Categorie archief: PLEIDOOI VOOR ONT-LETTERING

De valstrik van het “tweede boek”

Zopas verscheen de tweede roman van Paolo Giordano, ‘Het menselijk lichaam’ (‘Il corpGiordanoo umano’).

Zijn eersteling,  ’de eenzaamheid van de priemgetallen’ (‘La solitudine dei numeri primi’, 2008), werd een absolute bestseller en aansluitend zelfs verfilmd. Ironisch dat een boek over de menselijke eenzaamheid en het on-(mede)deelbare zo’n hype werd. Ik heb dat boek dan ook als een dagboek gelezen, iets intiem, waar ik eigenlijk geen zaken mee had, en als een voyeur in neusde.

Ik geloof ook vast dat Giordano dat tweede boek veel minder schreef vanuit een innerlijke drijfveer, dan wel op aandringen van zijn uitgever, om nog eens de kassa te laten rinkelen.

Het probleem van de literatuur -dat ze wezenlijk niets meer te zeggen heeft-manifesteert zich dus vooral in het tweede boek, het derde boek, en de herhalingsdwang. Meer schrijvers moesten minder boeken schrijven, liefst één of zelfs geen.  Er schuilt in elk van ons een boek, maar de vraag is of het wel zo nodig moet geschreven worden, en of dat schrijven zelf geen verschraling uitmaakt van iets veel oorspronkelijker, intiemer, onzegbaarder.

Schrijven is uit-schrijven.

Bladzijde uit het manuscript van "Der Mann ohne Eigenschaften" (Robert Musil)

Bladzijde uit het manuscript van “Der Mann ohne Eigenschaften” (Robert Musil)

Weerom rijst hier de vraag naar de zin, en vooral de onzin, van de literaire industrie, of veralgemenen we maar meteen tot de cultuurindustrie, het vedettisme, de hypecultuur omtrent dingen die men “moet” weten om sociaal te functioneren.

Een roman zoals Robert Musil’s “Der Mann ohne Eigenschaften”, algemeen beschouwd als een van de grote literaire meesterwerken van de 20ste eeuw, is eigenlijk per ongeluk in de galerij der meesterwerken gesukkeld, dankzij ijverige uitgevers, recensenten, drukkers, groot- en kleinhandelaren. Kortom: al wie zijn brood verdient met bedrukt papier.

Een belletrist, zoals wij er in Vlaanderen en Nederland een paar dozijn kennen, genre Lanoye, Brusselmans, Verhulst, Mortier,… levert minstens elke twee jaar een roman af,- niet alleen uit contractuele verplichting, maar vooral ook om “in de markt” te blijven en niet vergeten te worden.

Hoezeer zijn dan de boeken te koesteren die maar niet voltooid geraken! Hoe trager de tekst zich ontwikkelt, hoe meer hoorn er is gegroeid aan de buitenkant, hoe meer hij het onzegbare probeert te zeggen,- een einddoel dat nooit gehaald wordt. Musil werkte 20 jaar aan zijn Opus Magnum, namelijk van 1921 tot 1941. Hij had geen haast om zich bij het kransje van bekende schrijvers te voegen, maar misschien was er zelfs een afkeer van de openbaarheid, en een bezorgdheid dat teveel licht de tekst zou kunnen corrumperen: lezers die een “zin” zoeken in het verhaal, critici die het kapot analyseren, uitgevers die het in de etalage leggen, of in stapels op de toonbank, of, erger nog, op de boekenbeurs-met-signerende-auteur.

Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Is het daarom dat minder conforme schrijvers soms hun manuscript vernietigen, en schilders hun doeken? Of is het daarom dat sommige boeken gewoon niet geschreven worden? Lopen wij allemaal rond met een boek in het hoofd, dat we niet schrijven, – uit angst dat het door een onbevoegde zou geopend worden? De angst voor de verwonding, de aanranding? Is het ongeschreven boek niet de beste voorzorg tegen de destructiviteit van het lezen?

En zo kom ik tot een vrij bizarre, maar toch compleet logische, nieuwe, post-Musiliaanse definitie van een tekst,- als roman, boek, gedicht, plastisch kunstwerk, muziekstuk, of wat dan ook …-: hij dient helemaal niet om gelezen te worden. Veeleer is het een monoloog, de afdruk van een reeks fysische en mentale processen, waarin de auteur zich van elke externe samenhang distantiëert. De ideale tekst is gesloten en past nergens in, in geen enkele bibliotheek of collectie. Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Het enige verhaal dat de roman écht vertelt, is daarom dat van een breuk met de buitenwereld, een verbroken samenhang tussen het Ik en de wereld. De schrijver schrijft zichzelf uit, via een reeks priemgetallen. Het beeld van de priemgetallen past perfect: ze behoren tot de verzameling van getallen die nergens bij horen.  De cryptische tekst wordt een dagboek, een logboek van de ontsnapping uit het universum van de collecties, het museum, de bibliotheek. Hij biedt zich uiteindelijk ook niet meer aan als tekst: hij verschijnt, soms, toevallig, als een schim, om dan terug te verdwijnen.

Lezen is ont-lezen.

Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein/”Tractatus Logico-philosophicus”

Het is Musil’s tijdgenoot James Joyce die zijn teksten als ‘epiphanies’  (verschijningen) betitelde,- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints dus. Of nog minder respectvol: dronkemansgelal. Of een wind, of een boertje.

Terwijl goedmenende literatuurwetenschappers het boek nog steeds als een geordende collectie van woorden, zinnen, hoofdstukken zien, die zelf ook weer in een collectie thuishoort (de bibliotheek), is het authentieke boek net het omgekeerde: het hoort nergens bij, het is de zelfbeschrijving van een hersenknoop. Een epifanie. Elke mede-deling is dan overbodig en absurd. Het heeft geen zin om zich verstaanbaar proberen te maken,- dat leidt tot inquisitorische toestanden (“Wat bedoelt u eigenlijk?”) of misplaatste excuses, die het interview en de de TV-talkshow kenmerken, doch die het misverstand alleen maar vergroten.

Het gesloten boek vormt zo de ultieme remedie tegen het misverstand. De modale, welopgevoede lezer/collectioneur probeert nog steeds te be-grijpen, te verzamelen (legere, colligere, college, collectie) wat niet meer te verzamelen valt. De lezer moet dringend uit die waan verlost worden: er is geen sleutel of geen decodeermachine. Het zijn de lectoren, de uitgevers en de critici die een verhaal proberen te “lezen” omdat ze daar nu eenmaal pedagogisch door geconditioneerd zijn en omdat het een industrie uitmaakt. Ze zoeken en collectioneren zinnen, alinea’s en hoofdstukken, willen verbanden leggen, eigenschappen ontwaren en “kwaliteit” bespeuren, waar er eigenlijk alleen maar de voetafdruk is van een wandelend brein. In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Het is tenslotte de filosoof Ludwig Wittgenstein, die andere tijdgenoot van Musil, die de epifanische, onleesbare literatuur een manifest heeft bezorgd: “De grenzen van mijn taal, zijn de grenzen van mijn wereld”. De Tractatus Logico-Philosophicus (1921), het enige werk dat tijdens zijn leven door een uitgever werd gekaapt, begint waar Der Mann ohne Eigenschaften eindigt: in de absolute marge van het kosmische verhaal. Als vluchtplan uit het universum, weg van de samenhang en de connecties.

In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Ook de Tractatus is in de schaduw van de eerste wereldoorlog geschreven. Het is een anti-verhaal en een anti-tractaat. Het is een boek zonder eigenschappen van een filosoof zonder eigenschappen. Het probeersel van een volstrekte amateur. Ik lees het graag, omdat het niet de ambitie heeft om verstaanbaar te zijn: het is een louter hersenspinsel. Tot op vandaag weet niemand wie Ludwig eigenlijk was, en wat hij met zijn boek bedoelde, al zijn er ondertussen bibliotheken over vol geschreven, tevergeefs: Ludwig gaf zelf aan dat zijn tekst verdwijnt zodra men hem leest, en werkt als een ladder die wordt opgetrokken. Al bijna 100 jaar proberen professoren filosofie van Wittgenstein een “filosoof” te maken, iemand die in de traditie past, zonder resultaat: hij is en blijft een cancre, een kind dat van taalspelen hield en zich niet bekommerde om de ontcijfering.

In deze poëtica is de nieuwe lezer daarom een ont-lezer, een toevallige vinder van ondecodeerbare inscripties, die hij misschien even betast maar verder intact laat. Alles wat zich als openbaar, mededeelzaam, integreerbaar voordoet, valt dan genadeloos door de mand. Ik ont-lees alleen nog een bepaald soort boeken, waarvan ik vermoed dat ze niet geschreven zijn om begrepen te worden, en die ik dan ook geen geweld wil aandoen met hermeneutische breekijzers.  Ik respecteer ze als een labyrinth van woorden die alleen betekenis hebben binnen het brein van de bedenker.

Het komt er dan ook helemaal niet op aan, een boek te “begrijpen”, want dat is een daad van puur geweld, het forceren van een toegang. Heel uitzonderlijk vindt iemand toch een weg in dat labyrinth. Heel uitzonderlijk. Maar ook dan, zeker in dat geval, is het kwestie om de sleutel zo snel mogelijk weg te gooien. Ook met twee heeft men recht op eenzaamheid. Zoals de priemgetallen dus. De hoogst bereikbare existentiële toestand in dit universum, is het niét behoren tot een verzameling.

(Dit is een hoofdstuk uit het essay “Epifanie”, als lezing gegeven op 5/9/2010 in Filosofiehuis ‘t Zoekend Hert/Antwerpen.)

Het boek en zijn aardbeismaak

Herfsttijd, boekenbeurstijd, de periodieke ovulatie van het edele schrijversgild voltrekt zich onder luid megafoongeschal. Op- en afzwellend geroezemoes, ritselende pagina’s, de geur van verse inkt, heroische debatten, rinkelende kassa’s, kwijlende senior writers op hun signeerstandjes, de stank van natte regenjassen. De plek waar lezen een genot en een kwelling is, een commercieel geïnduceerd orgasme én een bron van melancholie. Net op dat moment bekruipt me telkens weer de lust, als lezer én schrijver, tot een grootse boekenverbranding. Een reductio ad absurdum van heel deze afgeleide papierindustrie, de culturele bombast, de waanidee dat schrijvers ook maar iets zouden doen oplichten onder onze hersenpan. Waar komen die sakkerse letteren vandaan en waar dobberen ze heen? Is er leven buiten het boek, de schriftuur, de tekst?

Een poging tot tussenbalans van een langlopend project, deels al op het web gepubliceerd, onder de werktitel “Pleidooi voor ontlettering”. Met altijd de onderliggende ironie dat ook elke anti-tekst weer een tekst is…

Handel in emotionele goederen

Waar liggen al die boeken?

Op zaterdag 8 september 2012 verbrandde uitgever Harold Polis tijdens een boekvoorstelling een negatieve krantenrecensie over “De handel in emotionele goederen” van ene Maarten Inghels. Wellicht zonder het te beseffen gaf hij daarmee exact een inconveniente waarheid aan inzake de letteren en de literaire industrie: in se is het een papierkwestie. Er is de noodzaak van de uitgever om omzet te draaien, er zijn de belangen van drukkers en boekbinders, de boekhandelfederatie, de beurzen, het boek…en dan pas is er de tekst als, nu ja, vulmiddel. Schrijvers zijn gaatjesvullers. Zeer terecht werden ze in het revolutionaire Rusland van na 1917 bij de typografen gerangschikt.

Zo’n 20.000 titels verschijnen er per jaar in Vlaanderen: dat getal is nodig om de industrie draaiende te houden. Onterecht maken Peter Quaghebeur en Erwin Provoost, kersverse directeurs van WPG Uitgevers België, zich zorgen over deze papierberg (“Waar liggen al die boeken?”): boeken dienen immers gewoon niet om gelezen te worden, ze zijn er omdat ze er zijn, als afgewerkt product, als vulling voor de winkelrekken, en even later van de boekenkast in het salon.

“Schrijvers zijn gaatjesvullers. Zeer terecht werden ze in het revolutionaire Rusland van na 1917 bij de typografen gerangschikt.”

Edoch, telkens weer slaagt de literatuur, vooral bij het vallen van de blaren, er in om de zogenaamde meerwaarde van het papier in de verf te zetten. Wie niet leest zou dan arm van geest en achterlijk zijn, zich afsluiten van de beschaving. Die campagne moet periodiek herhaald worden, omdat mensen anders echt zouden doorhebben dat je met dat papier net zo goed de kachel kunt aansteken. Wat trouwens evenzeer geldt voor kranten en weekbladen. Romans en dichtbundels dragen daarom een parfum van zingeving, zoals men aardbeiensmaak aan yoghurt toevoegt. Ze zijn waardevol, aaibaar, diepzinnig, ze zeggen iets over de wereld, het leven, ons bestaan, en krijgen het karakter van een cultuurfetisj, waarmee je dus ook voodoo kan bedrijven, zoals uitgever Harold Polis onlangs deed. Zo ontstaat een mystiek huwelijk van cultuur en marketing, waarbij auteur én uitgever zich opblazen tot priesters van de goede smaak en bewaarengelen van de beschaving.

“Lijmen”: het boek als cultuurfetisj en massaproduct

Maar ach, vergeefs. De karikatuur die Willem Elsschot ons serveert in de figuur van Laarmans (“Lijmen”, 1924), oplichter, en uitgever van het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen, is bij mijn weten de meest geslaagde poging van een romancier zelf (!) om deze opblaasactie van de literaire massaproductie ten gronde te doorprikken. Laarmans verkoopt gewoon bedrukt papier aan al wie zo stom is om zijn praatjes te geloven: hij is op zijn eentje een complete metafoor voor de bellettrie en haar impertinentie. Het misverstand dat de roman een “drager” zou zijn van een boodschap, en dat heel de perifere industrie daarvan ten dienste staat, wordt hier genadeloos de grond ingeboord. Een uniek iconoclastisch document,- een goed lezer kokhalst halverwege en gooit dit boek bij het oud papier.

Het is een grote verdienste van de moderne marketingleer, dat hij deze Elsschotiaanse bodem van het boek ook ongegeneerd demonstreert, en elke schrijver degradeert tot typograaf. De objectieve concurrentiepositie van alle beroepsintellectuelen, zich richtend tot eenzelfde universum van “meerwaardezoekers”, herleidt hen tot hun ware gedaante van brullende marktkramers die elkaar willen overstemmen.

“Veel van het zogenaamde rebelse en eigenzinnige in kunst en literatuur is tot ordinair haantjesgedrag te herleiden, in naam van de zelfpromotie.”

En of er hard geroepen wordt. Een literair product vergt nu eenmaal dezelfde publicitaire opvolging als andere massaproducten, zoals een wasmiddel of een i-Phone. Ook de tijd en het budget van de cultuurconsument zijn eindig, er moet dus gevochten worden voor marktaandeel. En dat gevecht wordt in hoge mate aanschouwelijk op boekenbeurzen. Wie boek A leest, kiest niét voor boek B. In die optiek zijn alle kunstenaars en letterkundigen elkaars rivalen, ook al willen ze wel eens corporatistisch samenklitten in Pen-clubs e.a. Vandaar ook hun permanente bekommernis om als iconisch figuur en “opiniemaker” te worden behandeld. Hun ethische weldenkendheid, cultuurpedagogische intenties, persoonlijke ijdelheid, én hun commerciële besognes (velen hebben vandaag een eenmansvennootschap) vloeien samen in één communicatietechnische logica van het intellectuele handelsmerk.

Dus wordt de auteur een geregistreerd merk, onder het motto “Lees mij, ik ben beter”. Dat leidt soms tot vermakelijke toestanden. In Nederland zijn de concurrentiële vetes tussen schrijvers gaan behoren tot het literaire theater zelf, denk bv. aan het gehakketak tussen A.F.Th. van der Heijden en Arnon Grunberg. Veel van het zogenaamde rebelse en “eigenzinnige” in kunst en literatuur is tot dit haantjesgedrag te herleiden. Dikwijls is de aanleiding een onderscheiding of een prijs die onderling betwist wordt,- logisch, want de verkoop hangt er in hoge mate van af. Onder alle polemische hoogstandjes voelt men de broodnijd binnen een markt die de heren gedoemd zijn om te delen. En wie helemaal niet blaft of bijt, verdwijnt in het grijs.

Fahrenheit 451

Uiteraard legt dat een enorme druk op hun productiviteit, een (zelf)dwang die het aangeboren Narcisme van de beroepsintellectueel nog aanwakkert, en waardoor we steeds meer een déjà-lu gevoel krijgen. Sufte en hoofdpijn na het lezen. Elk jaar moet de schrijver zijn roman afleveren, als een marktvers product waarvan de lectuur als een sociale plicht wordt voorgesteld. De dwang aan de productiezijde leidt als vanzelf tot een dwang aan de consumptiezijde, en vice-versa,- ook dat is elementaire marktlogica. Wie Congo van David van Reybrouck niet gelezen heeft, of niet minstens doet alsof, is een marginale Johny.

Of kijk wat Mai Spijkers, baas van uitgeverij Prometheus, in De Volkskrant zegt over de “Vijftig tinten”-trilogie van E. L. James, dé literaire hype van 2012 waarvan hij de vertaalrechten binnenhaalde: “Iedereen wil het lezen, omdat iedereen het leest”. Einde citaat. Alleen jammer dat daarvoor bomen moeten sneuvelen,- uiteindelijk is het boek etymologisch een dode en versneden beuk. En door de bomen zien we het bos niet meer.

“Boeken zijn wel degelijk nuttig, als men ze kan herleiden tot hun calorische waarde van brandstof, in tijden van nood.”

In het licht van deze verdwazing zijn boekenverbrandingen dus nog zo dom niet, en alleszins mogen ze niet gelijk gesteld worden met distopische toestanden in fascistische regimes, zoals het verfilmde boek “Fahrenheit 451” (1953) van Ray Bradbury hardnekkig doet. Het kunnen daarentegen statements zijn tegen het literaire consumentisme en de commercieel gefokte leesdwang. Een statement tenslotte tegen een cultuur van het schrift zelf, de talloze bijbels die voorschrijven hoe we moeten leven of hoe we een soufflé moeten maken, duizelingwekkende wetteksten die niemand kent of begrijpt maar die toch ons bestaan beheersen, de academische sterrenwichelarij, de terreur van de voetnoten, de mythe van het intellectueel eigendom en het copyright. Enzoverder. Het boek is een symptoom van een decadente beschaving waarin het woord een haast puur manipulatieve betekenis heeft.

Doch opgelet. Boeken zijn wel degelijk nuttig, als men ze kan herleiden tot hun fysieke realiteit. Ik denk dan uiteraard aan hun calorische waarde van brandstof in tijden van nood. Mijn betreurde vriendin Kaat Tilley gebruikte ze als opvulling van gebarsten muren in haar boerderij. En in menig Vlaamse huiskamer staat een welgevulde bibliotheek met nooit geopende boekvolumes, door Laarmans aangeleverde encyclopedieën, of zelfs luxueus gekafte dummies, gewoon ter decoratie. Een rechtvaardige kiloprijs dringt zich op, ook in de literatuur, en maakt alle recensies overbodig.

Johan Sanctorum

“Fahrenheit 451″: Lees het hele essay over ontlettering

Tonio, of het boek als kwelling

Het ligt al weer een paar dagen achter ons, maar filosofen houden zich per definitie niet met de waan van de dag bezig, dus liet ik het nieuws wat besterven: dat van de gedreven Dendermondse politierechter Peter D’hondt, die een verkeerszondaar veroordeelde tot het lezen van het boek Tonio van A.F.Th.van der Heijden. Geeft de 30-jarige dader daar geen gevolg aan, dan is hij zijn rijbewijs voor drie jaar kwijt.

Een gamma van meningen hierover vulde zoals steeds de opiniebladzijden: goedkeurend geknor viel te noteren bij de bibliofielen (“Eindelijk wordt de opvoedkundige waarde van literatuur erkend!”), terwijl sceptische geluiden weerklonken bij… andere bibliofielen (“Een boek moet een geschenk zijn, geen straf!). De schrijver zelf etaleerde een gepaste trots, en dacht misschien vooral aan de meerverkoop dankzij het vonnis.

De uitspraak van Peter D’Hondt raakt hoe-dan-ook een cultuurthema aan van de eerste orde: moeder, waarom lezen wij? Maakt het boek ons vrij, of is het een instrument van verknechting, manipulatie, indoctrinatie? Zijn boeken niet altijd al objecten geweest die ons tamelijk dwingend tot de orde roepen en bij de les houden? Van de bijbel, over het wetboek, tot het kookboek. O ja, op school heb ik nog, bij wijze van straf, met een encyclopedie op mijn hoofd een uur stil moeten staan: dat dit mij verstandiger zou maken, bleek ijdele hoop.

De uitspraak van Peter D’Hondt raakt hoe-dan-ook een cultuurthema aan van de eerste orde: moeder, waarom lezen wij?

En hebben we niet allemaal die vervloekte “schoolauteurs” tot ons genomen, verplichte literatuur die we trachtten te ontlopen via geleende samenvattingen? En, algemener nog, lezen wij niet vooral omdat we moéten lezen,- de krant (om bij te blijven), reglementen (om boetes te ontlopen), handleidingen (om apparaten te doen werken), facturen (om deurwaarders buiten te houden),… boeken (om verstandig te lijken)? Overal waar het boek verschijnt, wenkt ook de sanctie.

Het Boek der Boeken

Politierechter Peter D’Hondt keerde dus, wellicht zonder het te beseffen, terug naar de oorspronkelijke missie van het boek,- een missie die door de roman en de poëzie werd verdoezeld: het gaat om gebods- en verbodstekens, die omslaan in straf en kwelling als ze overtreden worden. We vergeten al te licht dat Johannes Gutenberg omstreeks 1450, na een paar opwarmoefeningen (zoals het drukken van aflaten voor de Kerk), de lettergieterij op punt stelde om de Bijbel beter te verspreiden. Ondanks alle euforische beschouwingen rond de Europese boekdrukkunst, als “hoogtepunt van de renaissance”, “aanloop naar de Verlichting”, “absoluut beginpunt van de moderniteit”, en dies meer, gaat het dus eigenlijk om de technische perfectionering van een religieuze marketing.

De Thora, de Bijbel, de Koran: verschrikkelijke teksten zijn het, waarachter een monarch schuilgaat die zich alleen in schaduwen toont, om ons beter te terroriseren.

De drie zogenaamde” boekgodsdiensten” (Jodendom, Christendom en Islam) zijn historisch en inhoudelijk met elkaar verbonden. Ze onderscheiden zich van alle andere religiën door hun onderwerping aan één oppergezag (het monotheïsme) en een tekstuele obsessie (het Boek bevat alle waarheid én alle voorschriften). Dat is een enorme last die we nog steeds met ons meesleuren, en die aan elk boek kleeft, fictie of non-fictie: we lezen om te leren, te onthouden, en te gehoorzamen. De Thora, de Bijbel, de Koran: verschrikkelijke teksten zijn het, waarachter een monarch schuilgaat die zich alleen in schaduwen toont, om ons beter te terroriseren. Een van die schaduwen is het Boek der Boeken.

Het boek als depressivum

Nooit heeft het boek zich van die oorsprong kunnen ontdoen: de gedrukte tekst is in se prescriptief, elk boek is, ongeacht de inhoud, een handboek voor de lezer én een inprentingsmachine. Het laat zich niet zomaar doorbladeren,- het bevat integendeel instructies, een exegese, een complete gebruiksaanwijzing die ons moet beletten om de tekst te mislezen. Recensenten en zogenaamde critici spellen het ons voor. Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren, al was het maar over de manier om een soufflé te maken, en dat vergt een lecturale onderwerping, een lees-discipline die ons vanaf het eerste studiejaar wordt ingelepeld.

Ik ben in de helft gestopt, ik kon het niet meer aan, het deprimeerde me. Tonio is een marteltuig.

Daarbij horen sancties. De nagel van onze scherprechter snijdt hout: wie niet horen wil, moet voelen. Wie niet lezen wil, zal het toch doen, en dan liefst zo pijnlijk mogelijk. Tonio is dan ook helemaal geen aangenaam boek, integendeel. Het is een depressivum, een rouwdagboek van een man die door schuldgevoelens wordt verteerd: het is een kwellend relaas van een zelfkweller. Het gaat ook niet over het verkeer of verkeersslachtoffers, noch over snelheidsduivels. Het is veeleer de zelfbeschrijving van een tristesse die besmettelijk blijkt. Ik ben in de helft gestopt, ik kon het niet meer aan, het deprimeerde me. Tonio is een marteltuig. Zwevend tussen fictie en non-fictie (zoals de Bijbel trouwens), ervoer ik het steeds meer als een virale aanval op mijn mentale integriteit.

Met Tonio heeft A.F.Th.van der Heijden trouwens zijn critici definitief de adem afgesneden: niemand kon of durfde iets onheus zeggen over deze requiemroman, uit respect en piëteit. Noemen we dit emotionele chantage? Een ultieme psychologische usurpatie van de lezer?

En… is er een boek denkbaar dat de status van dwangmatig depressivum en marteltuig overstijgt?

Het boek-van-plezier

In 1973 publiceerde Franse filosoof Roland Barthes zijn essay “Le plaisir du texte”, waarin de genotsfactor van schrijven én lezen wordt  gereleveerd. Barthes verwerpt het academisme en elke leerstelligheid, en pleit voor een autonome tekst die zweeft, connecties maakt met andere teksten (tot een “intertekst”), ruimte laat voor dubbelzinnigheid, verdraaiingen, verdichtingen, variaties. Dat is pure poëzie, hoor ik u zeggen. Juist: zijn teksthedonisme voert ons naar een anti-bijbel die niet meer dient om gelezen of begrepen te worden, maar om rechtstreeks de G-zone in de hypofyse aan te spreken, het hersendeel waar endorfine wordt aangemaakt, alias het gelukshormoon.

Al bij al is het boek slechts een versneden Buche, namelijk een stuk brandbaar beukenhout, bestemd om zich aan te verwarmen.

Op dat moment verliest het boek elke symbolische waarde van bijsluiter, het wordt puur genotsmiddel. Als we de lijn van Barthes doortrekken zou een boek best van speculoos en marsepein kunnen gemaakt worden. We zouden het dan letterlijk kunnen verslinden, in plaats van metaforisch. Ook allerlei zogenaamde tekenen van barbarij, zoals de boekenverbranding, vallen dan onder dat streven naar onmiddellijke consumptie: een verbrand boek geeft warmte, en dat komt ons in koude tijden goed van pas. Al bij al is het boek slechts een versneden Buche, namelijk een stuk brandbaar beukenhout.

Het boek-van-plezier is uiteindelijk ontploft –al zal dat nooit de bedoeling van Barthes geweest zijn- in de pornografie, een lelijk woord voor een anti-genre dat enkel en alleen nog genot wil opwekken. Gezonder dan drugs, verteerbaarder dan Prozac,- wie kan er tegen zijn, behalve uiteraard de verspreiders van het Boek der Boeken?

De rotonde van Zele

Wie nog verder wil gaan dan de pornografische gelukslectuur, en zou opperen dat ook dit een vorm van manipulatie is, kan ik enkel nog de ont-lezing aanbevelen. Het boek weigeren in al zijn vormen: wetboek, handboek, krant, kookboek, boekske, zelfs aftrekboek.

Het eeuwige gezeur over de jeugd die “niet meer leest” of “niet zonder fouten kan schrijven”, gaat misschien wel over een ontlettering die ons losmaakt van een eeuwenoude tekstfixatie met een religieuze achtergrond. Een heidens-orale cultuur zou veel zuurstof brengen in deze verstikkende boekenmaatschappij. Het internet kan ons losmaken van het boek als object, maar de ontlezing gaat veel verder: teksten zijn op zich maar dwaaltekens die ons van het leven afleiden, ook als ze op een computerscherm staan.

De straf is pervers, niet de zonde. De rotonde is waanzinnig, niet de rondjesrijder.

In die zin zie ik de zondaar, berecht door Peter D’Hondt, meer als een slachtoffer dan als een dader. Meer als een gemartelde dan als beul. Meer als een symptoom van een ontregeld, neurotisch convivium van dwangarbeiders, dan als een verbreker. Want wat was nu eigenlijk het misdrijf van die onbenoemde verkeerscrimineel? Heeft hij een kind doodgereden, pleegde hij vluchtmisdrijf? Neen, hij reed rondjes op de rotonde van Zele! Iets tussen joy-riding en de gekke sprongen van een kat in een kooi.  Zo iemand een treurdicht van 632 bladzijden laten lezen, dat is als een drenkeling een handboek zwemmen toegooien. Een zinloze kwelling.

De straf is pervers, niet de zonde. De rotonde is waanzinnig, niet de rondjesrijder. Zij is een metafoor van de helse carrousel waar we nooit uit geraken, de chaotische orde die van bovenaf is opgelegd. De verkeerscode is een verre afgeleide van de Goddelijke wet, dus is het aan de libertijn om hem te ontlezen. Over die clash/crash zal het gaan, de komende decennia. Een bewering die ik geef voor wat ze waard is, want ook bovenstaande tekst dient ont-lezen.

Johan Sanctorum

Afbeelding

Wat doen we met de oudjes?

Het is nu definitief: vanaf het 45ste levensjaar gaat het met ons mentaal snel bergaf, aldus het prestigieuze British Medical Journal. De “cognitieve vermogens” (geheugen, zin voor logica, begripsvermogen) laten het afweten, we worden vergeetachtig en verward.

Eigenlijk is dat een verbijsterende vaststelling, want het zijn uiteindelijk de 45+-ers die over deze planeet regeren. In alle maatschappelijke geledingen zwaaien ze de plak, terwijl ze aan een recordtempo hersencellen verliezen. Op alle domeinen falen ze dan ook, van Fukushima tot Wall Street: politiek, technologie, economie, milieu,- we gaan planetair regelrecht de verdoemenis in, zonder meer dankzij de gescleroseerde breinen. Ik noem het de ouderdomsparadox: hoe minder hersencellen, hoe meer macht.

Het “jeunisme”, de jeugdcultus die o.m. in de popcultuur hoogtij viert, is eigenlijk maar een mistgordijn voor dat wat men gerontocratie noemt: het complot van de oude(re) mannen,- ik zeg wel degelijk: mannen. Hoe hebben ze dat klaargespeeld?

 

“Kiemen van distopie”

Biologisch gezien komt macht enkel toe aan de exemplaren die het voortbestaan van de soort kunnen waarborgen, de alfa-dieren dus. Maar in de antroposfeer weten de oudere mannetjes, die biologisch afgeschreven zijn, zich te handhaven en hun eigen noodzakelijkheid te herdefiniëren, onder het mom van “maturiteit”. Macht is sowieso een compensatiefenomeen: omdat de biologische nuttigheid verdwijnt moet er een “levensverzekering” afgesloten worden die de groep belet om het nutteloze exemplaar te elimineren. Politici, zakenlui, wetenschappers, kunstenaars: het zijn beta en gamma’s die rondlopen met een alfa-sticker. Ze doen alsof ze macht hebben, en ze krijgen die ook echt.

Wat al zo lang sluimert als een “generatiekloof”, lijkt nu de afmetingen afgenomen te hebben van een oorlog tegen de seniliteit.

Al deze “excellenties” leven biologisch op krediet, maar ze zijn erin geslaagd om een fictieve meerwaarde af te dwingen. Hun hoge stand in de sociale hiërarchie berust niet op reële potentie, maar op blufpoker, een soort intelligentie van de domheid.

Dat is een pervers gegeven, het resultaat is dan ook catastrofaal. Maar aan het einde van de eerste decade van de XXIste eeuw verschijnt er toch iets dat lijkt op een opstand tegen het complot van de dementerenden. Wat al zo lang sluimert als een “generatiekloof”, lijkt nu de afmetingen afgenomen te hebben van een oorlog tegen de seniliteit. En kijk: uitgerekend op een van de hoogmissen van de gerontocratie, de top van het Wereld Economisch Forum in  Davos/Zwitserland (waar anders?), worden voor het eerst “kiemen van distopie” (sic) gesignaleerd, zijnde apokalyptische denkbeelden die onder jongeren sluimeren, en die leiden tot een regelrechte gerontofobie tegen de oude orde, het krakkemikkige systeem, maar vooral ook de fysieke vertegenwoordigers ervan. Occupy Wall Street, de Indignados en de Arabische Lente worden geciteerd. En het fenomeen is nog veel breder.

 

Generatie-oorlog

Met de vergrijzing en de kanteling van de pensioenspyramide (de actieven die betalen voor de gepensioneerden), zelf het gevolg van een stijgende levensverwachting, wordt het economisch nut van de ouderdom aarzelend uit de taboesfeer gehaald. Het recente opstootje tussen de jonge pensioenminister Vincent Van Quickenborne en de vergrijsde vakbonden had een existentiële dimensie, los van de economisch-financiële discussie. 

Het besef dat de 45+ers de wereld kapot maken door hun mentale degradatie, kan niet anders dan tot een distopisch denken én een opstand leiden bij de jeugd. 

Snel, ik verwacht de komende jaren, zal het debat gevoerd worden op het niveau waar het thuishoort: het cultureel-antropologisch niveau. Moeten wij echt koste wat kost zwaar investeren in medische en farmaceutische spitstechnologie om bejaarden in leven te houden? Anderzijds, als wij senioren “her-activeren”, terug in het economisch circuit halen, wordt de kans op ongelukken nog groter. Wat hebben we aan een gepensioneerde schoolbuschauffeur die een kind doodrijdt? De cultuurclash tussen oud en jong wordt onvermijdelijk, en ze heeft ook een eigen biologische redelijkheid. Het besef dat de 45+ers de wereld kapot maken door hun mentale degradatie, kan niet anders dan tot een distopisch denken leiden bij de jeugd. Zij moet de macht grijpen en de samenleving ont-scleroseren.

Het kan niet zijn dat tachtigers bij ons medisch en farmaceutisch steeds weer opgelapt worden, terwijl op andere continenten het gros van de bevolking niet eens de 45 haalt.

 

Costa Concordia

Ondertussen kan de pret niet op onder onze gepensioneerden. In de TV-reeks De Benidorm Bastards zien we ze aan het werk, de vrolijke hangouderen, de zgn. babyboom-generatie die zich wentelt in haar parasietenbestaan. Een complete welness-industrie en een hele rist boekjes, genre Plus Magazine, een blad met ‘Alle informatie voor een boeiende generatie’, cultiveert het seniorenhedonisme, met aandacht voor die 1001 kleine ongemakken zoals rimpels, erectieproblemen en, jawel, geheugenverlies.

Ze maken goede sier op reusachtige drijvende luxe-resorts zoals de Costa Concordia, alwaar een zatte stripverhaalkapitein Schettino, het verstand op nul, het schip doet kapseizen. Jonge duikers wagen vervolgens hun leven om de oude karkassen op te halen. Er schuilt veel tragi-komedie in die katastrofe, net omdat het een verhaal betreft van ouderdom, glamour en domheid. Idee voor een collectieve euthanasietrip: een cruise naar de zeebodem? De gezonken Costa Concordia: het lijkt een grotesk symbool van een verbroken generatiepact.

 

God

Natuurlijk had Freud al die tijd gelijk, hoezeer hij vandaag ook wordt verguisd: God, de kwadratuur van de macht, is in wezen een potentaat-in-verval, een patriarch die zijn falende sexuele kracht compenseert met scheppingverhaaltjes. Vooral de absolute demiurg van het monotheïsme leek Freud een suspecte figuur: een slappe fallus die zijn eigen Viagra-retoriek uitvond, waarvan het Grote Boek niet meer dan een schaduw is. God is de dementerende tiran die eeuwig wil blijven en niet kan vertrekken. God heeft zichzelf een oneindig krediet toegekend, hij is de absolute Benidorm Bastard, vermomd als Machiavelli’s Principe.

God is de dementerende tiran die eeuwig wil blijven en niet kan vertrekken. God heeft zichzelf een oneindig krediet toegekend, hij is de absolute Benidorm Bastard…

God is de absolute parasiet die zelfs geen genoegen neemt met een luxe-sanatorium, maar die resoluut ons bestaan wil domineren, vanuit een tautologische premis die noch te bewijzen, noch te weerleggen valt. Hij is dus een mysterie, slim bekeken voor iemand met nog één hersencel. Want dat is natuurlijk ook een vermakelijke eigenschap van het brein: het herorganiseert zich telkens opnieuw, hoeveel hersencellen er ook afsterven en hoeveel verbindingen er ook dichtslibben. Zo worden en blijven we een God, in het diepst van onze gedachten, hoe dement ook. Zonder deze “tegennatuurlijke” regeneratie zou er van gerontocratie nooit sprake zijn.

De manier hoe religie functioneert, is dan ook exact de wijze hoe macht zichzelf sociaal consolideert in gezagsstructuren allerhande, vanuit een compleet gefakete hersenstructuur, met een compleet gesimuleerde intelligentie, die een compleet virtuele autoriteit oplevert.

 

Groene koekjes

Met dit alles op de achtergrond is de Occupy-beweging een intrigerende juveniele verwerping van alles wat de oudere generaties hebben opgebouwd en vandaag bemannen. Dat zal en moet zich op de schoolbanken laten gevoelen. Alleen een resolute pedagogische breuk kan de menselijke soort redden, –gesteld dat die al zou moeten gered worden: het verwerpen van de oude kennis, de maturiteit als argument, het leergezag van de senior vooraan de klas. Ontneem hem zijn rijbewijs en maak er groene koekjes van.

We gaan dan naar twee soorten discours: eentje dat ik literair-theatraal zou noemen, de retoriek van de macht die altijd opnieuw wil bevestigen, en het discours van de wetenschap, pardon: zeg maar fysica

99% van wat zich als “kunst” presenteert, is een vergrijzingsfenomeen en moet als aanstellerige nonsens gecatalogeerd worden

De eerste wordt helemaal ingenomen door de gerontocratie: politici, kunstenaars en kleinkunstenaars, wetenschappers (vooral menswetenschappers), economen, alle soorten koffiedikkijkers. Zij regeren vandaag,- zij maken de fantasmagorie uit van het ontbindende brein en zijn pathetische retoriek. Het fysische discours daarentegen ontmaskert constant die literair-theatrale baardenkomedie van de macht. Het is jeugdig en basic. Daarom moet ze zich ook keren tegen de literatuur-an-sich, en meteen tegen alle bezigheden die wij als “cultuur” aanzien, maar die eigenlijk de kluit belazeren. 99% van wat zich als “kunst” presenteert, is een vergrijzingsfenomeen en moet als aanstellerige nonsens gecatalogeerd worden.

De fysica is, in de Nietzscheaanse zin, een jonge, “Fröhliche Wissenschaft”, een rede die alles ontluistert maar die wellicht ook als enige de fatale schipbreuk kan afwenden. De fysica is biologisch en compromisloos. Er moet daarbij onvermijdelijk gespeeld worden met scenario’s die de paradox van de ouderdom oplossen. Rationeel en bezonnen. Scenario’s die ouderen vrolijk laten gaan. Ik wees al op de mogelijkheid van funeral cruises. Het lijkt makaber, maar mensen moeten weer leren sterven, met stijl, anders hebben ze ook nooit geleefd.

Dit alles natuurlijk gezegd zijnde, vanuit het feit dat ook ondergetekende de 45 ruimschoots gepasseerd is, en het verlies aan hersencellen misschien compenseert met pathetische tirades.

 

Johan Sanctorum

 

 

 

 

 

 

 

De kunstenaar als huisdier

Het beste cultuurbeleid is helemaal géén cultuurbeleid

Zopas werd het boek “Niet de kers op de taart” van Bart Caron, Vlaams parlementslid (Groen!), cultuurminnaar en amateur-contrabassist, boven de doopvont gehouden. Als gewezen kabinetchef van Bert Anciaux is hij het brein achter diens idee van cultuurparticipatie, verbreding, drempelverlaging, democratisering, enz. Dat blijkt ook duidelijk uit het boek, waarin ronduit het bestaande model van subsidiëring wordt verdedigd: de overheid moet in zijn visie een zo breed mogelijk veld patroneren, gaande van “Cultuur met grote c” (theater, opera, literatuur), over de amateurkunsten, tot en met het vormingswerk en de zgn. socio-culturele sector, zeg maar de kookcursussen van de boerinnenbond.

Achter dat paternalisme van de “flankerende en stimulerende maatregelen” (het sectorjargon is bijwijlen hilarisch) schuilt een maakbaarheidsideaal met totalitaire trekjes: de staat vormt de mens, met een intermediaire cultuurbureaucratie als buffer, want voor alles moeten we toelating vragen en overal komt er paperasserij bij kijken. Goed voor de terwerkstelling in de zachte sector, dat wel. Let u alleen al op de kaft: ze toont ons een kers die aan obesitas lijkt te lijden, en die ei zo na de taart verplettert.

Bart Caron zweert namelijk bij de bovenbouw en het bestaande systeem,- in die zin is zijn visie zelfs ronduit conservatief. Nergens lees ik iets wat lijkt op een invraagstelling ten gronde. Bijvoorbeeld: moet elke artistieke hond met een hoed op langs de subsidiekassa passeren? Wordt radicale, compromisloze kunst beter van dat pampersysteem? Valt het begrip “kwaliteit” niet terug te voeren tot de smaak van een aantal zogenaamde deskundigen, die dikwijls zelf banden hebben met het kunstenmilieu? Moeten mensen niet vooral, net op cultureel vlak, zelfredzaam leren worden? Is de scheiding tussen “serieuze” Cultuur met hoofdletter en de zgn. populaire cultuur houdbaar? Socioloog Gust De Meyer heeft de kat al een tijd geleden de bel aangebonden met provocerende teksten zoals “Waarom cultuur niet belangrijk is en cultuursubsidie nog minder”. Ik wil die kritische tegenvisie even kort uitdiepen, en dan net niét in de geijkte populistische terminologie van nieuw rechts en Geert Wilders, die het heeft over verspild geld voor “linkse hobby’s”.

Crisis en revolutie

De reële situatie is veel extremer en conflictvoller,- het sluit aan bij de recente lezing die de filosoof Slavoj Žižek onlangs in Brussel gaf. De 21ste eeuw kondigt zich aan als een tijdperk van grote veranderingen. Met tussenpozen van zo’n 200 à 250 jaar kraken de breukzones in onze Westerse wereld: 1300 (begin van de renaissance), 1500 (uitvinding van de boekdrukkunst, begin van de reformatie), 1700 (verlichting, uitmondend in de Franse revolutie), 1900 (industriële revolutie), en dus nu op naar het breekpunt 2100. Het gaat niet zomaar om revoluties maar om echte paradigmaverschuivingen, nieuwe wereldbeelden die ver buiten wetenschap en kunst ook het dagelijks leven beïnvloeden, de economie, de machtsverhoudingen, de sociale omgang, cultuur, in de breedste zin van het woord.

Politiek, sociaal, economisch, cultureel, beeft de wereldorde vandaag op haar grondvesten, en het feest is pas begonnen.  We gaan naar een gezagscrisis zonder weerga, culminerend in een enorme opstoot van burgerlijk autonomisme. Staten en federaties zullen uiteenvallen, systemen imploderen, nieuwe republieken zullen het levenslicht zien, andere samenlevingsvormen ontkiemen.

De vraag is, of in die prerevolutionaire context een door het establishment doodgepamperde kunstenaar nog enige relevantie heeft. Wat moeten we met een marktconforme en/of systeembestendigende “actuele kunst” van Wim Delvoye, Tuymans, Borremans, Toneelhuis, Rosas? Natuurlijk is dat soort franje- en decorcultuur pure luxe: het gaat om een cultuurnijverheid die uitsluitend haar eigen voortbestaan nastreeft, en daarbij strategisch tot elk compromis bereid is. De gespletenheid van zogenaamde “progressieve” artiesten zoals Jan Fabre enAnne Teresa De Keersmaeker, die maar wat graag met een adellijke titel pronken en zich als lakeien van het regime opwerpen, is symptomatisch.

In een gesprek op Radio Klara met Werner Trio en Bart Caron himself sprak ik over de kunstenaar als huisdier: overvoede hamsters en cavia’s waggelen doorheen het kartonnen decor,- terwijl het ons om de wolven en vossen in de wildernis gaat. Sinds midden vorige eeuw is de inbedding van cultuur in het complex van macht en media een prioriteit voor elk zogenaamd democratisch regime. Het panisch gekakel van de Animal Farm, telkens er over besparingen wordt gesproken,- inclusief moraliserende jeremiades dat “de democratie in gevaar is”-, bewijst alleen maar de ernst van die domesticatie. Voor meer over het cynisme van de moderne intelligentsia kan ik de lectuur van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Sloterdijk aanbevelen.

Gezelligheidsfascisme

Met de opeenvolgende bankencrisissen en de Occupy-beweging die de economische wereldorde van onderuit zullen aantasten, is een nieuwe periode van instabiliteit ingezet. Kunnen kunstenaars en intellectuelen hier business as usual bedrijven en aan het grote potverteren blijven deelnemen? Ja natuurlijk kunnen ze dat,- het boek van Bart Caron verschaft hen daartoe het perfecte alibi en de nodige gemoedsrust. Maar daarmee wordt wel heel het intellectueel potentiaal, waartoe bijvoorbeeld Rousseau en Voltaire behoorden, als wegbereiders van de Franse revolutie, onschadelijk gemaakt. Het is dus reikhalzend uitkijken naar een tegencultuur van de kunstenaar als buitenstaander, een alien die het spel niét meespeelt en buiten het systeem gaat staan. Terugkeer naar de romantische zwarte sneeuw, zoals Caron het smalend uitdrukt? Neen, want die tegencultuur zal zich organiseren tot een universum, een tijdelijke en ruimtelijke enclave, waardoor er terug echte conflicten mogelijk zijn, een ideologische confrontatie en cultuurstrijd die door de predikers van het globalisme voor dood werd verklaard.

Heel het subsidiesysteem, de bijbehorende bureaucratie, de decreten, de experten, steunpunten, commissies, adviesraden, het abrakadabra waarin deze mensen zich uitdrukken, enz.: het zijn niets meer dan achterhoedegevechten. Macht heeft in wezen schrik van cultuur, daarom moest deze gerecupereerd worden. In het verlengde van die Sirenenzang ligt ook de architecturale inkapseling, die cultuur wil lokaliseren en zo controleren. Daarbij komt dat politici graag lintjes doorknippen, en daar leent prestige-architectuur zich uitstekend toe, zie ook de opgepepte hoerasfeer rond het Antwerpse MAS.

De fluwelen greep van de overheid op onze vrijetijdsbesteding, via het subsidiesysteem en de gratiscultuur à la Stevaert, staat echter haaks op de toenemende druk van de burger zelf om zich aan die controle te onttrekken. Heel de idee van “participatie”,bij ons ontwikkeld in de jaren ’90, valt nu als een mislukte soufflé in elkaar: participeren waaraan, waartoe? We hoeven geen gratis museumkaartjes, geen gesubsidieerde barbecues, en de grote “sociale cohesie” waar Bert Anciaux (maar merkwaardig genoeg nu ook Bart De Wever) naar streeft, blijkt toch maar een voorwendsel om mensen vrolijk, braaf en onkritisch te houden (Erwin Mortier spreekt in dat verband van “gezelligheidsfascisme”).

Nieuwe underground

Sorry dus voor de “sector” en haar administratie, maar de toekomst is aan de kunstenaars die géén projectvoorstellen indienen, aan de graffiti (maar dan niet op de daartoe voorbestemde panelen), aan het (niet- voorgeprogrammeerde) straattheater, én aan de nieuwe buitenkringen die zich rond die subversieve geluiden vormen. De toekomst is aan spotters zoals David Cerny (“Entropa”), die inbreken en dan weer uitbreken. Aan clowns en stand-up-comedians zonder vergunning. Aan nomaden die komen en even snel weer verdwenen zijn, polymorf, ontraceerbaar, zoals het leven zelf. Aan amateurs die vehikels, behuizingen, sculpturen, teksten verzinnen buiten elk protocol.

De staat is dood, maar er is een regimecultuur die teert op pure nostalgie en een schijn van continuïteit ophoudt. Die nostalgische toon vind ik ook heel de tijd terug in het kalligrafisch boekje van de estheet Bart Caron, die gelooft dat kunst de zeden verzacht en het volk naar de Hemelse Vrede moet begeleiden. Terwijl Beethovens 9de symfonie, kapotgespeeld omwille van de door Europa geënterde “Ode an die Freude”, toch veel duistere en boosaardige geluiden bevat die in een Paleis van Schone Kunsten amper hoorbaar zijn.

Wel of niet de kers op de taart? Het is een futiele discussie, nu een aantal boosdoeners besloten heeft om met taarten te gaan gooien, en misschien met nog explosievere projectielen. Ik steun ze, ik wil ze zien en horen, net omdat ze lichtjaren ver van het sectorieel geroezemoes staan, en zich in een sociaal-existentieel avontuur van de nieuwe underground begeven.

Tot slot nog dit: als tiener moest ik een half jaar sparen om een operaticket te kunnen betalen. Het heeft me geleerd om de waarde van kunst te smaken en de zin van offers in te zien. Gratis cultuur is waardeloos, kunst moet een prijs hebben. Hoge drempels, toegangsvoorwaarden, discriminatie, ze mogen en moeten er zijn, want niets is zo saai als een opendeurdag met luchtkasteel en trampolines.

De kaasschaaf van Schauvliege: ik blijf het een formidabel stuk keukengerei vinden.

Johan Sanctorum

Boek.0: pleidooi voor ontlettering

Met het vallen van de blaren schuiven belezen Vlamingen weer in dichte drommen naar Antwerp Expo om nog slimmer, nog meer belezen te worden, en een glimp op te vangen van hun schrijvende halfgoden die zich voor één keer tussen de meute begeven. Hoewel er overal ter wereld boekenbeurzen plaatsvinden –denk aan de fameuze beurs van Peking, waar ons aller David Van Reybrouck zo opgetogen over was ondanks het toegangsverbod voor dissidente schrijvers-, zie ik die Antwerpse beurs toch als een typisch Vlaams kuddefenomeen, een teken van volgzaamheid en conformisme. De Vlaming leest, niet om zich te laten verrassen of te ontdekken, laat staan om zich boos te maken, maar omdat lezen nu eenmaal tot zijn gehoorzaamheidscultuur behoort. Nauwgezet volgt hij de aanbevelingen van de boekenbijlagen in De Standaard, De Morgen en Knack, die zich zelf dan weer laten inspireren door de oekazen van de literatuurprijs-jury’s. Het hangt allemaal perfect samen, de literatuur volgt de markt en vice-versa. Wie schrijft die blijft, maar wie leest, kan meespreken en hoort erbij. En daar gaat het om. Samen-horigheid, lectuur als groepsgebed.

Vlaamse kermis

De boekenbeurs dus. Alles wel beschouwd grijpt hier de jaarlijkse apotheose plaats van het cultuurindustrieel establishment, gepatroneerd door boek.be, de vereniging van Vlaamse uitgevers en boekhandels. Boek.be is een commerciële belangengroep met een behoudsgezinde missie die onder veel ambiance en geschetter wordt gecamoufleerd.  De boekenbeurs is geen plaats voor contestatie, zelfs niet voor controverse. Het is een Vlaamse kermis waarover een parfum van politiek-correcte weldenkendheid en intellectualistische pronkzucht hangt (de verdomd interessante lezingen en debatten, de signeersessies,…), maar ook van commerce en consumentisme. Men hoort de letteren knetteren en de kassa rinkelen, en dat alles in de grootst mogelijke harmonie. In deze cultuurbraderij wordt het huwelijk gecelebreerd van de Roman (met hoofdletter) en het kookboek, hoogcultuur en hobbyisme, onder het motto: “papier is papier”.

Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie.

De wankele positie van het boek, als object en medium, maakt a fortiori ook de boekenbeurs tot een zinledig, repetitief en hysterisch spektakel. Onderhuids en off the record weet natuurlijk iedereen dat de dagen van het boek geteld zijn. Maar laat die ondergangsstemming nu net de fleurigheid van het feest uitmaken, doorspekt met ronkende zegebulletins en recordjacht: elk jaar meer bezoekers, meer standjes, meer schrijvers, meer leut. Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie. Alles herhaalt zich in meer van hetzelfde: de schrijvers, de uitgevers, de distributie, de beurs, de media, het publiek.

Oude goden

Natuurlijk hebben Brusselmans en Lanoye weer elk hun roman klaar: ze ovuleren op het gepaste moment, opgepept als ze zijn met het hormonenpreparaat dat hen door hun uitgevers-soigneurs werd bezorgd. Ooit werden ze “de jonge goden” genoemd. Nu tsjokken ze, met een pak incontinentieluiers onder de arm, naar hun signeerstandje om aldaar de honneurs waar te nemen van een verlepte Vlaamse literatuur die na Claus eigenlijk niets meer te betekenen had. Herman kijkt met glazige oogjes naar de schoolmeisjes die rond hem cirkelen, Tom doet hetzelfde met de knaapjes. Meer dan twee van zulke goden heeft deze planeet niet nodig. Tegelijk loert Brusselmans met onverholen chagrijn naar de afdeling kookboeken van de naastliggende stand, Lanoye heeft als schrijver zijn toevlucht gezocht tot het laatste redmiddel als niets meer lukt: over zichzelf schrijven, de zogenaamde autobiografische roman. Moeder!

Van bijbel tot kookboek

De kookboeken dus. Critici en literatuurfreaks doen er honend over, maar ze zijn dé sterkhouders van het ineen stuikend boekenvak. Het hobbyboek vormt de laatste fase van een literair verdampingsproces dat we alleen maar kunnen toejuichen: alles eindigt in de keuken of in de garage. Na het kookboek komt er niets meer. Hopelijk. De 21ste eeuw zal de geschiedenis ingaan als de eeuw waarin de tekst zich definitief van het papier losmaakte, om vrijer te gaan zweven, los van de hiërarchie auteur/lezer en de dwang van de inhoudsopgave.

Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden. Vergeten we niet dat de boekdrukkunst een kleine 600 jaar geleden is uitgevonden om bijbels te kunnen drukken,- dus om het ware geloof te propageren en om voor te schrijven wat ons te doen staat. Geboden en verboden.

Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden.

Nooit heeft het boek zich van die oorsprong kunnen ontdoen: de gedrukte tekst is in se prescriptief, elk boek is, ongeacht de inhoud, een handboek voor de lezer én een inprentingsmachine. Het laat zich niet zomaar doorbladeren,- het bevat integendeel instructies, een gebruiksaanwijzing die ons moet beletten om de tekst te mislezen. Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren, al was het maar over de manier om een soufflé te maken, en dat vergt een lecturale onderwerping, een lees-discipline die ons vanaf het eerste studiejaar wordt ingelepeld.

Ontlettering

Ook de roman, de seculiere tegenhanger van het bijbelmodel, ontsnapt niet aan die manipulatieve missie. Integendeel, de zogenaamde fictie dompelt ons in een verhaal dat het onze niet is, maar waarvan de compositie ons, meer nog dan het essay of het manifest, verleidt en dwingt om ons te identificeren (of net niet) met een personage. Het verhaal zou daardoor een metaforisch verklede waarheid bezitten. Daarom zat diezelfde bijbel ook boordevol verhalen: de auteurs wisten wat ze deden.

Het verhaal blijkt nu echter een leugen, en weerspiegelt slechts de leugenachtigheid die ons sociaal en politiek omgeeft: van Irak tot Dexia, overal worden ons leugens opgedist, “nuttige fictie”, die slechts veel later aan het licht komt, met dank aan gekken als Julian Assange.

Boeken zijn puur ballast, ze vergiftigen ons bestaan, ze verzoenen ons met de fabulatie. De schrijver is God, maar die had Nietzsche al dood verklaard, dus moet het eerder om een mummie gaan, een lastig spook. Lezen wordt dan, letterlijk, een dwaling.

Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft…

De opstand van de lezer, ontlettering genoemd, ligt nu in het verschiet. De ontsluiering haalt heel de romaneske tijdslijn overhoop. Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft,- tijd die we beter hadden besteed aan interessante dingen zoals een risotto maken (zonder Jeroen Meus), een stevig potje seks (zonder Goedele Liekens), op reis gaan (zonder Michiel Hendryckx), kortom: ons eigen verhaal maken, het enige dat echt telt.

Fahrenheit 451

Zei ik “de opstand van de lezer”? Er zijn verschillende strategieën om de gevaarlijke absurditeit van het boek te neutraliseren. Men kan bijvoorbeeld het boek ongelezen in de kast plaatsen,- dat komt meer voor dan zogenaamde lezers willen toegeven. Het wordt dan een rug, een decoratief element.

Daarnaast zijn er allerlei middelen die het boek op een of andere manier ontwaarden: de ramsj, de uitverkoop, de versnipperaar, het boek als pletmiddel voor een verzameling gedroogde bladeren, of als vliegenmepper. De ecologische kritiek is een belangrijke hefboom: de papierindustrie (waarvan het boekenvak maar een tak is) is een ontbosser, en bos hebben we nodig. Niet alleen om te ademen, maar ook en vooral om de vlakte te vermijden en te kunnen verdwijnen. Een boom is in die zin het perfecte boek: ongelezen, tekstloos, puur organisme.

Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh.., waarom niet, ook de kookboeken.

Het boek (etymologisch van “beuk” afgeleid) is onnatuurlijk en natuurvijandig, zoals cultuur tout-court. In die zin zou men de distopische en herhaaldelijk verfilmde roman van Ray Bradbury  “Fahrenheit 451”, over een toekomstige samenleving waar boeken verbrand worden, kunnen ont-lezen tot een utopie. De boekenverbranding, vandaag nog gezien als hét symbool van barbarij, kan even goed een ritueel worden in een zoektocht naar nieuwe authenticiteit en autonomie. Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh…, waarom niet, ook de kookboeken.

Dom blondje

Op een legendarisch geworden foto ziet men Marilyn Monroe, absoluut prototype van het domme blondje, op een bankje James Joyce “lezen”. Maar men ziet zo dat ze alleen naar de letters kijkt, mogelijk houdt ze het boek zelfs omgekeerd vast. Die dislexie opent mogelijkheden, misschien was Marylin wel veel slimmer maar ook veel onaangepaster dan wij allemaal samen. De zogezegde verloedering van de taal bij de jeugd, via het chatten en SMS-en, zou men als een spontane deconstructie kunnen opvatten van een literair kolonisatieproject dat ergens bij Gutenberg begon. De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat. Men kan verontwaardigd zijn over van alles en nog wat, maar in laatste instantie moet de taal heruit gevonden worden, en dient de tekst “ontlezen”. Onbegrip, vervorming, analfabetisme, dislexie, dialect, allerlei niet-reguliere idiomen, taalfouten: ontlettering is tegelijk zich uitschrijven,- uit de monotheïstische bijbelcultuur die ons nog steeds domineert.

De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat.

Het internet is een nuttig middel (maar meer ook niet) om dat tweevoudig proces van het ontlezen en het uitschrijven te faciliteren. Alleen het dagboek zou deze boekenverbranding kunnen overleven, als een neerslag van het persoonlijk geheugen, waar geen lezer zaken mee heeft, tenzij, op zeldzame “uitgelezen momenten”, een zielsverwant, en daar is geen boekdrukkunst of boekenbeurs voor nodig.

Met de verdwijning van het boek, als collectief fetisj en cultuurobject, verdwijnt ook de klassieke school (schola, scholastiek: ook die is theologisch), en wenkt een nieuw bestaan van de buitenstaander, dilletant, analfabeet, dagboekschrijver, zondagsschilder, dienstweigeraar, maker van onbestaande kunstwerken, reiziger, grensbewoner. Dit gaat over nieuwe naaktheid, naïviteit en levenslang beginnen. Domweg.

Meer over ontlettering:

Het boek, de bomen en het bos

Epi-fanie

Wordt de jeugd echt dommer? Of hebben wij haar niets meer te bieden?

Telkenmale het schooljaar in september een aanvang neemt, is dit een gelegenheid voor allerlei zelfverklaarde experts om de maat te nemen van het Vlaamse onderwijs, en, meer nog, van de schoolgaande jeugd zelf. Deze zou een schrikbarend gebrek aan eruditie vertonen en de “klassieke cultuur” links laten liggen om zich al rappend en SMS-end door het leven te begeven. De klaagzang begint met een verwijzing naar het hoge aantal spelfouten waaraan tieners zich bezondigen, inclusief een sneer naar het internet, schakelt dan een versnelling hoger via de teloorgang van het Latijn, Grieks, en uiteraard alle schrijvers die zich in die taal uitdrukten, om te eindigen bij een algemene vaststelling dat het met onze beschaving steil bergaf gaat.

Fijn Latijn

Dat laatste is waar. Alleen,- wie zijn wij om de jeugd verantwoordelijk te stellen voor de rotzooi waarin ze terechtkwam? Eerder zou men kunnen opperen dat een land waar alles vierkant draait, op een planeet die ecologisch naar de haaien gaat, dankzij een menselijk vernunft dat straks wel naar Mars vliegt maar een lek in een kerncentrale met krantenpapier probeert dicht te stoppen, alleen maar een opgestoken middenvinger verdient.

Het latente cultuurpessimisme is dus misplaatst, het classicistisch gedram al evenzeer. Dat gezellig-verwaand geneuzel van een klassieke zender als Radio Klara bijvoorbeeld, alsof het allemaal nog een eeuwigheid kan meegaan (elke namiddag: “Op de koffie bij Bach, Beethoven en Brahms”),- ik krijg het ervan. Wat voor een cultuur willen we onze pupillen eigenlijk verkopen? Onze Europese beschaving heeft Rembrandt, Shakespeare en Beethoven opgeleverd, maar ook de heksenvervolgingen, Auschwitz en het Eurovisie-songfestival. Het gruwelijke, het obscene en het wansmakelijke zijn geen antipode van die klassieke hoogcultuur, ze lijken er veeleer deel van uit te maken, ze vormen er één geheel mee. Sterker nog: misschien heeft de ene wel het andere voortgebracht. Ik denk aan de raakzone tussen de romantisch-decadente sfeer van de Donaumonarchie (het Wenen van vóór 1914, waar de genieën elkaar voor de voeten liepen) en de daarop volgende slachtpartijen van de eerste wereldoorlog waarin de Europese jeugd probleemloos werd opgeofferd. Of de spirituele band tussen Wagner en Hitler. Of, sterker eigenlijk nog, de geniale armoezaaier Van Gogh, wiens Zonnebloemen vandaag een ideale belegging vormen voor speculanten die tussendoor ook suiker en rijst opkopen om de wereldprijs hoog te houden. Natuurlijk hebben Wagner en Van Gogh dat niet gewusst, maar moeders van massamoordenaars zijn er ook met de beste bedoelingen aan begonnen. Zo is ook al dat gezeur over de klassieke talen en de teloorgang van het fijn Latijn in de humaniora (nog zo’n beladen woord) van de pot gerukt. Het Latijn is natuurlijk de taal van Horatius en Ovidius, maar de barbaarsheid van de Romeinse cultuur was grenzeloos, en dan beledig ik nog de oorspronkelijke barbaren,  waarmee “primitieve” volkeren werden aangeduid die geen mensen voor de leeuwen gooiden. Plaatsvervangende schaamte voor deze klassieke “beschaving” ware misschien een meer gepaste attitude.

Conservatieve doemdenkers zoals Roger Scruton en Theodore Dalrymple kunnen dan wel het spijbelen, de agressie op school en de Londense brandhaarden aanhalen als bewijs van een falend onderwijssysteem,- maar misschien maken we wel een zodanige draai in de geschiedenis mee, dat “traditie” (letterlijk: de overlevering van normen, waarden, smaken) van geen tel meer is. Het pedagogisch project, het doorgeefluik voor heel dat pakket, implodeert dan helemaal. Fuck Auschwitz, fuck Beethoven. Cultuur wordt dan kultuur, de bagage wordt ballast, geen enkele zekerheid blijft overeind.

En nu keer ik even terug naar de zogezegde oppervlakkigheid van de hedendaagse schoolgaande jeugd en haar onverschilligheid voor “schoonheid” (een term waar Scruton steeds opnieuw mee komt aandraven). Het idee dat uitgerekend in onze Europese cultuur de schoonheid de verschrikking voortbracht, is misschien wel een goede reden om beide af te stoten, als iets van een voorbije wereld, iets dat we achter ons moeten laten. De goedbedoelde uitstappen naar het museum en het concert staan bol van hypocriet paternalisme en ontkenningslogica, daarom slaan ze niet aan bij de jeugd. Het revolutionair karakter van de zogenaamde domheid ligt in haar vermogen om existentieel te breken met die hypocrisie. De slechte leerling, de spijbelaar, de zittenblijver,- of we ze nu benaderen met klassieke strengheid of moderne welwillendheid,- we kunnen hen als leraar niet begrijpen, omdat er niets meer te leren valt wat de moeite waard is. Het leeg, wit blad wenkt. Tabula rasa, om het nog eens in het Latijn te zeggen, als konden we de leegte daarmee bezweren.

Het Kronos-complex

We zitten dus middenin een breukzone. Cultuur, onderwijs, kennis: niets is nog wat het was. Het bankroet van een beschaving maakt alle leermeesters werkloos. Wat wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn vaststelde, namelijk dat kennis alleen evolueert binnen een bepaald paradigma (een stelsel van aanvaarde waarheden, een “geloof” dus), geldt eigenlijk voor de cultuurgeschiedenis tout-court: het liedje is gewoon uit. De wijsheid is een slechte raadgever in tijden van catastrofe, waar alleen een breuk met oude waarheden ons kan redden. De eerste mensaap die probeerde rechtop te lopen had lak aan tradities en oude waarheden, wellicht was hij binnen zijn universum ook “dom”. Het idee dat we met overgeleverde kennis en klassieke belezenheid eeuwig het licht aan kunnen blijven houden, is volstrekt achterhaald, integendeel: een groot deel van de huidige kennis is destructief en catastrofaal.

Daarom doen jongeren exact wat hen eigenlijk te doen staat: de school negeren, de zelfstudie aanvatten en de brokstukken verder fijnmalen, waaruit dan misschien wel iets nieuws kan groeien. De mallemolen die maalt, heet het internet. Het is geen geordende encyclopedie, zelfs geen web of netwerk, maar een machine van de deconstructie, een verbrijzelaar. Via het “oppervlakkige” surfen, verkeerdelijk voor een uiting van luiheid gehouden, kan dan misschien vanuit het gruis een nieuw, autodidactisch weten ontstaan dat al de ruïnes van de oude cultuur, van Hiroshima tot Fukushima, écht kan opruimen.

Ondertussen zal het gemopper van de oude garde die zweert bij de klassieken nog wel even voortduren. Hoor ik daar ook niet voortdurend puristen schamperen op de taalverloedering, de chatcultuur, alweer te wijten aan dat demonische internet en het SMS-en?

Dat is natuurlijk weer een kwestie van smaak. Voor mij zit er een nieuw soort poëzie in dat chattaaltje,- een fonetische synthese van schrijf- en spreektaal die, vreemd genoeg, nogal wat gelijkenis vertoont met de experimenten van Paul Van Ostajen, nog zo’n slechte leerling. Het standaard-Nederlands, dat overigens elke vijf jaar van spelling verandert en zelf elke continuïteit mist, moet men niet koesteren als een fetisj, maar als iets dat doorlopend verandert, en af en toe zelfs desintegreert. In die laatste fase zitten we nu: een taalkundige revolutie die een afspiegeling is van een sociale, politieke en culturele omwenteling,- het zal het generatieconflict alleen maar groter maken. De panische kinderhaat en hysterische aversie tegen de jeugdcultuur schijnt alsmaar toe te nemen,- zie bijvoorbeeld de processen tegen kinderdagverblijven wegens “overlast”. Sommigen hebben zo’n schrik voor de toekomst dat ze tekenen van een Kronos-complex beginnen te vertonen (volgens de mythe at Kronos zijn eigen kinderen op,- ziet u: nu begin ik zelf te doceren).

Ik stel dus voor dat wij, ouden, de jongen laten zingen, en enige distantie houden. Minder paternalistisch, minder klassiekerig, minder belerend. Weg die Latijnse spreuken, Bart, dat is zo aanstellerig. Ook al ben ik zelf een operaliefhebber, wil ik dat de Ronde van Vlaanderen in Meerbeke aankomt, en kan ik kwartieren lang voor een Kandinsky staan gapen: laat het gebeuren in het besef dat onze kinderen dit niet hoeven te zien,- dat dit na ons eindigt en moét eindigen. Naar de geest van Herakleitos en Nietzsche, de twee filosofen die nooit een leerling hebben gehad, in het besef dat ze die toch alleen maar konden versodemieteren. Dat vind ik écht groots.

 

Johan Sanctorum

Kunst en cultuur: business as usual?

Een warme groet aan onze jongens op de boekenbeurs van Peking

De recente rel rond de Nederlandse en Vlaamse delegaties op de internationale boekenbeurs van Peking stelt de relatie tussen cultuur (in dit geval letterkunde), politiek en marketing weer op scherp. Op die discussie zat wat sleet, omdat de vierde speler in dit verhaal, de media, liever hypes creëren en surfen op dingen die goed verkopen, dan een paar vervelende vragen te stellen.
Er vielen dus zaken te doen in Peking, in weerwil van het pretbedervend geneuzel over mensenrechten en beknotting van de vrijemeningsuiting aldaar. Dat het regime nog steeds korte metten maakt met dissidente schrijvers, hen sociaal uitrangeert of gewoon achter de tralies zet, mocht voor de handelreizigers geen beletsel zijn: het heette dat hun aanwezigheid een positief effect zou kunnen hebben, “dingen in beweging zou kunnen zetten”, enzoverder.
Het Vlaams Fonds voor de Letteren, druk doende met Sukse en Wiske en Dimitri Verhulst, zat op dezelfde mercantiele golflengte: niet flauw doen hé jongens, we spreken hier over dé groeimarkt van het moment. Zo gezegd, zo gedaan…

Lees het essay

Op zoek naar een zebra-pad

Over humanitaire waan en identitair gebakkelei
Het is nu definitief: de Beatles behoren tot het werelderfgoed. Meteen is heel de omgeving in Liverpool, waar de vier gabbers hun carrière begonnen (Abbey Road, de muziekstudio’s aldaar, het zebrapad waar ze in 1969 voor een fotoshoot poseerden,…) sacrosanct verklaard. Het toerisme van de stad Liverpool vaart er wel bij, maar daar gaat het niet om.
The Beatles verwerven ook een plaats in de muziekgeschiedenis, en komen na Bach, Beethoven, Wagner en Stravinsky in de galerij der genieën. Op zich is daar weinig tegen in te brengen: een heiligverklaring is per definitie iets arbitrair. Ook Bach werd maar beroemd na zijn dood, en Stravinsky werd aan het conservatorium als absoluut talentloos beschouwd. Beethoven was een zonderling, Wagner een gestoorde megalomaan. The Beatles waren schreeuwende ragebollen die geen noot muziek konden lezen. Tot daar horen ze beslist in één rijtje thuis.
Maar daar zit nu juist de valstrik: moeten we rijtjes maken? Als elke kunstenaar in se een gabber is, die het warm water telkens opnieuw uitvindt, voor zichzelf, zomaar,… via welke weg komen ze dan in één traditie terecht, letterlijk een “overlevering”? Heeft er iemand iets overgeleverd? Of is dat een misvatting die eigen is aan musicologen, en, algemener, de historici tout-court?
Ik zal me hier als advocatus diaboli presenteren en betogen dat The Beatles niét in de galerij der eeuwigheid thuishoren. Straffer nog: eigenlijk hoort niemand er thuis.
Eerst rekenen we af met de fabel van de traditie, daarna met het nostalgische denken en de cultus van het langetermijngeheugen, om tenslotte het identiteitsbeginsel zelf te deconstrueren. Op de achtergrond speelt een algehele ontluistering van het humanisme en de humanitaire hypocrisie, net op het moment dat we in naam van de beschaving unaniem ten oorlog trekken…

Van Herenclub tot Vampierenbal

Mulischiaanse bedenkingen bij dood van een groot schrijver

Het was me toch weer een zootje, die begrafenis van Harry Mulisch. Niet dat ik erbij was, ik ga nog niet naar begrafenissen van eigen vrienden of niet al te naaste familie, maar bestudeer met des te meer ijver de foto’s en filmpjes. Grote woorden, holle redes, gemaakt-trieste mimiek, rechtstreeks uitgezonden op de NOS. Veel schoon volk, weinig echt verdriet, behalve dan bij de snotterende Frieda, zijn dochter, die stokte in haar toespraak en hardop begon te schreien. Een uniek moment van echte smart, middenin een onvoorstelbare vanity fair waar zelfs een soort onderdrukte euforie heerste. Want is Mulisch dood? Neen, natuurlijk niet, hij is springlevend, zegt iedereen. Alleen gewone stervelingen gaan dood. “Non omnis moriar, multaque pars mei vitabit Libitinam”, schreef de Romeinse dichter Horatius. “Ik zal niet helemaal sterven,- een groot stuk van me zal de dood overleven”. Schrijven dus, om te blijven. De literatuur, en bij uitbreiding kunst, en eigenlijke heel de Cultuur met grote C, als de ultieme overlevingstruc.

Er zit dus veel ironie in die “eenvoudige houten kist”, waarin de diepbetreurde literator werd rondgedragen. Want de kist –onderdeel van het joodse begrafenisritueel- bevat maar het lichaam,- de geest van het genie fladdert vrijuit rond. De fysieke dood was voor Mulisch maar een laatste opstapje naar de eeuwige roem,- dat wisten alle grafredenaars met stellige zekerheid. “Zijn oeuvre is zijn nieuwe lichaam”, aldus Robert Ammerlaan van de Bezige Bij, die ongetwijfeld de kassa hoorde rinkelen. “Mulisch is als standbeeld geboren” sprak Marcel van Dam dan weer namens de exclusieve Herenclub, waar de schrijver lid van was.

Opmerkelijke uitspraken, en de nagel van de kist op de kop: zou het kunnen dat beroemde schrijvers ook al bij leven een beetje de dood in zich dragen, een lichte, geparfumeerde lijkengeur, als pose, en als voorspel op hun literaire heiligverklaring?

Ik heb die Mulisch altijd al een bizar figuur gevonden, geen mens van vlees-en-bloed maar eerder een verschijning, een halfdode die ongenaakbaar evolueert naar zijn ultieme mummificatie. Het griezelige is, dat ook andere jonge en oudere goden zich in het zog van het absoluut genie trachten op te werken tot de status van halfdode, via de vlucht uit het biologisch lichaam en de organische existentie. De literatuur is een spookbedrijf. Dat leidt tot extreme tegennatuurlijke attitudes. Dimitri Verhulst bijvoorbeeld haat zijn eigen kind, zo las ik in Humo, hij weet er geen weg mee. Dat is logisch: wie wil overleven als beroemdheid, in het perspectief van Horatius, ziet de voortplanting alleen maar als een obstakel, en het eigen nakomelingschap als een bedreiging. Grote Schrijvers leven eigenlijk amper, in de biologische zin van het woord. We zien ze op TV en lezen ze, of niet, het zijn geruchten, simulacres, zombie-achtige fantasmen die zich opmaken voor de eeuwigheid. Tom Lanoye en David Van Reybrouck bijvoorbeeld, de gelukzalige winnaar van de AKO literatuurprijs. Prijzen en proclamaties zijn een essentieel onderdeel van die ont-biologisering: schrijvers worden, naarmate hun ster stijgt, minder lichaam en méér naam, meer beeld, dat is ook hun obsessie, men ziet het in al hun publiek optredens. De media spelen in deze verschimming uiteraard een sleutelrol.

“Ik heb die Mulisch altijd al een bizar figuur gevonden, geen mens van vlees-en-bloed, maar eerder een verschijning, een halfdode die ongenaakbaar evolueert naar zijn ultieme mummificatie.”

Het vergrijzen, ook wel de senescentie genoemd, is het zichtbare, “biologische” aspect van de culturele mummificatie. Het is daarom misleidend om onze tijd te kwalificeren als deze van jeugdverheerlijking en “jeunisme”. De jeugd is een verkoopsargument, een markt, vooral gefocust op de popcultuur, maar daar houdt het ook mee op. Hoogcultuur is grijs en oud. De jonge schrijver wil rijpen en denatureren. Bij uitbreiding geldt dat voor alle elites: het zijn wel degelijk nog altijd de ouden die de macht naar zich toe halen, politiek, sociaal, cultureel. De combinatie van status en ouderdom leidt tot een gerontocratie, waarin de fysieke dood maar een overgangsfenomeen is naar de eeuwige roem, het mausoleum. Het leven nà de dood, daarvoor doen ze het, al de rest is voorwendsel. Bekijk iemand als Herman Van Rompuy, EU-voorzitter. Men gelooft amper dat hij nog leeft, als men hem ziet, zo ver is de man al in zijn mummificatieproces. Klaar voor een eerste-klas-uitvaart als een soort ultieme prijsuitreiking, goed voor een definitieve plek in de geschiedenis. Daarom ook is de marcia funebra, de trage treurmars in de klassieke muziek, helemaal niet treurig. Beluister bijvoorbeeld deze van Chopin (2de pianosonate) en Beethoven (IIIde symfonie, aan Napoleon opgedragen). Klinken ze smartvol? Neen, natuurlijk niet. Eerder groots en verheven, de intrede in het pantheon- geen muziek voor een soldatenkerkhof of een massagraf. Natuurlijk was Harry Mulisch door die transgressie-idee bezeten, zie de titel van zijn ultiem meesterwerk, “De ontdekking van de hemel”. Essentieel echter gaat het hier om een engelenverhaal, niet zozeer dat van God. Engelen, getransfigureerde genieën dus die, zo blijkt, heel hun aardse leven gewijd hebben aan het opbouwen van onsterfelijkheid, ten koste van dat leven zelf.

Het bombast in een grote, publieke begrafenisceremonie confronteert ons dus met een pervers trekje van onze westerse vedettencultuur en zijn herenclubs: ze holt de dood, als existentieel zwaartepunt, als moment van afscheid, uit tot iets abstract, zelfs transcendent. Het verdriet wordt verdrongen door een verrijzeniseuforie. De dood van de vedette, de held, het genie is de bezegeling van zijn onsterfelijkheid, in een cultuur die het leven zelf eigenlijk veracht, zoals Friedrich Nietzsche steeds weer beklemtoonde.

Want dat is de keerzijde van de Mulisch-apotheose: ze toont de kloof tussen de geroepenen en de naamlozen, de genieën en het plebs, de kunstenaar en het publiek, het mausoleum en het massagraf. Onze dood is banaal, zelfs geen miniem krantenbericht waard. Als de lijkwagen passeert voor een doordeweeks sterfgeval, kijkt nauwelijks iemand om. Een kind dat overreden wordt, het is een fait-divers. Soms sterft de naamloze ook echt anoniem, alleen, zoals de man wiens lichaam men onlangs, na twee jaar (!) ontbinding, in een goor appartement op het Antwerpse Kiel vond. Of zoals de duizenden soldaten die in het Ieperse onder de akkers liggen. In de dood is dus niét iedereen gelijk, allerminst.

Cultuur en vampirisme: de schrijver als bloedzuiger

In een volgend stadium kan men zich de vraag stellen, of de ene ook niet teert op de andere: bestaan de genieën bij gratie van de massa naamlozen? Is het literaire proces, dat het leven be-schrijft maar het tegelijk abstraheert, inwikkelt, geen grootscheepse diefstal, een vorm van vampirisme zelfs?

Niet alleen de massa als puur publiek, maar ook als organisch materiaal, “verhaalstof”. Het makabere van de Mulischiaanse staatsbegrafenis is daarin gelegen: de stoet van beroemdheden, van wie een deel op ook al op de short list der onsterfelijkheid staat, gedraagt zich als een kannibalistisch complot. De menselijke werkelijkheid opzuigen en weer uitzweten in een roman, dé roman: het is de natte droom van elke auteur, maar omnivoor Harry Mulisch realiseerde die droom.

Wij zijn het voedsel van de literatuur, en consumeren deze in het beste geval opnieuw als braakbal. De schrijver parasiteert op de mensen, het leven, de natuur, de wereld,- en wat geeft hij terug? Een boek, een hoop ingebonden papier. Boerenbedrog, zoveel is zeker. Net in de verhalen over “gewone mensen” toont de literatuur zich van zijn meest kannibalistische kant. In de trechter van het literair-artistieke proces gaan de geschiedenislozen, diegenen bij wie de biologische dood een simpele schrapping uit het bevolkingsregister betekent: ze vormen pure grondstof, “inspiratie” voor de schrijvers zelf (het Congo-opus van David Van Reybrouck is daar een treffend voorbeeld van: het zijn de negers die zijn boek letterlijk vullen). Het verdriet van kleine mensen krijgt dan iets onbenulligs, ook al beweren de schrijvers het tegendeel en betrekken ze hen in een literair product, waarmee ze weer prijzen kunnen winnen, hetgeen de kleine mensen nog kleiner maakt, enz.

“Met de slag krijgt de Amsterdamse Mulisch-apotheose het aspect van een horrorscène: de samenkomst van de club der bloedzuigers rond de transfiguratie van de Meestervampier.”

In de limiet zou men zelfs kunnen stellen dat de schrijver de lezer leegzuigt via het boek, daar waar die lezer denkt dat hij iets “krijgt”, of “verrijkt” wordt vanwege de schriftsteller. Het cultuurbedrijf als vampirisme: met de slag krijgt de Amsterdamse Mulisch-apotheose het aspect van een horror-scène: de samenkomst van de club der bloedzuigers rond de transfiguratie van de Meestervampier. Opmerkelijk is, dat een auteur als Lodewijk Van Deyssel (1864-1952) dit griezelmoment van het schrijversschap zelf ook besefte, en zich als een bloedzuiger beschouwde. In zijn testament van 27 oktober 1892 staat dan ook te lezen: “Vóór mijn kist wordt gesloten, verzoek ik dat mijn hart doorstoken wordt”,- in de beste Dracula-traditie dus.

Het spreekt vanzelf dat deze op een primaire ongelijkheid gebaseerde uitbuiting een geweldig complex oproept van schuld, wraak en gerechtigheid. Het testament van Lodewijk Van Deyssel wijst de weg: vroeg of laat zullen de naamlozen zelf de houten pin ter hand nemen en de harten doorboren van de levende lijken die hen leegzuigen en op de boekenbeurs staan te signeren. Nu nog nemen we genoegen met bollen knoflook om de schrijversgeur te verdrijven, maar drastischere maatregelen dringen zich op. Dat moment zit er nu aan te komen: een ontladingsmoment van opgekropte agressie tegen de staatsbegrafenissen der genieën, tegen het Groot Vampierenbal. Wie daarvan gewag maakt, wordt voor “populist” versleten, vooral natuurlijk door dat cultureel establishment zelf. Maar de bestorming van de Bastille is onafwendbaar: in plaats van handtekeningen te vragen, zal men de vedette terecht stellen.  Deze executie van de performer-demagoog-kunstenaar, als wraakoefening van de uitgebuite en bedrogen massa, beschrijf ik uitvoerig in het essay “De engel, de maagd en de koorddanser”.

De facebook-wraak

De engelen moeten dus vallen. In dat opzicht is de hetze tegen de gevierde show-advocaat, auteur en TV-vedette Jef Vermassen van een bijzondere betekenis. Zijn vampirisch gehalte is onmiskenbaar: hij leeft van de dood van anderen, verdient er literair nog eens aan, en duwt zijn slachtoffers in een vergeetput, waar ze, zoals Els Clottemans, tot het einde van hun dagen zullen rotten.

De facebook-wraak op Meester Vermassen, die zich aanstelt als superadvocaat maar ook als woordkunstenaar en zelfs als filosoof, is dan ook een volksopstand met een anti-cultureel tintje. De pleiter, die handtekeningen uitdeelt na het proces, verabsoluteert zijn eigen existentie –daarin is hij een zwakke Mulisch-kloon- en parasiteert op de dood van de anderen, zowel de slachtoffers als de daders in het crimi-dossier. Hij wint altijd. Maar zijn vampirisme wordt steeds meer als de ultieme onrechtvaardigheid aangevoeld,- fataal stigma voor een advocaat…

“De mediaster en showadvocaat lokt zijn einde uit, en weet het wellicht zelfs: als poseur en geboren manipulator is hij voorbestemd om een taart in zijn gezicht te krijgen, of een steen, een boemerang, of nog iets met een grotere impact.”

De facebookmoord is dan de logische conclusie. Het digitale moordcomplot van de naamlozen tegen de misleider en woordengoochelaar baseert zich op een oervorm van rechtvaardigheid, waar Grootmeester Vermassen al lang geen voeling meer mee heeft. Hij is schuldig, maar geen enkel gerecht zal hem schuldig verklaren, want hij is het gerecht. Het enige alternatief is het moordcomplot, het volk zal zelf oordelen, via het enige medium dat vandaag het volk toebehoort: het web. De mediaster  en showadvocaat lokt zijn einde uit, en weet het wellicht zelfs: als poseur en geboren manipulator is hij voorbestemd om een taart in zijn gezicht te krijgen, of een steen, een boemerang, of nog iets met een grotere impact.

Ik heb ze dus ook getekend, die facebook-petitie. En nu moet ik oppassen wat ik schrijf over zo’n machtsbeluste ster-advocaat: misschien ervaren we zijn dood inderdaad wel als een opluchting, geschiede gerechtigheid. Niet zozeer zijn fysieke dood, maar vooral het ontnemen van zijn onsterfelijkheidsclaim, zijn desacralisatie dus. Hem nu doden zou er een martelaar van maken. Het komt er daarentegen op aan, het mummificatieproces te stoppen en hem te ontmaskeren als een bedrieger en parasiet, in het proces Vermassen. Alle processen dienen heropend, waarbij ditmaal de rechters en advocaten terecht staan.

Van daaruit is heel de culturele en politieke sector, met al zijn mummies, een constante schietschijf: Piet Huysentruyt, Herman Van Rompuy, Clouseau, en noem maar op. De doodsbedreigingen t.a.v. maatschappelijk vooraanstaande personaliteiten zijn niets meer dan pogingen om het vampirisme een halt toe te roepen. Het zijn sluitstukken en uitersten van een ontluisteringsproces waar we absoluut door moeten, en waarin de literatuur zelf wellicht zal sneuvelen.

Besluit: De mortibus nihil nisi bene?

Ach, het respect voor de doden is problematisch. Het verdriet om een persoonlijk verlies is ontroostbaar, en heeft geen uitstaans met het protocol, de ceremonieën, de lijkredes. Moest iemand sterven die me echt dierbaar is, ik zou niet in staat zijn om doodsbrieven te schrijven of een begrafenis te regelen. Een veel meer autentieke relatie met de afgestorvenen vindt men in de animistische religiositeit, de reïncarnatieleer en het spiritisme, waar de doden de levenden gidsen, als goede geesten, statusloos en zonder monumentale grafretoriek. Het westers-moderne cultuurmonumentalisme laat deze horizontale verhouding tussen levenden en doden niet toe,- een idee die ik uitwerkte in “Cum mortuis in lingua mortua”.

Het “respect” betreft dus vooral het kannibalisme, het vampirisme en het funeraal theater, het is gespeeld en dwangmatig. De booswicht Don Juan ontheiligt het en gaat als het ware pissen op het graf van de Commandeur. Daarmee zijn alle gesacraliseerde on-doden terug kwetsbaar en onderhevig aan ontbinding. Het tijdperk van de herenclubs en het cultuurvampirisme loopt op zijn einde. Een houten pin in hun hart moet die parasitaire verhouding tot het leven definitief opheffen, waardoor we ze kunnen vergeten. De schrijver moet-ontlezen worden, zijn gestolen inspiratie teruggevorderd. Het komt er nu op aan, de meestervampier Harry Mulisch uit het geheugen te wissen en zijn bestaan te herleiden tot wat zich in die “eenvoudige houten kist” bevindt: een ontbindend lijk, en een paar persoonlijke herinneringen, strikt voorbehouden aan zijn nabestaanden.

“De Ontdekking van de Hemel” wordt daarmee, volkomen parallel, eveneens herleid tot zijn fysieke existentie: een hoopje papier, dat in het toilet een waardige uitvaart ondergaat. Zo zou het grootse treurfeest aan de Amsterdamse Stadsschouwburg toch nog kunnen herlezen worden als een uitscheidingsgebeuren, eindigend in het doorspoelen van een hele hoop letters, stijlfiguren, verwijzingen, en heel de literaire reutemeut. Een onherroepelijk exit.

Dan pas kan Frieda echt beginnen wenen. Gun het haar.

Johan Sanctorum, 11/11/10

Epifanie

Pleidooi voor een cultuur van uitschrijven en ont-lezen

Als een windhoos raasde expert Jan Hoet door het Paleis van Schone Kunsten. De Standaard had hem dit voorjaar uitgenodigd om de inzendingen te inspecteren van “De Canvascollectie”, een door de VRT georganiseerde talentenjacht die vooral naar het “innerlijke, verbazende, en weerbarstige” op zoek was,- dixit de jury. Op een zondagavond werden alle inzendingen nog eens op TV getoond, aan de snelheid van één beeld per seconde. De hyperkinetische Jan Hoet had voordien al in een halve minuut alles bekeken en 90% platgetrapt, zo lees ik toch in De Standaard van 12/5/2010:
 “‘Allee, wat hangt hier nu? Die tenten, wat is dat voor iets? Je kunt ook caravans schilderen. Maar kunst is het niet. Het is zelfs niet echt goed gedaan. Zie, hier, die rode tent, dat is een dood stuk. Rood en toch dood!’”
 Moest ik in die tent gezeten hebben, ik was eruit gekomen en had de eminente curator een pak slaag verkocht, en daarmee en nieuwe uiting van action-painting toegevoegd aan de collectie. Jan Hoet doet zich voor als een speurder naar het excentrieke en onverwachtse, maar eigenlijk hanteert hij de strenge, haast dogmatische regels van zijn eigen modernistische tabulatuur.
 “Slecht, tot zeer slecht” zuchtte de kunstpaus, “Mama mia, wat is dat hier, die kent er helemaal niks van”.
 Uiteindelijk waren het toch weer echte profs die wonnen. Geen onbekend talent, geen verrassing, geen eigenzinnigheid, maar een koppel fotografen dat al dertig jaar meedraait in het circuit. Ingewijden dus…

In dit essay wil ik het niet over Jan Hoet hebben, zelfs niet over kunst, het is maar een binnenkomer. Het gaat over machten die ons beheersen, ons leven bepalen, en die –misschien- kunnen ontweken worden, met als hamvraag: Hoe de collecties ontlopen?

Lees meer

Kreeft op zijn Japanees

Dat muziek de zeden zou verzachten, of dat Cultuur met grote C het beste in ons zou oproepen, is onzin. Veeleer gaapt er onder het deksel van de culturele sublimatie en de Goede Smaak een beerput van mannelijk-sadistisch vernunft.

Tegen de schoonheidsfilosofie van Plato, Kant en nostalgische plattelandsdenkers zoals Roger Scruton, definieert Johan Sanctorum het menselijk intellect als een doorgewoekerd orgaan van het roofdier dat zich tot jager perfectioneerde, en zo verder tot kunstenaar, geleerde, TV-kok,…

Net daarom houdt het geweld niet op: het dodersinstinct zit in onze genen, al wordt het maatschappelijk gedraineerd naar de gastronomie, allerlei zondebokrituelen, wetenschap, de muziek, enz. Shockerende beelden van mensen- en dierenmishandeling, lustmoorden, genocide, doorbreken af en toe de illusie dat we “beschaafd” zouden zijn.

Citaat:

“Schoonheid is maar een vernis, een alibi, een vermomming. Wat daaronder zit,- dat is boeiend, bizar en huiveringwekkend tegelijk. Dus wordt luisteren ook steeds meer ont-dekken, ont-luisteren, de lelijkheid ervaren, als de gaping van de menselijke afgrond zelf.”

Passeren o.m. de revue in deze dance macabre: Mozart, Nietzsche, Ronald Janssens, Mahler, Marc Dutroux, Piet Huysentruyt, J.S. Bach, Michel Fourniret, Peter Goossens, en nog vele anderen.

Lees meer

De engel, de maagd en de koorddanser

Over macht, theatraliteit en tegencultuur

Nog niet zolang geleden zag ik in een achterzaaltje een beginnende stand-up-comedian aan het werk. Hij deed het behoorlijk, zijn timing zat goed, zijn grappen sloegen aan. Hij had het publiek “in zijn zak”, zoals dat heet, en bespeelde het als een instrument. Soms permitteerde hij zich zelfs om iemand op de eerste rij aan te spreken en voor schut te zetten, wat behoorlijk wat gène bij het slachtoffer en leedvermaak bij de omzittenden opleverde. Toen gebeurde er iets vreemd. Hij werd misschien wat overmoedig, maakte een fout, iets onbenullig, een onhandig woord, verkeerde timing, een misstap op het podium, ik weet het niet goed meer. Maar alleszins begon heel het zaakje te kantelen. Hij trachtte zich te herpakken, maar gleed steeds meer weg, bij manier van spreken dan. Men scheen niet meer om zijn grappen te lachen,- men lachte hem veeleer uit. De magie was weg, en maakte plaats voor een publieke vernedering, jawel: op het einde werd de man echt weggehoond en kreeg hij ei-zo-na tomaten naar zijn hoofd. Zijn verdiende loon? Was deze afgang een weerwraak voor de impact die de komiek voorheen had opgebouwd? Is theater… oorlog? En… volgt het politieke theater, de demagogie, dezelfde geweldlogica?

Wat weerhoudt ons er dan van om ook de politicus, als verleider en misleider, terecht te stellen?

Lees het artikel

Die Kunst der Fuge

 Steeds weer wordt in het universum van kunst en cultuur het begrip “vrijheid” gehypostasieerd. Onder de pathetische vraagstelling “Kan kunst de wereld veranderen?” poneerde de moderniteit een type van intellectueel dat aan de causale dwang der dingen zou kunnen ontsnappen, en als kunstenaar-profeet zelfs de geschiedenis (ten goede) zou kunnen beïnvloeden. Het genie als voluntaristisch weldoener. Nobelprijzen literatuur worden doorgaans gekoppeld aan een moreel hoogstaand engagement van de schrijver die zijn intellectuele vrijheid ten dienste stelt van democratische idealen, volksverheffing, mensenrechten, en noem maar op.
 Edoch, naarmate we de kunstwerken zelf intern gaan analyseren –en bij de ene lukt dat al beter dan de andere-, lijkt er van die vrijheid niet veel over te schieten: creatie wil zin, diepe zin, intense samenhang, logica. Is het perfecte kunstwerk geen volmaakte orde? De structuur van Bachs brein weerspiegelt zich in zijn werk, dat op zijn beurt de kosmische orde verklankt,- zo wil het de exegese. Maar dan gaat het niet meer over artistieke vrijheid doch, integendeel, over strenge wetmatigheden, die niet alleen in ons hoofd van toepassing zijn, maar ook in het universum.
 Er kan maar één orde zijn, de rest is knutselwerk. Kunst is daarom religieus, ik ken er geen andere. Wetenschap al evenzeer. Dawkins en Denett mogen vertellen wat ze willen: hun idool Charles Darwin was trouwens een diepgelovig man die de logica van de evolutie als iets “goddelijk” opvatte. Af en toe probeert iemand zelfs kunst en wetenschap in één metafysische canon te vatten. In “Gödel, Escher, Bach: an Eternal Golden Braid”, een boek uit 1979 van de natuurkundige Douglas Hofstadter, worden muziek en wiskunde als elkaars spiegelbeeld beschouwd, waarin het heelal zichzelf verklaart volgens een strenge logica die ons uiteindelijk bij het alfa en omega moet brengen,- de Bouwmeester.
 En daar wordt het pas interessant. De perfectie is niet perfect. Ook de muziek van Bach vertoont, net daar waar ze buitengewoon architecturaal en “kosmisch” oogt, hiaten en defecten. Of, om het in computertermen te stellen: bugs. Zelfs het strengste mathematisch axiomasysteem kan nooit waterdicht zijn. Iets wat Kurt Gödel in 1931 ook bewees via de zgn. “onvolledigheidsstellingen”: de wiskunde rammelt van binnen. Gaten in systemen kunnen alleen gedicht worden door hogere systemen,- een loodgietersbedrijf dat volgens Gödel tot in het oneindige kan doorgaan: God laat ons nooit de complete formule vinden. Geen vrijheid dus,- wel zwarte gaten en lacunes in de orde.
 Neem nu “Die Kunst der Fuge”, een verzameling van 14 fuga’s en 4 canons, in 1751 postuum verschenen en als het muzikaal testament van de meester beschouwd. Het hoogtepunt van muzikaal-abstracte architectuur. De Himalaya van de muziek. Streng, logisch, mathematisch. Maar waarom gaat in maat 239 van het laatste deel, nr. 14, opeens het licht uit? Dozijnen musicologen hebben er hun hoofd over gebroken. Zieke componist niet meer in staat om af te werken? Blad domweg verloren geraakt bij de drukker? Stukje partituur opgegeten door insecten? Welke orde maakte dat deze orde geamputeerd werd, als een boek zonder laatste pagina?
 Ik schoof heel het probleem als een theologisch hersenspinsel terzijde, tot mijn oog op een wetenschappelijk artikel in het weekblad Time viel, door de auteur zelf als een crazy story omschreven…

Lees meer

Per amore e per forza

Onlangs verscheen in het Duitse weekblad Der Spiegel het relaas – nadien in de Vlaamse media overgenomen- over de Limburger Rom Houben die na een zwaar verkeersongeval al 23 jaar in coma lag en als een plant in leven werd gehouden. Althans dat dachten de geneesheren. Nu pas bleek uit hersenscans dat de man al die tijd bij bewustzijn was en alles kon horen en begrijpen wat er gezegd werd,- alleen, zijn lichaam weigerde alle dienst waardoor hij niet kon communiceren (het zgn. locked-in-syndroom). Via een apparaat met toetsenklavier en enige hulp van een logopediste werd er een “lijn” tot stand gebracht naar de buitenwereld en blijkt Rom nog steeds een intelligent en humorvol personage, ondanks een kwarteeuw opsluiting.

Wat zegt dit verhaal over onze rationalistische, ééndimensionele omgang met de wereld die ons omringt? En… op welke manier doorkruist de Italiaanse pornoster Ilona Staller, alias la Cicciolina, hier genadeloos het intellectueel debat?

Lees meer

No milk today – Saskia bindt haar tepels af

Is er een (vrouwelijke) anti-cultuur in de maak?

monalisa_duchampsOp 2 augustus j.l. voltrok zich in het Parijse Louvre een microdrama dat men zou kunnen lezen als een kleine cultuurclash. Over het algemeen denk ik trouwens dat ogenschijnlijk onbenullige voorvallen uit de rubriek “gemengde berichten”  intrinsiek veel meer betekenis hebben dan geleerde uiteenzettingen van experten.
Een niet nader genoemde Russische vrouw gooide er met een aardewerken kopje naar Da Vinci’s Mona Lisa. Uiteraard zonder schade (alleen het kopje sneuvelde), de dame werd afgevoerd naar een psychiatrische instelling.
Een zottin die zich vergrijpt aan een halfgodin, zo lijkt het. Nu is de Mona Lisa een duurzaam mikpunt van kunstvandalisme. Ze werd in 1911 ontvoerd, in 1956 overgoten met een bijtend zuur en in dat zelfde jaar gestenigd. Marcel Duchamps gaf haar al in 1930 een snor. Iets zet mensen, dikwijls totale leken, ertoe aan om dit soort in een kunstwerk ingebedde supermuzes te verminken. Pure barbarij? Of willen losgeslagen toeschouwers doorheen de esthetische oppervlakte iets, lelijk, onnozel of walgelijk releveren? En welke vreemde rol spelen vrouwen in het doorprikken van deze mannelijke fantasmes?

Lees meer