Een fruitvlieg in Hotel Regina

27 juni 2008
Verschenen in AchterHetNieuws, juli 2008

Enkele recente faits divers in het Vlaamse medialand hebben de eeuwige discussie rond ‘kwaliteitstelevisie’ weer aangescherpt.
Het eerste betreft het gekibbel tussen voor- en tegenstanders van de VT4-voetbaltalkshow Hotel Regina, gepresenteerd door Carl Huybrechts. ‘Slechte televisie’ beweren een paar Standaard-redacteurs. ‘Door jalousie geïnspireerde vooroordelen van een VRT-gezind dagblad’, replikeren enkele aan VT4-gelinkte mediafiguren (Luk Alloo, Luc Van Doorslaer). Voor alle duidelijkheid: ik heb het programma nooit gezien, en vind de grond van het debat dus interessanter dan de aanleiding. Want wat is eigenlijk ‘goed televisie’? Kan een massamedium, zelfs een nichezender, buiten de paradoxale waarheid dat kijkdichtheid en kwaliteit (verstaan als ‘hoogstaand’, ‘creatief’, ‘kunstzinnig’, ‘complex’…) omgekeerd evenredig zijn? En dat een omroep zonder kijkbereik geen enkele bestaansreden heeft,- wat des te meer geldt voor een commerciële zender?
 Toch doen zich af en toe uitzonderlijke momenten voor, waarin een medium die kijkcijferlogica bewust overtreedt, zoals de kinderzender Nickelodeon die op woensdag 25 juni gewoon niks uitzond en een ‘Buitenspeeldag’ organiseerde. Ach, natuurlijk is dat vooral een promotiestunt van deze zender, inclusief de obligate festivalsfeer, de liedjes, gitaren en drums die het happening-gehalte moeten oppeppen, nota bene met steun van cultuurminister Bert Anciaux. Het idee blijft niettemin fascinerend: televisie die erkent dat er nog een wereld daarbuiten is, en dat je die enkel kan ontdekken door géén TV te kijken. Cultuur als antithese van de medialogica,- uit de virtualiteit treden…

Lees het artikel


Vlaanderen en de VRT in het post-Mary tijdperk

26 juni 2008
Doorbraak, Juli 2008

De missie van een openbare omroep vraagt om méér dan marketing

De schandalige manier hoe Suez/Electrabel, vanuit zijn commerciële machtspositie, het publiek misleidt en de wetten van de zogenaamde “vrije markt” dicteert, doet denken aan de donkerste dagen van het staatsmonopolisme. Dit Franco-Belgisch kluwen, verweven met de oude haute finance, domineert de energiemarkt op een manier die tot bezinning noopt over hoe wij het in het Vlaanderen van morgen gaan aanpakken. Het neoliberale dogma werkt niet overal,- soms moet de overheid -de gemeenschap, wij dus- zelf opnieuw de teugels in handen durven nemen. Vooral in vitale sectoren, domeinen die we collectief willen beheren,- water, energie, onderwijs, gezondheidszorg, enz. Wat Europa er ook van denkt.

Ik wil in dat opzicht ook een pleidooi houden voor de opwaardering van wat sommigen smalend als de ‘staatsomroep’ betitelen. Het is waar dat de VRT, de zogenaamde ‘rode burcht’, in het verleden zwaar mismeesterd is. Wat een omroep met hoge kwaliteitsnormen zou moeten zijn -een ‘Vlaamse BBC’-, was vroeger weinig meer dan een aftakking van de partijpolitieke bureaucratie. Vandaag echter is het een flets spiegelbeeld van de commerciële omroep, net omdat men zich liet verleiden tot een markteconomische benadering van iets wat in essentie met cultuur te maken heeft.

Het verschijnsel Woestijnvis is typerend voor deze vermarkting. Het is het succesverhaal van de gewezen VRT-sportjournalist Wauter Vandenhaute, die midden de jaren ‘90 handig inspeelde op de crisissfeer binnen de publieke omroep, waar men geen antwoord vond op de uitdaging van de jonge tegenspeler VTM. Samen met ander VRT-personeel dat voor eigen rekening was begonnen, zoals Marc Uytterhoeven, kon hij de top ervan overtuigen dat werken met een extern productiehuis veel makkelijker, gestroomlijnder en efficiënter verloopt dan zelf programma’s ineenknutselen.

In 2004 sloegen de gladde jongens van Woestijnvis dan hun grote slag, via een monstercontract dat het bedrijf tot 2011 op rozen zet. De fabelachtige condities en de details van de overeenkomst (goed voor een slordige 30 miljoen Euro ’s jaars), die vol bonusclausules en exclusiviteitsgaranties zit in het voordeel van het productiehuis, zijn sinds oktober van vorig jaar uitgelekt. Per ongeluk, want VRT-baas Tony Mary wilde helemaal niet dat de Vlaamse kijker/belastingbetaler er zich mee ging bemoeien.

De vieze luchtjes die nu bovenkomen, n.a.v. het vernietigende rapport van het Rekenhof, situeren zich precies rond ex-gedelegeerd bestuurder Tony Mary en ex-algemeen directeur televisie Aimé Van Hecke, die op de werkvloer ook nog eens rollebolde met ex- Eén-nethoofd Bettina Geysen (bezielster van het “Fata Morgana”, het meest kleffe feel-good-programma dat ooit de Vlaamse huiskamers teisterde).

Het moraliteitsgehalte én het intellectueel niveau van dit ‘exen’-trio verklaren voor een groot deel waarom Woestijnvis aan zijn genereus contract kwam. Het is namelijk ontstaan in de schemerige ons-ken-ons-sfeer van de exquisite etentjes (dikwijls in het etablissement van Vandenhaute zelf, Couvert-Couvert nabij Leuven) en de wufte saloncultuur (de fameuze ‘Bobo-avonden’ waar Mary elke vrijdagavond op kosten van de VRT de beau monde tracteerde en zijn opvallend Belgicaine netwerkje uitbouwde). Op deze frivole bestuursstijl entte zich een soort intellectuele luiheid (of is het omgekeerd?), waardoor het maken van programma’s a.h.w. bijkomstig werd. Produceren, dat was iets voor facilitaire satelietbedrijfjes die maar hun factuur moesten binnenbrengen. De top was vooral bezig met zakendoen, negociëren, strategieën bedenken en het ontwikkelen van grootse marketingconcepten vol newspeak en managerslatijn (crossmediaal is er zo eentje).

Het Rekenhof heeft echter duidelijk méér gedaan dan wat gerekend, als je dingen leest in het rapport als: “De openbare omroep koopt tv-programma’s aan zonder visie of doelstellingen, met weinig transparantie en mededinging, en een gebrekkige motivering.”

Ik lees daarin zonder meer dat de VRT zijn kerntaken schromelijk heeft verwaarloosd en de braindrain richting privé zelf bestendigt. Het gaat er zelfs niet om of een programma meer of minder kost in uitbesteding. Het ‘huis van vertrouwen’ moet zelf het inventief laboratorium zijn waarin een modern, open-minded kijkerspubliek zich herkent. Waar blijft het talent dat wél in de structuur en binnen de missie wil werken van een Vlaamse gemeenschapszender? Of omgekeerd: wanneer wordt het uitstralend effect van een openbare omroep weer krachtig genoeg om creatievelingen aan te trekken?

Het huidige Vlaamse medialandschap munt uit door schrale middelmatigheid en gebrek aan diversiteit. De ongezonde verstrengeling Corelio/VRT/Woestijnvis, ook al door het Rekenhof gesignaleerd, wijst erop dat er achter de schermen verder wordt gecombineerd in de richting van een Electrabel-achtige monoliet. Met alle gevolgen vandien. Het trio Mary-Vanhecke-Geysen waren niet alleen slechte managers, ze blijken ook inspiratieloze televisiemakers geweest te zijn met een heel geborneerde kijk op actuele mediacultuur en de mogelijkheden van een Vlaamse kwaliteitszender.

Ook kersvers aangestelde gedelegeerd-bestuurder Dirk Wauters komt uit de bedrijfswereld. Hopelijk een beter bestuurder. Toch zou ik graag aan het hoofd van de publieke omroep eens iemand willen zien met visie. Daarom geen artiest à la Hoet of Mortier, maar op zijn minst iemand met een cultureel-pedagogische achtergrond, en die ook echt gelooft in de meerwaarde van een gemeenschapszender. Een ‘intendant’ dus, die zakelijk op de vingers mag gekeken worden.

Toeval of niet, de grote sponsor van Fata Morgana heet Electrabel. Slechte televisie, gemaakt met fout geld. Belgisch, al te Belgisch…

 


Mei ‘68: de mythe, de realiteit, en de hormonen

16 mei 2008

Lezing gegeven in het Vlaams Parlement op 17 mei 2008

Mei ‘68, het betekent voor ieder van ons iets anders, in zoverre zelfs, dat ik me afvraag of het wel als algemeen begrip de geschiedenis zal halen.  Ik was toen veertien en herinner me vaag zwart-wit TV beelden van Franse studenten die met straatkasseien gooiden, Sovjettanks in Praag, gitaarspelende hippies in Berkeley, anti-Viëtnambetogingen zowat overal, kabouters in Amsterdam, en niet te vergeten: de tirades tegen het establishment vanwege studentenleider Paul Goossens in Leuven, naderhand topfiguur van datzelfde politiek-cultureel establishment, en onlangs door heel de pers uitgewuifd als gepensioneerd Belga-journalist.

Die metamorfose van rebel tot boegbeeld van een ‘links-progressieve’ elite, daar heb ik het straks nog over. Maar wat hebben al deze evenementen, van Praag tot Berkeley, eigenlijk gemeen? Vrijwel niets. Behalve dat ze zich allemaal in het jaar 1968 afspeelden en schone plaatjes opleverden…

Meer


Godin, secretaresse, voetveeg, zeug

16 mei 2008

Kleine archeologie van de Muze

Gepubliceerd in Forum, mei 2008

Toen ik onlangs, in mijn hoedanigheid van filosoof-onderzoeker, een mailtje stuurde naar de vermaarde schrijver Tom Lanoye, kreeg ik tot mijn verbazing een week later een bondig antwoord terug van een dame, een zekere Saskia, die me dringend vroeg géén berichten meer te sturen omdat de Meester de laatste tijd al te veel correspondentie kreeg. Tja, een letterkundige die zijn brievenbus verzegelt, dat is natuurlijk een vreemde zaak. Afgezien daarvan probeerde ik me reeds allerlei moois voor te stellen tussen Tom en Saskia, maar gezien de geaardheid van de dichter had ik het kunnen weten: ze bleek een assistente, gelieerd aan de vennootschap NV Lanoye, -het ding bestaat nog echt ook- die efficiënt alles opruimt wat de concentratie van de kunstenaar zou kunnen verstoren.

Lees meer


Zijn bloggers ‘apen’ en is het internet ‘fascistisch’ ?

15 mei 2008

Het fenomeen Andrew Keen en de hetze tegen de blogosfeer

Verschenen in AchterHetNieuws, mei 2008

Met het optreden van Andrew Keen (London, °1960) heeft de anti-internet-lobby een nieuw boegbeeld verworven. In zijn boek ‘The Cult of the Amateur: how todays internet is killing our Culture’ (Nederlandse vertaling: ‘De @-cultuur’) trekt de man van leer tegen het alom-participatieve, volstrekt horizontaal werkende world-wide-web, zoals wij dat vandaag kennen, met aan elkaar gelinkte sites, weblogs, MySpace, Facebook, Youtube en dies meer. Het kreeg de naam “Web 2.0″ , om het te onderscheiden van zijn voorganger uit de jaren ‘70 en ‘80, toen het nog een academisch informatienetwerk was, weinig meer dan een digitale fichebak met communicatiemogelijkheid tussen de gebruikers. Deze embryonale vorm is overigens op zijn beurt ontstaan vanuit het militair-strategische Arpanet, een circuit van computers, door het Amerikaanse leger in volle koude oorlog in elkaar geknutseld, met de bedoeling om informatie te beschermen via decentralisatie van dragers (als er eentje uitviel, konden de anderen het overnemen).
Nu het netwerk echter geëxpandeerd en gedemocratiseerd is tot planetair, totaal-toegankelijk informatie- en communicatieplatform waar ieder van ons wel een paar uur per dag op zit, is het een cultuurfenomeen van de eerste orde geworden, en mag het uiteraard ook wel eens kritisch tegen het licht gehouden worden. Dat bv. een dominerende speler als Google een quasi-monopolie verwerft op de centralisatie van informatie, en daarbij ook totalitaire systemen als de Volksrepubliek China op zijn wenken bedient met uitgefilterde versies,- daar mag men zich terecht vragen bij stellen. Of dat hetzelfde Google via Google-earth ongevraagd mijn achtertuin in alle details te kijk zet voor heel de planeet,- dat ligt ook niet zo voor de hand. Benieuwd hoe een rechtbank zou reageren moest ik deze webgigant aanklagen wegens inbreuk op de privacy…
Maar dit soort bedenkelijke evoluties vormen vreemd genoeg niet de zorg van Andrew Keen. Wel het gegeven dat het moderne internet een feitelijke totaaldemocratie heeft gerealiseerd, en het ‘Rijk van de amateur’ heeft afgekondigd, de gedreven niet-specialist en niet-professional. Enig doemdenken is Keen niet vreemd: doordat elke sterveling een actieve speler wordt op het web, zonder controle of kwaliteitsmaatstaven, wordt dat een moeras van middelmatigheid, gekenmerkt door quasi-analfabetisme en ranzig taalgebruik, waaruit een kakofonie van gratuit meningen opblubbert, van prettig gestoorde roddel tot en met regelrechte paranoia. De cognitieve relevantie van het massamedium is dus voor Andrew Keen nul, maar het vernietigt volgens hem daarenboven de ‘echte’ cultuur waarin hiërarchieën van tel zijn, iemand meer of minder autoriteit heeft door opleidingsniveau en ervaring, en waarin het ondermaatse wordt uitgefilterd.
Vooral de internet-encyclopedie Wikipedia moet het ontgelden: een ordeloze verzameling van artikels over om het even wat, waar iedereen auteur en lezer tegelijk kan zijn. Op dat fenomeen wil ik even focussen, want met Wiki is er inderdaad een probleem. Als ik bv. vandaag in het artikel over J.P. Sartre wil schrijven dat de man een waardeloze, oversexte polygraaf was met een kikkersmoel, dan staat het er ook zo, als een objectief feit. U kan die bijdrage dan morgen weer verwijderen, maar overmorgen zet ik het er terug op, en zo kunnen we nog ad infinitum doorgaan als we beiden veel tijd hebben. Die privé-oorlogjes woeden constant, echt waar. Niemand hoeft zich hier zelfs bekend te maken, haast elke wiki-gebruiker bedient zich van een schuilnaam. En O ja, de encyclopedie heeft wel een soort redactieraad van vrijwilligers. Ze moeten toekijken op de goede gang van zaken, hebben iets meer bevoegdheid en kunnen IP-adressen weren of bepaalde inhoud blokkeren. Als Uw politieke tegenstrever of persoonlijke vijand toevallig in die virtuele controlekamer zit, en zijn macht wil misbruiken, dan mag U het wel vergeten.
De eigenlijke kracht van het hedendaagse web 2.0 zit dan ook meer in het individuele engagement, jawel, de ‘amateur’ die we allen zijn, dan in structuren of subplatformen. Het is daarbij de kunst om het kaf van het koren te scheiden, elk voor zich, waarbij onderlinge tips natuurlijk ook helpen. Dàt maakt nu net de uitdaging van het web: elk individu moet zelf keuzes maken en filteren. Zo ontstaat een ‘spontane’ ranking, waardoor ik bv. wel de blog van mediawatcher Marc Van Fraechem consulteer, en de welgevulde beker van de Zatte Vrienden aan mij laat voorbijgaan. Dat sommigen zeker de omgekeerde keuze zullen maken, is een zaak van elementaire vrijheid.
Hoe dan ook zal in de komende decennia ongetwijfeld de spanning toenemen tussen ‘klassieke’ massamedia (kranten, weekbladen, TV…) en de blogosfeer. Deze laatste werpt zich meer en meer op als alternatief circuit van niet-gebonden observatoren die qua analytisch vermogen en diepgang de reguliere media vaak overtreffen. Het is daarop dat men het internet moet afrekenen, niet op het waardeloze scheldproza van een of andere cybersekte.
De journalisten-met-perskaart zien dit met lede ogen aan, goed beseffend dat ze ingekapseld zitten in de marktlogica van de infotaintment-industrie. Het is veelzeggend, dat een vzw als het Fonds Pascal Decroos onderzoeksjournalistiek moet promoten en professionele journalisten moet verleiden met subsidies om eens iets uit te spitten, iets te doen dat buiten de mediatieke gaarkeuken valt. De commerciële media-netwerken (Corelio, Persgroep, Roularta, Concentra, Sanoma…) hebben de journalistieke missie allang ondergeschikt gemaakt aan het kortetermijndenken van de marketeers die gebiologeerd zijn door oplagen en kijkcijfers. Het fenomeen Peter Vandermeersch is daar een typische exponent van, maar de voorbeelden waarin het commercieel management de redactionele lijn dirigeert, zijn legio en ook al veelvuldig in deze rubriek aangehaald. Ik spreek dan nog niet van de politieke bemoeienissen en de rechtstreekse ‘rode lijn’ die bv. een Guy Verhofstadt erop nahield met bepaalde krantenhoofdredacteurs.
Het internet, de blogosfeer en de opkomende burgerjournalistiek moeten gezien worden als revoltes tegen dit soort bevoogding van het intellect. De contrastrategieën laten zich uiteraard voorspellen. Vrijwel alle kranten en weekbladen hebben tegenwoordig zelf een blog aan hun webstek hangen, zogezegd ‘om de overgang te maken van fysiek medium naar virtuele krant’, en ‘om de lezer volwaardig te laten participeren’. Vrijwel niemand neemt die mediablogs ernstig: het is een al te doorzichtige truc om het internet te recupereren en het eigenlijke subversief-kritische potentiaal van het web te neutraliseren. Waarbij uiteraard steeds een webmaster toekijkt op de politiek-correcte inhoud van de geposte berichten, zogezegd om racistische of sexistische praat te filteren.
Aan de andere kant nemen de gesettlede media elke kans te baat om het internet in een slecht daglicht te stellen, en te karakteriseren als oppervlakkig, onbetrouwbaar, pervers, of gewoonweg onnozel. Het gepruts van de amateur dus, zoals Andrew Keen het smalend betitelt. ‘Veel ruis, weinig signaal’ constateert in zijn spoor de zelfverklaarde kwaliteitskrant De Standaard met veel dédain.
“In Vlaanderen is bloggen vaak iets erg persoonlijk. Vergeet het ouderwetse, papieren dagboek. Een beetje digitaal onderlegde Vlaming pent zijn zielenroerselen neer op het net. Deze blogs zijn erg populair bij kennissen en verwanten die vaak reacties posten op berichten. Vele bloggers zijn niet geïnteresseerd in een waakhondfunctie: het internet is voor hen louter een hobby…” aldus Kristof Hoefkens, redactrice cultuur&media (12/12/07). Daarmee neemt mevr. Hoefkens heel listig de onderkant tot maatstaf, om te besluiten dat het internetgebeuren, zeker in Vlaanderen waar De Standaard zijn oplage moet halen, het parochieniveau niet overstijgt. Deze kwaadwillige en doelbewuste diffamatie is tegelijk een strategie van het papieren medium, én een uiting van persoonlijke rancune vanwege beroepsjournalisten die zich ingehaald voelen door ‘amateurs’. Parallel daarmee duiken, net vanuit de oude media, allerlei voorstellen op om het subversieve web aan banden te leggen via allerlei ‘ethische charters’ en protocollen om het ‘proper’ te houden’.
Het zijn twee complementaire strategieën, overigens zo oud als de straat: recuperatie en stigmatisering. En tot het laatste mag men ook het fenomeen Andrew Keen rekenen. De achtergrond van deze donderpreker is overigens betekenisvol. Van opleiding historicus, streek hij midden de jaren ‘90 neer in Silicon Valley en richtte het internetbedrijf audiocafe.com op, gesponsord door Intel en SAP. Toen die koe leeggemolken was, struinde hij van het ene achterkeukenbedrijfje naar het andere dotcommetje, om (voorlopig) te eindigen bij het door podcast.com gesubsidieerde AfterTV. Bij al deze commerciële strapatsen, waaruit Andrew Keen naar voor komt als een man die in zaken vooral putten maakt, puin achterlaat en onderweg zijn eigen portefeuille aandikt, is het intellectueel serieux ver te zoeken. En dat besefte onze internetcriticus blijkbaar ook, sinds zo’n twee jaar geleden.
Heel de kruisvaart van Keen tegen Web 2.0 is dus wellicht in hoge mate te herleiden tot een poging van deze man-van-twaalf-stielen-en-dertien-ongelukken om zich te rehabiliteren in het cultureel-academisch establishment. Dat moest gaan via een stevige portie cultuurpessimisme, een elitaristisch discours, het naar de mond praten van commerciële persconcentraties, en een herbevestiging van oude hiërarchiën (de intellectueel als vaandeldrager van de cultuur, waar de man-met-de-pet naar dient op te kijken). En zo geschiedde ook. In één moeite kon ook weer eens het oude auteursrechtenverhaal opgedist worden, de waarschuwing tegen piraterij, het gratis downloaden, etc.
De klassieke media namen heel de story maar wat graag over, en organiseerden ook de hype rond ‘The Cult of the Amateur’, waarin de doorsnee-bloggers zelf weinig subtiel voor apen worden uitgescholden, en heel het internet als een fascistisch complot wordt afgedaan. Een iets té gekleurd woordgebruik, als U het mij vraagt.

De moraal van dit verhaal? Dat de pogingen van de klassieke media om het internet te exorciseren, weinig meer zijn dan een achterhoedegevecht waarin bizarre allianties tot stand komen. We gaan hier nog lol aan beleven. Maar in alle ernst: het internet is noch goed noch slecht; het wordt en is, in toenemende mate, eenvoudigweg een dynamische, immer veranderende momentopname en afdruk van een planetaire beschaving, die zich spontaan structureert in een weefsel van ontelbare subculturen. Omdat elk individu belangrijk is, wordt het de basis van een nieuwe democratie, op een moment dat de klassieke, politieke democratie helemaal geabsorbeerd wordt door het geglobaliseerd marketingdenken.
Pogingen van de politieke macht om het web te controleren, zullen niet uitblijven. Ze zullen met veel vreugde begroet worden door onze vrienden beroepsjournalisten en krantenmakers, wedden?


‘Het wraaksein is gegeven…’

4 april 2008

gravensteen.jpg 

Verschenen in Doorbraak - April 2008 

Gent, zijn flikken, zijn grappig accent, zijn SMAK, zijn Gravensteen. Een kleine tienduizend handtekeningen heeft het manifest nu,- een politiek signaal van betekenis. Binnenkort kan men er het Kuipke mee vullen, en dan zullen de vlammende redevoeringen zeker met het zingen van de Vlaamse Leeuw afgesloten worden.

De laatste keer dat ik deze hymne hoorde, was op de nieuwjaarsreceptie van de VVB in Gent, toevallig op een boogscheut van het Gravensteen. Een paar honderd genodigden zong daar uit volle borst twee strofen. En tot mijn verbazing muzikaal nog juist ook, want de melodie bevat een paar valstrikken en kwakkelt tussen kleine- en grote tertstoonladder. De 19de eeuwse tekst van de Gentenaar (jawel) Hippoliet Van Peene is minder subtiel. De bloeddorstigheid escaleert namelijk, tot op het karikaturale af. Gaat het in het begin nog over de tanden van het dier in kwestie, in de laatste strofe waant men zich eerder in een met ketchup overgoten horrorfilm:

Het wraaksein is gegeven, hij is hun tergen moe;
Met vuur in’t oog, met woede springt hij den vijand toe.
Hij scheurt, vernielt, verplettert, bedekt met bloed en slijk
En zegepralend grijnst hij op ’s vijands trillend lijk.

Enfin, een lichte gêne overviel me tijdens dat gezang, ook al stond bovenstaande strofe niet op het menu. Mogelijk ligt het eraan, dat ik als prille vijftiger een jongere onder het gezelschap was. Of misschien omdat ik, als zoon van een Oostfronter en vanaf mijn zesde in het VNJ gedropt, mijn portie strijdliederen wel gehad heb.

Algemeen echter denk ik dat de Vlamingen dringend van hun vaandelgevoel moeten afgeraken, anders krijgt de diepbetreurde bard Jacques Brel toch nog gelijk. Het kritisch burgersschap, dat de grondtoon zou moeten zijn van een autonomistisch streven in de richting van een open, modern republikanisme, is nog ver weg. In dat emancipatieproces is het juist van belang dat mensen het grondig oneens zijn en dat het publiek debat op het scherp van de snee wordt gevoerd. Dat is een uitgesproken polemische visie, die evenwel berust op individuele mondigheid en een dialectische politieke cultuur, niet op het achternalopen van een vlag en het ‘zegepralend grijnzen op ’s vijands trillend lijk’.

Jawel, Vlaanderen heeft traditioneel een sterk verenigingsleven. De katholieke kerk is daar decennia lang de drijvende kracht achter geweest, als parochiale strategie tegen het vrijzinnig liberalisme en het goddeloze socialisme. In het 21ste eeuwse internettijdperk echter, is de groep al even fictief als het territorium, laat staan dat men over een ‘volk’ zou kunnen spreken. De democratie wordt gemaakt door dissidente individuen die komen en gaan, politieke zwervers die de consensus doorbreken. Menselijk is dat niet altijd evident, want vrienden maak je er zelden mee, netwerken worden er niet mee gesmeed. Ik denk nochtans niet dat men de drie grootste denkers-activisten van de Franse Verlichting, Voltaire, Montesquieu en J.J. Rousseau, ooit in één ‘groep’ had kunnen krijgen. Het waren vinnig polemiserende tegenstanders, om niet te zeggen aartsvijanden die alleen hun eigen neus volgden, en die achteraf toch in dezelfde historische bedding bleken te zwemmen.

Het preken van vrede en het verbloemen van tegenstellingen berust meestal op verborgen agenda’s en op demagogische strategie. En die polen zijn er, binnen de Vlaamse beweging, gelukkig maar, want zo zit de democratie in elkaar. Er is vooreerst de tegenstelling tussen het rechts-conservatieve verhaal, en het lentegeluid van de linkerzijde, dat zijn stem kreeg in het Gravensteenmanifest. Beide zijn nodig. Zonder activering van progressief-links is het Vlaamse ontvoogdingsstreven een dode mus. Er is anderzijds ook de discussie tussen het radicaal autonomisme, en het gematigde reformisme dat nog gelooft in een zinnige staatshervorming. Deze laatste tendens is bekend geworden als de ‘optie Vermeersch’: via het territorialiteitsprincipe een ondubbelzinnige afbakening van grenzen en bevoegdheden vastleggen, wat een communautaire vrede zou opleveren en de Belgische constructie zou kunnen redden.

Binnen dit menu moet ieder van ons zijn eigen positie bepalen, net om te beletten dat partijen, groepen en lobby’s het maatschappelijk debat monopoliseren. Persoonlijk vind ik dat territorialiteitsprincipe nonsens, zeker in de Belgische context. Inderdaad: in 1986 al stelde het Arbitragehof dat dit beginsel het fundament is van de Belgische staatsinrichting. Tegelijk hollen de Franstaligen dat principe permanent uit, door referenda te eisen in gebieden waar ze als inwijkelingen de meerderheid hebben, en door het alleen in te roepen als het hen goed uitkomt (bv. toen Wallonië overspoeld werd met Vlaamse gastarbeiders die zich begonnen te verenigen). Desnoods roepen ze er Europa of de VN bij, om zich als gediscrimineerde minderheid een slachtofferrol aan te meten. Dit spel is al sinds het vastleggen van de taalgrens aan de gang, waarbij de Vlamingen steeds weer inleverden.

Het territorialiteitsprincipe dient dus vervangen te worden door het souvereiniteitsbeginsel. Dat is het verschil tussen defensieve underdog-attitude en zelfbewust emancipatiedenken. Al in de 14de eeuw was de legendarische Gentenaar Jacob Van Artevelde meer bezig met de kwaliteit van de stedelijke democratie, politieke structuren en economische politiek, dan met het territorium op zich. Goed wetende dat territorialiteit (eenheid van bestuur binnen een regio) het gevolg is van souvereiniteit, en niet de oorzaak.

Maar dit soort discussies veronderstelt natuurlijk een brede debatcultuur en een doorsponnen opinievorming, eerder dan loopgravenoorlogen en egelstellingen. Manifesten zijn goed, echte polemiek is nog veel beter. Welk soort Vlaanderen willen U en ik in het post-Belgische tijdperk? Dit om maar te zeggen dat het Belfort en de Lakenhalle mij sympathieker ogen dan het Gravensteen. Puur toeristisch natuurlijk. Hoewel.


Na 9 jaar Verhofstadt: op naar de kaatsbaan.

4 april 2008
 verhofstadt.jpg      
Verschenen in ‘Achter het Nieuws’ - April 2008 

Iedereen die de geschiedenis van de Franse Revolutie een beetje kent, weet dat de derde stand -de burgerij- in 1789 de Assemblée Nationale uitriep, het prototype van ons moderne parlement. Het daaraan verbonden verhaal van de kaatsbaan is al even populair: omdat koning Lodewijk XVI de daartoe bestemde vergaderzaal liet barrikaderen, verhuisde de vergadering naar een naburig terrein waar het “jeu de paume” werd beoefend, een voorloper van het tennis. Daar werd de historische eed afgelegd die leidde tot de grondwetgevende vergadering en het opstellen van de Déclaration des Droits de l’Homme et des Citoyens, het burgerrechtenmanifest waarmee het Ancien Regime definitief werd begraven.De anekdote van de kaatsbaan is een legende geworden, die aangeeft dat de democratie geen star, formeel ritueel mag zijn, maar een inventief en op activistisch burgersschap gegrondveste antipode van de macht. Als we niet hier kunnen vergaderen, dan maar elders, desnoods in een hangar. De institutionele ruimtes moeten het afleggen tegen de informele plekken die een nieuwe, symbolische allure krijgen.

Meer dan 200 jaar na deze omwenteling schijnt de democratie zich opnieuw te moeten uitvinden, want het parlement is leeg, kamerleden zitten maar wat in het ijle te orakelen, en dan nog alleen als er camera’s opgesteld staan. We leven namelijk in een mediamaatschappij,- de politieke confrontaties in een programma als De Zevende Dag schijnen de parlementaire debatten allang vervangen te hebben. Op zichzelf is dat geen ramp: indien de massamedia zich echt opwerpen als een levendig communicatieplatform voor de polemiek, en een alternatief voor datgene wat enkel nog ceremonieel functioneert, dan moeten we dat toejuichen. Alleen,- zo ziet het er natuurlijk niet naar uit. De kop van Lodewijk XVI mag dan wel allang gerold zijn, de spelregels worden opnieuw vervalst, ditmaal door het manipuleren van die media zelf. De ironie van de geschiedenis is dan, dat diegenen die zich het meest beroepen op de burgerlijke vrijheden van de Franse Revolutie, het meest bedreven zijn inzake mediamanipulatie.

Zowat heel de weekend-bijlage van de Standaard van 15/16 maart bestond uit één grote lofzang op uittredend premier Guy Verhofstadt. De taal en de omvang van de hagiografie -18 bladzijden lang, afgewisseld met enorme lappen van foto’s- deed denken aan andere tijden en andere regimes, uren durende speeches van de Grote Roerganger op de partijcongressen, kranten die gedwee het partijstandpunt weergeven, enz. Geen zuchtje voorbehoud, geen zweem van kritische beschouwing. Terwijl dit toch een ideaal moment is om de balans op te maken.

Guy Verhofstadt en zijn paars bewind hebben de Belgische media altijd handig bespeeld en stevig in hun greep gehouden. Deels omdat zijn optreden en stijl ‘mediageniek’ werd beschouwd, in tegenstelling tot die van Leterme; maar ook omdat de uittredende premier zwaar lobbyde en de journalisten regelrecht stalkte, bestookte met dringende boodschappen, dreigde met de informatiekraan dicht te draaien, dubieuze deals uitwerkte (media-aandacht in ruil voor primeurs), en er niet voor terugdeinsde om hinderlijke verslaggevers uit het circuit te werken. Verhofstadt beschouwde de pers nooit als een kritische tegenspeler, een observator, of zelfs niet als een bezorger van nieuwe fora. Neen, voor hem waren kranten en TV in essentie het verlengstuk van het raison d’état, en vooral natuurlijk van zijn eigen VLD-discours. Men sprak sindsdien opnieuw over een ‘regimepers’,- een veeg teken. Zelfs geen regerings- versus een oppositiepers, maar een globale, vrij gedisciplineerde corporatie van beroepsjournalisten die de rode lijn naar de Wetstraat zelf mee in stand hielden, uit vrees om uitgesloten te worden uit het streng gestuurde informatienetwerk.

Het zijn witte raven zoals Rik Van Cauwelaert die al eens een boekje durfden opendoen. “Politiek en pers zijn in België nauw verstrengeld. Premier Verhofstadt belt regelmatig journalisten om ze uit te foeteren of te sturen. Doen ze niet wat hij wil, dan dreigt uitsluiting. De druk om inschikkelijk te zijn is onder deze regering enorm”, schreef de Knack-directeur al in 2002. Daar zijn tal van voorbeelden van bekend,- ik beperk me tot een kleine bloemlezing.

Het geval Derk Jan Eppink is berucht gebleven. Op 5 juli 2002 verscheen zijn laatste column in de De Standaard. Het ging over de VLD en de macht van de loge,- een teer punt, voor wie de actuele perikelen rond de geschortste VUB-professor Frank Thevissen volgt. Toenmalig VLD-voorzitter Karel De Gucht, notoir logelid, reageerde furieus op het stuk en belde onmiddellijk naar hoofdredacteur Peter Vandermeersch met de vraag om Eppinck terug te fluiten. Toen dat niets uithaalde, ging Guy Verhofstadt te biechten bij niemand minder dan Romano Prodi, voorzitter van de Europese Commissie, waar Eppinck werkte. Prodi kon het varkentje wassen voor de premier: stoppen met die kritische columns, of je baan verliezen, luidde de simpele boodschap. De columnist wist hoe laat het was, en gaf zijn ontslag bij De Standaard.

Ook Laatste-Nieuws-commentator Luc Van der Kelen wist wat het betekende om onder het Verhofstadt-regime aan politieke duiding te doen. „Hij belt me in de badkamer, op de wc en als ik een tongetje sta te bakken”, openbaarde hij ooit aan NRC-Handelsblad. “Hij probeert me op zaterdagavond om half twaalf nog te vertellen wat ik moet schrijven en wat ik niet moet schrijven.” Van der Kelen geraakte na een aantal té kritische commentaarstukjes in moeilijkheden en werd door de VLD-top persona non grata verklaard. Maar hij had de goede reactie om het verhaal rond druk en chantage op zijn persoon met veel aplomb uit te brengen, waardoor Verhofstadt inbond. Het stalken bleef natuurlijk doorgaan…

Het met de uittredende premier verbonden woord ‘voluntarisme’, de erop-en-erover-stijl, heeft dus wel zijn donkere kanten: mediagewijs leidt die doordrammerigheid onvermijdelijk naar interventionisme, bedilzucht, intimidatie, tot en met informele censuur. Niet echt ‘liberale’ principes, als U het mij vraagt. De bezetenheid om alle kritische geluiden bij voorbaat te neutraliseren nam naar het schijnt zo’n proporties aan, dat zelfs mensen uit zijn onmiddellijke omgeving, zoals woordvoerder Miguel Chevalier of kabinetschef Wouter Gabriëls (bij de VLD zijn topfuncties op het kabinet in regel voorbehouden aan ministerzonen), hem moesten intomen. Wanneer toenmalig vice-premier Johan Vande Lanotte zich eens liet ontvallen dat hij de uitbreiding van de Europese Unie niet zo’n goed idee vond, kondigde Guy Verhofstadt, de man met de grote Euro-ambities, een absoluut embargo af op het Belga-bericht in kwestie: geen enkele krant mocht dit nieuws brengen, tenzij heel summier en zonder commentaar. En ongelooflijk maar waar: het bleef dagenlang stil hierover in de pers… behalve weeral in de krant van Luc Van der Kelen, die het nieuws wel uitvoerig coverde én Verhofstadt op zijn plaats zette.  

Zo blijkt de auteur van de burgermanifesten, en de man die een frisse wind deed waaien in de vaderlandse politiek, vooral begaan te zijn geweest met usurpatie van de media en een subtiele ontmanteling van de persvrijheid. Het VLD-trio Verhofstadt-Dewael-De Gucht, met de eeuwige intrigant Noël Slangen in de tweede lijn, heeft vanaf de late jaren ‘90 de krijtlijnen uitgezet van een Machiavellistische mediastrategie. Dat het parlement zienderogen aan impact inboette, en dat het politiek debat zich verplaatste naar de fora die door de audiovisuele en geschreven pers werden aangeboden, hebben ze deskundig uitgebuit om die fora naar hun hand te zetten en te restylen tot spreekbuis. Daarbij vergeleken is de vriendschappelijke relatie tussen Georges Bush jr. en Fox News maar klein bier.

Marc Van de Looverbosch schreef al in het editoriaal van ‘De Journalist’ van 20 januari 2004: ‘Iedereen heeft het recht om het eens of oneens te zijn met duiding of commentaar-stukken. Dan ontstaat er een democratisch debat met argumenten en tegenargumenten. Wat verwerpelijk is, is dat politici hun invloed aanwenden om journalisten persoonlijk te viseren.’ Het artikel 25 van de grondwet, over persvrijheid, is dus maar zo geldig, in de mate dat de journalist aan de druk van bovenaf kan weerstaan.

Met het verdwijnen van Verhofstadt van de nationale politieke scène -al weet je met Guy nooit-, hoop ik dat de pers terug haar rol opneemt van bevoorrechte getuige en kritische toeschouwer, veeleer dan een spreekbuis van het regime. Terug naar de kaatsbaan, een nieuwe dan, een louteringsproces dringt zich op na 8 jaar paars. Het parlement is dood, maar de democratie niet, ze overleeft vooral in burgerinitiatieven en alternatieve media-netwerken. Daar hebben de moderne machtsstrategen nog geen antwoord op gevonden: het onvatbare internet, de duizenden blogs, de aankomende burgerjournalistiek. Doch geen paniek: in China heeft Google zich al in het systeem ingekocht via een gecensureerde browser-versie. Bepaalde zoekfuncties werken niet, sommige termen geven bij intikken enkel een rood balkje. Electronische grendels, zoveel efficiënter dan dat eindeloos bellen naar eigengereide journalisten…


Het cirkus der letteren: kan iemand het licht uitdoen?

21 maart 2008

claus2.jpg  Onkunstzinnige beschouwingen bij de dood van een Vlaams schrijver

De hersenen van Lord Byron vielen bij autopsie uiteen als een rotte biefstuk, doordrenkt van alcohol. De euthanasie van Vlaanderen’s grootste levende schrijver volgt misschien wel uit het ultieme besef dat de poëzie an-sich een verklede en cultureel-aanvaarde vorm van senilitas praecox uitmaakt. Het gedicht als reutel, grimas, gekwijl. De schrijver, van jongsaf flirtend met zijn eigen staat van dementie. Het woord, zogezegd “de kleren van de gedachte”, blijkt een cancerogeen verschijnsel, iets dat woekert op het leven en ons ontglipt als een zieke zucht. Wat rest er een 78-jarig literair icoon, in een moment van luciditeit, dan nog anders dan zich waardig van dat leven te ontdoen?
Vanaf dan sluit ook deze tekst zich kort en wordt het ook voor ondergetekende een zinloze wedren tegen de ontbinding. Want wat als ons eigenste kritisch proza zich evenzeer gedraagt als een vermomd Alzheimer-symptoom? Ook filosofen kunnen nooit slimmer zijn dan hun eigen hersenen. Vanuit deze absurditeit het leven volhouden, de dood als verlossing weigeren, en de taal wetend en willend hanteren als een leugen, ja, dat is sterk. Daar heeft Danneels natuurlijk wél een punt.

Lees het artikel 

Openen in pdf


De pijp van Magritte komt weer boven

11 maart 2008

Sinds het aamagritte_pijp.jpgntreden van paars, een goed acht jaar geleden, werd het surrealisme als ‘Belgische stijl bij uitstek’ aan het buitenland verkocht. Boodschap van de imagocampagne: we zijn de k(l)oterij van Europa, niets werkt bij onmagritte_pijp.jpgmagritte_pijp.jpgs, alles hangt aan elkaar als los zand, maar dat is nu juist onze charme. ‘Creativiteit’ heet dat: in België zou m.n. alles kunnen en niets moeten. Ook in de overzichtstentoonstelling ‘Visionair België’ (Brussel, lente 2005) rond het 175-jarig bestaan van dit land waren de gekke bolhoeden en de zwevende pijpen niet van de lucht, als tekenen van de plezante gekte die dit land kenmerkt. De bolhoed van Magritte, die al werd bovengehaald naar aanleiding van het Belgische E.U.-voorzitterschap, moest de hypothetische ‘doorsnee-Belg’ namelijk het gevoel geven dat wat zich rond hem afspeelt, niet echt kosjer is en allerminst transparant, maar toch een hoog vermakelijkheidsgehalte bezit. België is weliswaar een grap, maar dan toch een goeie,- de vrolijke gekte van het surrealisme straalt nu eenmaal af op onze té gekke instituties… en daar moeten we nog fier op zijn ook…

Meer

Openen in pdf


‘Met onze God valt er tenminste nog te discussiëren’

20 februari 2008

De laatste kruisvaarders maken zich op voor een theologische contre-attaque.

Op 2 februari j.l. verscheen in De Standaard onder de kop ‘Bericht aan weldenkend links’ een curieus stukje van dbarnard_2.jpge hand van twee notoire penneridders: Benno Barnard en Geert Van Istendael. Naar aanleiding van het ‘hoofddoekendebat’ trekken de auteurs van leer tegen de fundamentele onverdraagzaamheid die van de Islam uit gaat, iets waar ze volledig gelijk in hebben, zie ons essay ‘De weg naar Mekka loopt dood’. Merkwaardig is echter de nostalgische toonzetting van hun artikel, en het centrale idee dat Europa om zeep gaat omdat het zijn eigen religieuze tradities verloochent, meerbepaald “het protestantisme en het jodendom, met hun traditie van dialectiek en zelfstandige tekstinterpretatie”.

Op het opiniestuk werd vervolgens door datzelfde ‘weldenkend links’ met losse flodders geschoten, het ene al clichématiger dan het andere, met als triest dieptepunt het scheldproza van Prof. Dr. Herman De Ley, in mijn studententijd een rabiate Marxist waarmee nauwelijks een normale discussie te voeren viel, en nu promotor van de sharia in ons rechtssysteem. Ik ga nu even voorbij aan de rommelige opmaak van het duidelijk veel te snel geschreven stukje: het op een hoopje gooien van de Bijbel, de Verlichting en het Westerse tolerante denken, versus de vrouwelijke hoofddoek, de “Insjallah!”-kreten en de dromen van Adolf Hitler die Al Quaeda zouden geïnspireerd hebben,- subtiel is het niet. Soit, in een schrikkeljaar waar carnaval op Lichtmis valt en de 1ste mei op Hemelvaart, moet men ook inzake logica enige verdraagzaamheid opbrengen.

Ik wil al deze onverlichte, krakkemikkige ezelsbruggen dan ook laten voor wat ze zijn, om direct naar de clou te gaan, waar de schrijvers wél een punt hebben. Sluimeren de genen van het Judeo-Christianisme in ons collectief onderbewustzijn? Rukt de Islam op, omdat wij dat erfgoed miskennen? Zal ik dan toch maar mijn al zolang uitgestelde Plechtige Communie doen?  Een poging tot zelfstandige tekstinterpretatie.

Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat


De kroon ontbloot, de politieke klasse in haar hemd…, en nu?

20 februari 2008
Gepubliceerd in ‘AchterHetNieuws', Maart 2008

Het was een vermakelijk schouwspel op 12 februari, om een triomfantelijke Peter Vandermeersch bij Phara in de clinch te zien gaan met een ietwat kribbige Yves Desmet. Want de Corelio-marketeer had ontegenzeggelijk gescoord met zijn politieke soap rond de formatiecrisis.

Bij die breed uitgesmeerde ‘onthullingen’ van de Standaard vallen uiteraard allerlei kanttekeningen te maken. De krant blijft uitermate vaag omtrent haar bronnen en blijkt vooral een semi-literair slaatje te hebben gemaakt van alle mogelijke Wetstraatroddels uit alle mogelijke hoeken. De nieuwswaarde blijft al bij al beperkt, want dat het Paleis de separatistische NVA niet lust, tja, dat hoefde ik echt niet in De Standaard te lezen,- dat is zonneklaar voor iedereen met wat gezond verstand. En dat Verhofstadt, in het liberale élan om een verkiezingsnederlaag om te spinnen tot een halve overwinning, Leterme en het kartel trachtte te beschadigen, of dat Didier Reynders gebiologeerd is door zijn eigen ego, daar kijken we al evenmin van op.

Dat deze serie de ontluistering betekent van een complete politieke klasse, kan dan ook alleen gelden voor wie vijf jaar onder het Zuidpoolijs heeft doorgebracht, en nu pas geconfronteerd wordt met dit Narcistisch milieu en zijn puberale SMS-cultuur. En dat verhaal van de ‘ontblote kroon’ en het geschonden colloque singulier, daar maken alleen verstokte liefhebbers van de koekendozenromantiek rond de monarchie zich nog druk over, naast natuurlijk grondwetspecialist Paul Van Orshoven. 

De relevantie ligt dus elders, want ze is er wel degelijk, voor de aandachtige toeschouwer. Midden in Phara’s talkshow plaatste Yves Desmet namelijk een voor zijn doen zeer intelligente, en niet van zelfironie gespeende opmerking: ‘die politici briefen de pers natuurlijk niet voor onze schone ogen, maar omdat ze daar een bedoeling mee hebben’. Daarmee raakte hij de Achillespees van heel het Standaard-verhaal: politici gebruiken de pers als een strategisch instrument, en zo moet de ‘informatie’ die zij doorspelen ook gelezen worden. Hun agenda gaat niet over het publiek recht op informatie (wat anderzijds wél een kerntaak is van een medium dat zichzelf respecteert), maar veeleer over het effect van goed getimede small talk en oordeelkundige lekkages. Dat is een wezenlijk verschillend perspectief; en het ziet ernaar uit dat de ‘onverantwoord-interessante’ krant niet echt aan onderzoeksjournalistiek heeft gedaan, maar veeleer de protagonisten van de formatiecrisis heeft laten kwetteren wat ze kwijt wilden. Daarin doorkruisen de verborgen agenda’s van de verschillende acteurs elkaar, ongetwijfeld, maar levert dit meer op dan een imbroglio van geruchten?

De neerslag van 100 uur opgenomen interviews (die we overigens niet te lezen krijgen, heb ik begrepen) vergt dus een analyse die door de lezer zelf nog moet gemaakt worden: dit zijn stukken van een partijstrategische puzzle. De Standaard maakt deze analyse niét, omdat ze anders niet alleen de kroon maar vooral de protagonisten zelf zou ontbloten. En die zullen wel garanties over discretie geëist hebben. We zitten dus met een half verhaal, en moeten de rest zelf invullen. Daarbij geldt beslist o.m. het cui bono-principe als toetssteen: wie heeft er bv. baat bij het gerucht dat CD&V-er Herman Van Rompuy zich van de kartelpartner NVA wou ontdoen? De VLD, met de bedoeling om chaos te creëren en op 23 maart een noodregering te installeren, even permanent als het terreuralarm? En hoe zit dat eigenlijk met de link tussen De Standaard zelf en de VRT, die op gespannen voet leeft met zijn voogdijminister Geert Bourgeois, lid van de ‘staatsgevaarlijke’ NVA?

Ondertussen bij de Wetstraatwatchers

Het bleef dus vrij stil in de hoek van de klassieke observatoren. Is prof. Carl Devos met vacantie, of wat? Je zou toch denken dat heel deze saga gesneden brood is voor een politiek analist. Op enkele verdienstelijke pogingen na, zoals het opiniestuk in DS van Peter De Graeve dd. 14/2 (‘Ons best bewaarde staatsgeheim’), voelde de intellectuele klasse zich niet geroepen om de peilstok in deze beerput te steken. Dit mankement is een typisch Vlaams/Belgisch fenomeen, dat in bv. in Nederland of Frankrijk, met hun sterke polemische traditie, niet aan de orde is. Meer in het algemeen kunnen de rommelige intriges van een B-film, waaruit de Belgische politiek blijkt te bestaan, niet losgezien worden van een gebrek aan kritische reflectie en intellectuele schaduwing. De politici doen het dus, omdat niemand de ballon echt doorprikt met staalharde analyses. Of is de onafhankelijke intellectueel een uitstervende soort? Of zitten ze allemaal in een of andere partijpolitiek gekleurde ‘denktank’ te broeden op ideetjes, die dan onder vorm van proefballonnen op het kiesvee worden losgelaten?

Een teken aan de wand is misschien de uitslag van een recente Knack-poppoll rond de ‘grootste intellectueel’. Het lijstje oogt, met alle respect, treurig. Natuurlijk is dit soort polls maar een reklamestunt voor het magazine in kwestie, en een goedkope manier om het TV-nieuws te halen. Maar toch. Een panel van 100 door Knack geselecteerde ‘prominente Vlamingen’ verkoos die goede oude Etienne Vermeersch met vlag en wimpel, vóór zijn collegae Luc Huyse en Bea Cantillon. Ergens bengelt ook hogervernoemde Carl Devos in de top-10.  Zes respectabele academici (ik schat evenveel logeklanten), een kardinaal, de directeur van het inrichtende blad, de Morgen-hoofdredacteur, twee notabele Wetstraatkemphanen, en de SP.A-gelinkte excuusartiest T. Lanoye,- dat is al-bij-al toch wel een stevig in het systeem ingekapseld gezelschap.

En het lijkt wel of de tijd heeft stilgestaan. Toen “De Nieuwe Maand” in 1989 zo’n hitparade opstelde, werden Vermeersch en Huyse ook al beschouwd als Vlaanderen’s strafste hersenpannen, na Leo Apostel zaliger. Ondertussen, haast twintig jaar later, zijn ze beiden hoogbejaard en professores emeriti, zeg maar: genietend van een vorstelijk pensioen, en nog altijd dient er zich geen vers bloed aan. De vraag dringt zich dan ook op: is Vlaanderen echt zo verkalkt en gefossiliseerd, dat een intellectueel onder de 70 niet au serieux genomen wordt?

De idee dat een democratie een sterke, onafhankelijke intellectuele klasse nodig heeft, die het politieke machtsspel met de grootste argwaan volgt en ook voldoende afstand houdt, is misschien wel voor het eerst uitgewerkt in het boek  “La trahison des clercs” (1927) van Julien Benda. Al 50 jaar dood, maar zijn inzichten zijn actueler dan ooit. Hij ziet de kritische, luciede enkeling als iemand die buiten dat machtsspel en de netwerken blijft (vandaar Benda’s hang naar afzondering), maar ook buiten de reguliere media, die meestal op die netwerken ingeplugd of er zelfs compleet door geabsorbeerd zijn (iets wat zowel bij De Standaard als De Morgen nagenoeg een feit is). Samen met Emile Zola koos Benda in de subversieve ‘Revue Blanche’ stelling in de fameuze Dreyfusffaire, tegen de massahysterie en de dictatuur van het politiek-correcte denken dat toen sterk antisemitisch gekleurd was. Noch Vermeersch, noch Huyse, noch een van de 10 andere ‘meest invloedrijke intellectuelen’ van het lijstje, benaderen ook maar in de verste verte dit profiel. Allen zijn ze koplopers van het academisch-cultureel establishment dat meer dan ooit verstrengeld is geraakt met de politieke agenda’s zelf.

Ethicus Etienne Vermeersch is zelfs een soort moderne hogepriester, waarop het regime steeds weer een beroep doet als het in gewetensnood geraakt of zich moet indekken. Door de sociale, professionele en mediatieke inkapseling van de intellectueel, uitmondend in zijn promotie tot B.V. en mediavedette, kan hij geen passen meer achteruit zetten om het geheel te overzien. Hij ontleent zijn autoriteit niet aan zijn eigen soortelijk gewicht, maar veeleer aan zijn pikorde in het politiek-culturele hoenderhok. Enkelingen worden dan zeer kwetsbaar. Kijk maar naar wat er momenteel met prof. Frank Thevissen gebeurt: iemand die wél onafhankelijke standpunten durfde innemen, en nu van de ‘Vrije’ Universiteit Brussel wordt verwijderd, omdat hij kritiek leverde op het beleid van onderwijsminister Frank Vandenbroucke. Zo staat het er natuurlijk niet, maar elke insider weet het; officieel heet het, dat Thevissen als docent niet meer voldeed en ondermaats was qua ‘uitstraling’. Jawel. ‘Het verraad van de klerken’ bestaat erin, dat een complete intellectuele klasse zich conformeert,- wie niet in de pas loopt, wordt uitgerangeerd.

Verderop in het niemandsland ontwaren we dan nog figuren als Marc Grammens, redacteur van het éénmanstijdschrift ‘Journaal’ en al decennia lang een stekende horzel onder het dak van weldenkend Vlaanderen. Maar Grammens komt nooit op TV, is politiek dakloos en lees je nooit in de opiniebladzijden van DS of De Morgen. Drie fatale minpunten. Met zijn provocerende stelling dat Vlaanderen pas onafhankelijk zal worden als het Vlaams Belang 40% haalt, mocht de links-anarchistische Grammens het wel vergeten bij de reguliere media.     

Meer en meer lijkt het er dus op, dat niét op TV komen, en dus ook geen kans maken in de Knack-poppoll, een teken is van elementair intellectueel fatsoen. Staan verder ook nog hoog in míjn ranking als alternatieve media:  De Stoeten Ostendenoare, het semi-ondergrondse gezwel in het achterwerk van de Koningin der Badsteden, en, waarom niet, de virtuele rioolkrant ‘tScheldt.  Niet altijd subtiel, maar wel eerlijk en to-the-point.

Tenslotte is er nog het internet. Het kan wel zijn dat meer dat 50% van het medium met porno te maken heeft, maar tussen de andere helft vind ik regelmatig pareltjes van kritische journalistiek. Ook voor de analyses rond de Wetstraat-soap moest je daar zijn, en nergens anders. Het vergt enig zoekwerk, maar dat is nu net het boeiende. Vandaag ware Julien Benda een internetpublicist, zeker weten. Tegenover de half-verborgenheid van de schrijver staat de nieuwsgierigheid van de lezer, die zoekt, exploreert, plukt. De klassieke geschreven en audio-visuele media kunnen dit heuristisch niveau nooit meer halen, hoe ‘interactief’ ze ook proberen te worden.

Voor de rest blijft het geduldig wachten op het moment dat de journalistenbonden wakker worden in de 21ste eeuw, en vaststellen dat de leerling,- het publiek,- slimmer is geworden dan de leraar. En dan is de schooltijd misschien wel definitief voorbij.


Terreur ad infinitum

25 januari 2008

Bereidt het regime zich voor op een nieuw bestaan van angst-manager?

 Op kerstavond van 2007 werd op heel het Belgisch grondgebied een terreuralarm eerste klas van kracht. We kennen de aanleiding: een vermeend ontsnappingscomplot rond ex-voetballer en Al-Queda-sympathisant Nizar Trabelsi, verblijvend in de gevangenis van Nijvel. 24 u later stond heel het gezelschap al weer op vrije voeten, want men vond nergens bezwarend materiaal. Het alarm bleef wél van kracht, tot ver na de jaarwisseling. De politieke context en het tijdstip spreken uiteraard boekdelen: de interimregering Verhofstadt was net uit de startblokken geschoten, en hoe kon men dat beter onderstrepen dan met een grootscheeps gebaar van zorg, alertheid en daadkracht.Senator Jean-Marie Dedecker sprak dan ook van een groteske ‘kerstshow’. Dat was het inderdaad. Daarbij is ook de ongerustheidheid van mensenrechtenactivisten als Raf Jespers terecht: het war on terror-concept, dat nu ook onze contreien is binnengeslopen, zet de deur open voor een permanente uitzonderingstoestand, waarin burgerrechten ondergeschikt zijn aan de ‘nationale veiligheid’, zoals dat heet.

Haast een maand na de afkondiging van het alarm, noopt dit alles echter tot bijkomende bedenkingen rond opinie-management, massamanipulatie en geënsceneerde angstpsychoses. Bijvoorbeeld over het feit, hoe draconische alarmprocedures ook échte feiten kunnen uitlokken, die dan weer een argument vormen voor een verstrenging van de procedures….

Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat


Marketeer van het jaar… of pulpkoning?

25 januari 2008
Gepubliceerd in 'Achter het Nieuws', februari 2008 
Te dikke kranten kunnen wijzen op een gezwollen tijdsgeest

In De Standaard van 2 januari werd ons op de voorpagina gemeld dat het Belgisch Staatsblad het oude jaar had afgetikt met 66.290 bladzijden. Alleen 2004 en 2006 deden nog beter. Een lawine van wetten, wetjes en decreten, die alleen maar het gevoel van stuurloosheid en bureaucratische willekeur bij Jan Modaal vergroten.  “Beseffen ze dat elke bijkomende regel de inefficiëntie van de regels doet afnemen?” vroeg een ongeruste Guy Tegenbos zich af. Hij bedoelde natuurlijk het tegendeel, “efficiëntie”, want zoals Guy het daar neerpende slaat het nergens op.

We kunnen hem uiteraard alleen maar bijtreden. Het inspireert ons zelfs tot een kritische reflexie over de geschreven pers, speciaal de dagbladen, en nog meer in het bijzonder De Standaard, jawel, die elk jaar meer volume produceert en de omvang van onze brievenbus steeds sterker op de proef stelt.

We hebben daarbij niet het gevoel dat deze aangroei ons wijzer maakt, ons meer informatie of duiding over het reilen en zeilen van deze planeet oplevert. Integendeel zelfs, journalistiek gaat deze krant er op achteruit, al stijgt de oplage. Kwantiteit lijkt de absolute maatstaf te zijn geworden, terwijl de echte, nieuwsgierige lezer steeds meer op zijn honger blijft zitten, en de draad verliest in het overaanbod van ondermaats leesvoer. De Standaard, koninginnestuk van de grootste persconcentratie in Vlaanderen, schijnt van langsom minder gedragen door een journalistieke kernmissie, en steeds meer door een amalgaam van commerciëel-strategische preoccupaties. Zoiets heet ‘verpulping’. Of om de woorden van Guy Tegenbos te parafraseren: “Beseffen ze dat elke bijkomend katern de relevantie van een dagblad doet afnemen?”

Een analyse van het weekendkrantpakket van DS geeft een idee van de omvang van deze obesitas.

 

Gewogen… en te zwaar bevonden

We nemen de editie van 5/1/08 als voorbeeld, en leggen hem op de weegschaal. Het pak dat de postbode die zaterdag doorheen de gleuf wist te wurmen, weegt een goeie halve kilo (533g). De eigenlijke krant daarin weegt precies één derde (187g), het katern met weekend-reportages en –interviews inbegrepen. Waaruit bestaat de rest dan?

Vooreerst is er die klet van een JobAt, een uit zijn voegen gegroeide advertentiekrant met 72 pagina’s vol werkaanbiedingen, waar ik als (gelukkig) niet-werkzoekende niets aan heb, samen met de overgrote meerderheid wellicht van het DS-publiek van hardwerkende Vlamingen. Het is overigens een slecht bewaard geheim dat de paginagrote jobadvertenties verkapte vormen van PR-campagnes zijn van de grote bedrijven. Ze worden afgewisseld met artikels vol irritante carrière-peptalk, die het geheel een schijn van content moeten geven. Vier managers met klinkende titels bewaken, blijkens het colofon, deze advertentiekrant: een Voorzitter, een Gedelegeerd Bestuurder, een Algemeen Directeur en een Hoofdredacteur. Daaronder natuurlijk een hele schare ‘redactieleden’. Wie uit is op een mooie, rustige, goedbetaalde baan moet misschien JobAt zelf eens contacteren.

Over naar “De Standaard 2” (32blz).  Het betreft hier een soort auto- en reiskatern met weer veel crypto-publiciteit (redactioneel verpakte reklame), dat vanaf het midden gewoon verwatert in pure advertentieruimte (te koop-te huur). Ook dit bundel is volslagen irrelevant voor wie dacht op een kwaliteitskrant geabonneerd te zijn, gefocust op informatie, analyse, duiding en achtergrond. Ik vermoed dat Corelio met dit soort bijvoegsels een papierslag levert, en vooral de al even idiote weekendbijlagen van Knack  de wind uit de zeilen wil nemen, naast de regionale advertentiebladen zoals Passé Partout (zoals Knack in handen van concurrent Roularta).

Tenslotte is er nog de eigenlijke lifestyle-bijlage ‘DSM’ (40blz), luxueuzer van druk en op beter papier, waar het wemelt van de handtassen, parfums, design, gastronomie, en alle goede dingen des levens. De scheiding tussen redactioneel werk en betaalde reklame is volstrekt vaag, de parade van BV’s en semi-BV’s daartussen, van een ondraaglijke lichtheid waar mijn goed ochtendhumeur op afknapt. Wat kan het ons schelen, in welke eethuizen Nathalie Verlinden het liefst op zakenlunch gaat? Of dat Mieke Boeckx geen liefhebster is van cervela?

Met alle respect: laat dit soort nieuws over aan de gespecialiseerde ‘boekskes’ en nichebladen, van Menzo tot Dag Allemaal, gun die mensen ook iets. Neen dus: uitgever Corelio schijnt zich voorgenomen te hebben om via een zwaarlijvige alles-in-één-formule de diversiteit in de media af te schaffen. 144 pagina’s dus, met semi-journalistieke pulp, waar ik niet om gevraagd heb, en die ook immuun is voor de rode sticker op mijn brievenbus die de rest van het reklamedrukwerk op afstand houdt.

Nu zult U zeggen: ach, gooi die weekendbijlagen de papiermand in en lees gewoon de krant. Waar maak je je toch druk over? Wel, hier kan ik verwijzen naar weeral zo’n ongevraagde DS-bijlage van 28/12/07, een 16 blz. tellend reklamekatern  waarin trendgevoelige bedrijven als Microsoft, Unilever en Fortis ons een les geven in “MVO”. Wat is MVO? Via deze afkorting wordt U verplicht om in de tekst te gaan zoeken waar hij voor staat –waarschijnlijk weer zo’n marketingtruc-. Het schijnt te gaan om ‘Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen’: rekening houden met duurzaamheid, sociale en ecologische impact, enz. Allicht een poging van de reklamesector om ons geweten te recupereren. Maar misschien ook wel een interessante denkpiste voor pulpgrossisten à la Corelio: de wekelijkse papierberg van 40 ton (pakweg 0,5 kg x 80.000) is een aanfluiting van elk MVO-principe. De papierindustrie is verantwoordelijk voor een enorme, wereldwijde kaalkap van bos en oerwoud. Vooral in Canada en Noord-Europa wordt aan een recordtempo oerwoud met een rijke fauna platgewalst, en in het beste geval vervangen door een snelgroeiende monocultuur zonder biodiversiteit.

Marketeer-van-het-jaar-2007 Peter Vandermeersch, ondertussen lid van het managementcomité van Corelio, draagt dus zijn steentje bij tot het broeikaseffect dat met ontbossing gepaard gaat. Overeenkomstig zijn recente –terechte- uitspraak dat het gros van de uitgegeven boeken het papier niet waard is waarop ze gedrukt werden, moet dit marktgenie dringend de hand eens in eigen boezem steken. Is het nog wel Maatschappelijk Verantwoord om een krantenoplage op te drijven via het opslorpen van niches, met als resultaat een overproductie van grotendeels ongelezen, bedrukt papier?

Rond die dubieuze titel ‘Marketeer van het jaar’ (een coproductie van de ‘Stichting Marketing’ en het zakenweekblad Trends) is in de herfst van 2007 dan ook heel wat te doen geweest. Het ondergeschikt maken van journalistieke content aan image-building (de media-optredens van P.V., zijn stunt-coöperaties met Le Soir,…) en commerciële strategie, leidt de facto tot een devaluatie van het kritisch-maatschappelijk potentiaal dat in een redactie onderdak pleegt te zoeken. Zoals een journalist vroeger de ideologische lijn van de krant ‘moest’ volgen, zo wordt hij nu ingebed in de marketinglogica van de persgroep.

 

Een geval van spätkultur?

Het idee om de lezer ‘zo dicht mogelijk bij de krant te brengen’ (de lijfspreuk van Vandermeersch), en hem à la limite die krant haast te laten ‘schrijven’, is bij nader inzien een copie van de postmoderne televisiedemocratie (Janneke en Mieke bepalen de inhoud). Het ontheft het medium van elke plicht tot journalistieke reflexie. Het eindeloze lifestyle-geëmmer, dat de echte informatie en duiding gaandeweg vervangt, ook bij ‘kwaliteitskranten’, leidt tot een lawine van verstrooiende small talk en licht-verteerbaar infotainment, die heel onze natuurlijke aanleg tot focussen en concentratie afbot. Het amalgaam vernietigt elk vergezicht. De kwantiteit maskeert normvervaging en het verlies aan kwaliteitsbesef. De tekst releveert niet, maar verstrooit. Het verhaal van de bomen en het bos.

Zo zijn we terug bij het Belgisch Staatsblad en zijn surrealistische logorrhee. Verpulping heeft in eerste instantie met commercialisering te maken, maar wijst anderzijds op semantische implosies in een discours dat zelfs de ambitie niet meer heeft om de wereld te ‘be-schrijven’, laat staan te structureren. Veeleer wordt de tekst een registratie van onmacht, waarbij niemand, noch de auteur, noch de lezer, de essentie van de nevenzaken kan onderscheiden. Men vlucht dan in de veelheid van beschrijvingen, opsommingen, het variété, de cultus van de eendagsvlieg en de anekdote.

Cultuurfilosofisch is dat een Spatkultur-verschijnsel: het werd beschreven door filosofen als Arnold Gehlen en Oswald Spengler. In een ‘decadente’ laatcultuur wordt het historisch paradigma, een gestructureerd geheel van waarden en visies dat door iedereen wordt ‘ingeademd’, langzaam opgelost in een nevel van opinies, geruchten, trends, weetjes allerhande. Er worden geen contradicties of paradoxen meer onderkend, alles kan in principe met alles gaan. Ook de wetenschap en de kunst zelf vallen uiteen in een ellenlange soap, een structuurloos verhaal dat bij nader inzien chaotisch knip-en plakwerk blijkt. Zelfs het suksesboek van Geert Mak, ‘Doorheen Europa’, een poging om de 20ste eeuw te begrijpen, is weinig meer dan een 800 blz lange aaneenrijging van roddels en pittige anekdotiek.

De statistiek triomfeert in een laatcultuur, vandaar het sukses van de polls, de peilingen, de extrapolatie. Er is eigenlijk geen analytisch vermogen meer, en evenmin een drang naar synthese. Er is alleen nog een eclectisch pad, waar toevallige ontmoetingen en topics aaneengeregen worden tot een alles beheersende ‘actualiteit’. Iets is actueel, of het is niet.

Dit krisisverschijnsel gaat in onze tijd onvermijdelijk gepaard met een mediatieke dijkbreuk. Vermits de media de actualiteit registreren, vormen zij de unieke organen van het collectief bewustzijn. Het is haast niet meer mogelijk om na te denken, onze omgeving en de wereld te overzien, buiten het gemediatiseerde perspectief om. Dat uit zich o.m. in het journaal en zijn afgeleiden, eindeloze reeksen talkshows, oeverloze defilés van interessante mensen met allemaal een interessante mening, die elkaar toevallig binnen één format vinden, om dan weer in het achtergrondgeruis op te gaan. Journalistiek convergeert met trendwatching.  Volgens Oswald Spengler ging deze decadente periode zo tegen het jaar 2000 op haar einde lopen. Als ik de nieuwe Canvas-formats bekijk, vrees ik echter dat het ergste nog moet komen.

Strikt genomen valt pulpkoning Peter Vandermeersch dus niet eens zoveel te verwijten: de man is gewoon met de trend mee. De kunst is echter, om net nààst de tijdsgeest te leven, ‘unzeitgemäss’ zoals F. Nietzsche het noemde, om net die dingen te zien die niemand opmerkt.

Misschien het streefdoel van een hele goeie journalist. Maar alleszins niet van een marketeer.


De weg naar Mekka is een doodlopende weg

31 december 2007

Omtrent Islamo-fascisme, grenzen aan de tolerantie en het couscous-model  (1/1/0 8)

Gepubliceerd in Menzo-magazine, januari 2008 

Enige tleyers_weg_naar_mekka.jpgijd geleden sloot Jan Leyers zijn TV-exploratie doorheen de Islamwereld af. De reis startte in Cordoba, ooit hoofdstad van het Moorse Spanje, en eindigde met een anticlimax in Saudi-Arabië, nabij de heilige stad Mekka, waar Leyers als heiden niet welkom was. Wat had hij dan gedacht. Blode Jan vertrok dus met stille trom, en deed wat alle Westerse intellectuelen in zo’n geval doen: een boek schrijven. Een, naar ik aanneem, vrij accuraat reisverhaal met veel pittige details. Maar waarin tussen de regels toch duidelijk wordt met wat voor een probleem wij hier in Europa eigenlijk opgescheept zitten: het wordt nooit wat met die Islam,- dit is gewoon geen religie zoals een ander.
 Is weldenkend Vlaanderen eindelijk ontwaakt uit zijn ‘eenheid-in-verscheidenheid’-idylle, waarbij de Islam één krent zou zijn van de multiculturele taart?

Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat


Buffernatie, asfaltstrook of uitgaansbuurt voor Hollanders?

30 december 2007
Gepubliceerd in 'Doorbraak', Januari 2008 

Het is altijd een grote dada van de neoliberale denktanks in onze contreien geweest: België is het “logistiek centrum van Europa”; we danken onze welvaart aan het constant gedaver van tientonners die vanuit het Oosten richting Zeebrugge bollen, of stoere binken die tussen Duinkerke en Rotterdam hun boterhammen opeten, liefst de voeten op het dashboard.

In deze tamelijk 19de eeuwse visie staat economische groei gelijk met veel getoeter en ijzergerammel. De ongemakken neemt men er graag bij: een flink pak extra verkeersslachtoffers, elke dag wel ergens een kop-staart-aanrijding met een vrachtwagen in de hoofdrol, chauffeurs die zelfs geen woord Engels spreken en door een gefrustreerde politie ongemoeid worden gelaten bij overtredingen, een overbelast wegendek dat haast niet meer te onderhouden valt, een zware ecologische impact, lawaai en stank ook op zon- en feestdagen (in Duitsland en Frankrijk heeft men daar allang komaf mee gemaakt, waardoor het zware transitverkeer tijdens de weekends vooral onze kant wordt opgestuurd), enz. De oppermachtige transportlobby Febeltra, traditioneel intiem met VLD-politici, heeft nooit uitgeblonken in maatschappelijk engagement of fris denkwerk rond de globale kost van dit plaatje: voor haar bleef het een vanzelfsprekend feit dat de publieke mobiliteitsinfrastructuur zoveel mogelijk afgestemd was op de privé-belangen van de transportsector, die verder ook nooit een sociale verantwoordelijkheid neemt (het verplicht maken van de ‘dodehoeksspiegel’, die vooral jonge fietsers moest sparen, werd door deze lobby bv. jarenlang afgeketst).

Het idee dat België een stuk autostrade is tussen Frankrijk en Nederland, zit diep in het collectief bewustzijn gebakken: het maakt deel uit van een laag zelfbeeld, gekoesterd door een natie die zich vereenzelvigd heeft met de rol van transitzone. Daaraan ligt een historische conditionering ten grondslag die ouder is dan het Belgische feit zelf: we zijn, sinds de absorptie van het machtige graafschap Vlaanderen door de Habsburgers, door de geostrategische berekeningen van de grootmachten gedegradeerd tot restgebied en bufferzone. Van zowat elke Europese oorlog werden we het slagveld, en bij elk vredesverdrag kwam onze intermediaire buffer-status weer op de proppen. Het Verdrag van Wenen, na de nederlaag van Napoleon in 1815, kende zowat heel het huidige België en Luxemburg toe aan Willem van Oranje, als overwinningsbonus én tegelijk als bufferzone bij een eventueel nieuw conflict met Frankrijk. Wanneer in 1830 de ‘Belgische revolutie’ uitbreekt, in hoofdzaak een aangelegenheid van de Brusselse bourgeoisie die het werkvolk wist te mobiliseren in ruil voor gratis jenever, zijn de grootmachten opnieuw alert: het Belgische feit wordt bezegeld in de Conferentie van Londen (1831), waar dit keer vooral Frankrijk en Groot-Brittanië het Hollandse gewicht in de Europese balans wat willen afslanken. De nieuwe Belgische staat moest verder als neutrale, intermediaire staat dienst doen om het status-quo in Europa te behouden. Een bufferzone dus, andermaal. Wanneer in 1914 het Duitse leger, op weg naar de confrontatie met erfvijand Frankrijk, de vrije doortocht door deze ‘neutrale’ zone geweigerd wordt, ondervonden we pas aan de lijve wat het betekent om de voetveeg van Europa te zijn. Gedurende vier jaar wordt in een uithoek van West-Vlaanderen geschoten op alles wat beweegt, waarna men in Versailles de Europese grenzen hertekende, met weeral België in de rol van… bufferzone.

Ik zou nog bladzijdenlang kunnen doorgaan met deze geschiedenisles; de kwestie is, dat het aloude ‘slagveld van Europa’ zijn intermediaire status in toenemende mate heeft veredeld tot dat van internationaal knooppunt en wegrestaurant. Daartoe werd, wellicht bewust, een non-identiteit gecultiveerd die vooral draait rond de amusant-onnozele reputatie van de ‘surrealistische’ natie waar niets werkt en waar het er ook niet toe doet, het Manneken-Pis-gehalte, de chocola en het bier. ‘Wereldburgers’ als Karel De Gucht zijn grote gangmakers van dit Belgische praline-imago. De constante opendeurpolitiek die door deze operettenatie verder op alle vlakken wordt beoefend (een chaotisch migratiebeleid, de ‘logistieke’ mythe met alle overlast vandien, het herbergen van allerlei internationale instellingen, de Euro-Brussel-cultus…) lijkt er wel op gericht om deze non-identiteit consequent in stand te houden.

Het gevaar is nu reëel dat dit ‘Belgisch complex’ geruisloos overgedragen wordt op een Vlaamse emancipatiegedachte die al te veel door een naieve neoliberale entrepreneurslogica is ingegeven. De Vlaamse beweging is immers méér dan een taalstrijd, méér dan een economische vuist, zelfs meer dan een revanchistische contestatie van de Belgische constructie. Ze is, in de breedste zin, een poging om de intermediaire, neutrale status, waarin we door de logica van de Europese geschiedenis werden gemanoevreerd, te doorbreken. Dat kan alleen via het rechtzetten van historische dwalingen, maar daar mag het niet bij blijven: de institutionele discussie is ondergeschikt aan de vraag, wie we zijn en welke collectieve grondrechten we als zelfstandige natie willen waarborgen aan de burger. Een pre-constitutionele discussie dus. En daar hoort een essentieel luik bij rond levenskwaliteit, ecologie en mobiliteit,- een discussie die verder gaat dan boekhouderslogica en het zelfgenoegzaam geneuzel rond ‘goed bestuur’. Willen we echt de asfaltstrook aan de Noordzee blijven? Of toch maar liever gaan voor de kweek van ‘stille’ hersencellen in de 21ste eeuwse kenniseconomie, die ook aandacht heeft voor cultuurkwaliteit in de non-profit-sfeer?  Misschien mogen we Wallonië en Brussel dat achterhaald imago van transitzone dan wel gunnen, inclusief de bijbehorende Manneken-Pis-iconen die ons letterlijk een dwergmentaliteit opdringen.

Het leidt tenslotte ook naar de vraag rond de Nederlandse perceptie van heel het Belgische ontbindingsproces. Uit een enquête van het Hollandse gratiskrantje DAG zou blijken dat zowat 45% van onze Noorderburen een annexatie met Vlaanderen wel ziet zitten. De reden is echter tamelijk ontluisterend: Vlamingen zijn “leuk”, “gezellig”, “zachtaardig”, “niet al te snugger”, en… je kan er lekker eten. De Bourgondische aard, weet U wel.

Kijk, het vooruitzicht om met onze vrienden benoorden de Moerdijk te herenigen, omwille van het hoog frituurgehalte en een Antwerpse kathedraal waar je aan de achterzijde kan urineren,- dat beneemt me alle lust om deze denkpiste verder te zetten. Ik wil niet scheiden van het Belgische surrealisme, om de aboriginal van een soort Nederlandse Cocagne-provincie te worden. Dat leidt gegarandeerd ooit weer tot frustraties en heisa, en dat hebben we al genoeg gehad.


Is er cultuur voorbij het wow-effect?

30 november 2007
Kritische achtergrondreflecties op het Bamford-rapport  (1/12/07)

De tempels van Abu Simbel in Egypte, de Gilles van Binche, het opebamford.jpgragebamford.jpgbamford.jpgbouw van Sydnebamford.jpgbamford.jpgy, de scheepslift van Strépy bij La Louvière, de binnenstad van Firenze, de partituur van Beethovens 9de symfonie… wat hebben ze gemeen? Juist, ze behoren tot de wereld-erfgoedlijst van de UNESCObamford.jpgbamford.jpg, het culturele departement van de V.N.
Nu ja, de compleet nutteloze en meestal defecte scheepslift van Strépy kwam er door de Belgische wafelijzerpolitiek en schittert veeleer als surrealistisch meesterwerk dan als wonder van technisch vernunft. En het is de Beethoven-partituur die de eer te beurt viel, het hoopje papier dus dat zich in de Staatsbibliotheek van Berlijn bevindt, niet de muziek zelf.
Wat wordt er gered en wat gaat er teloor? Het loont de moeite om na te gaan, op welke definitie van ‘cultuur’ heel die wereld-erfgoedgedachte steunt. En hoe die visie binnensijpelt in onze eigen kabinetten van cultuur en onderwijs.
Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat


Belgische paranoia (bis)

30 november 2007

(Gepubliceerd in AchterHetNieuws - December 2007) 

Ex-bokser slaat gepensioneerd TV-journalist K.O.

En andere hilarische verhalen uit medialand

Het is mfreddy-de-kerpel.jpge toch wel een volkje, dat Vlaamse journalistengild. Kort nadat, nu exact een jaar gfreddy-de-kerpel.jpgfreddy-de-kerpel.jpgeleden, in dit magazine mijn bespreking verscheen van Walter Zinzen’s boek ‘”De Wereld is een schouwtoneel. Maar wie doet de regie?”, kreeg ik van de auteur een zwaar verongelijkte mail. Hij wou ‘niet in polemiek treden’ (wat ik jammer vond, want dan wordt het pas spannend), en concludeerde meteen dat ik zijn boek niet gelezen had,- dat is pas een affront voor een lettervreter als ondergetekende, die terloops ook nog als een ‘fan van Philippe De Winter’ (sic) werd gekwalificeerd. Mij een raadsel waar hij het vandaan haalde, maar soit. Tenslotte vroeg hij ook om zijn naam uit de mailinglist van mijn weblog te schrappen, teneinde nooit meer aan mijn bestaan herinnerd te worden. Het totale anathema dus. Van het webmagazine Mediadoc kreeg hij gedaan dat het een voorziene nabespreking van mijn recensie annuleerde, en verving door een ‘propere’ versie.
Vanwege iemand die doorgaat voor een verstandig en mondig man, nog afgezien van zijn professioneel verleden, vond ik dat een vreemde reactie. Want ofwel vond hij mijn artikel naast de kwestie en dus die heisa niet waard, ofwel sneed het wél hout, en vroeg het om een repliek. Die er dus niet kwam. Ik heb Zinzen altijd gerespecteerd als Terzake-journalist en scherp interviewer. Toch wanen op een bepaald ogenblik ook deze verlichte geesten zich ‘untouchable’, en vervallen ze in een knorrig soort perplexiteit wanneer hun eigen discours eens kritisch gewogen wordt. Misschien teveel op het scherm geweest? Schaden schijnwerpers uiteindelijk het relativeringsvermogen?
Het tweede verhaal is pas genant, want het betreft een familielid. Weeral in AchterHetNieuws (dit magazine wordt echt gevaarlijk voor mijn gezondheid) publiceerde ik twee maand geleden een bespreking van het zopas verschenen boek van Chris de Stoop ‘Het complot van België’. Toevallig is de man de levensgezel van mijn zus, wat ik niet te berde bracht omdat het ook niet terzake deed. Waar ik wél op inging, waren de m.i. foute premissen waarvan het boek vertrok (dat het klootjesvolk zich in waandenkbeelden verliest, en dat alleen professionele journalisten een gezond wantrouwen mogen cultiveren), en de opmerkelijke conclusies die de auteur in een aantal kranteninterviews debiteerde (dat de publieke paranoia gevoed wordt door ‘separatisten à la Bart de Wever’, en de ronduit idiote vergelijking met Ruanda als uitsmijter).
Nu bestaat er, afgezien van obscure tijdschriftjes als Deus Ex Machina en De Brakke Hond, eigenlijk nauwelijks een literatuurkritiek in Vlaanderen. Want over De Stoop’s boek is, bij mijn weten, tot op vandaag geen enkele ernstige recensie verschenen in een krant of weekblad. Alleen flemerige hagiografieën die zo afgeschreven leken van de flaptekst, met lappen van foto’s, waarin men de deskundige hand vermoedt van de P.R.-afdeling van de uitgever. Omdat zo’n kandidaat-bestseller toch méér verdient, vond ik het nuttig om de vruchten van mijn kritische lectuur te publiceren, niet vermoedend dat dit een familiale fatwa zou opleveren. Want jawel, midden november kreeg ik een lakoniek bericht van mijn geliefde zwager dat hij n.a.v. dit artikel ‘geen polemiek wilde’, maar met mij meteen ook ‘geen enkel contact meer wenste te hebben’. Jasses, ons moeke in alle staten. De familiereünies op kerstmis, ik zie het al helemaal voor me: de Heer De Stoop, mokkend in een aparte kamer met zijn fans, zoals het AKO-prijsbeest A.F.Th. van der Heijden niet langer in één ruimte wil vertoeven met zijn collega en criticus Arnon Grunberg. Moet er nog soep zijn?

Ze zijn zo lief voor elkaar, meneer
Ik vrees dat het in deze twee anekdotes niet enkel gaat om geëxalteerde kinderachtigheid, want dan zou ik ze niet aanhalen. Het euvel zit dieper. Het nieuwe cultuurlandschap dat zich aftekent, wordt in toenemende mate gedomineerd door perslui met literaire ambities,- een uit de VS overgewaaid fenomeen: de journalist als suksesschrijver-in-bijberoep. Gaandeweg wordt ook in Vlaanderen het non-fictie-genre ingenomen door het personeel van de geschreven en audiovisuele media, ze passeerden allemaal de revue in de voorbije boekenbeurs: Chris De Stoop, Dirk Draulans, Jan Leyers, Rudi Vranckx, Marc Reynebeau en noem maar op. Behalve met persoonlijke ambities, heeft dat beslist ook te maken met de concurrentie in medialand, het overwicht van marketing op inhoud, en de noodzaak bij de resp. media om ‘sterjournalisten’ op te kweken en daarmee te pronken.
Deze intellectuele vedettes hebben de licentie om tegelijk aan informatie, duiding, commentaar en emotainment te doen. De boeken die ze schrijven, zijn zowel een verderzetting van de toegeëigende journalistieke superbandbreedte, als een statussymbool. Diepgang en originaliteit zijn zelden te bespeuren, maar de naambekendheid garandeert afzet, die op zijn beurt weer het journalistieke prestige verhoogt. Het weze hen allemaal gegund, maar het fenomeen heeft enkele opmerkelijke neveneffecten.
Ten eerste verdwijnt daarmee de onderzoeksjournalist pur sang die geduldig, traag en discreet mechanismen analyseert en netwerken ontrafelt: de zichtbaarheid is totaal,- men kan niet meer anoniem werken, en het moet vooruitgaan. Ik kan me niet voorstellen dat iemand als Chris De Stoop, wiens foto paginagroot in De Standaard verscheen, nog ergens undercover in een netwerk van vrouwenhandel kan infiltreren, zoals hij ooit voor zijn eerste boek deed. Daarbij verandert ook de toon en het niveau: van sec naar soft, van analyserend naar badinerend, van gravend naar glijdend, van taaie brokken naar vlot-leesbare hapstukken. Marktstrategisch is dat een onvermijdelijke evolutie in de literaire industrie: op een bepaald ogenblik worden thema’s en stijl nu eenmaal gewogen t.o.v. publieke smaak en commercieel rendement.
De transitie van journalist naar suksesauteur heeft nog een tweede effect: er ontstaat een kransje van collega-B.V.’s die elkaar overal tegenkomen, op persvoorstellingen, privé-feestjes, en natuurlijk de TV-talkshows. De leden van deze pers-nomenklatura verstaan zich onderling bijzonder goed en hebben geen zin om met elkaar in de clinch te gaan. Iemand als Marc Reynebeau komt daar rond voor uit: polemiek onder collega’s, dat doe je niet. Binnen dit genoeglijk gekabbel van coryfeeën worden meningen uitgewisseld en ontstaan common-sense-opinies: op het einde denken al deze mensen min of meer hetzelfde over dezelfde onderwerpen, hooguit de stijl verschilt. Tot die politiek-correcte mainstream-opinies is bv. het neo-Belgicistisch discours (‘Red België) gaan behoren, dat ik bij De Stoop bespeurde, maar dat bv. ook de denkwereld van Zinzen of Reynebeau kenmerkt: de B.V. is graag ook een B.B.
Vanuit die ideeën-incest komt dan weer een derde effect naar voor: de allergie voor externe kritiek,- zie de twee anekdotes van zoëven. Deze lui zijn zo verwend en gewoon om hun mening bevestigd te zien, dat ze elke vorm van tegenspraak, controverse of polemiek schuwen als de pest. Dit gebrek aan Voltairiaans esprit en (zelf-) ironie uit zich zelfs in een blokvorming tegen dissidente geluiden, en een misplaatst soort solidariteit: als je er eentje op zijn teen trapt, krijg je de hele hoop tegen. Het hoog ons-kent-ons-gehalte binnen de kring van journalistieke VIP’s doodt elke zin om via een scherpe woordenstrijd verlichting, inzicht, en uiteindelijk misschien verzoening te brengen. In de plaats komen de reacties van verbolgenheid (‘Hoe durft U…’), pogingen om de criticus te stigmatiseren, en finaal zelfs de uitdrukkelijke en definitieve communicatiestop.
En dat brengt ons naar het laatste symptoom van het nieuwe journalistiek-literaire vedettariaat: vrijemeningsuiting en discussie worden gebanaliseerd tot gezever van jan-met-de-pet en internetroddel. Aan de ene kant heb je dus een vrij homogeen establishment van media-intellectuelen die het in hoge mate met elkaar eens zijn, en aan de andere kant mag het gepeupel ‘meningen’ ventileren die er niet toe doen. De postmoderne spektakeldemocratie speelt daar perfect op in: we zien ofwel de intellectuele consensus van de B.V.’s, ofwel de televotingmachine en de praatbarak. Iets ertussen, de echte discordantie, de ideeënstrijd onder bekende én onbekende Vlamingen, over onderwerpen die iedereen aangaan,- lijkt helemaal weg te deemsteren.
Conclusie: journalistieke kwaliteit en BV-schap verdragen elkaar moeilijk. Men kan niet op onderzoek uitgaan en zelf nieuws zijn. Men kan niet tegelijk de schijnwerpers richten en er zelf onder staan. Men kan niet in één moeite de charades proberen te doorzien, en zelf in de touwtjes van het poppenspel hangen. De haast existentiële paradox die daaruit ontstaat, kan alleen maar een neurotisch soort werkelijkheidsontkenning opleveren, een verlies aan kritisch perspectief en een overdosis eigenwaan.

Doch deze column moest gaan over een ex-bokser en een TV-journalist, merk ik nu. Op maandag 12 november keek ik op VRT-1 naar ‘de slimste mens’, (iedereen heeft al eens een zwak moment), en zag hogervernoemde Walter Zinzen roemloos ten onder gaan tegen oud-bokskampioen Freddy De Kerpel. De gewezen Terzake-journalist zat met zijn mond vol tanden bij een vraag over internationale politiek,- bij Freddy uppercut rolde het er gewoon uit: Noriega, Panama, drugs, CIA, alstublieft.
Zinzen, die heel het programma door had zitten monkelen en knipogen (‘zie mij de intellectueel hier eens leutig doen’), staarde op het einde beteuterd voor zich uit: in een kenniskwis geklopt door iemand die tot zijn 14de naar school is geweest. Kijk, voor dit soort momenten hou ik mijn TV-toestel nog even binnenshuis.
Voor ingewijden mag De Kerpel’s glorieuze K.O.-overwinning nochtans geen verrassing zijn. Blijkens een interview in De Standaard van 12/7/2001 is hij een echte boekenvreter; hij wees zelfs de fouten aan in De Stoop’s verhaal over de Bende van de Miljardair (‘Ze zijn zo lief, mijnheer’). Freddy heeft het betere vuistwerk namelijk geleerd in wat men noemt ‘de onderkant van de samenleving’, en kent het milieu door-en-door. Zeg nu zelf: als zo iemand boeken begint te lezen,- daar kan geen deftige journalist tegen op.


Het bos, de bomen en het boek

1 november 2007
Pleidooi voor ontlettering
Gepubliceerd in Menzo-magazine, November 2007

Novem