Was will das Weib? – Waarom het iets ingewikkelder is dan de #MeToo-beweging het voorstelt

waswiildasweib

“Dertig jaar heb ik me beziggehouden met de psychologie van de vrouw, maar er is één vraag waarop ik nog geen antwoord heb gevonden: Wat wil de vrouw eigenlijk?” (Origineel:Die große Frage, die ich trotz meines dreißigjährigen Studiums der weiblichen Seele nicht zu beantworten vermag, lautet: ‘Was will das Weib eigentlich?”). Die vraag zou Sigmund Freud op het einde van zijn leven gesteld hebben aan zijn intieme vriendin, patiënte én volgelinge (toen kon dat nog allemaal tegelijk) prinses Marie Bonaparte.

Lees verder

Advertenties

Leuven Vlaams: 50 jaar later – Over een studentenrevolte waar links nooit vat op kreeg

mei68js

2018 is het jaar waarin de fameuze mei ’68 revolte een halve eeuw oud is, en dat zullen we geweten hebben: het wordt een jubileumjaar waarin alle mogelijke soixante-huitards herinneringen mogen ophalen uit de goede oude tijd, maar waarin we ook de voorspelbare uithalen mogen verwachten tegen die “opstoot van decadent hedonisme” en de “vrijheid-blijheid-moraal die onze waarden heeft vernietigd”.

Historisch valt de ’68-golf inderdaad te lezen als een wereldwijde oprisping van ongenoegen die de golden sixties afsloot, een contestatie tegen de heilige huisjes, de burgerlijke moraal, “het systeem”, en dit vanwege een na-oorlogse babyboomgeneratie die de universiteiten bevolkte en veel tijd had om te vergaderen en pamfletten te schrijven. Ze riepen leuzen als “verboden te verbieden” en “de verbeelding aan de macht”, maar wilden uiteindelijk vooral zelf aan de macht komen en een nieuw establishment met eigen politiek-correcte codes vormen. Een dubbelheid die hen dra het hoongelach van de rechterzijde zou opleveren, maar ook van sommige linkse denkers als Jacques Lacan.

Leuven Vlaams1Het boeiende aan dat ‘68-gebeuren is anderzijds dat het een containerbegrip blijkt voor heel diverse uitingen van ongenoegen. Een brede waaier van lokaal-nationale burgerprotesten die vooral dankzij de televisie internationale weerklank zouden krijgen en zouden versmelten tot wat de geschiedenis zou ingaan als de mei ‘68-beweging.

In de VS groeide het verzet tegen de Vietnamoorlog, met de hippie- en Flower Power-beweging als dominante tegencultuur. In Tsjecho-Slowakije kwamen burgers massaal op straat om meer democratie te eisen en het progressieve Dubček-regime te steunen, tot Russische tanks in de straten van Praag daar een einde aan maakten. Nederland hield het vooral ludiek met de Provo’s en de Kabouterbeweging die overigens nooit de gestelde lichamen zouden verontrusten.

Maar Parijs, de stad van de liefde, zou de meest iconische plek van heel het gebeuren worden: daar begon alles met het ongenoegen van mannelijke studenten die niet op de meisjeskamers mochten komen slapen. Testosteron was en bleef de drijfveer van de Parijse studentenrevolte, hoeveel ideologische saus er ook werd op gespoten door belhamels als Rudi Dutschke en Daniel Cohn-Bendit, achteraf bekeerd tot brave groene jongens en EU-bureaucraten.

Een “poreuze” taalgrens

Suenens

Kardinaal Suenens, de man die aan het unitaire België vasthield

Elke land zijn passend ‘68 dus. Edoch, Vlaanderen mag de eer opeisen, het startschot te hebben gegeven tot de grote contestatiegolf. Al in januari ’68, toen ze het in Parijs nog veel te koud vonden om op straat te komen, stond Leuven in rep en roer, waar de studenten onder de motto’s “Leuven Vlaams” en “Walen buiten” de overheveling eisten van de Franstalige UCL-faculteiten naar Wallonië.

De aanloop tot dat studentenprotest is complex, en onverbrekelijk verbonden met het hybride karakter van de Belgische staat, in se een restant van de post-Napoleontische restauratie waar een Franstalige minderheid haar voorrechten gebetonneerd had. In de jaren ’60 bleek de onhoudbaarheid van die structuur, maar zochten de francofone politieke elites ook ijverig naar lapmiddelen en zelfs nieuwe verfransingsstrategieën.

Bij het vastleggen van de taalgrens in 1962 hadden ze al bekomen dat de tweetaligheid van Leuven, een Vlaamse stad, wettelijk verzekerd was via de unitaire KUL/UCL-structuur. Maar daar bleef het niet bij. Begin de jaren ’60 al zocht de UCL, die ook een afdeling had in Brussel/Sint-Lambrechts-Woluwe, naar uitbreidingsgebied in Waals-Brabant om zo een corridor te forceren tussen Brussel en Wallonië,- een duurzame natte droom van francofoon België,- met Leuven als ankerpunt. De universitaire uitbreiding kaderde m.a.w. in een olievlekstrategie die de taalgrens opnieuw poreus zou maken (in het Frans tamponisation genoemd) en naderhand faciliteiten zou kunnen opleveren.

In 1965 wordt die uitbreiding zelfs in een wet gegoten, en een jaar later door de Belgische bisschoppen bevestigd, met de gehate kardinaal Suenens voorop. Daarna groeit het ongenoegen aan Vlaamse kant, en radicaliseert de studentengemeenschap: men beseft dat de tweetalige academische structuur van Leuven een breekijzer is voor het Franstalige politieke establishment om aan een soort gebiedsroof te doen, waarmee “Leuven Vlaams” zowaar aansluiting vindt bij de internationale anti-imperialistische credo’s.

Ondertussen had de regering Van Den Boeynants de zaak naar zich toe getrokken en zette ze de unitaire hakken in het zand, waardoor het studentenprotest verder aanzwelde tot een globale aversie van het Belgique à papa. Meteen was “Leuven Vlaams”, veel meer dan een universitaire kwestie, de voorhamer geworden die tegen een Ancien Régime aanbeukte. Dat uiteindelijk moest inbinden. De regering viel op 7 februari 1968, en na vervroegde verkiezingen werd de splitsing een feit.

Ondertussen bij de Rode Gardes

GoossensLinks heeft die radicaal-flamingante stempel op de Vlaamse variant van het ’68-gebeuren nooit verteerd. Dat blijkt o.m. uit het vijfdelige Kerstessay in DS van Paul Goossens. Vijf episodes nostalgisch gemijmer, waarin de oud-studentenleider de realiteit maar niet onder ogen wil zien. Het heet dat de Vlaamse beweging de ’68-beweging zou hebben gekaapt, gebruik makend van de kerktorenmentaliteit die in het studentenmilieu heerste.

Terwijl het net iets anders in mekaar zat: het waren de doctrinaire Marxist-Leninisten die als ontkerkelijkte collegejongens op zoek waren naar nieuwe zekerheden en bij het Rode Boekje van Mao uitkwamen, een dogmatisch ersatz-Evangelie waardoor ze wel vertrouwd waren met de Culturele Revolutie in China maar de afspraak met de Vlaams-Belgische realiteit compleet rateerden. Paul Goossens was een van hen. Als “rode” studentenleider kwam hij uit een diep-katholiek nest en volgde zelfs twee jaar een priesteropleiding vóór hij aan de KUL arriveerde,- een episode in zijn cv die hij achteraf zorgvuldig verborgen hield tot een journalist van Le Soir er toevallig op uitkwam.

Het geharrewar met de Belgische clerus konden de Rode Wachten ideologisch nog wel lezen. Maar wanneer Leuven Vlaams een nationale dimensie kreeg, die een regimecrisis dreigde te veroorzaken, haakten ze af en trokken ze zich terug in het grote gelijk van een onbegrepen voorhoede. Toen in januari ’68 de bom ontplofte, moesten agitatoren als Paul Goossens en Amada-oprichter Ludo Martens geërgerd toezien hoe Leuven was veranderd in een door leeuwenvlaggen gedomineerde stad. En hoe zelfs, horresco referens, een VMO-uniform af en toe het straatbeeld “ontsierde”.

Erger nog: het feit dat deze revolte ook lukte en effectief leidde tot een overheveling van de Franstalige UCL-faculteiten naar Wallonië, is voor Goossens en C° een duurzaam trauma gebleven, met een blijvende haat tegen de Vlaamse beweging, die hen uiteindelijk deed belanden in een neo-Belgicistisch discours, pro monarchie zelfs, uiteraard ook pro EU en zijn democratisch deficit. Finaal omarmden ze zelfs, uit slecht begrepen multiculturalisme, een religie, islam genaamd, die met alle principes van de Europese Verlichting korte metten wil maken. Hoe ver kan je afdwalen.

De Belgische restauratie

goossens2

Volgens Paul Goossens hebben de Vlamingen het in ’68 niet goed begrepen

“Leuven Vlaams” is het laatste en misschien wel grootste succes van de brede Vlaamse beweging, waarin het Belgische regime op zijn grondvesten wankelde. Daarna vindt men de staatshervormingen uit, een groteske kleine-lettertjesdans die het compromis bezegelt en waarin de Franstaligen zich meesters tonen aan de onderhandelingstafel. De Vlaams-katholieke CVP sluit met het “socialistische” Wallonië een duivelspact waaruit finaal het monsterlijk derde gewest, genaamd, Brussel, zal te voorschijn komen.

Want uiteraard sloeg ook in Vlaanderen en België de restauratie toe. Leuven werd wel Vlaams, maar de Belgische staat vond zichzelf opnieuw uit en kwam eigenlijk versterkt uit de crisis. Dat hebben we te danken aan het tactische flair van de Franstalige politici, maar ook aan de laksheid van de Vlaamse, die er niet in slagen om het Belgische feit finaal te ontmantelen, ook niet met een zogenaamd Vlaams-republikeinse partij in de regering, te weten de N-VA.

De weerwraak voor het “Walen buiten”-motto werd al vrij snel na 1968 tastbaar. De Volksunie, die zich had opgetrokken aan de Leuvense triomf, liet zich via het Egmontpact deskundig kalltstellen. Het Vlaams Blok/Belang dat daaruit ontstond, werd via een cordon sanitaire buitenspel geplaatst, ook en vooral met medewerking van het Vlaamse politieke establishment.

De sinistere architecten die in de jaren ’60 van vorige eeuw le très grand Bruxelles uittekenden dat tot aan Leuven en Waver moest reiken, zijn terug van nooit weg geweest. We zijn nu al aan de zesde staatshervorming toe, in een reeks waar niemand het einde van kent. Brussel-Halle-Vilvoorde is ondertussen gesplitst, maar Franstalige rechters zetelen nog altijd in Vlaanderen. Het Ancien Régime is sterker dan ooit, en in een terreurtijdperk is de Belgische eenheid blijkbaar belangrijker dan Vlaamse autonomie. De EU-schoonmoeder houdt verder een oogje in het zeil.

50 jaar na zijn revolutionair moment wacht studentenleider Paul Goossens rustig zijn pensioen af als columnist van De Standaard, de krant die vervelde van katholiek-Vlaams naar correct-Belgisch.  De cirkel is rond.

 

Toernee ’68: in dit jubileumjaar trekt Johan Sanctorum doorheen Vlaanderen en Nederland met een lezing rond het mei ’68 gebeuren. Voor meer info en boekingen klik hier.

“Kinderen van de collaboratie”: het wordt toch tijd dat ze volwassen worden

R2017_A0000_12035227.jpg

De Canvas-reeks “Kinderen van de collaboratie”, waarin nazaten aan het woord komen van lieden die in de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers meededen, loopt naar zijn einde. Zelf zoon van een oostfrontstrijder, heb ik haar met meer dan gewone interesse gevolgd, maar de hamvraag wat die jonge mannen in ’s hemelsnaam bezielde om ergens in Rusland voor een vreemde mogendheid te gaan vechten en in de modder te creperen, bleef onderbelicht. De zogenaamde kinderen van de collaboratie weten het ook niet, de vaders zijn weinig spraakzaam, de kinderen scheppen hun eigen legendes of blijven steken in anekdotes. Daarom deze korte toelichting vanuit mijn eigen familiegeschiedenis.

Van patriottisme naar incivisme

Afbeeldingsresultaat voor IJzertorenEr loopt een rechte lijn van de Frontbeweging en het activisme in de Eerste Wereldoorlog naar de collaboratie in de Tweede Wereldoorlog. Die lijn is compleet onderbelicht in het programma en is ook een deel van het antwoord op de vraag “Waarom deden ze het?”.

De kruistocht tegen het “goddeloze bolsjevisme” was zeker een emotioneel motief in diepgelovige katholieke kringen, en anderzijds was er beslist een authentiek fascistische grondstroom in een bepaald deel van de collaboratie, het streven naar een nieuwe orde gebaseerd op autoriteit en etnische zuiverheid. Nu klinkt dat bizar, toen was het de dominante tijdsgeest. Daarnaast natuurlijk het puberale testosteron,de uitstraling van het “schoon uniform” en de fascinatie bij jeugdige zielen voor een gedisciplineerd (en toen overal in Europa winnend) Duits leger, ondersteund door opzwepende marsmuziek.

Niettemin is de transitie binnen het flamingantisme, zoals die zich afwikkelt in het interbellum, een kerngegeven om de collaboratie te begrijpen. En die transitie is er een van Belgisch-Vlaams patriottisme naar ronduit inciviek Vlaams-nationalisme. Mijn grootvader was lid van de Frontbeweging die het Franstalige taalbeleid van het Belgisch leger aanklaagde. De beweging was niet anti-Belgisch of Duitsgezind (sommige activisten, zoals de illustere dichter Paul Van Ostaijen, waren dat wél), maar werd niettemin vanaf 1917 verboden en ging dan ondergronds. De staat zelf herschiep een burgerrechtenbeweging tot staatsvijandige guerilla.

Het is in die sfeer van clandestien verzet dat het idee rijpte dat Vlamingen in deze staat niets te zoeken hebben, tenzij als tweederangsburgers, dienstboden en kanonnenvlees, tout en français. De pathetische mobilisatie-oproep van Albert I in 1914 (“Vlamingen, gedenkt de Slag der Gulden Sporen”)  en de belofte dat er na de oorlog werk zou gemaakt worden van gelijkberechtiging, o.m. via de vernederlandsing van de Gentse universiteit, bleek loze retoriek en zelfs een tamelijk cynische vorm van misleiding. Na de oorlog werd er, in de euforie van de overwinning, zelfs een echte heksenjacht ingezet op leden van de Frontbeweging en flaminganten tout court, wat in sociale uitsluiting en beroepsverbod resulteerde. Met als gevolg: een groeiende haat tegen de Belgische staat en zijn instituties. De outlaws klitten samen in cafés voor gelijkgezinden (de “Vlaamse Huizen”), fanfares, verenigingen, solidariteitsfondsen.

De outlaws en de revanche

SSHet is in die isolationistische sfeer dat de generatie van de 20-er jaren, waartoe mijn vader behoort, opgroeide. Ex-frontbewegers, dikwijls oorlogsinvaliden, die een gezin stichtten, de eindjes aan mekaar probeerden te knopen als klussers en kleine zelfstandigen wegens het beroepsverbod, en de incivieke fakkel aan hun kinderen doorgaven. In 1919 richtten enkele oudstrijders de Frontpartij op, waaruit in 1933 het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) zou ontstaan. De IJzertoren in Diksmuide werd hét rituele middelpunt van het snel radicaliserende flamingantisme. Het motto werd van langsom duidelijk: het pad naar Vlaamse onafhankelijkheid zou verlopen via Duitsland en zijn nieuwe regime.

De jeugdafdeling van het VNV, het Algemeen Vlaams Nationaal Jeugdverbond (AVNJ), werd de kweekvijver voor jonge collaborateurs-in-de-dop, en mijn vader was enthousiast lid. Het was dé gelegenheid om uit dat benepen polderdorp Gistel weg te geraken. Er werden reizen naar Duitsland georganiseerd en verbroederingskampen met de Hitlerjeugd ingericht. In november 1942 meldde mijn vader zich als 17-jarige vrijwilliger voor het oostfront en kwam na een opleiding in de Waffen SS terecht. Hij overleefde het en kwam er na de oorlog van af met vijf jaar gevangenis waarvan hij er drie uitzat.

Een familiegeschiedenis dus, die ergens in de loopgraven van de IJzer ontstond en na de Tweede Wereldoorlog verder rolde via de repressie, nieuwe vormen van sociaal isolement, en heel aparte lezingen van de oorlog door mannen die na de gevangenis een weg zochten door het leven, toch meestal vanuit het eigen grote gelijk en weeral een revanchistische attitude. Die ook op de kinderen werd overgedragen, via een ijzeren gezinsdiscipline.

Het belang van de catharsis

Afbeeldingsresultaat voor VNJEn zo komen we bij het onderwerp van de VRT-serie. Jawel, ook ik heb als broekje in het VNJ rondgelopen en ijverig getrommeld in de muziekkapel. Wat een zekere Wim Claeys, nu cabaretier, over dat VNJ vertelt is onjuist en vermoedelijk een poging om zich witter dan wit te wassen. Ik heb nooit hakenkruisen in de kerstboom zien hangen en we zongen geen liederen uit het nazi-repertoire. Het was gewoon het biotoop van kinderen van ex-collaborateurs die vooral hun ideeën van thuis meebrachten. De leiding hield zich in deze tamelijk op de vlakte. Op mijn 14de jaar hield ik het voor bekeken, ik had ondertussen een vertaling van Nietzsche’s Zarathustra te pakken gekregen en had eindelijk echt zicht op het grote verhaal.

Iedereen rekent natuurlijk op zijn/haar manier met het familieverleden af. Maar lieden die tot op vandaag foeteren over de schande van de naoorlogse repressie begrijp ik niet. De excessen van die repressie zijn volstrekt onvergelijkbaar met de misdaden van het nazi-regime. Ook al ben ik zelf ooit van het atheneum te Deurne gevlogen wegens zoon-zijn-van (de vader van de prefect was Arthur Vanderpoorten, een notoir weerstander), we moeten niet flauw doen: de collaborateurs vochten met goede bedoelingen voor een foute zaak, en geen enkele oud-SS’er moet mij komen vertellen dat de uitroeiing van joden en zigeuners buiten zijn gezichtsveld gebeurde.

Er zijn een paar geïnterviewden die dat met zoveel woorden zeggen, de meerderheid echter wentelt zich in de nostalgische familie-ideologie, met zelfs enkele revisionistische  accenten. Zoals ene Ledy Broeckx, die in haar sappig Antwerps telkenmale haar afkeer van de Belgische staat beklemtoont, “omwille van wat die haar familie heeft aangedaan”, maar daarna ook vertelt hoe geweldig haar nonkels zich amuseerden in het interneringskamp voor collaborateurs. Komaan zeg, het is wel tijd dat de kinderen van de collaboratie volwassen worden.

De catharsis is heel beperkt gebleven bij de generatie van de betrokkenen zelf, het is aan de nazaten om afstand te nemen en alles in perspectief te plaatsen. De Canvas-serie heeft zeker haar verdienste, maar ze verzinkt in de anekdotiek die de historische lijnen, het grote verhaal, doet ondersneeuwen. Voor de rest is dit een afgesloten hoofdstuk. Mijn vader is als krasse negentiger een van de laatste overlevenden uit dat tijdperk, de kinderen hebben dat verleden aanvaard én verwerkt én achter zich gelaten.

Is er een gelijkenis tussen de toenmalige oostfrontstrijders en de huidige Syriëgangers? Het ligt ongemakkelijk, maar: ja dus. Het testosteron, het zich laten meeslepen, de aantrekkingskracht van het absolutisme, het geloof in een goede zaak waarvoor men wil sterven, de nederlaag, het revanchisme, het is allemaal zo herkenbaar. De geschiedenis herhaalt zich, dat is onrustwekkend, maar des te meer biedt ze gelegenheid om er lessen uit te trekken. Geschiedenis is met voorsprong het belangrijkste vak in het lager en middelbaar onderwijs. Wie denkt dat ze voorbij is, zou ons wel eens kunnen terug katapulteren naar de prehistorie.

Lees verder

The sky is the limit: de modernistische woontoren is passé, behalve in Antwerpen

woontorens

Moet Antwerpen een torenstad worden? Vanuit smeuïge Fornuisverhalen proberen politici hun gehavend blazoen nu op te poetsen via utopisch geronk rond gedurfde stadsvernieuwing waarbij het gegniffel om een Cola Zero ronduit onnozel lijkt. Het marsorder klinkt nu dat Antwerpen dringend nood heeft aan hoogte, een verticale dimensie, een triomfantelijke parade van torengebouwen. Het feit dat de huidige stadsbouwmeester Christian Rapp, die samen met zijn vrouw het Duitse architectenbureau Rapp+Rapp runt, een liefhebber is van hoogbouw, is daar wellicht niet vreemd aan. De 21ste eeuw wordt de eeuw van de stad, zo zingen alle urbanisten én sociologen in koor, en daar hoort geen kneuterigheid bij. Komaan jongens, we moeten groot durven zien, de hoogte in, de skyline moet honderd kilometer ver te zien zijn. De absolute bakermat der wolkenkrabbers, New York en, recenter, Singapore en Dubai, zijn de grote voorbeelden.
Daar horen een paar bedenkingen bij. De New Yorkse hoogbouw is er niét gekomen om mensen te huisvesten maar om kantoorruimte te creëren. Dat geldt voor de monumentale Empire State Building, ingehuldigd in 1931, én voor Manhattan en de Twin Towers (in 2001 even opgeschrikt door een uit de koers geraakte Boeing, nu weer helemaal glorieus de skyline dominerend). Idem voor Singapore en Dubai: luxueuze commerciële en administratieve ruimtes, op het gelijkvloers grote shoppingcentra. In New York wonen weinig mensen in tower buildings. Het is ten eerste onbetaalbaar, en ten tweede is het wonen veel leuker in de lager bebouwde wijken zoals Brooklyn, Bronx en Meatpacking.

Lees verder

Tussen droom en werkelijkheid: Barcelona zal de toeristen én de Guardia Civil moeten slikken

indepencia

Zopas sloot Vlaams minister van Toerisme Ben Weyts (N-VA) een samenwerkingsakkoord met Catalonië. “Deze regio beleeft moeilijke tijden. Dit is dus meer dan ooit het moment waarop vrienden hun banden versterken”, klinkt het bij het kabinet Weyts, die hiermee uiteraard vooral de Vlaams-nationalistische sympathisanten van de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging wil te vriend houden. Zo’n akkoord, dat kost niets, het betekent ook niets, het levert zichtbaarheid op aan de toch al zeer zichtbare Minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Dierenwelzijn en, euh ja, dus ook Toerisme.

Probleem is wel dat hoofdstad Barcelona, hierin volop gesteund door de linkse burgemeester Ada Colau, de wereld al heeft laten weten dat ze de toeristenmassa’s beu is. In augustus van dit jaar nog staken activisten de banden plat van toeristenfietsen en werd autobussen belaagd, onder het motto: “Het toerisme doodt de stad”. In feite vormen wij dus een soort bezettingsmacht als we in dichte drommen de Sagrada Familia en het Park Güell bezoeken. En dat terwijl de stad al decennia aan citymarketing doet en zich als culturele topbestemming afficheerde: neen, een makkelijk volkje is het niet, die Catalanen.

Dat belet niet dat, zoals we op Facebook kunnen volgen, zowat de voltallige Doorbraak-redactie nu in Barcelona te vinden is, want daar gebeurt het dit weekend: het fameuze onafhankelijkheidsreferendum, door de Spaanse staat met alle mogelijke middelen tegengewerkt, inclusief enig politioneel vertoon en inbeslagname van stembiljetten. Het maakte de separatistische aanhang alleen maar groter.
Het spreekt vanzelf dat ik als republikein sympathiseer met de mediterrane, hoogculturele regio die zich wil afscheiden van de Madrileense centraalstaat waar de schaduw van Franco eigenlijk nooit weg is geweest. Tegelijk moet ik al te vurige sympathisanten teleur stellen: dit wordt niks, geloof me. Het referendum zal plaats grijpen, er zal feest gevierd worden, en daarna wordt de rommel opgeruimd. Waarna Barcelona terug wordt wat het al vijftig jaar is: topbestemming voor city-trips, spotgoedkoop bereikbaar met Ryan Air.

Militarisering

boksmatchDe weerzin van Madrid tegen de Catalaanse subversie zit diep en is historisch geconditioneerd. Catalonië maakt al sinds de val van het West-Romeinse Rijk aanspraken op zelfbestuur, maar de geostrategie zat in de weg. Het militaire verzet tegen de invallen van de Moren in de middeleeuwen (de Reconquista) leidde tot een territoriale eenheid op het Iberische schiereiland. Aan het einde van de middeleeuwen was de koloniale grootmacht die Spanje was geworden, veel te dominant om kleine rijkjes in zijn achtertuin te laten betijen. We hebben het tot in Vlaanderen mogen ondervinden.

Er zijn tal van Catalaanse opstanden geweest, maar militair stelden ze niets voor. De Catalanen zijn namelijk afstammelingen van Griekse kolonisten: slimme handelslui, zelfbewust, cultureel sterk, maar beroerde strategen en geen vechtersbazen. Politiek kunnen ze ook niet rekenen: een referendum waarvan je de uitslag niet kan afdwingen (al is een meerderheid pro afscheiding helemaal niet zeker, de tegenstemmers houden zich gedeisd), levert wel veel schwung op en vreugdedansen, plus wat sympathie bij buitenlandse autonomisten, maar daarna moet men daadwerkelijk in de illegaliteit gaan en eventueel de wapens opnemen, wat voor de Barcelonese bankiers en restaurateurs wel een brug te ver zijn.
Strategie dus, en weer even denken aan de fameuze speltheorie. Het dilemma stelt zich zo:
Zolang Catalonië bij Spanje hoort,- en de “internationale gemeenschap” dat ook erkent, mag Madrid manu militari de grondwet handhaven en troepen sturen om in de opstandige provincie orde op zaken te stellen. Scheurt het zich de facto van Spanje af en roept het de republiek uit, dan kan Madrid ook troepen sturen en zelfs de oorlog verklaren aan de “buitenlandse vijand”. Waarna alle NAVO-partners, België incluis, zich solidair moeten betonen met Madrid, stel het u maar even voor. De EU zou de andere kant uitkijken, de rest van Spanje zou voluit achter premier Mariano Rajoy gaat staan. Nu al wapperen in Madrid overal stevig de Spaanse vlaggen en wordt er gefulmineerd tegen de arrogante, egoïstische Catalanen die hun rijkdom niet willen delen.

Anders gezegd: zolang het een lokaal probleem blijft, zal Madrid het varkentje wel wassen, en als het bovenlokale proporties aanneemt treden andere mechanismen in werking, die de Catalaanse onafhankelijkheid helemaal naar dromenland sturen. Een militarisering van het conflict is helemaal niet uitgesloten, en misschien stuurt Rajoy daar nu al op aan, met zijn politioneel machtsvertoon. Een nieuw Guernica (het Baskische stadje dat tijdens de Spaanse burgeroorlog door de Duitse Luftwaffe, die steun verleende aan Franco, met de grond gelijk werd gemaakt, en waaraan Picasso zijn bekend fresco wijdde) is daarom niet direct in de maak. Wel is een militaire bezetting reëel, waarbij Europa geen poot zal uitsteken, tenzij dan als NAVO-bondgenoot met… Spanje.

Zouden de VN zo’n verregaande interventie niet afblokken? Misschien, maar het vetorecht van Rusland in de Veiligheidsraad zou wel eens kunnen boven gehaald worden. Wie-weet heeft Vladimir Poetin wel zin om er zich mee te moeien, zijdelings of frontaal: een Oekraïne aan Zuidgrens van de EU, dat zou toch prachtig zijn?
Sorry dat ik dus voor pretbederver speel: deze boksmatch kan Carles Puigdemont nooit winnen. Meer dan een gelijkspel, en wat punten en komma’s veranderen aan het bestaande autonomiestatuut, eventueel onder EU-bemiddeling, zit er niet in. En omdat bovenstaand dominoscenario gewoon ondenkbaar is, zal de hete herfst van Barcelona overgaan in een stille winter. De Catalaanse separatisten zouden het status-quo verbreken, niet alleen het Spaanse, maar ook het Europese, en zo zelfs het internationale machtsevenwicht. Dat is het natuurlijk niet waard. Zondag mag Machiavelli even on hold, maar maandag zullen de stalletjes op de Ramblas weer opengaan. Catalonië zal de toeristen moeten slikken én de Guardia Civil. Niet leuk, maar onze maandag is soms ook om te balen.
Toch een prettig weekend gewenst.

Steeds meer lieden kijken in ons bord: over gezondheidsrages en diëetfascisme

godzietmij

Binnenkort kunnen we Brits Brexit-bier drinken, en dat is goed nieuws, in verschillende opzichten. Eerst had het Europese merkenbureau –jaja, dat bestaat dus ook- beslist dat het niet mocht, een bier dat Brexit heet. Het zou te politiek-incorrect zijn, “beledigend voor de Britten die tegen hebben gestemd”, moreel verwerpelijk of zelfs racistisch/seksistisch. Maar gezien ook negerinnentetten in Vlaanderen vrijelijk mogen verkocht worden, naast bieren met een ronduit liederlijke naam zoals Black Damnation (Messy) of Delirium Tremens, geeft het bureau zijn verzet op.
Daar ben ik blij om. De discrete censuur op het taalgebruik, die o.m. tot uiting komt in het liquideren van lezersfora van kranten, naast de vreselijke FIFA-riedel no to racism-non au racisme”, krijgt maar moeizaam het universum van spijs en drank in zijn greep. Misschien vreesde men voor een echte volksopstand. Want had het merkenbureau het effectief verboden, dan zou dat Brexitbier beslist nog in grotere mate uit de tapkranen gevloeid hebben.
 
De gezonde roker

 

De anarchie van de bierdrinker/vleeseter/roker is, los van de gezondheidsoverwegingen, een taboeverbrekend gegeven dat we terugvinden bij de vermoorde Nederlandse columnist en diens veel besproken blog “De gezonde roker”, de naam alleen al. Het cultiveren van de taal als vloek- en scheldmedium, wars van alle hypocrisie, tact of fatsoen: Geenstijl is er de rechtstreekse erfgenaam van.
Voor Freud was de humor op zich al een taboeverbrekend medium. Maar onvermijdelijk komt die humor in politiek vaarwater en kan ze toch gecensureerd worden door controlediensten en agentschappen allerhande. Alleen het bier brengt dan nog redding, of andere ongezonde producten uit het Bruegheliaans register. Eetwaren die gedoopt worden in azijn, met karikaturale etiketten, en klinken als een vloek. Zo moet er beslist gauw een Guillotinebier uitgebracht worden, met een etiket dat Koning Filip op het schavot afbeeldt. Of een Reconquista van hoge gISting (Karel Martel afbeeldend, de man die de Arabieren bij Poitiers versloeg). Dat zal natuurlijk niet zomaar gebeuren: UNIA zal beslist protest aantekenen, en dat is goed, want dan gaan deze brouwerijen ondergronds en wordt een en ander nog veel smakelijker.
Trouwens, zoals u weet brouwt zowat elke Vlaming zijn eigen bier, ondergetekende niet uitgezonderd, en is naamgeving plus etiketontwerp één van de cruciale creatieve processen daarin.

Het goddelijke Oog (bis)
Dit maar om te zeggen dat er wel degelijk een relatie is tussen censuur en diëtiek, of algemener de gezondheidsrage. Steeds meer mensen kijken in ons bord en peroreren met opgeheven vinger: kankerverwekkend (zo ongeveer alles), slecht voor de cholesterol, tegen het dierenwelzijn, het milieu (de voetafdrukken!), de verkeersveiligheid.
De opvoeding van het lichaam tot proper, niet-geïntoxiceerd organisme, vrij van vet, alcohol, suiker of tabak, verloopt, met de kosten van de ziekteverzekering als dooddoener, in toenemende mate parallel met de opvoeding tot goed burgerschap. De voedingsdriehoek als replica van het Goddelijke Oog. De overheid zorgt zogezegd voor ons, maar wil vooral ons doen en laten nagaan, gesteund door allerlei reformgoeroes.
Het met allerlei morele alibi’s bezwaarde dieetfascisme, de dwang om binnen de lijntjes te kleuren dus, het leven als één grote waarschuwing, lees ook de gezondheidstips van Marleen Finoulst, het opgejaagd wild van Dr. Patrik Vankrunkelsven.

Ik geef het nog een jaar en dit bier komt in opspraak, alleen al wegens zijn “foute” naam.
Ik pleit helemaal niet voor meer roken of bierdrinken, drugs of vetverbruik. Ik zie alleen dat het universele dieet, getrokken door charismatische politici als De Wever, wel eens zou kunnen ontaarden in een repressief totaaldiscours rond attitudes, taal, gedrag, (eet)gewoontes. Waarbij terloops een alcoholverbod een bepaalde allochtone subcultuur goed zou uitkomen, want nu al worden bars in Molenbeek geviseerd omdat ze alcoholische dranken schenken. Idem voor de barbecue, ook een ongezond én milieuvervuilend ritueel, en allerminst halal.
Dus wordt bier drinken van de weeromstuit een subversieve activiteit, zeker als het brouwsel iconisch ondersteund wordt, zie het etiket, en van een “verhaal” wordt voorzien zoals het Brexitbier. Niet dat het drinken van sloten Brexitbier tot revolutie zal leiden. Die eer komt toe aan de drug genaamd koffie, een drank die ooit in Mekka werd verboden en nadien ook in Rome, omdat het drankje het radicale denken zou stimuleren. Dat klopt: de Franse Revolutie is een koffierevolutie. Zoals de Mei ’68-revolte een wietrevolte was.
Het bloeiende Vlaamse brouwerijwezen is hoe dan ook een duurzaam biotoop voor het onderbuikgevoel, alleen al daarom moeten we het koesteren en hopen dat het nooit tot “werelderfgoed” wordt gerecupereerd. Voor de rest moet u niet drinken als u rijdt, een mens heeft maar twee handen.
Nog een Saturnalische zaterdag gewenst.

“Mè iel Aantwaarpe…”: het bochtenparcours van de N-VA is een kermismolen geworden

BELGIUM ANTWERP N-VA ELECTIONS CONGRESS SUNDAY

Vanuit Marokko, of all places, gaf Bart De Wever via het VRT-nieuws een ondubbelzinnige verklaring voor de agressie jegens zijn agenten in Borgerhout: “Geëxciteerde jongeren die men heeft opgejut vanuit het drugsmilieu, ten einde een no-go-zone te creëren”, aldus de Antwerpse burgemeester, N-VA-voorzitter én tussendoor ook nog federaal volksvertegenwoordiger. Je zou denken dat het bestuur van een wereldhavenstad als Antwerpen een volle dagtaak vereist, niet dus. Die drievoudige pet is niet onbelangrijk: de man die Antwerpen bestuurt is ook de strateeg van Vlaanderens grootste partij, en voert dus eigenlijk altijd een beetje nationale campagne.

In dat opzicht moet de communicatie van De Wever ook altijd gelezen worden als partijcommunicatie, en dat leidt in sommige domeinen en bepaalde momenten tot overtrokken retoriek. Het Borgerhoutverhaal is er één van. Het is een oud verhaal, we kennen de iconische beelden van meester-opruier Abou Jahjah op de Turnhoutse Baan, het blijft een plek waar allochtone subcultuur schuurt tegen onze moderne opvattingen van stedelijke leefbaarheid. Borgerhout is een probleem, een uitdaging voor bestuurders met visie en ambitie, zullen we maar stellen.

Overigens is de gemeente wel degelijk de thuisbasis van een bepaald soort grootcriminaliteit. In het onvolprezen (en eigenlijk door de media grotendeeld doodgezwegen) boek van journalist Raf Sauviller “Borgerokko maffia”, wordt uitgebreid aangetoond hoe Marokkaanse families uit Borgerhout zich sinds 20 jaar hebben opgewerkt in de internationale drugshandel. Ze vertonen zich niet op straat of vallen geen agenten aan, ze hebben zich daarentegen deftig gesetteld en verschuilen zich achter propere handelszaken of een eenvoudige brievenbus.

Sauviller kreeg sinds de publicatie al wat doodsbedreigingen in zijn bus, en houdt zich gedeisd. Wel wil hij nog kwijt dat de door De Wever groots aangekondigde “War on drugs” wel wat kleine dealers van de straat haalde, maar de grote families die de internationale trafiek controleren, blijven buiten schot.

Borgerhout als “no-gov-zone”

De uitlatingen van de Antwerpse burgemeester/partijvoorzitter kaderen allicht in deze frustratie, waardoor elk opstootje wordt uitvergroot tot een oorlogsfeit.

Recent was het dus weer prijs: een verkeerszondaar die staande wordt gehouden, waarna een groep kijklustigen commentaar begint te geven. Over die filmpjes die geweld tegen agenten moeten bewijzen, bestaat grote discussie. Er zou in geknipt zijn, het parket beweert de beelden te hebben die een en ander bewijzen, maar we krijgen ze niet te zien.

Laten we aannemen dat er wat getrokken en geduwd werd, en dat zo’n knuffelbare flik op de fiets en in korte broek ook niet bepaald gezag uitstraalt: dit is gewoon geen outfit om door Borgerhout te patrouilleren. Maar voor De Wever is het duidelijk: het geweld tegen de agenten kadert in een doordachte strategie van de drugsmaffia. En dat is een beladen uitspraak, omdat hij daarmee de facto heel die zone beschouwt als een no-gov-zone, een gebied waar normaal bestuur niet meer mogelijk is en dat moet gezien worden als een rotte plek waar ook bepaalde uitzonderingsmaatregelen van toepassing moeten kunnen zijn. Niet bepaald leuk voor wie er woont.

Het gevoel ontstaat daarbij dat de Antwerpse burgemeester vooral een gebied waar wel wat autochtonen maar géén N-VA-stemmers wonen (alternatieven, communisten, oude hippies en bakfietsgroenen), wil brandmerken als een on-Antwerps en on-Vlaams hellegat, en dat is eigenlijk ongezien voor een burgervader in een beschaafd land, men verwacht zoiets eerder in de Filippijnen.

De betoging van buurtbewoners op 3 september was uiteraard een doorn in het oog van de burgemeester, die “een ander signaal” had verwacht. Tja. Deze demonstratie was duidelijk niet opgezet door de Marokkaanse maffia maar door politieke tegenstanders van De Wever, waaronder de in Borgerhout wonende actrice Mitta Van der Maat, ex-partner van acteur Luc Wyns maar bij mijn weten geen drugsbarones.

De “war on drugs” is een flop, en dus wordt elke mug in Borgerhout met een kanon beschoten. De Antwerpse burgemeester is niet de burgemeester van alle Antwerpenaren, en wil dat ook niet zijn. Dat brengt ons naadloos bij de nationale politiek waar Bart de Wever een cruciale schaduwrol vervult.

Het gelijk van Vuye en Wouters

Something is rotten in the state of Belgium, en dan komen zondebokken goed van pas. Maar de N-VA is de dominante partner in de federale coalitie. Binnenlandse Zaken, Financiën, Defensie, Veiligheid, Asiel en Migratie, en Grote Steden zijn een bevoegdheid van De Wevers partij. Alleen justitie mankeert in het rijtje. Je zou denken dat de partij via deze sleutelposten toch grote hefbomen in handen heeft om de zaken naar haar hand te zetten en écht beleid te voeren zoals haar programma het voorzag. Niet dus, er wordt regelmatig oppositietaal gesproken, alsof de partij aan de zijlijn staat. Niet iedereen is nog mee, maar de peilingen zijn meer dan bevredigend, en dat is wat telt.

Deze strategische finesse krijgt nu haar apotheose met de verklaring dat de N-VA zich zal onthouden van enige communautaire campagne. Het doeleinde is duidelijk: nog een federale legislatuur in het fijne gezelschap van de Franstalige liberalen en christendemocraten, meer moet dat niet zijn. Zoals er geen globaal-Antwerps project is, bestaat er ook geen Vlaams project meer voor de N-VA, in de zin van een overkoepelend republikeins-pluralistisch ideaal. In de plaats daarvan komt een rechts-conservatieve marsrichting die duidelijk op het voortbestaan van de Belgische staat (liefst zonder socialisten) is gericht.

“De hoofdopdracht van N-VA is om aan de Vlaamse kiezer te geven wat die wil. Dat is een ander beleid in economie, veiligheid en de bescherming van onze identiteit en ‘way of life’’, stelde De Wever (VRT-Terzake, 11/9). Anders gezegd: een neoliberaal beleid voeren is op zich al een pad naar de Vlaamse onafhankelijkheid. Dat is duidelijk een sofisme, alsof een Vlaamse republiek per definitie een centrumrechts verhaal is. Hallo Catalonië? Iemand nog interesse in een brede Vlaamse frontvorming?

Het bochtenparcours van de N-VA is een kermismolen geworden. Door haar eigen principes te verzaken resten er voor de N-VA maar twee paden: dat van de Volksunie (een implosie) of dat van de aloude CVP. De partij heeft, logisch, voor de tweede weg gekozen: een tsjevenpartij die via hogere rekenkunde eindeloos schippert en alles met spuug en plak aan elkaar houdt, de kiezer decennia (!) lang aan het lijntje houdt en vooral eigen macht uitbouwt. Dat is niet wat men verwacht van een partij die de Vlaamse republiek als einddoel beoogt.

Het optreden van de dissidenten Vuye en Wouters bewijst dat politiek toch nog om principes kan draaien, en dat is een opluchting. Of ze zullen kunnen optornen tegen het uitgekookte stratego van de N-VA, zal de tijd uitwijzen. En het is aan de kiezer die de partij opstuwde boven de 30%, om aan te geven dat het nu welletjes is geweest. Of zoals ze in de Scheldestad zeggen: “Mè iel Aantwaarpe…”