dat ook wolvenroedels er een “crêche” op nahouden, waar de welpen in groep worden groot gebracht. Grijsaards die daar een probleem mee hebben, mogen het aftrappen. Het is hoog tijd om weer een “logique du vivant” te hanteren, in een samenleving die compleet van de natuur is vervreemd.

Johan Sanctorum


Bevrijd de straat, zet de maskers op.

23 juli 2011

Pleidooi voor een carnavaleske benadering van de boerka

Nu het boerkaverbod officieel van kracht is (in een paar steden zoals Antwerpen en Brussel bestond het al langer), past enige zelfkritische reflectie over dit bizar stukje wet, dat eigenlijk niets ten gronde oplost. Noch omtrent de plaats van de islam in onze westerse samenleving, noch de associatie van dat kledingstuk met de bedreiging van onze eigen waarden en normen.

Dat onze Europees-humanistische traditie hier in een spreidstand verkeert, is al jaren duidelijk: het recht op vrijemeningsuiting en de godsdienstvrijheid zijn in een spanning komen te staan tegenover het islamkritische discours, gekoppeld aan de filosofie van de Verlichting. Dat is minder een probleem voor gelovige Christenen of Joden, dan voor vrijzinnigen die elke godsdienst per definitie gelijkschakelen. De libertariër in mij heeft bovendien altijd geaarzeld, of een boerkaverbod wel in overeenstemming kan gebracht worden met het door ons gekoesterde vrijheidsbeginsel. Van mij mag iedereen namelijk op straat lopen in eender welke outfit,- bikini, naakt, in paramilitaire uitrusting (ook verboden!), met een kruiwagen vol bijbels, een opgerolde bladzijde van de koran in het achterwerk, en dus ook in boerka, waarvan ik de onderliggende symboliek desondanks verafschuw, onder het Voltairiaans motto: “je déteste ce que vous écrivez, mais je donnerai ma vie pour que vous puissiez continuer à écrire.”

En inderdaad, voor verdedigers van vrouwenrechten schijnt zo’n boerka heel ongemakkelijk te zitten, je ziet vrijwel niks, men zweet er zich in kapot. Brrr. Maar iemand die zich met Goede Vrijdag laat kruisigen op de Filippijnen hangt ook niet comfortabel, en wie houdt van SM-spelletjes flirt ook met de pijngrens, wat evenmin verboden is. Deze vrijzinnig-libertarische attitude speelt mee in mijn perceptie van wat Sam van Rooy, medewerker van Geert Wilders, overkwam. Wilders, de auteur van het Fitna-filmpje en uniek lid van de Partij Van de Vrijheid (!), kon het niet hebben dat Van Rooy ook eens een filmpje had gepleegd van gesluierde moslima’s in  een winkelcentrum te Scheveningen, en dat met bijpassende commentaar op het web had geplaatst. Ik zie hier nergens een reden om iemand terecht te wijzen, tenzij Wilders zelf. Intrinsiek is er een symmetrie inzake vrijheid: het is alles of niets. Van mij mogen die moslima’s daar rondlopen, én mag Sam van Rooy ze ook filmen, net omdat het een publieke ruimte betreft. De Partij Van de Vrijheid heeft dus een compleet verkeerde naam, want ze wil van alles en nog wat verbieden, ook de Koran bijvoorbeeld. Terwijl toch ook daar bovenstaande Voltaire-quote zou kunnen gelden. Het vrijheidsprincipe botst vandaag dus tegen allerlei obstakels, waardoor het zich abstract en ontoepasbaar maakt.

De oplossing van het dilemma ligt voor mij in een diepere uitwerking van de relativerende kracht die ons door de renaissance en het humanisme werden aangereikt – een herbronning dus-,  en die vreemd genoeg goed aansluit bij de ironie van het postmodernisme. Afbreken is de boodschap. Niet met bulldozers, maar met woorden en beelden. En niet met donderpreken of muilkorfwetten, maar met de lach. Heel het register van de speelsheid, de karikatuur en de parodie doorkruist de tomeloze, humorloze ernst van de islamcultuur, maar ook van het Hollands-zeurderige discours van Geert Wilders. Verbieden leidt tot niets, het roept alleen nog meer verboden op, en voor we het goed doorhebben zitten we in de wederzijdse gijzeling van een schrikdemocratie.

Misschien is de boerka-als-grap, het carnavalattribuut, het artistiek flou, een veel betere en verfijndere benadering van het probleem dan het simpele verbod.

Daarom vormen de fameuze Mohammed-cartoons een mijlpaal in onze Westerse cultuur, ik schat ze even hoog als de Mona Lisa en het tentoongestelde fietswiel van Duchamps. Telkens gaat het om een veelbetekende knipoog, een lach die veel meer aantast dan alle verboden samen: de hedendaagse kunst wijst ons een weg naar een bevrijdende ontbinding van alle zekerheden.

Gezichtsbedekkende kledij is verboden in de publieke ruimte, behalve met carnaval. Dan verdwijnt blijkbaar ook het veiligheidsargument (maskers worden nogal eens gebruikt bij gewapende overvallen). Maar dat carnaval is rekbaar: zoals het liedje van Kamagurka en Herr Seele luidt, “In het heelal is ’t alle dagen carnaval”, is het infiltreren van de publieke ruimte met bizarre, onduidbare, zelfs angst oproepende toestanden schering en inslag. We doen niet anders dan de zotheid cultiveren.

Bij wijze van experiment defileerde vrijdag j.l. Standaard-journaliste Lieve Van de Velde in boerka op de Antwerpse Meir, en bracht in de weekendkrant verslag uit van haar bevindingen (“ongemakkelijk-verstikkend- roept agressie op – men ziet niets en wordt van alle kanten bekeken…”), zonder zich uiteraard te kunnen verplaatsen in de mind map van een gelovige moslima die dat gevoel misschien geweldig vindt.

Op het einde van haar relaas, komt ze tot volgende merkwaardige conclusie: “Mensen lijken gehecht aan een relaxed straatbeeld, een beeld dat ze kunnen vatten en plaatsen. Een boerka past daar niet in. Dat zou het besluit van deze korte wandeling kunnen zijn.”

Hoe interessant haar travestie-experiment op zich ook was, de conclusie lijkt niet te kloppen. Want onze publieke ruimte wordt nu juist gekenmerkt door een overaanbod van prikkels, die helemaal niet rustgevend zijn, doch verwondering wekken, onrust, soms zelfs angst.

Lof der Zotheid

Uitgerekend die Antwerpse Meir, waar Lieve haar gesluierde catwalk deed, is een geliefkoosde uitvalsbasis voor allerlei bizarre happeningtoestanden en performances, soms ook commerciële promotiestunts. In mei van dit jaar leurden vijf als bomen verklede reclame-acteurs met spaarpunten om bomen te planten. Het initiatief ging uit van enkele koekjesfabrikanten. Een paar weken geleden landde op de aanpalende Keyzerlei een “luchtschip” waaraan alle Sinjoren zich konden vergapen: het bleek te kaderen in een kunstproject “Aeroflorale”, door de stad Antwerpen besteld. Een luchtschip vol ruimtemannetjes: alle media speelden het spel mee, het leek wel een ludieke versie van The War of the Worlds, het beruchte hoorspel waarmee Orson Welles in 1937 de Amerikanen de daver op het lijf joeg.

Maar dé boosaardige Vlaamse kunstenaar-straatperformer is natuurlijk Benjamin Verdonck, de man die op diezelfde Antwerpse Meir tijdens de soldenperiode met enorme tassen zeulde, haast als een Christus die onder het kruis bezwijkt. Of die tijdens de eedaflegging van Barak Obama met een megafoon afwisselend ‘Yes, we can’ en ‘No, we can’t’  stond te roepen. Hij klampt mensen aan, verontrust, draagt helemaal niet bij tot een “relaxed straatbeeld”.

Kijken de toeschouwers ervan op? Jazeker. Wordt er gelachen? Jawel, maar men voelt zich soms ook ongemakkelijk door de dubbelzinnigheid, men fluistert, of men loopt gegeneerd weg. Eén keer werd Verdonck ook ingerekend door de politie wegens ordeverstoring. Hij is de kruising van uiteenlopende archetypes zoals de nar, de provocateur, de demonstrant, en zo weer de kunstenaar-entertainer.

Waar blijven de kunstenaars, architecten, performers, die zich, in het zog van de Deense cartoonist,  aan een deconstructie van de islamsymbolen wagen?

Kijk, in die zin vraag ik me af waar de boerka blijft, en waarom Benjamin Verdonck zich niet eens aan deze explosieve materie waagt. Misschien is de boerka-als-grap, het carnavalattribuut, omgeven door artistiek flou, een veel betere en verfijndere benadering van het probleem dan het simpele verbod. Ik pleit voor de straat als zinnige confrontatieplek, die uitnodigt tot speelse vervorming en deconstructie. Ook, en misschien vooral, van de boerka. Niet alleen wordt de originele symboliek aangetast en van andere inhouden voorzien,- er zijn ook talloze associaties mogelijk met vormelijke analogieën zoals het klassieke spook, het ruimtepak, de Antwerpse modecreaties waar je soms van achterover valt: hoe bedenken ze het?

Deze speelse provocatie is een onweerstaanbare stijlfiguur in onze Westerse iconologie. We deconstrueren beelden, iconen, symbolen, begrippen, personen, in karikaturale voorstellingen die na het lachen weerom doen nadenken. Dat de islam daar niet mee om kan, is een veel sterker bewijs dat hij in onze samenleving niet integreerbaar is, dan het feit op zich dat hij vrouwen in een soort gesloten tentje laat lopen. Waar blijven de kunstenaars, architecten, performers, die zich, in het zog van de Deense cartoonist,  hieraan wagen? Een minaret die bovenaan in een knoop eindigt; een gebedsstonde naar Mekka die bij nader toezien een groep naar hun contactlenzen zoekende paters blijkt; mode-ontwerpers die flirten met de boerka of niqab, maar dan in doorkijkversie, of met ingebouwde TV-ontvanger, of vanonder kort en op hoge hakken. Of wat als enkele westerse meisjes zich in boerka zouden mengen onder een groep moslima’s, en een afwijkende lichaamstaal gebruiken? Of wat als ik op een camping een overmaatse boerka opzet tegen de ellendige Belgische zomer?

Ik kan er zo nog een massa bedenken, maar het lijkt me twijfelachtig of de huidige Vlaamse cultuurscène, nog steeds gebiologeerd door een steriele multiculdoctrine, klaar is voor dit soort politiek-incorrecte deconstructies. Ze missen kansen. Door te spelen met het spectrum tussen humor, travestie, parodie, verwondering en horror, ontstaan in de publieke ruimte carnavaleske bellen die de huidige antithesen ver overstijgen. We moeten onze sterkte durven tonen, en die zit in de vrolijke wetenschap. Het is dan aan de moslims zelf om te leren lachen, zoals verlichte Christenen ook met Monty Pythons kruisdoodparodie kunnen lachen. De zelfspot is de hoogste graad van vrijheid. Wie hier zelfs de onderste trede niet durft te begaan, veroordeelt zichzelf tot levenslange gevangenschap.

Volgend jaar is het 500 jaar geleden dat Desiderius Erasmus zijn “Lof der Zotheid” schreef. Misschien dit werk eens herlezen?

Johan Sanctorum


De slutwalk, van onderuit bekeken

27 juni 2011

Kleine futurologie van de seksualiteit.

De coup-de-théâtre rond IMF-baas Dominique Strauss-Kahn en zijn fatale uitschuiver in het New-Yorkse Sofitel-hotel heeft echo’s veroorzaakt die het politieke schandaal ver te buiten gaan. Eerst leek het op een aflevering van een middelmatige hotelsoap, enkel goed voor de tabloids. Maar Straus-Kahn is een icoon van geld en macht, en dus werd het een breder verhaal van een arm kamermeisje van Afrikaanse komaf, belaagd door een geile (uiteraard blanke) superkapitalist. Ook dat is natuurlijk een cliché, maar gecombineerd met een karikaturale kijk op de Frans-libertijnse losbandigheid, jawel, gegrondvest op het ius primae noctis uit het prerevolutionaire tijdvak, leverde dat een aardige mix op van sociale verontwaardiging en soft-feministische oprispingen. Hoogtepunt hiervan was de manifestatie van hotelkamermeisjes die DSK eendrachtig en onder grote persbelangstelling kwam uitjouwen bij het verlaten van de rechtszaal. Aandoenlijk.

Het werd pas echt interessant toen, in het zog van de DSK-affaire, de sletten op straat kwamen: vrouwen en meisjes in hoerige outfit, fel beschilderd en rauwe kreten slakend… met de duidelijke boodschap dat korte rokjes niet wijzen op seksuele beschikbaarheid. Meteen kreeg de slutwalk een antropologische dimensie die alle politieke en sociale bespiegelingen ridiculiseert. Hoezo, slettig maar niet slets? Het is te gemakkelijk om dit fenomeen af te doen als een variatie op het liedje “als ze neen, zegt, bedoelt ze ja”. Veeleer lijkt het me een resolute afwijzing van oeroude codes, en een afkondiging van een nieuwe lichaamstaal die de klassieke prikkels (zichtbare bovenbenen, decolleté, hoge hakken, heupwiegen,…) omzet in verbodstekens.  Wat zijn de sletten met ons van plan, waar willen ze naar toe? Dit moet futurologisch uitgeklaard worden.

Keren we eerst even terug naar de ongecompliceerde zoogdierenseks: een mannetje dat een loops wijfje bespringt, eventueel voorafgegaan door enige gesnuffel en een paringsdans. Soms gaat het met enige dwang en zelfs risico op verwonding gepaard (bijvoorbeeld de olifantenstier die een koe kan verpletteren), soms wordt er onder rivaliserende mannetjes een robbertje gevochten, soms is de paring alleen voorbehouden aan het alfadier van de groep. De semiotiek blijft echter overeind: om en bij de ovulatie scheiden seksueel beschikbare wijfjes feromonen af, en sporen met allerlei lichaamstaal tot de daad aan,- signalen die als dusdanig ook begrepen horen te worden, zo heeft het moeder natuur gewild.

Lang verkeerden wij in de illusie dat deze paleo-biologie zou geldig blijven, weliswaar in een regelmatig geupdate versie. Het universum van de antropoloog Desmond Morris (“The naked Ape” e.a.), is zeer overzichtelijk, het speelt zich in de oertijd af. Heerlijk stabiele clichés waren het. De billen verdubbelen de borsten, en vice-versa. Parfum imiteert de geur van het loopse secreet. Hoge hakken doen de kont meer wiegen. Lippenstift doet de mond op een vagina gelijken. Enzoverder.

Weliswaar trad er doorheen de geschiedenis een raffinement van de seks op, die de voortplantingsfunctie volstrekt in de schaduw dreef (Don Juan, hofmakerij, techniek van de verleiding, goede manieren, hoofse liefde, Tristan en Isolde), naast een instrumentalisering (prostitutie, secretaresse die haar baas neukt, valstrikken en chantage zoals bij Julian Assanges), en zelfs een  virtualisering (porno, cyberseks, webcamera’s,…), maar over de basiscodes bestond geen twijfel: zonder een vochtige vagina geen penetratie. Tenzij in geval van verkrachting en andere pathologieën: zieke exemplaren die zichzelf uit de groep zetten.

Nadat de seksualiteit was losgekoppeld van de voortplanting, worden nu ook de seksuele signalen losgekoppeld van hun inhoud, hetgeen een enorme ruis veroorzaakt, een stortvloed van irrelevante/onleesbare cosmetica.

De codes waren gevarieerd, ze vergden kennis en initiatie, maar eens onder de knie was het wippen geblazen. Nog maar enkele jaren terug was het een verbreid gebruik in de supermarkt om met een komkommer en twee pompoenen in het karretje aan te geven dat men iets anders ambieerde dan het maken van een groenten- of fruitcocktail. Beide geslachten maakten gebruik van die code, het was discreet en duidelijk tegelijk. Nu snapt niemand het nog: probeer het, u zult van een kale kermis thuiskomen.

De slettenmars deponeert Desmond Morris bij het groot vuil, samen met alle andere aspecten van de scientia sexualis, zoals Michel Foucault ze karakteriseert. Want gaandeweg ontwikkelde zich een vrouwelijke modelijn die wel de codes behield maar niet hun betekenis. Ze is dus wezenlijk “pervers”. Een rok, daar scharrel je niet onder, al is het ding daar ooit voor gemaakt. Zwaar aangekleurde lippen, dat is gewoon voor de fun, onnodig er iets achter te zoeken. Nadat de seksualiteit was losgekoppeld van de voortplanting, worden nu ook de seksuele signalen losgekoppeld van hun inhoud, hetgeen een enorme ruis veroorzaakt, een stortvloed van irrelevante/onleesbare cosmetica.

De seksuele moraal zelf komt daardoor in een vreemd flou artistique terecht, dat de erotische praxis zelf helemaal in de war stuurt. Andermaal is de kledingmode gangmaker. Een frappant voorbeeld is de seksueel getinte (of zelfs semi-pornografische) kinder- en jeugdmode. In het post-Dutroux-tijdperk heeft de heksenjacht op pedofielen onwaarschijnlijke proporties aangenomen. Zodanig zelfs dat een normale intimiteit tussen volwassenen en kinderen, laat staan tussen pedagogen en pupillen, haast niet meer mogelijk is. Dat nieuwe puritanisme vloekt echter met de uitdagende kledij die men bv. heel jonge meisjes opdringt. Ik spreek dan niet over gewone korte rokjes, maar over topjes met het opschrift “fuck me!” en voorgevulde beha’s voor zevenjarigen. Dat zijn toch zeer expliciete seksuele signalen, specifiek naar liefhebbers van jong vlees. De Britse conservatieve premier Cameron trok onlangs ten strijde tegen deze dubieuze pedo-mode, maar de druk van de reclame is enorm. Succesrijke kindvrouwtjes uit de show-bizz zoals Lady Gaga zetten verder de toon en inspireren fenomenen zoals het Junior Eurovision Songfestival, bestemd voor pubers en prepubers: een geweldige piepshow voor pedofielen.

Vagina dentata

De paradox van seksuele signalen die niet als dusdanig mogen begrepen worden, laat staan geconsumeerd, kan niet losgezien worden van een algemene virtualisering in de communicatie, eigen aan onze (post)moderne beeldcultuur. De schijn (het simulacre, dixit J. Baudrillard) regeert, niets is wat het lijkt. Zoals een halfnaakte hostess op een blinkende bolide in het autosalon ook niet voor consumptie bedoeld is, maar puur als lokmiddel, zo gedragen mensen zich steeds meer als een icoon, een verklede pop. Maar wanneer de hostess nog een commercieel duidelijk oogmerk heeft (namelijk het verkopen van meer auto’s), is het volstrekt onduidelijk wat iemand wil “verkopen” die hoerig gekleed is, zonder enige bijdoeling. Gewoon, zomaar. Jamaar.

De tooi wordt een gevaarlijk spel met verbroken conventies. Wat zich breed aandient, in alle maten en gewichten, is een vleeswarenetalage zonder ingang. Een theatrale sur-realiteit van niet-consumeerbare, frigide vampen, waarop mannen vergeefs hun strategie pogen af te stemmen. Zij worden mee in het theater gelokt, fantaseren, verzinnen nep-identiteiten, en liegen ook voluit als ze betrapt worden, zie D.S.K. Ontkennen is de boodschap (Bill Clinton: “I never, I repeat, I never had sex with that woman…”). Uitlokking inroepen helpt echter niet meer, want de spelregels zijn veranderd, en iedereen wordt verondersteld om de wet te kennen. Wie toch aan de verleiding toegeeft en de rok oplicht, wordt gecriminaliseerd (als verkrachter) of gepathologiseerd (als seksueel bezetene). Het is dus kwestie om de gevangenis of het gekkenhuis te vermijden. Meer zit er niet meer in.

De vrouw tooit en mystifieert, de man liegt en simuleert. Vanonderuit bekeken is de slutwalk een vrolijke begrafenisstoet met de fallus als trofee. De scientia sexualis is dood, maar ook de oeroude verbindingslijnen tussen de geslachten raken geblokkeerd. Onder het feminisme, als lineaire emancipatiebeweging, loopt een grondstroom met grote draaikolken, die iets helemaal anders blootlegt: een afwijzingsfront tegenover de (hetero-) seksualiteit, de klassieke erotiek, wellicht tegen de man zelf en zijn biologische voorbeschiktheid van roofdier, verleider, inseminator, bezitter.

De vagina dentata, het grote schrikbeeld van de fallus, doemt daarmee op: een getande kut die elke indringer ogenblikkelijk castreert. Deze tegenhanger van de mannelijke vampier, nu al vlot circulerend als amulet of broche, is vooral bedoeld als afschrikking en afvlakker van het mannelijk libido. Mogelijk zal het ook kunnen ingeplant worden in de vagina: een compleet messcherp kunstgebit, aan het spierstelsel gehecht, om ongewenste indringers deskundig en voor goed te neutraliseren.

Het cliché “Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus”, kan nu worden omgekeerd: elk terug naar zijn planeet, met dien verstande dat Venus de leiding in handen neemt voor de komende tien millenia.

Het maagdelijk ideaal van het vrouwenconvent krijgt nu nieuwe glans. Mannen zijn niet meer nodig, zeker niet voor de vrouwelijke lustbeleving, waar ze toch nooit om bekommerd waren: zelfs bij de cunnilingus bleven zij de garagist die onder de motorkap kijkt.

Een splitsing m/v van de antroposfeer lijkt onvermijdelijk, alles zal zijn eigen versie krijgen, een mannelijke en een vrouwelijke, met een minimum aan vertaling en uitwisseling. Dat is nog eens wat anders dan de splitsing van België. Met het imploderen van de heterosexualiteit zal niet alleen het overbevolkingsprobleem opgelost raken, maar zal het mannelijk geslacht ook geminoriseerd worden, zelfs in getal. Het aids-virus treft namelijk vooral mannelijke homofielen die via anale seks de ziekte overdragen. Alleen al uit veiligheidsoverwegingen zal het femdom zich afzonderen. Uiterlijk lijkt het wat op de strenge regels die in bv. de islam van kracht zijn, maar het gaat nu om een vrijwillige apartheid: eigen scholen, eigen zwembaden, eigen cafés, eigen TV-programma’s (die zijn er natuurlijk al lang), eigen literatuur, eigen cultuur. Het bordje “mannen niet toegelaten” zal doorheen de 21ste eeuw vrij algemeen worden. Deze nieuwe segregatie wordt dan alleen nog onderbroken voor commerciële doeleinden, en altijd zeer hygiënisch, we denken dan vooral aan de seksindustrie, overigens haast een pure mannenbehoefte.

Het cliché “Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus”, kan nu worden omgekeerd: elk terug naar zijn planeet, met dien verstande dat Venus de leiding in handen neemt voor de komende tien millenia. De antropologische revolutie die zich al lang aankondigde, en die voorbereid werd door het feminisme in zijn verschillende sociale verschijningsvormen (de begijnen, blauwkousen, suffragettes, Dolle Mina’s,…) betekent allicht het ontstaan van een wetenschap en cultuur die in niets lijkt op de huidige.

Het matriarchaat wenkt: een tamelijk horizontale samenleving, doorkruist met spontane hiërachieën en gedomineerd door biologische processen die met de vrouwelijke hormonenhuishouding verbonden zijn. De microniveau’s zijn bepalend, de kalenders biologisch. Aan elk product is een stamboom van processen verbonden die bepalend zijn voor de kwaliteit en de eindbeoordeling.

De man heeft dan geen andere keuze dan zich op te sluiten in een subcultuur van homo’s, rukkers en eunuchen. De mannencultuur zal verschrompelen tot de afmetingen van een naar bier en sigaretten ruikende biljarttafel. Zelfs voor de voortplanting is hij niet meer nodig,- dat kan geregeld worden via kloning. Misschien is er voor hem nog een status voorbehouden van werkmier, lastezel, ja mogelijk zelfs wandelende dildo. Mannelijke pogingen om zich ongemerkt in de slut walk te mengen, of om via chirurgische ingreep te vervrouwelijken (transsexualiteit), zullen zeker toenemen, naast travestie, maar dit alles zal streng beteugeld worden met de vagina dentata, hét foltertuig van de toekomst.

Het is dus niet nodig om zich met politieke en maatschappelijke futiliteiten nog bezig te houden, als er antropologisch zoiets broeit. Snel zal de slutwalk de andere processies inhalen en ze naar de folklore verwijzen. Utopie of distopie? Geen van beide, het is gewoon wat het is. Het moment waarop alle boeken moeten herschreven worden, of misschien zelfs helemaal niet.

Johan Sanctorum


Van heksenjacht tot pharma.be

28 mei 2011

De hetze tegen kruidengeneeskunde en homeopathie heeft een lange voorgeschiedenis.

Zoals bekend stelde het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg (KCE) een rapport op, waarin het adviseert om homeopathie te schrappen uit de ziekteverzekering, omdat “niets bewijst dat het werkt”. Opmerkelijk genoeg raadt het centrum tegelijk aan om enkel artsen homeopathie te laten beoefenen. Hoezo? Werkt het dan ineens weer wel? Of gaat het om een usurpatie?

Dat “Kenniscentrum” is een opmerkelijk ding, een typisch Belgisch monster met acht koppen. Het lijkt meer op een door de overheid geïnstalleerd netwerkplatform waarin de administratie van het RIZIV, de universiteiten, de Orde der Geneesheren, de mutualiteiten, maar ook de farmaceutische industrie met elkaar palaberen en beleidsaansturende adviezen geven, zoals dat heet. Het curriculum van de bemanning is rijk en gevarieerd. In de raad van bestuur komen we o.m. Olivier de Stexhe tegen, een cabinetard van CDH-makelij maar ook jarenlang adviseur bij pharma.be, de lobby van de farmaceutische industrie in België.

Dat de kruidengeneeskunde een doorn in het oog is van deze bloeiende en winstgevende industrietak, is evident. Kruidendeskundigen maken hun mengsels zelf. Dikwijls gaat het nota bene over dezelfde kruiden en plantenextracten als in de klassieke farmacie, maar dingen die je in je tuin kweekt, daar heeft pharma.be natuurlijk niets aan.

De lobby werkt overigens ook succesvol op Europees niveau: vanaf 1 mei van dit jaar mogen geneeskrachtige kruiden niet meer verkocht worden zonder EU-label,- een criterium dat netjes op maat is gemaakt van de industriële bereidingswijze. De farma-lobby, aangevoerd door de sluwe zakenadvocaat Leo Neels, loopt dus niet alleen de deuren plat van de huisartsen die met een paar flessen wijn worden bedacht: ze is vandaag vooral actief op politiek niveau, via allerlei commissies, stuurgroepen en zogenaamd wetenschappelijke adviesorganen. Deze institutionele netwerking verloopt via een hele reeks omkoopbare tussenpersonen en topambtenaren, genre Olivier de Stexhe. Ze harkt vlijtig wetenschappelijke publicaties bij elkaar die de superioriteit van de klassieke farmaceutica ondersteunen. Op die tendentieuze manier is ook dat fameuze rapport van het KCE ontstaan.

Kan men dat onzindelijk lobbyisme nog begrijpen vanuit het standpunt van die sector zelf, dan zijn er blijkbaar toch nog nuttige idioten die helemaal vrijblijvend lippendienst bewijzen aan datzelfde pharma.be. Al jarenlang organiseert SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”) een soort heksenjacht tegen alle mogelijke alternatieve vormen van geneeskunde: kruidengeneeskunde, acupunctuur, osteopathie, homeopathie e.d. worden op één hoopje gegooid met astrologie, handlezen en meer van die amusante maar in se onschuldige hobby’s. Spilfiguur en voorzitter van SKEPP, Prof. Em. Dr. Willem Betz (ex-VUB) is zonder meer een fanaticus met een Paulussyndroom: ooit beoefende hij zelf de homeopathie, maar een soort goddelijke bliksemslag op weg naar Damascus deed hem de dwaling daarvan inzien. Sinds die bekering zal heel de wereld van de alternatieve geneeskunde het geweten hebben, en schiet hij  op alles wat daar beweegt. Van zo iemand straalt de bevooroordeeldheid zo af. SKEPP moet zelf als een sekte beschouwd worden, met een uitgesproken onverdraagzaamheid naar andersdenkenden toe.

Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat iedereen zijn eigen geneeskunde moet zoeken. Hegemonieën en zelfverklaarde monopolies zijn nooit goed. Er bestaan niet één geneeskunde, al zouden de Orde en pharma.be natuurlijk willen van wel. Ik ben absoluut ongelovig, maar acht het bijvoorbeeld mogelijk dat zieken in Lourdes genezen, vanwege de religieuze affiniteit met die plek. Ik denk niet dat alle homeopathische middelen werken, maar dat doen de allopathische (dus klassieke) pillen ook niet altijd. Veelal beperken ze zich tot symptoombestrijding, leiden tot overmedicatie, of veroorzaken als pijnstillers dikwijls zelfs zware vormen van verslaving. De medische flaters zijn legio, ook in het universum van de witte schorten. Recent nog kwam aan het licht dat een twintigtal kankerpatiënten in het UZ van Gent met peperdure apparatuur verkeerd bestraald werden, waardoor een fatale tumor zich juist kon ontwikkelen.

De erfenis van Vesalius

De poging  van de farma-lobby om via het KCE de alternatieve geneeskunde de pas af te snijden, past in een commercieel geïnspireerde uitsluitingstrategie, maar is tegelijk een cultuurverschijnsel. Primair is dit namelijk de zoveelste episode in de eeuwenoude afrekening tussen een “mannelijke”, analytische, Cartesiaanse geneeskunde en de “vrouwelijke”, holistische benadering van het menselijk organisme. De mannelijke visie op het lichaam is doelgericht, bakent af, isoleert, maar doodt bij manier van spreken soms een mug met een kanonbal.

Invoeling is niet aan de orde. Het atelier van Vesalius, waarin die moderne geneeskunde geboren werd, sneed lijken open, maar deed ook aan vivisectie, zogezegd omdat dieren toch niets voelen. De anatomie leidt tot een sterke focus op het lichaam als mechanische entiteit, als machine, maar mist alle empathie en zin voor het geheel. De stukken blijven letterlijk liggen.

De vrouwelijke benadering is net andersom: niet inzoomend op een beperkte zone, maar het deel beschouwend vanuit het geheel. Vrouwen kunnen beter om met pijn, maar begrijpen tegelijk beter de pijn van de andere. Deze geneeskunde is kleinschalig en autonomistisch georganiseerd, en werkt vanuit de overlevering, meer dan vanuit institutionele onderwijsvormen en diploma’s. Dat laatste wordt vandaag tegen haar uitgespeeld: ze zou onprofessioneel zijn, ondeskundig en dus gevaarlijk voor de volksgezondheid.

Ik weet dat die sexuele connotaties betrekkelijk zijn en stereotiep lijken, maar ze hebben een geschiedenis en zelfs een antropologische achtergrond. Door de archaische combinatie van vruchtenplukster én moeder, staat de vrouw dichter bij de natuur, als iets dat leeft en gedijt, en waarvan de mens een onderdeel is. De kruidenkennis, het onderscheid tussen giftig en voedzaam of geneeskrachtig, de geheimen van dosering en het belang van de context,- het heeft zich ontwikkeld als vrouwelijke zorgcultuur, die in de late middeleeuwen in conflict kwam met de opkomende moderne geneeskunde. De beruchte heksenprocessen worden door bepaalde historici gezien als tekenen van een grote afrekening met die “vrouwelijke” concurrentie. Ook de vroedvrouwen moesten gediskwalificeerd worden: vandaag is een geboorte een uitermate klinisch gebeuren waar sowieso een dokter moet aan te pas komen, en als het even kan op een operatietafel met veel assisterend volk er rond. Iets normaals als een kind ter wereld brengen is een omslachtige operatie geworden. De natuur is vies, oncontroleerbaar, en moet zoveel mogelijk gesubstitueerd worden door industriële preparaten. De Zwitserse firma Nestlé is marktleider in melkpoeder die de moedermelk moet vervangen.

De oude mannelijke afgunst t.o.v. de barende vrouw leidde tot datgene wat we vandaag kennen als de machocultuur, zichtbaar in de disjunctieve rivaliteitslogica (of/of, nooit en/en), de prestatiesporten en het autoverkeer, naast alle mogelijke sublimaties van “scheppingsdrang”, fantasie, artistieke en wetenschappelijke productiviteit, de geniecultus, enz. Cultureel is het mannelijk kolonialisme in tal van “vrouwelijke” domeinen gepenetreerd,- dit woord gebruik ik bewust. Denken we maar aan de meesterkok, de keukenpiet van op TV die tegen de sterren op kokkerelt: vrouwen krijgen het kookboek cadeau voor Moederdag, terwijl ze zelf levende, ongeschreven kookboeken zijn. Idem dito voor de geneeskunde: het kruidenmengen zit als het ware in hun genen, maar Dr. Betz, pharma.be en de EU willen er niet meer van weten en geven de pillendraaiers het monopolie. Als troostprijs mogen meisjes natuurlijk wel geneeskunde studeren –er zijn de dag van vandaag zoveel vrouwelijke als mannelijke artsen-, zonder dat ze zich realiseren dat hun witte schort een uniform is, toebehorend aan een patriarchaat dat, ondanks alle positieve discriminatie, sterker is dan ooit.

Aristoteles, Vesalius en Descartes zetten de toon in dit verhaal. Ze blijven de maatschappelijke logica’s beheersen: agressief, expansionistisch, discriminerend, isolerend. Een moderne wetenschapper is een institutioneel ingekapselde vakidioot die zich een miniem stukje intellectueel territorium toeëigent. Het klinisch-analytisch denken gaat naadloos over in een gefractioneerd wereldbeeld met een globalistische waas over. Het wetenschappelijk-technologisch universum is niet in staat om het geheel te overzien, maar ontwikkelde wel een planetaire impact die fataal ontspoort.

Fukushima is er het voorlopig dieptepunt van.


De zesde extinctie

23 mei 2011


 Over de charme van de mislukkingen de schoonheid van de catastrofe

In het Canvas-Terzake-programma van 7 maart j.l. deelde Prof. Etienne Vermeersch ons mee dat de bevolkingsexplosie op deze planeet schier onbeheersbaar is. Straks zijn we met 9 miljard, en het absoluut armste land ter wereld –Niger- heeft het hoogste vruchtbaarheidscijfer. Op geen enkele manier staat de bevolkingstoename nog in verhouding tot de beschikbare woonruimte, landbouwoppervlakte, grondstoffen, energie. De roofbouw is dusdanig, dat de uitputting van de planeet nabij is, en dan is het gewoon gedaan. Niet alleen met de menselijke soort, maar mogelijk met alle leven op aarde, bijvoorbeeld door een wereldwijde kernramp.
Ik begrijp wel niet waarom de alarmkreet van Vermeersch zoveel ophef maakte. De these dat de (hooguit lineair groeiende) voedselproductie de exponentiële bevolkingstoename nooit kan volgen, werd al ontwikkeld door de Britse econoom Thomas Malthus (1766-1834), die grote hongersnood, epidemieën en oorlogen als fatale maar noodzakelijke correcties zag op dat onevenwicht. Wat Malthus niet voorzag is dat, dankzij de industriële revolutie, die collaps een technologisch karakter zal krijgen, een totale ineenstorting van het aardse ecosysteem die mogelijk een einde zal stellen aan alle leven.
Zo’n uitdoving is zelfs geen uniek feit, zo wist de professor ons nog te melden: ze behoort tot een natuurlijk geologisch ritme. Sinds het Cambriumtijdperk (circa 500 miljoen jaar geleden, waar vermoedelijk de eerste levende organismen ontstonden) zijn er al vijf totale extincties geweest. Momenten dus waar alle leven op aarde verdween en er terug van vooraf aan te beginnen viel. Vermoedelijk zijn we weer zo ver, en is het vooral het ontaarde dier aan de top van de evolutiepyramide, dat deze catastrofe zou bewerkstelligen: de homo sapiens. Men spreekt nu van het antropoceen, als een nieuw geologisch tijdperk waarin die voetafdruk van de mens alles domineert: het zal ongetwijfeld het kortste van alle tijdperken zijn.
De vaststelling van de professor is boeiend, maar de wanhoop zat diep. Uit zijn woordgebruik en lichaamstaal sprak een soort angst, zelfs paniek,- begrijpelijk: als men de zesde extinctie als een natuurlijk gegeven aanvaardt, waarover moet men zich als ethicus en humanist dan nog druk maken? Als dit een antropologisch en zelfs een geologisch voldongen feit is, wat doen wij hier dan nog?
Voor ons, amorele misantropen, is dit anderzijds een opportuniteit. Nu de ethische druk wegvalt om zoveel mogelijk menselijke biomassa te conserveren, zou men eindelijk de schoonheid kunnen inzien van een orde die ook de homo sapiens op zijn plaats zet, en tot een tamelijk onbenullig-komisch intermezzo herleidt. Niet eens een voetnoot in de geschiedenis van de kosmos.
Het zou tot een esthetica van de vergankelijkheid kunnen inspireren, die wetenschappers en kunstenaars op een ander spoor zet, maar ook de economie, het politieke bedrijf, en uiteindelijk het dagelijkse leven ont-stresst. Leren omgaan met het einde, als keerpunt van een cyclus: misschien maakt dat het leven, zolang het nog duurt, zelfs veel opwindender. Ik ontgin een paar pistes.

Lees het essay


De Engelse pitbull en de Vlaamse underdog

4 mei 2011

Gisteren, op 3 mei, werd aan Theodore Dalrymple alias Anthony M. Daniels (op zich een vreemd feit dat een criticus van het politiek-correcte denken zich van een pseudoniem bedient, maar soit) de Prijs van de Vrijheid uitgereikt. Plaats van actie: de grote Aula van het Leuvense Maria-Theresa-college. Een verschrikkelijke plek die meer doet denken aan een anatomisch theater (zoals er zich een in Leuven bevindt), met neonlicht en een erbarmelijke akoestiek. De zaal (voor zo’n 500 toehoorders bedoeld) zat nog niet voor de helft vol, verwonderlijk eigenlijk, wanneer Bart De Wever himself als hulderedenaar was aangekondigd. Onderaan het amfitheater, dus waar de lijken normaal worden opengesneden, verzamelden zich de m’as-tu-vu-gasten van voornamelijk N-VA-makelij: Liesbeth Homans, Jan Jambon, Siegfried Bracke, en meer schoon volk, naast uiteraard de kernleden van Libera! (met uitroepteken, alsof de naam zelf niet volstaat, zie ook Groen! e.d.), de organiserende “klassiek-liberale” denktank onder de bezielende leiding van Boudewijn Bouckaert, tot nader order LDD.

Traditioneel zijn die Libera-prijsuitreikingen qua organisatie een echte ramp, en gisteren was het niet anders: speeches die met een uur vertraging beginnen, geknoei met micro’s, bloemen voor de spreker die niet afgegeven worden, een coördinator (Kristof Van der Cruysse) die op cruciale momenten in de natuur verdwijnt, en gelukkig géén receptie waardoor er ook geen lauwe schuimwijn werd geserveerd. Maar daarover wil ik het verder niet hebben, over naar de laudatio en de laureaatstoespraak, die in een boekje werden gebundeld en die ik ondertussen kon doornemen.

Tegenstellingen, paradoxen en versprekingen

Van Bart De Wever had ik meer verwacht dan het droog aflezen van een Engelse tekst, vrijwel zonder intonatie, maar ik veronderstel dat dit evenement voor de N-VA-voorzitter dan ook niet meer was dan een korte doortocht in een overgevuld dagprogramma. Wat boeiend was en is in deze enscenering, is de confrontatie tussen het universum van de cynisch geworden volksdokter Theodore Dalrymple en dat van de conservatieve Vlaams-nationalist Bart De Wever. Het uitgangspunt waarop Dalrymple steeds weer hamert, dat de pampercultuur alleen maar leidt tot meer afhankelijkheid, en uiteindelijk vooral de welzijnsbureaucratie ten goede komt, betwijfelt geen zinnig mens. En dat de schoelies, die de dagjesmensen in Hofstade intimideerden, niet moeten verontschuldigd worden met praatjes over het warme weer, schoolvacantie en toeslaande verveling,- daarover zijn we het allemaal eens.

Toch moet ik Dalrymple erop wijzen dat die verzorgingsstaat een uitvloeisel is van de christelijk-humanistische traditie, waarover de zgn. klassieke liberalen altijd zeer dubbelzinnig doen. Zelf gebruiken ze de termen “liberaal”, “libertariër” en “conservatief” door elkaar, waardoor ik in het verleden van een ideologische hutsepot sprak. Het is een paradox die ik ook bij de vorige editie in 2010, toen Bolkestein de Prijs van de Vrijheid kreeg, behandelde, en ik heb er nog altijd geen afdoend antwoord op gekregen. Zijn ze nu voor of tegen die culturele onderlaag, die ontegensprekelijk sociale klemtonen legt, en die door De Wever als het “kostbare weefsel” wordt omschreven? Concreet: moet ik medelijden hebben met het gezin dat de electriciteitsfactuur niet meer kan betalen –en misschien zelfs kwaad worden op Electrabel en Eandis die als echte liberalen vooral winst willen maken-, of moet ik zeggen zeggen: “vrienden, help u zelf, brand een kaars, want Theodore Dalrymple is tegen de pampercultuur”?

Medelijden, empathie: het zijn gevaarlijke woorden, want Dalrymple kadert alles in een sentimentaliteitscultus, daarover straks meer. Feit blijft dat het discours van onze gepensioneerde psychiater bijwijlen klinkt als een slang die in haar eigen staart bijt: het gedram over de Europese culturele traditie, de collectieve identiteit en de waarden van de Res Publica, als pseudo-argumentatie voor een ontmanteling van sociale voorzieningen,- brei het maar eens aan elkaar. Het is volstrekt onduidelijk waar bij Dalrymple de sociale solidariteit begint of ophoudt. De verzorgingsstaat is overigens eerder Christelijk-caritatief dan socialistisch-collectivistisch, evenals het belastingsysteem als middel tot herverdeling. Het is hoe-dan-ook hypocriet om de sociale vangnetten te willen opdoeken, terwijl men zich beroept op een identitaire cultuur die het individu overstijgt.

Dalrymple hekelt het hedonisme van de consumptiemaatschappij, maar het is juist de vrijemarkteconomie die de mens tot consumptie aanzet en hem gadgets probeert te verkopen die hij niet nodig heeft.

Ook in een ander aspect rammelt het liberaal-libertaire discours. Dalrymple hekelt het hedonisme van de consumptiemaatschappij, maar het is juist de vrijemarkteconomie die de mens tot consumptie aanzet en hem prullen probeert te verkopen die hij niet nodig heeft. Er bestaan nu eenmaal systemen, mechanica’s, raderwerken, die de menselijke vrijheid trachten te usurperen. Het liberalisme kan bv. niet anders dan reclame toejuichen tijdens kinderprogramma’s –in naam van de “vrijheid”-, maar daarmee wordt natuurlijk wel een verslavend consumentisme geprepareerd. Hoe dat dan weer gerijmd kan worden met ethische principes rond de leugen, manipulatie en verlakkerij, en het recht om te revolteren tegen dit systeem (Jezus die de marchands de tempel uitjaagt?), daar vind ik ook niets over terug in de teksten van Dalrymple. Theorievorming is duidelijk zijn zwakke plek.

Tenslotte heeft Dalrymple de neiging om zich te keren tegen de “linkse” systeemkritiek, die het individu zou deculpabiliseren, maar hij doet natuurlijk – op zijn anekdotische, particularistische manier- wel doorlopend zélf aan systeemkritiek, en dat kan ook niet anders. Het individu bevrijden zonder het systeem te herzien, waarin dat individu functioneert, is een illusie. We hebben dus de politieke plicht om ons te moeien met de maatschappelijke structuren en eventueel alternatieve modellen te ontwikkelen. Anders evolueren we zeer snel naar een cryptofascistische kortsluiting tussen extreem vrijemarktdenken en individuele repressie. Jaja, ik lees wel dat Dalrymple als de dood is voor onderdrukking van het individu, maar ik lees hier en daar tussen de regels toch wel dat een sterke staat, wat meer gevangenissen en wat meer politie hem ook niet ongenegen is. Zeer snel wordt het rechts-conservatieve liberalisme, via het alibi van de waarden-en-normen, toch weer een embryo van de censuurmaatschappij. Kan hier een libertariër eens recht staan?

Meester Pennewip

Over dan naar de boeiende persoonlijke connectie Dalrymple-De Wever. En hier komen we in een psychologisch register omtrent de wezenskenmerken van de Vlaamse underdog. Wie die typologie nog eens in detail wil nalezen, verwijs ik naar mijn essay “Berichten uit la Flandre profonde”, gepubliceerd in “De Vlaamse Republiek: van utopie tot project” (Leuven, Van Halewyck, 2009). Slechts één gedachte hieruit: de Vlaamse underdog vertoont alle kenmerken van de huisdierneurose,- namelijk blaffen én de hand likken die hem slaat. Hij is af en toe opstandig, maar nooit opstandig genoeg om de ketting door te bijten waaraan hij ligt. Ten gronde is de Vlaming nooit aan het Christelijk-parochiaal universum ontsnapt, waarbinnen zonde, leut,  zurigheid (tegen het “establishment”) en gehoorzaamheid de vier Clausiaanse hoekdelen vormen. De zaak Vangheluwe is er een verre uitloper van.

Wanneer ik nu de passages lees in Dalrymples tekst, over de “sentimentaliteitscultuur”, dan krijg ik toch wel de behoefte om dat op de persoon, de leefwereld én de ideologie van Bart De Wever te projecteren. Hierin staan benadrukking van mannelijke deugden, onderdrukking van gevoelens, en zelfcensuur centraal. Dalrymple ontpopt zich als anti-romanticus en geeft een aantal voorbeelden van “belachelijke” collectieve emoties, zoals het leggen van bloemen op plekken waar verkeersslachtoffers om het leven kwamen. Dat het ook hier om oeroude sociale rituelen gaat, traditie dus, zij het niet-geïnstitutionaliseerd, ontgaat Dalrymple blijkbaar compleet. De sentimentaliteitscultus bestaat wel degelijk, daarvoor hebben we de boekskens. Maar dat het collectief rouwen om een dood kind ook al tot het sentimentalisme moet gerekend worden, dat kan alleen uit de mond komen van een gedegouteerde zielenknijper. Ook hier zie ik weer rare breukvlakken met de Christelijke waarden van empathie. Maar, fundamenteler nog, is de afwijzing van de filosofie van J.J. Rousseau – voor wie het gevoel en het natuurlijk instinct primeerde- een Freudiaanse verspreking van de man die schrik heeft van zijn eigen gevoelens.

Dalrymple schijnt hier, meer dan een overtuigend discours tegen het sentiment, vooral een stukje van De Wevers ziel te hebben blootgelegd, en meteen deze van de Vlaamse schuld- en verdringingscultuur.

Persoonlijkheid en ideologie interfereren hier op een curieuze manier met elkaar. De algemeen bekende sociale handicap van De Wever (elke keer dat ik de man sprak, keek hij alleen naar de grond), waardoor hij alleen als demagoog functioneert, én als model-huisvader, rationaliseert zich in een anti-romantisch discours tegen de liefde, de revolutie, de radicaliteit. In essentie gaat het erom dat mensen hun gevoelens vooral moeten controleren en zich gedragen. Er is vrijheid van spreken, maar het moet “beschaafd” gebeuren, en men dient zich te excuseren als men over de schreef gaat.

Dalrymple schijnt hier, meer dan een overtuigend discours tegen het sentiment (dat inderdaad bestaat, maar dan ook weer meer als marktgestuurd fenomeen, vooral via de media), een stukje van De Wevers ziel te hebben blootgelegd, en meteen deze van de Vlaamse schuld- en verdringingscultuur. In wezen is dit het universum van geblokkeerde mannen die met hun gevoelens niet omkunnen, noch met de bochtigheid van het leven. Ik ga me niet wagen aan speculaties over het sexleven van Dalrymple of De Wever, maar ik houd het bij één vermoeden: Geeeuw.

Naadloos gaat het mannelijk-ascetisch discours tegen de emoties over in een zurig, kleinburgerlijk conformisme, dat dan toch weer de sterke staat vooropstelt die, eerder dan brutale censuur, vooral mechanismen van zelfcensuur inlepelt. Beheersing dus. En zo komen we weer uit op de Vlaamse underdog: de Engelse pitbull heeft er, onbewust, een perfect model voor geleverd. Zelden uitgelaten, zelden ook echt kwaad; meestal in de pas lopend, en af en toe de katjes in het donker knijpend. 19de eeuwse preutsheid en misogynie, een Victoriaans universum zoals Tom Lanoye het beschreef? Misschien wel. Ik houd het eerder bij Freud en diens verdringingstheorie. Mannen die emoties verbanvloeken, zitten met een probleem. De politieke revolte, maar ook alle poëtische momenten zijn dan flauwekul (men leze de columns van De Wever erop na), en kunst is, in haar hevige, temperamentvolle vorm, alleen maar ordeverstorend en dus nefast.

Ik moest bij de lectuur van Dalrymple’s speech heel de tijd denken aan Meester Pennewip van Multatuli: een schoolmeester-droogstoppel die de gedichten van zijn pupillen taxeert op hun gehalte aan godvrucht, vaderlandsliefde, gezagstrouw, en, jawel, zelfbeheersing. Andermaal: kan hier een libertariër….

Herderlijk

Ik heb het boekje nu weggelegd en zal het nooit meer lezen. De twee gabbers en boezemvrienden, Bart en Anthony, hebben, behalve hun hopeloze gevoelsarmoede en gespeelde mannelijke stoerheid, ook de kortademigheid gemeen van de columnist. Het zijn meer versierde bedenkinkjes, of, met iets minder respect gesteld: toogpraat. En ook hier herkennen we weer iets oer-Vlaams: het café als parochieparlement, als spiegelbeeld van de biechtstoel in de dorpskerk. De Engelse pub en de Vlaamse herberg ontmoeten elkaar hier als twee archaische fora, waar simpele waarheden vermengd worden met lachsalvo’s en schimpscheuten, en dat alles doorgespoeld met liters slecht bier.

Blijft dan natuurlijk nog de grote autoriteit in Vlaanderen van untouchable Bart De Wever, waartegen elke vrijheidsstrijder zich met hart en nieren zou moeten verzetten. Zijn dubbele reïncarnatie van de dorpspastoor en de schoolmeester uit la Flandre profonde, die zijn waarheden drenkt in een sopje van Latijnse spreuken,- het bevestigt mijn vooroordeel dat Vlamingen nog altijd op zoek zijn naar een herder. Een woord dat Dalrymple als een scheldwoord gebruikt. Ik vrees dus dat de vrijheid weer elders ligt. Altijd elders. Maar is dat niet eigen aan de vrijheid? Hoe zou men haar dan kunnen lauweren? Waarom is “vrijheid” in alle talen eigenlijk vrouwelijk? Kan hier een libertariër…., neen, laat maar zitten.

Johan Sanctorum

Lees ook: John De Wit/“Dalrymple kritiseert de sentimentele samenleving”


De Ronde van Vlaanderen: VIPS only

2 april 2011

Privatisering van de sport, postmodernisering van de democratie
Toen het TV-productiehuis Woestijnvis de top-wielerklassieker “De Ronde van Vlaanderen” (en in één moeite ook de Brabantse Pijl, de Omloop Het Volk en Parijs-Brussel) overkocht van Corelio, uitgever van o.m. De Standaard en het Nieuwsblad, zullen weinig wielerliefhebbers daarvan wakker gelegen hebben. Als er maar de Koppenberg werd opgekoerst. Nu de VIP-tenten echter de massa stilletjes aan naar de zijstraten wegdrummen, wordt er gemord, al beseffen velen nog niet waar de klepel hangt. Daarom deze verduidelijking.
De Ronde is sinds zijn ontstaan in 1913 altijd al eigendom geweest van een krant, met name Het Nieuwsblad, en meer bepaald de bijlage Sportwereld van de legendarische Karel Van Wijnendaele. Niettegenstaande het evenement dus het uithangbord van een krant was, primeerde het publieke karakter en kreeg de wedstrijd een monumentale, haast een mythische dimensie. Sponsoring door derden bleef marginaal, en altijd ondergeschikt aan de sportieve missie. Nogal naiefweg sprak men van een “volksfeest”, een “Vlaams volksfeest”, of ook wel “Vlaanderens mooiste”, waarbij de leeuwenvlaggen (volgens sommigen iets té) uitbundig flapperden.
Maar de tijden zijn veranderd, en ex-VRT-sportjournalist Wouter Vandenhaute heeft het misverstand inzake het sportief-volkse primaat uit de wereld geholpen: de Ronde is een onderneming die winst moet maken, punt uit. Zijn Woestijnvis heeft het quasi-volksfeest geïntegreerd in de globale bedrijfsstrategie van een mediaconcern, met dien verstande natuurlijk dat de gemeenschap blijft opdraaien voor een flink pak kosten rond veiligheid, politiebegeleiding, logistiek enz. De baten voor de privé, de kosten voor de gemeenschap: zo hoort het in de postmoderne economie.
Meteen zou men kunnen spreken van een postmodernisering van de sport en heel het socio-cultureel weefsel daarrond: de event-organisator hanteert een commerciële logica die op de duur het uitzicht en de structuur van dat evenement grondig wijzigt.  Wat we omtrent de FIFA vaststelden, en de brutaliteit waarmee deze organisator van het WK voetbal zijn huisregels opdringt aan de overheden, zal zich zonder twijfel ook bij Woestijnvis doorzetten: toebedelen van reclamemonopolies (op en rond het parcours) aan geprivilegieerde sponsors; de overheden die betrokken zijn bij de organisatie, zoals de gemeenten waar de wedstrijd passeert, voor voldongen feiten stellen; en uiteindelijk het monopoliseren van de publieke ruimte zelf (stratificatie, no-go-zones voor het grote publiek, bijvoorbeeld de VIP-tenten dus).
De overheden zullen hier geen krimp geven, de lokale noch de Vlaamse. De politieke klasse is zodanig ongeloofwaardig geworden, dat ze elk massa-evenement aangrijpt om zich, al was het maar voor één dag, te koesteren in de warme van zo’n volksfeest. Burgemeesters die in de clinch gaan met Vandenhaute bijten bij voorbaat in het zand. De event-organisator gijzelt de openbare bestuurders en kan dreigen met een boycot (bv. een verlegging van het parcours),- een nachtmerrie voor de burgervader in kwestie.
Zo gaat de privatisering van de sport over in een postmodernisering van de democratie zelf. De politieke gevolgen zijn discreet maar belangrijk: Woestijnvis verkrijgt, via de Ronde van Vlaanderen, een beslissende greep op de publieke ruimte, op de publieke opinie, en op heel de emotionele onderstroom die deze opinie draagt. Een mediastrategie op maat maakt het plaatje vol.
_
Gouden driehoek
Het kan niemand ontgaan zijn (hoewel ik daar heel weinig over lees) dat de aanloop van onze Vlaamse voorjaarsklassieker wonderwel past in de opbouw van de Woestijnvisserie “De Ronde” op TV-1. Een aantal dunne verhaallijnen (waarin de enige flamingant “toevallig” ook als een paranoide racist wordt opgevoerd, dit terzijde) zijn hier geprojecteerd op het Rondegebeuren, waardoor de kijker nog sterker de indruk krijgt dat alles rond die Ronde draait, als planeten rond een zon. De Ronde is ons universum, en Wouter Vandenhaute is God. De synchronie tussen deze twee Woestijnvisproducten is alleszins perfect: de TV-serie versterkt het evenement, het evenement straalt terug af op de serie.
Men kan dat een onschuldig spel vinden, maar de logica die zich hier ontwikkelt is verreikend. Een blik op het economisch organigram maakt dat duidelijk.
TV-productiehuis Woestijnvis controleert, via Wouter Vandenhaute, de holding “De Vijver”, waarin ook Corelio (De Standaard en het Nieuwsblad) voor 40% participeren. Sinds begin vorig jaar nam De Vijver ook het weekblad Humo over, een medium dat zich sinds jaar en dag toelegt op TV-kritiek. Het huwelijk tussen Woestijnvis en de VRT (de “openbare omroep” waar u en ik in theorie aandeelhouder van zijn) staat op springen: de volgende stap van Wouter Vandenhaute is de aankoop van een TV-zender, die mogelijk het alleenrecht krijgt op de beeldreportages van de wielerwedstrijden, en die dan voor de kijker betalend kan worden.
We krijgen hier dus een concentratie van bedrijven die evenementen organiseren (zoals de Ronde), TV-programma’s maken (zoals de Ronde-soap én de echte reportages), en die programma’s ook “kritisch” recenseren (zoals Humo).
Daarmee wordt een gouden driehoek gerealiseerd die zelfs de pessimistische mediacriticus Jean Baudrillard (1929-2007) niet voor mogelijk hield: het evenement, de verslaggeving, en de kritische observatie van die twee worden binnen één huis verzorgd. Zoals de klassieke politieke scheiding der machten oplost, verdwijnen ook de tussenschotten tussen spektakelindustrie, journalistiek en reflectie.
Het eindresultaat is toch wel een tamelijk Orwelliaanse fusie, die, zolang Vlamingen gek zijn van wielerwedstrijden, Wouter Vandenhaute een enorme macht geeft, uitdijend ver voorbij het sportieve, naar het socioculturele en politieke vlak. De verkozen politici staan erbij en kijken ernaar. Straks wordt ook de publieke omroep buitenspel gezet, en is de privatisering van “Vlaanderens mooiste” een feit.
Zelf ben ik in de verste verte geen wielerliefhebber: ik ben de man die zijn gras afmaait als de Ronde passeert. Toch is de verwoestijnvissing van het collectief bewustzijn onrustwekkend. Iedereen is voor de Ronde, en de Ronde is van één nv. Als men spreekt over het gevaar van mediamonopolies, dan is dit een monopolisering in het kwadraat, omdat de realiteit zelf op maat van het medium wordt gemaakt en vice-versa, en dit alles voor het nut en vermaak van de aandeelhouders.
Besluit: eigenlijk hoort het organiseren van dit soort massaspektakels toe aan een vzw waarin de overheid, de gemeenschap dus, zegging heeft. Ik heb me in het verleden kritisch uitgelaten over het erfgoedgebeuren, waarbij bv. het Aalsters carnaval een UNESCO-label kreeg, en zijn subversieve dimensie zag afgevlakt. Maar voor de Ronde van Vlaanderen zou dat misschien een oplossing kunnen zijn: een statuut van werelderfgoed, waardoor het publiek beheer en de her-collectivisering vanzelfsprekend worden.
Het algemeen belang en het sportief optimum moet hier het streefdoel zijn. De mediatisering is onvermijdelijk en kruidt het massaspektakel, maar programmamakers moeten hun eigen critici niet zijn, en organisatoren van publieke evenementen hoeven de camera niet te bedienen.
Werk voor iedereen zou ik zeggen, en de res publica bovenaan. Maar dat vergt sterke politiek, bijvoorbeeld een burgemeester die een viporisatie van de publieke ruimte resoluut weigert. En waar vind je die? Al zeker niet in Geraardsbergen, waar zo’n tent zowat de hele Grote Markt beslaat. Geraardsbergen, of all places!


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 35 other followers