Out-of-game: over zorg in de wegwerpmaatschappij

Het is een trieste realiteit: we leven alsmaar langer en de medische technologie vordert met rasse schreden (“binnenkort iedereen 150 jaar!” las ik zopas nog als krantenkop), maar we weten geen blijf met de grijze massa die op die manier gestaag groeit en een blok aan ons been vormt. O ja, er zijn de luxueuze zorghotels voor vermogenden en wie een mooie spaarpot heeft aangelegd, maar het gros vegeteert weg als een subproletariaat in onderbemande instellingen waar de bejaarden om zes uur te slapen worden gelegd en in hun eigen uitwerpselen blijven liggen, of bij ziekte dagenlang geen dokter zien.

In De Standaard van het voorbije weekend luidt een verpleegster de alarmbel: wie in een modaal rusthuis zit, mag elke vorm van levenskwaliteit vergeten. Het zijn ondergesubsidieerde sterffabrieken die het euthanasiethema op een cynische wijze terug actueel maken: ben je niet beter af met het ultieme pilletje dan met een lang gerekte doodstrijd?

Out-of-game

pokemonSinds ouderenzorg in 2004 een Vlaamse bevoegdheid werd, is de situatie duidelijk verslechterd: wat we zelf doen, doen we beter? Niet dus inzake solidariteit en sociale zorg. Onder impuls van de N-VA heeft Vlaanderen gekozen voor een rechtsliberaal recept dat de rol van de overheid afbouwt en iedereen het maar zelf moet zien te redden. Deze tea-party-inspiratie van Vlaanderen’s grootste partij weeg enorm op het perspectief van een Vlaamse staatsvorming die sociaal en ecologisch nieuwe bakens zou kunnen uitzetten: de N-VA is met die staatsvorming dan ook niet meer bezig.

Echter, de achtergrond van het zgn. vergrijzingsprobleem is niet alleen economisch maar ook cultureel en mentaliteitsgebonden. Het nieuwe egoïsme heeft onder meer te maken met een ander tijdsperspectief, een enorme focus op het digitaal geserveerde hier en nu dat geen beschouwelijke afstand meer toelaat.

En neen, ik zal niet nog eens gaan jammeren over het op de tocht staande geschiedenisonderwijs in de middelbare scholen. Maar het feit blijft natuurlijk wel dat een hoop tieners en jongeren niet weet wie Adolf Hitler was, en dat het hen ook geen bal kan schelen. De tijd is het nu, waarin alles moet gebeuren. Het verleden is voorbij en de toekomst is science-fiction.

De totale vermarkting en de hypecultuur zorgen ervoor dat alles onmiddellijk moet geconsumeerd worden en even daarna vervluchtigt. In dit postmodern universum is er nooit tijd, alleen tijd tekort. Hypes en rages als Pokemon duiken op en verdwijnen. Niet de inhoud van het spel zelf vormt het probleem (spelen doen we allemaal, wist de historicus Johan Huizinga), wel de manier hoe de hypes onze biologische klok aanporren om met korte omlopen en steile curves het leven van een ééndagsvlieg te beleven. Altijd worden ze economisch gestuurd, vanuit winstbejag, maar op een of andere manier gaan ze ‘viraal’ en worden kortstondig als cultuur geconsumeerd door de hippe, actieve intellectuele middenklasse van dit universum: wie niet meespeelt, leeft gewoon niet, en is klaar voor wat eufemistisch een ‘rusthuis’ wordt genoemd. De wegwerpmaatschappij gaat dan niet alleen over goederen en waren, maar ook mensen, zieken, minderwaardigen, inactieven.

En zo zijn we weer bij de vergrijzing en de vraag wat een collectief geheugen nog betekent, waar een oudere generatie dan voor zou staan. Niets dus. Iemand van vijftig is al out-of-game, iemand die ‘met de tijd niet mee is’, het spel niet meer begrijpt, en vanaf dan als een parasiet materieel onderhoud vereist. Een pure sociale kost.

Kort en rap, ook in cultuur

Alles wat langzaam, gerekt, afstandelijk of duurzaam evolueert, is nefast voor deze gefragmenteerde cultus van het moment. De liefde bijvoorbeeld, die een soort traagheid van het leven eist, alsof het eeuwig was. Gevoelens van herkenning, verbondenheid, dingen altijd opnieuw willen doen alsof het altijd de eerste keer was, maar ook evolueren, groeien: ook daarmee heeft de hypecultuur korte metten gemaakt. De snelle date op een roetsjbaan is het nieuwe normaal.

Idem dito voor zogenaamde quality time die ons in de reisfolder wordt aangeboden: de trip met een spotgoedkoop vliegtuig naar een trendy bestemming, eventueel om zich lazarus te zuipen, is de dominerende focus. Ook vakantie en vrije tijd zijn gewijd aan de vluchtigheid en de obsessie om vooral geen tijd te verliezen. “Onthaasting” is een belachelijk begrip geworden, ook al spenderen we uren in de file.

Kunst dan, als ultiem verzet tegen de snelheid en het ééndagsperspectief? Ach, de cultuursector ondergaat genadeloos de sociologische wet van het algemene tijdsdeficit. Ze accepteert het ook, als een gegeven, in plaats van er tegen in te gaan. Kunstenaars als Wim Delvoye, Jan Fabre en Arne Quinze kennen perfect hun plaats in het systeem: als quasi-rebellen plaatsen ze ludieke, soms groteske uitroeptekens in een tekst die bij nader inzien uit woorden bestaat zonder zinnen. Ze functioneren binnen een markt, als marktleiders, en eisen hun deel van de koek op in de algemene hypecultuur, door steeds weer te verrassen en voor kicks te zorgen, om dan weer snel te vernieuwen.

Het zijn de artiesten zelf die de pokemonisering van wat we voorheen ‘cultuur’ noemden, in gang zetten, bevreesd als ze zijn om onmodieus te worden en in het rusthuis/sterfhuis terecht te komen. De gerenommeerde klassieke pianist Stephen Hough heeft onlangs gepleit voor kortere concerten: niet twee keer een uur met een pauze, zoals gebruikelijk, maar één uur  en dan weg, op naar de volgende sensatie.

En raar maar waar, kampioenen in de goede smaak zoals Klara-presentator Fred Brouwers, treden hem in Het Nieuwsblad bij: het moet korter en rapper. “Soms zit ik op een concert en dan denk ik: dit duurt véél te lang”. Kon Fred dan vroeger een avondvullende performance wél smaken? Of kon hij toen al, als boegbeeld van cultureel Vlaanderen, na een uur een geeuw nauwelijks onderdrukken? Of… is ook Fred Brouwers door de Pokemonhype bevangen?  Hoe dan ook, hapjes en snelle snacks zullen het cultuurbuffet bevolken, met de vijf-minuten-clip als absoluut model, en het concentratievermogen van een vierjarige kleuter als referentie.

Op de cultuursector hoeven we dus niet te rekenen, als het gaat om geheugenverlies en cultus van de oppervlakkigheid. Het feit dat zo’n jonge verpleegster dan een brief schrijft naar de krant, om de wantoestanden in de ouderenzorg aan te klagen, vind ik dan weer hoopgevend, en het bewijs dat zo iemand een decadente culturo als Fred Brouwers vele malen overklast. Een hectische maatschappij die louter drijft op het vluchtige, en elke vorm van meditatie of bezonkenheid als tijdverlies wegzet, wordt ook een liefdeloze samenleving die aan haar eigen stress kapot gaat.

Misschien moet het vrijwilligerswerk wel opgewaardeerd worden, en zou een algemene stage in de zorgsector voor jongeren bevrijdend kunnen werken. Alleen al het besef dat het leven meer is dan Pokemonjacht en korte kicks: een therapie die langs twee kanten werkt, dat moet zelfs de grootste cijferneukers kunnen bekoren.

Erdogan-Poetin-Trump: is een groteske mannentrojka in de maak?

troijkaGisteren heb ik me voor de allerlaatste keer- ik zweer het- aan Rio(ol)journalistiek bezondigd door het blauw oog van Dirk Van Tichelt onder de microscoop te leggen. Vandaag gaat alle aandacht weer naar het echte leven, en meer bepaald naar meta-olympisch judokampioen Vladimir Poetin, de man die Recip Erdogan momenteel om zijn vinger windt en zijn voorkeur voor presidentskandidaat Donald Trump onomwonden heeft uitgesproken. Een liefdesverklaring die overigens meteen door Trump werd beantwoord. En jawel, in juli sprak Donald zijn waardering ook uit voor Erdogan en de manier hoe die de putsch had aangepakt. Ga spelen, Hillary, dit is voor mannen.

Russisch gas door Turkije of niet, Assad erop of eronder, allerlei strategische berekeningen gaan door het meesterbrein van de Russische president, en hij hoeft niemand rekenschap te geven of in zijn kaarten te laten kijken. Het ziet er hoe-dan-ook steeds meer naar uit dat  een wereldtriumviraat in de maak is, met Poetin als slimste, Erdogan als brutaalste, en Trump als grappigste. Dat laatste is niet onbelangrijk: doorgaans wordt Donald Trump, vooral in het zieltogende Europa, als een kansloze nar beschouwd. Onterecht. Als alleenstaand fenomeen zou Trump inderdaad een pathetische clown zijn (Hitler was dat ook), maar het is nu net via de superviriele driehoek met Poetin en Erdogan dat hij in de internationale context een vitale rol speelt van opgeblazen comedian en verbale wildplasser.

Versoaping

We onderschatten doorgaans persoonlijke affiniteiten en synergieën op het toneel van de wereldpolitiek. Hitler, Stalin en Mussolini zijn niet alleen aan de macht gekomen vanuit hun eigen versnelling, maar ook doorheen de rijzende sterren van hun tegenspelers of bondgenoten. Ze helpen elkaar, negeren elkaar, verraden elkaar, maar ondertussen schrijven ze geschiedenis en houden de tragikomedie zo lang mogelijk vol, gewoonweg omdat zij de protagonisten zijn en omdat de geschiedenis nu eenmaal grote verhalen nodig heeft.

Grote verhalen waaraan kleine mensen sterven, dikwijls gruwelijk afzien, maar dat worden achteraf faits divers. We hebben drie super-ego’s nodig voor een goed verhaal, en we zullen ze krijgen: de protagonist, antagonist en de tritagonist van het antieke Griekse theater. En zo wordt de trojka Poetin-Erdogan-Trump onafwendbaar de nieuwe cast van een 21ste eeuwse politieke soap. Elke dag weer nieuwe afleveringen van een boeiende plot vol intrige, bluf, machtsontplooiing, leugens, allianties, waar prutsers als IS, geloof me, geen kans tegen maken. De Russische president is de spin in het web, de koele schaakmeester en judoka, maar er is een groteske sultan nodig en een steenrijke populist om het web überhaupt zijn spankracht te geven. De ene speelt schaak, de tweede triktrak, de derde poker. Maar één spel delen ze alle drie in perfecte verstandhouding. Voorbij alle ideologische tegenstellingen vinden ze elkaar rond dezelfde ‘Wille zur Macht’ en de bereidheid om dat principe met enkele tegenspelers van formaat te delen.

Dit spelkarakter van de wereldpolitiek, louter gebaseerd op een interpersoonlijke dynamiek tussen potentaten, zou men als het vervolg kunnen zien op het zogenaamde “einde van de geschiedenis” dat door de Amerikaanse politieke denker Francis Fukuyama werd afgekondigd (“The End of History and the Last Man”, 1992), in de nasleep van de val van de Muur die net vandaag 55 jaar geleden werd opgericht.

Er is in feite nooit een geschiedenis geweest, zoals Hegel dacht dat ze functioneerde: als een noodzakelijk proces waarin de mens en de maatschappij zich bewegen naar een punt van totale vervulling en eenheid met de ‘wereldgeest’ (Marx zou daar de communistische heilsstaat van maken). Neen, er is geen vooruitgang of achteruitgang, er is gewoon strijd om de macht die kristalliseert tot een politiek heelal waar grote galaxieën rond elkaar draaien, en waar geen plaats is voor mietjes of dwergsterren.

Voorbij alle ideologische tegenstellingen vinden ze elkaar rond dezelfde ‘Wille zur Macht’ en de bereidheid om dat principe met enkele tegenspelers van formaat te delen.

Het triopolie Poetin-Erdogan-Trump is er voor elkaar en tegen elkaar, vandaag zeggen ze a en morgen het omgekeerde, maar ze acteren met brio en zorgen voor wereldnieuws, niet onbelangrijk in dit postmodern mediatijdperk. (De directeur van tv-zender CBS over Trump: ‘It may not be good for America, but it’s damn good for CBS’). Het is daarom zinloos om hen te bekritiseren vanuit oudmoderne Verlichtingsprincipes (waarheid, oprechtheid, vrijheid, gelijkheid, democratie, mensenrechten…). Men moet hen puur beoordelen op hun mediawaarde, acteervermogen en wederzijdse empathie, en daar is geen enkele discussie over.

Tenzij Hillary Clinton, geboren Hillary Rodham, toch haar slag zou thuishalen en het mannenfeestje afblazen. Niet dat ze voor hen moet onderdoen in sluw opportunisme en machtsdenken. Toch zou het een wereld van verschil maken, alleen al beeldmatig: twee übermacho’s die met een vrouw in het Witte Huis opgescheept zitten. Misschien krijgen we dan wel een alternatieve trojka (echte mannen zullen zeggen: koffiekransje) Clinton-Merkel-May die toch wat tegengas kan geven aan de brutale confrontatielogica die deze planeet steeds meer in de greep houdt.

De strijd Clinton versus Trump is dus in meer dan één opzicht historisch. Wie haalt het? Tot acht november duurt de suspens, om het nog maar eens in epische termen te stellen.  Gelukkig is er nog vakantie tussendoor, om de cliffhanger even uit ons hoofd te zetten.

De ongemakkelijke waarheden van Mark Grammens

Grammens2Op de webstek van Knack verscheen recent een interview met Mark Grammens, notoir flamingant en linksrepublikein, dwarsligger en gewezen uitgever van het éénmansblad ‘Joernaal’.
Grammens is een oud man, potdoof (dit soort interviews gaat via papiertjes), en niet vrij van enig revanchisme tegen de “Belgische staatsterreur”: zijn vader zat zes jaar in de bak wegens collaboratie en het gezin ondervond de onwelriekende gevolgen van de na-oorlogse repressie. Het internet is aan hem niet besteed, daarom weet hij niet dat ik zijn ongemakkelijke stellingen grotendeels onderschrijf en o.m. via Doorbraak al een paar jaar verdedig. Niet tot eenieders genoegen overigens.

Een vernietigende analyse voor de N-VA en speciaal de Vlaamse halfgod Bart De Wever is de kern van zijn vertoog. Diens partij is in sneltempo geëvolueerd van formatie met een Vlaams-republikeinse missie, zogezegd de betere, ‘democratische’ uitgave van het VB, naar een Belgicistische machtspartij, vergeven van windhanen en opportunisten, genre Siegfried Bracke en Peter De Roover (“een man zonder politiek talent”), ex-voorzitter van de Vlaamse Volksbeweging, nu de eerste lakei-in-rang van De Wever.

DeRooverTwee jaar na de verkiezingen heeft de N-VA doel en middel compleet verwisseld en is ze de spin geworden in het web van de Belgische monarchie. Zonder zich in te houden spreekt Grammens van systematische leugenachtigheid en zwaar kiezersbedrog. Heel het discours rond de ‘totaaloorlog’ waarin we zouden verkeren, de noodzaak om het recht op vrijemeningsuiting in te perken, het opgeven van de privacy, en het instellen van een soort permanente uitzonderingstoestand (‘gewapend bestuur’), hebben niet zozeer IS en het salafisme als doelwit, maar beogen wel het handhaven van macht op zich. We zijn zo verblind door de alomtegenwoordige terreurdreiging, dat we smeken om een hand die ons slaat. Idem dito voor de economische buikriempolitiek. Lamme Goedzak is helemaal terug.

Grammens is pessimist, niet wat het terrorisme betreft, maar wel omtrent de ambities die we mogen koesteren van een Vlaamse regionale autonomie in Europa. Eens de Belgische constructie opgelapt, zullen de traditionele partijen de electoraal afkalvende N-VA met het grootste plezier dumpen. We zullen met lege handen staan, een politieke diaspora van de Vlaamse beweging is onvermijdelijk. We zullen dan terug van nul moeten beginnen met een toekomstgericht samenlevingsproject dat zich kan spiegelen aan de Catalaanse revolte.

Omdat het interview zo relevant is, en ontnuchterend voor de 33% Vlamingen die voor de partij van De Wever, De Roover, Jambon en C° stemden, publiceer ik het volledige interview hieronder als notitie (normaal moet je Knack-abonné zijn om het te kunnen lezen).
Welkom bij de nieuwe politieke dakloosheid.

 

Nestor van de Vlaamse Beweging Mark Grammens: ‘Ik had De Wever door vanaf dag één’

Waarom maakt de N-VA Vlamingen bang voor de aanslagen van de IS, liever dan te vechten voor de Vlaamse onafhankelijkheid? Het is een vraag waarover Mark Grammens zich zelfs op zijn 83e hogelijk kan opwinden. Grammens, coryfee van de Vlaamse Beweging, ziet het niet meer goed komen met de N-VA. ‘Mensen die zo openlijk oneerlijk zijn gebleken, zijn geen knip voor de neus waard.’
‘Op mijn leeftijd bedenk je niet meer allerlei mitsen en maren om te nuanceren. Dat is het voordeel van de ouderdom’, zegt Mark Grammens wanneer we hem thuis in Liedekerke opzoeken. De oud-journalist – van 1988 tot 2013 gaf hij tweewekelijks het eenmansblad Journaal uit – is er fysiek niet goed aan toe, maar zijn eigenzinnige stem heeft hij weten te behouden. Als koppigaard en non-conformist werd en wordt hij nog steeds op handen gedragen in de Vlaamse Beweging. In 1990 publiceerde Grammens Gedaan met geven en toegeven over de communautaire kwesties, waarop Hugo Schiltz reageerde met Gedaan met zeuren en treuren. Vorige week maakte Grammens zich op zijn geheel eigen manier boos in het Vlaamsgezinde internettijdschrift Doorbraak. ‘Dit is de eerste stap naar het einde van de Vlaamse democratie’, schreef hij over de reeks maatregelen die N-VA’ers al de hele zomer op de publieke opinie afvuren als antwoord op de terreurdreiging in Europa.
MARK GRAMMENS: Terreur? Wat de IS in Europa doet, is helemaal geen terrorisme. We roepen het geweld over onszelf af. We moeten de IS en het hele Midden-Oosten met rust laten. Dat is de enige oplossing.
– Dat moet u ons uitleggen.
GRAMMENS: Ik weet dat ik met dit standpunt tamelijk alleen sta, maar daar trek ik me niets van aan. (glimlacht) De gangbare definitie van terrorisme is: het gebruik van geweld om politieke doelen te bereiken door de overheid. Vandaag wordt de term veel te vaak gebruikt voor mensen die zich met geweld tegen hun onderdrukkende machthebbers keren. Individuen die aanslagen plegen, dat is geen terrorisme. Ik heb als journalist jarenlang het begrip terrorisme uitsluitend toegepast op de Belgische staat. De jaren van de repressie, dat waren de jaren van de Belgische terreur. Hoeveel vrouwen zijn vlak na de oorlog verkracht in België? Minstens 1000, misschien zelfs 2000. Dat is een typisch onderdeel van terreur.
– De IS bedrijft geen terrorisme, maar België deed dat wel?
GRAMMENS: Inderdaad, het gaat erom dat terreur door een land of een staat wordt beoefend, en de Islamitische Staat is dat in weerwil van haar naam echt niet. Pas nadat hun twee torens in New York in puin lagen, zijn de Amerikanen ook individuen als terroristen gaan bestempelen. Wij zijn hen daar slaafs in gevolgd. Maar als ik in Aleppo of een andere stad in het Midden-Oosten zou wonen, zou ik de Verenigde Staten en het Westen ook haten. Sinds de instorting van het Ottomaanse Rijk is het Midden-Oosten de speelbal van het Westen geweest. En wij hebben daar alleen maar ellende gebracht. VRT-journalist Rudi Vranckx zegt hetzelfde: we kunnen de IS niet kapot krijgen. Zolang het Midden-Oosten onder onze aanwezigheid te lijden heeft, zal er altijd wel ergens een soort IS opstaan. Die recente betekenisverandering van de term terrorisme zorgt ervoor dat we oorzaak en gevolg uit het oog verliezen. Als wij gevechtsvliegtuigen en bommenwerpers naar daar sturen, mag het niet verbazen dat zij hier onschuldigen aanvallen. Als het Belgische leger niet had deelgenomen aan luchtaanvallen op de IS waren er misschien geen bommen ontploft in Zaventem en Maalbeek. Die aanslagen waren een antwoord op wat men terroristische activiteiten van het Belgische leger kan noemen.
– U hekelt de militarisering van de democratie en het gewapend bestuur van de N-VA. Wat moeten we dan ondernemen tegen de aanhoudende aanslagengolf?
GRAMMENS: Uit het Midden-Oosten wegblijven. We roepen dat geweld over onszelf af. In Madrid zijn in 2004 bijna tweehonderd doden gevallen bij aanslagen in stations. De Spaanse regering heeft daarna al haar troepen weggetrokken uit het Midden-Oosten. Er zijn in Spanje sindsdien geen aanslagen meer gepleegd. De IS wordt niet geleid door volstrekte idioten met wie niet te praten valt. Ze lopen misschien met oogkleppen op, maar dat doen wij ook. We moeten de IS en het hele Midden-Oosten met rust laten. Dat is de enige oplossing.
– Zijn we nu dan niet in oorlog met de IS?
GRAMMENS: Dat is een flagrante leugen. Volkenrechtelijk noch in de feiten is dat het geval. Of hebben jullie het gevoel dat de oorlog is begonnen als jullie buitenkomen? Ik niet. We leven in vrede. Dit is de meest vredelievende maatschappij ter wereld. Er zijn nu in België recent twee aanslagen gepleegd waarbij 32 doden zijn gevallen. Dat is heel erg, maar een oorlog is het niet. Ik heb hier een oorlog meegemaakt. Ik kan u verzekeren: dat is iets helemaal anders.
– De aanslagen maken veel mensen wel erg bang.
GRAMMENS: De mensen wórden bang gemaakt. De N-VA doet er alles aan om van veiligheid het volgende verkiezingsthema te maken. Ze hoopt dat de Vlamingen daardoor zullen vergeten hoe de partij haar Vlaamse standpunten heeft begraven en haar daar niet meer op zal afrekenen. Ik ben daar heel bezorgd over. Die partij haalt momenteel alles uit de kast om toch maar aan de macht te kunnen blijven. Ze zet mensen en groepen tegen elkaar op en creëert een klimaat van angst. De partij gedraagt zich als een roofdier dat in het nauw gedreven wordt. Bijna elke dag komt de N-VA met een voorstel waarmee ze de ene of de andere groep het zwijgen wil opleggen. En de echte verkiezingsstrijd moet nog beginnen.
– Aan welke voorstellen denkt u dan?
GRAMMENS: Er zijn er zo veel. Peter De Roover wil bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting beperken en het verheerlijken van terrorisme strafbaar stellen. Waar is hij in godsnaam mee bezig? Waar is dat goed voor? Ik heb over De Roover veel goeds gezegd toen hij de leiding had van de Vlaamse Volksbeweging. En ik blijf erbij dat hij een uitstekend voorzitter was. Maar de man heeft geen enkel politiek talent, dat zie je meteen.
– Zet de N-VA ook, zoals werd beweerd, aan tot racisme?
GRAMMENS: Ze zijn tot alles in staat. Maar racisme is van alle tijden en werelddelen. Dat heeft niets met Vlaanderen te maken. Het is hier minder erg dan elders. Het racisme van Japanners tegenover Koreanen is bijvoorbeeld onbeschrijfelijk. Ik kan me eigenlijk geen samenleving voorstellen zonder racisme. Het enige wat daartegen kan helpen, is een goede opvoeding: een moeder die haar kinderen op tijd leert dat het niet netjes is om zwarten als negers na te wijzen op straat. Maar wie denkt dat je racisme kunt uitroeien, streeft een droombeeld na.
– En toch. De Vlaamse Beweging lijkt soms door racisme te zijn vergiftigd.
GRAMMENS: Door een historisch toeval is de maatschappelijke opkomst van het vreemdelingenvraagstuk samengevallen met de crisis in het Vlaams-nationalisme waaruit het Vlaams Blok is ontstaan. Dat is een spijtige zaak. Maar de eerste verklaringen van Filip Dewinter (VB) als politicus waren niet racistisch. De partij die is gesticht door Lode Claes en Karel Dillen was in de eerste plaats alleen maar geïnteresseerd in de Vlaamse onafhankelijkheid.
– Dillen was geen democraat, toch?
GRAMMENS: Karel was een jeugdvriend van mij. Samen met Rudi van der Paal en Toon Van Overstraeten gaven we na de oorlog een sluikblad uit waarin we de repressie en de onevenwichtige uitvoering daarvan aanklaagden. Dillen had wat opvoeding nodig, en hij sprak soms een andere taal dan wat hij meende. Maar hij is een van de weinige Vlamingen die ik ben tegengekomen met het statuut van een staatsman.
– Een fascistisch staatsman dan?
GRAMMENS: Misschien, ja. Dat kan ook samengaan. Benito Mussolini was evengoed staatsman en fascist. Maar Dillen maakte altijd interessante analyses: ik ging zelden bij hem weg zonder zes onderwerpen waar ik achteraf dieper over moest nadenken. Van hem is de bekende en zeer terechte uitspraak: ‘Mijn partij zal alleen in een Belgische regering stappen als het de laatste is.’ Dat had Bart De Wever ook moeten zeggen. Als zijn partij drie verkiezingen na elkaar de poot stijf had gehouden en intussen had ingebeukt op de Belgische staat, hadden de Vlamingen gekregen waar ze recht op hebben.
– Waarom laat de N-VA zich afleiden door sociaaleconomische en veiligheidsdossiers?
GRAMMENS: De diepere reden ken ik niet, maar wat ik zie is dat de N-VA een grotere gedaanteverwisseling heeft ondergaan dan om het even wat ik in mijn 60-jarige beroepsleven heb meegemaakt. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het niet meer voorgekomen dat een partij zo compleet haar principes verloochent. De N-VA is niet meer de partij van vóór de verkiezingen van 2014, maar een geheel andere partij.
– Er was in 2013 de bocht van Bracke: de sociaaleconomische hervormingen gaan voor.
GRAMMENS: Het spijt me, maar Siegfried Bracke neem ik niet ernstig. Niet omdat het een gewezen collega-journalist is, hoor, maar ik kan het gewoon niet helpen. Als ik die man op televisie zie, begin ik te lachen. Wat een pantoffelheld, zeg. (grinnikt)
– Is de N-VA geen nationalistische partij meer?
GRAMMENS: Ik kan alleen maar vaststellen dat hier een Vlaams-nationalistische partij, die als belangrijkste bestaansreden de Vlaamse zelfstandigheid heeft, precies het tegendeel doet van wat ze haar kiezers beloofde. Sinds de verkiezingen doet de N-VA niets anders dan België zo sterk mogelijk maken. Op elk gebied. Zowel de N-VA-ministers als de partij in haar geheel sloven zich daarvoor uit. En België wordt ook sterker met de dag, dat voel je aan alles. Ik begrijp niet dat de Vlamingen dat zo gemakkelijk aanvaarden. Ik zou een opstand verwachten.
– Misschien liggen veel Vlamingen gewoon niet meer wakker van communautaire thema’s.
GRAMMENS: Daar ben ik het niet mee eens. Wie voor de N-VA koos, wist toch dat hij voor een Vlaams-nationalistische partij stemde? Van het zogenaamde centennationalisme waarmee de N-VA zich populair maakte, blijft ook niets meer over. Over de financiële transfers naar Wallonië zegt Bart De Wever geen woord meer.
– Waarom doet De Wever dat? Hij heeft het Vlaams-nationalisme voor het eerst in generaties een verkiezingsoverwinning bezorgd.
GRAMMENS: Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet ik een anekdote vertellen. In december 2006, toen de N-VA nog een kartel vormde met de CD&V en geld kreeg van die partij, kwam het grote nieuws dat Jean-Marie Dedecker naar de N-VA zou overstappen. Ik stond op het punt om Dedecker te feliciteren – we kennen elkaar – toen de overstap alweer werd afgeblazen. De Wever heeft Dedecker toen een dolk in de rug gestoken. Ik heb naderhand in Journaal een hoofdartikel aan die episode gewijd. In de laatste alinea noemde ik Bart De Wever een stinkerd. Dat was ook de naam die wij als kinderen op het Sint-Jan-Berchmanscollege in Brussel gaven aan valsspelers op de speelplaats.
– U hebt Bart De Wever nooit vertrouwd.
GRAMMENS: Inderdaad. Ik had De Wever door vanaf dag één. Een potentiële medestander zoals Dedecker zo om de tuin leiden! En dan maar liegen en bedriegen, alsof hij zich alles kan permitteren. Ik dacht toen bij mezelf: als die man zo doorgaat, gaat hij op den duur nog heel Vlaanderen bedriegen. En die verwachting is uitgekomen. Bart De Wever heeft zich nu ontpopt tot een groot verdediger van België. Ik vond hem in 2006 een stinkerd, en tien jaar later vind ik dat nog altijd. (zijn vrouw schuift hem een briefje toe: ‘niet overdrijven’)
– Maar wat had De Wever dan wel moeten doen in 2014?
GRAMMENS: Moet een politicus altijd iets doen? Een politicus kan toch ook een paar jaar met de duimen draaien, nee? Het gaat erom het goede moment af te wachten. Dat is een volkomen normale en redelijke optie voor een politicus. Aan de macht zijn betekent bovendien ook niet noodzakelijk macht hébben. Neem Jan Verroken, een goede vriend van mij. Ik heb hem weleens gevraagd waarom hij nooit minister is geworden. Dat wilde hij niet, zei hij, hoewel men het hem minstens zes keer heeft gevraagd. Maar de macht die hij als parlementslid bezat, was veel groter dan die van een minister. In dit land is de ministeriële macht soms verwaarloosbaar. Maar een minister kan natuurlijk wel de schoonmaakster van zijn kantoor benoemen, een chauffeur aanstellen en met zijn wederhelft op bezoek gaan in het koninklijk paleis.
– Een regering zonder socialisten is al een staatshervorming op zich, zei De Wever ter verdediging van de regering-Michel.
GRAMMENS: Dat is quatsch, natuurlijk. Deze regering is helemaal geen staatshervorming. We moeten ernstig blijven.
– Wat gebeurt er straks bij de verkiezingen in 2019?
GRAMMENS: Ik denk dat de N-VA zó sterk achteruitgaat dat de andere partijen geen enkele poging meer zullen doen om haar erbij te betrekken. Na bewezen diensten voor België zal de N-VA mogen inpakken. Mensen die zo openlijk onbetrouwbaar en oneerlijk zijn gebleken, zijn geen knip voor de neus waard. Een Vlaams spreekwoord zegt: eerlijk duurt het langst. Dat is in het echte leven ook zo. Daarom heeft iemand met het politieke curriculum van De Wever geen toekomst.
– Kans verkeken voor de N-VA. Hoe kan Vlaanderen dan wel nog stappen richting onafhankelijkheid zetten?
GRAMMENS: Met die vraag ga ik elke avond slapen. (lacht) Ik zal die Vlaamse onafhankelijkheid in elk geval niet meer meemaken. En dus ook het antwoord op die vraag niet meer te weten komen. De generatie die de strijd voor een Vlaamse staat zal moeten leveren, wordt nu geboren. (denkt even na) Misschien krijgen we een opleving van het onafhankelijkheidsstreven onder invloed van internationale gebeurtenissen? Stel dat de Spanjaarden, die tot alles in staat zijn, zo gek zijn om een onafhankelijk Catalonië de oorlog te verklaren en er geschoten wordt in de straten van Barcelona. Dat zou het idee van een onafhankelijk Vlaanderen bij veel jongeren weer schwung kunnen geven.
– Maar u twijfelt of de Vlaamse onafhankelijkheid er ooit komt?
GRAMMENS: In de nabije toekomst geloof ik er in elk geval niet meer in.
– Waar gaan die teleurgestelde N-VA-kiezers naartoe in 2019?
GRAMMENS: Sommigen naar het Vlaams Belang, dat kun je ook al afleiden uit recente opiniepeilingen. Maar waar ik bang voor ben, is dat de Vlaamse Beweging politiek dakloos wordt. Ik ga bij de volgende verkiezingen gewoon niet stemmen. Niet alleen omdat ik invalide ben en niet hoef te gaan, maar uit principe. Ik zou niet weten welke partij mijn steun verdient. En ik vrees dat velen in de Vlaamse Beweging er zo over denken. Voor zover de Vlaamse Beweging nog bestaat.
– In Vlaanderen is er natuurlijk ook geen meerderheid voor onafhankelijkheid.
GRAMMENS: Dat is relatief. Had men de Britten een jaar eerder of een jaar later de vraag over een brexit voorgelegd, dan was het antwoord misschien helemaal anders geweest. Die meerderheden schommelen. Het belangrijkste is op het juiste moment een referendum te houden.
– Hebt u in dat geval ook een oplossing voor het vraagstuk Brussel?
GRAMMENS: Die vraag kan ik nu onmogelijk beantwoorden. Voor Brussel moet een oplossing worden bedacht als het zover is. Alles hangt af van de toestand waarin Brussel zich op dat moment bevindt. Neem de Europese Unie. Die faalt vandaag. Stel nu dat de EU op een dag verdwijnt, dan is dat zoals een luchtbel die leegloopt in het centrum van Brussel. Zonder de EU stelt de stad niets meer voor. Dan kan het voor handige Vlaamse staatslieden niet zo moeilijk zijn om die stad voor ons in te palmen.
– Waarom moet Vlaanderen eigenlijk onafhankelijk worden?
GRAMMENS: Waarom niet? Bijna alle volken zijn onafhankelijk. Waarom zouden de Vlamingen dat recht niet hebben?
-Behoren natiestaten dan niet tot het verleden?
GRAMMENS: Ze komen net weer tot leven. Europa valt in duigen. Ik maak het misschien niet meer mee, maar die hele constructie zakt in elkaar. Daardoor worden natiestaten de komende tijd alleen maar belangrijker.
– Maar voelt u zich vandaag nog onderdrukt als Vlaming in België?
GRAMMENS: Door mijn vrouw een beetje. (lacht) Nee, ik voel mij niet door België onderdrukt. Ik haat dat land. Het staat me nog altijd scherp voor ogen wat hier in 1945 met mijn familie is gebeurd. Mijn vader was een overtuigde Belg, misschien zelfs een Belgisch nationalist. Maar hij zag dat de taalwetten altijd in het nadeel van de Vlamingen werden toegepast. Tijdens de oorlog kwam de functie van voorzitter van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht vrij. Als voorzitter heeft hij de taalwetten – de Bélgische taalwetten – helpen afdwingen. Na de oorlog is hij louter om die reden veroordeeld tot tien jaar gevangenis. Zes jaar heeft hij daarvan moeten uitzitten, absurd veel in vergelijking met de meeste andere gevallen. Mijn vader was ziedend toen hij vrijkwam. Maar ik ben als kind dus absoluut niet opgegroeid in een anti-Belgisch milieu. Dat is daarna pas gekomen. Het moment waarop mijn moeder en ik op straat werden gezet en we weerloos moesten toekijken hoe crapuul ons huis vernietigde, zal ik nooit vergeten. Ik was twaalf, en in dat jaar ben ik volwassen geworden.
– Begrijpt u dat mensen die zoiets niet hebben meegemaakt die haat voor België moeilijk kunnen vatten?
GRAMMENS: Zeker. Maar volken worden ook niet alleen onafhankelijk uit haat of omdat ze worden onderdrukt. Waarom wilden de Indiërs onafhankelijk worden van de Britten? Zij werden niet onderdrukt. Ze konden zelfs in Oxford gaan studeren door die band met Engeland. Maar ze waren trots. Ze wilden een eigen rol spelen op het wereldtoneel en niet altijd aan het handje van de Britten lopen. Ze wilden hun eigen regering, ze wilden zichzelf kunnen zijn.
– Zijn Vlamingen ook trotse mensen?
GRAMMENS:(zucht) Als we daarover beginnen, kruip ik liever in mijn bed.
– Bent u milder geworden met het ouder worden?
GRAMMENS: Omdat mijn knoken niet meer meewillen? Ik weet het niet. Ik zie wel beter dan vroeger welke verwezenlijkingen we hebben binnengehaald. Met Leuven Vlaams hebben we een grote slag gewonnen. Die Vlaamse overwinningen, en er zijn er heel wat geweest, beklemtonen we te weinig.
– Nu klinkt u zelfs tevreden.
GRAMMENS: (glimlacht) Eigenlijk wel, ja. Zo mag u dat gerust formuleren.
(Knack, 9/8/2016 – interview Han Renard, Peter Casteels)

Machiavelli herlezen: we zullen terugvechten, maar wel op ónze manier.

schaakmat.jpg

‘Vanaf nu is het oorlog’, roepen verbolgen politici zoals François Hollande en Bart De Wever uit. Ze hebben ons genoeg gekoejonneerd, we gaan die van IS eens een poepje laten ruiken!

Deze stoere taal doet me denken aan een voorval uit mijn lagere schooltijd.

Een klasgenoot in het derde studiejaar, niet bepaald de slimste, legde regelmatig de banden van mijn fiets plat. Hij kon amper lezen, maar in het geniep dat ventiel losdraaien, daar was hij meesterlijk in. Op een zeker ogenblik dacht ik: ‘nu is het oorlog!’, en ik sneed gewoon zijn beide banden over. Poets wederom poets, buitengewoon voldaan was ik omwille van deze geslaagde campagne, maar twee dagen later was mijn fiets gewoon weg en ik heb hem nooit meer teruggezien. Geen twijfel wie me dat had gelapt, maar de politie noch de schooldirectie was geïnteresseerd (het betrof een gekleurde jongeman). De oorlog was meteen gedaan en ik kon te voet naar school. Een jaar later kreeg ik een nieuwe fiets, op de groei gekocht, die ik jaren aan een stuk enkel op de buis zittend kon berijden, wat me tot op vandaag opstoten van priapisme bezorgt.

Conclusie: strategisch foutje gemaakt, een goeie les. Ook al heb je vijanden, niets zo dom als op hun terrein komen en hun regels overnemen.

Het genie van Machiavelli

En dat is precies wat het huidige tamtamgeroffel ter attentie van IS en het terrorisme doen. De Wever en C° zouden eens “Dell’arte della guerra” (1520) van Niccolò Machiavelli moeten lezen. Daarin schetst hij de verhouding tussen het militaire en de politiek, waaruit een globale strategie wordt gedestilleerd. Regel nummer één: verklaar zo min mogelijk openlijk de oorlog, diversifieer uw middelen, kies uw terrein, en laat de vijand ondertussen de illusie dat hij wint.

We hebben inderdaad met een vijand te maken, zonder twijfel. Maar het is een monster met vele koppen. Terrorisme gaat, zoals ik al zei, over een geopolitieke chaos na een foute invasie, religieus fanatisme, doorgeslagen koranlectuur, Molenbeek en een broeierig sociaal revanchisme in de Europese grootsteden, maar ook over een groeiend zootje psychopaten en uiteindelijk zelfs banale criminelen die meegaan in de überhype van de ‘Heilige Oorlog’.

Die laatste term wordt nu overgenomen door De Wever en C° zelf, de ideologen van de Grote Clash die zich als kruisvaarders aanstellen en zo hun grootste troef uit handen geven: het vernunft en de sluwheid van de Europese Arte della Guerra of de net-niet-oorlog. De kunst van de conflictbeheersing. Dat gaat ook over semantiek en retoriek: ook al voer je een strijd op leven en dood, je zegt het niet openlijk, je blijft aan politiek doen en strooit de tegenstander zand in de ogen, hoe doorgeslagen en barbaars hij zich ook voordoet.

In dat opzicht is Angela Merkel veel uitgekookter dan alle scherpslijpers samen. De Duitsers hebben dan ook twee wereldoorlogen verloren (die ze zelf begonnen) en hebben hun les geleerd. Wat voor een misrekening de open-deur-politiek (“Wir schaffen das”) ook was, en hoezeer ze ook met de kont op de blaren zit, Angela is wel veel te slim om IS openlijk de oorlog te verklaren: dat zou helemaal passen in hun logica van de ‘Totaler Krieg’ (een term die Joseph Goebbels in 1943 lanceerde, waarmee hij eigenlijk het lot van het Derde Rijk bezegelde).

In de plaats daarvan slaat en zalft ze, houdt verschillende kookpotjes warm, zoekt bondgenoten, analyseert, overlegt, wendt zelfs zwakte voor, laat ondertussen de politie en de staatsveiligheid haar werk doen, en wacht tot de vijand in zijn overmoed een fatale fout maakt of zichzelf voorbij rent. Dat heeft zelfs weinig met ‘vrouwelijke politiek’ te maken: ze heeft gewoon begrepen dat oorlog en krijgskunst twee grondig verschillende zaken zijn.

Godsoordeel

Zo lang me echter het gevoel bekruipt dat ze daar in Fallujah en omstreken Machiavelli beter gelezen hebben dan wij, maak ik me echt ongerust. Misschien is hun barbarij maar façade. Wij zitten voor een flink deel opgescheept met niet zo bijster intelligente, empathisch onderontwikkelde bewindslui die de feiten achterna lopen en er strategisch echt niet uit geraken, ook al wordt er wel eens met veel machtsvertoon een ‘cel’ ontmanteld. Het is vreugde om een dooie mus.

De woorden oorlog (‘oer-log’) en guerra zijn trouwens fatalistisch en religieus van oorsprong, ze houden etymologisch verband met het godsoordeel: niet de slimste of de sterkste zal winnen, wel diegene die god aan zijn kant heeft. Het is de domper op alle strategie of list, en plaatst de menselijke ratio ondergeschikt aan de lotsbestemming.

Angst, ongeduld en zelfoverschatting zijn de slechtste raadgevers. Opzwepende oorlogsverklaringen horen thuis in de prehistorie, de wereld van de supportersclubs en rivaliserende motobendes. Plus est en vous, mesdames et messieurs. We moeten de attitude vinden van de leerkracht die, met de ogen op de rug, precies weet in welke hoek de proppenschieters zitten, en wacht tot er eentje op het verkeerde moment met zijn katapult mikt.

Verwar dit vooral niet met vredesduifpacifisme: er is wel degelijk een fundamenteel conflict aan de gang, maar door het naar de dimensies van een schaakspel te reduceren –hoe bizar dat ook klinkt na een aanslag met 85 doden-, wordt het blinde geweld benoembaar, opdeelbaar en uiteindelijk misschien gelokaliseerd, ingedamd, via spelvariant nr X schaakmat gezet. Of hebt u ooit een schaakspeler gezien die rechtstond en zijn tegenstander de oorlog verklaarde. Het is de stilste die wint.

Het renaissance-genie van Machiavelli doet de metafysica verdampen, herleidt de oorlog tot een spel, waarin niet persé de sterkste wint, maar wel diegene die de spelregels bepaalt. Laten we hét motto van de Arte della Guerra, overigens spiegel van de Ars Amatoria of liefdeskunst, tot het onze maken: we zullen terugvechten, maar wel op onze manier. Misschien valt er ook nog iets te leren van de Oosterse gevechtssport,- ook het schaakspel komt overigens uit het Indische en Chinese cultuuruniversum.

De filosoof Hans Achterhuis (“De Kunst van het Vreedzaam Vechten”, 2015) heeft er, net in verband met de terreur, een gelijkaardige kijk op. Een leraar die voor een klas staat met de helft allochtone moslims, levert een dagelijkse strijd die vele malen subtieler is en rationeel onderbouwd dan de groteske Kruisvaart die Bart De Wever propageert. Humor, geduld, nuance, verleiding, uitdaging, soms ook doortastendheid, kenmerken deze ‘geciviliseerde speelvelden’ die in feite op Niccolò Machiavelli geïnspireerd zijn. We zullen als simultaanschakers op tien, twintig velden tegelijk moeten leren spelen, in plaats van gewoon de tafeltjes omver te gooien.

Of waarom de wiskundigen, die vinden dat het compleet versofte onderwijs de kracht van de ratio moet herontdekken, wellicht gelijk hebben.

Doet de N-VA een Erdoganneke?

DeRoover

Uitzonderingswetten die de vrijemeningsuiting beknotten, dat is wel het laatste wat we nodig hebben.

De komkommertijd blijft een gelegenheid voor politieke strategen om ballonnetjes op te laten die meer media-aandacht krijgen dan ze eigenlijk verdienen. Nu er bijna dagelijks IS-geïnspireerde terreuraanslagen (hier geen vakantie) te betreuren vallen, kon het niet anders of er moest ook van buiten het Vlaams Belang, met name de N-VA als centrumrechtse partij, een gespierde uitspraak komen die aan de volkswoede tegemoet komt. Jammer genoeg werd het geen migratiestop of een herziening van het asielbeleid, gezien de N-VA zelf de asielminister levert. Neen, de N-VA wil meteen de vrijemeningsuiting aan banden leggen –dus ook de uwe en de mijne-, en liet daartoe kamerlid Peter de Roover vanuit zijn Italiaans vakantieverblijf een pleidooi schrijven die op zijn blog verscheen.

Want ja: het begint bij woorden, die tot daden leiden, en dus moeten die woorden worden gecensureerd. Waarbij uiteraard de gedachten achter die woorden niet verdwijnen, en de IS-communicatie platleggen is al helemaal een utopie.

 ‘Collaborateurs’

Het is al bij al een raar ratjetoe, dat epistel van De Roover. Eerst stelt hij een soort derde wereldoorlog vast met IS als gemeenschappelijke vijand, vervolgens het feit dat die vijand overal en nergens is, en daarna komt het beladen woord ‘collaboratie’, die logisch moet gevolgd worden door een repressiegolf. Hij verwijst daarbij expliciet naar de Vlaamse Beweging die na de 2de wereldoorlog door zo’n repressie werd getroffen. Dat zullen ze aan de Vlaamse rechterzijde graag horen: nakomelingen van collaborateurs die ineens met moslimfundamentalisten op één hoop worden gegooid.

“Elke vijand telt bondgenoten in het binnenland”, klinkt het, en die mogen geëlimineerd worden. Bizar genoeg beroept de auteur zich vervolgens op… de Turkse president Recep Erdogan en zijn zuiveringsoperaties, die ook afrekent met de ‘collaborateurs’ van de Gülenbeweging.

Vervolgens gaat het over radicalisering en het feit dat de gedachten vrij zijn. Ja, maar niet in tijden van oorlog, waarschuwt het N-VA-kamerlid, want dan moet je een tandje bijsteken en dient ook de vrijheid van het woord beperkt: à la guerre comme à la guerre. Als argument wordt dan… nazi-propagandaminister Joseph Goebbels aangehaald,- als ik me goed herinner geen ‘collaborateur’ of lid van de ondergrondse, maar de man die gewapenderhand het woord van de macht uitdroeg.

Via de ‘Radikalenerlass’ in het Duitsland van de jaren ’70, toen de Baader-Meinhoffgroep terreur zaaide, gaat het dan naar het Vlaams Blok en het cordon sanitaire, ook een goede zaak volgens Peter De Roover, terwijl iedereen, ook bij links, het er langzamerhand over eens is dat de democratie zich hier van haar slechtste en ongeloofwaardigste kant heeft laten zien.

Daarna komt de Turkse kwestie nog eens aan bod, en de vraag of Erdoganaanhangers alhier tegenstanders wel openlijk mogen intimideren. Hoezo, dan toch geen zuivering? Op wie moeten we nu het etiket ‘collaborateur’ plakken? Maak er eens een gedacht van, Peter.

Einde van het vertoog, en een conclusie die helemaal eensluidend is met het begin: Collaborateurs met vijanden die onze vrijheid en veiligheid belagen, moeten worden bestreden, ook als ze zich beperken tot woorden.”

Patriot Act

Het probleem van dit logisch inconsistent en slordig geschreven vakantiewerk is vooreerst dat het wel inspeelt op de publieke angst voor een ‘verborgen vijand’, en ook de vrees dat terreurpropaganda nieuwe terreur veroorzaakt, maar het verwart een mening met een aansporing tot geweld. En zelfs dat laatste is voor discussie vatbaar. Overal lees ik op de sociale media dat de IS-barbaren zelf van het dak moeten gegooid worden of gevierendeeld. Of dat pedofielen verdienen om gecastreerd te worden. Ooit schreef ik op mijn blog dat TV-kok Piet Huysentruyt, die voor de camera met een sardonische grijns kreeften levend de poten uittrekt en ze vervolgens roostert, die behandeling zelf eens zou moeten ondergaan. Mag ik binnenkort de politie aan mijn deur verwachten?

Overigens is dreigen met geweld sowieso strafbaar, evenals aanzetten tot haat (we hebben zelfs een Centrum dat zich daarmee bezig houdt), en het is simpel om ook ‘aanzetten tot terreurdaden’ in het strafwetboek op te nemen, zoals dat in Frankrijk al het geval is. Maar waarom dan een debat over het grondwettelijk recht op vrijemeningsuiting beginnen? Ik heb de indruk dat het de N-VA, behalve om goedkope media-aandacht in de komkommertijd, om iets anders te doen is, en de onbehaaglijke verwijzing naar Erdogan versus de ‘collaborateurs’ wijst in die richting: het op de helling zetten van een aantal vrijheidsprincipes en het overwegen van censuurmaatregelen waarmee men alle kanten uitkan. Uitzonderingswetten dus, zoals de Patriot Act van George W. Bush (Bart De Wever heeft zelf al het idee geopperd om er een Belgische versie van te maken), die het terrorisme toch niet tegenhouden, maar wel onze eigen bewegingsvrijheid belemmeren, evenals het recht op politieke kritiek, humor, satire, eventueel in een ‘beledigende’ vorm.

Zou het ballonnetje van De Roover bijvoorbeeld de Charlie-toets doorstaan? Ik vermoed van niet. Europese moslims zijn al lang vragende partij om de Mohammed-karikaturen te verbieden omdat ze hun godsdienst beledigen. Zij vragen in wezen wat Peter de Roover voorstelt: een inkrimping van het free speech-principe om het politieke en ideologische status-quo niet in gevaar te brengen.

Dat leidt uiteindelijk tot een Erdoganisering van ons bestel, waarbij de machthebbers à volonté een mouw kunnen passen aan de persvrijheid, facebookpagina’s en blogs kunnen afsluiten, of journalisten op non-actief zetten.

‘Radicale afwijzing van de samenleving’

Tenslotte nog een vraag die ik richt aan Peter De Roover: In hoeverre vindt u zelf dat het met onze samenleving de goede kant uitgaat? Wat als ik nu eens niét akkoord ben met het reilen en zeilen van heel onze dolgedraaide prestatie- en consumentenmaatschappij, waar elke norm inzake levenskwaliteit ondergeschikt is aan het boekhoudersdenken? Wat als ik die radicaal afwijs, niet met bommen uiteraard maar wel met de kracht van het woord? Wat als ik de globalisering aan de kaak stel, de verplatting van de cultuur inclusief de Pokemonverdwazing, de manier hoe de media steeds weer meegaan in de domheid? De intrinsieke corruptie van het politieke bestel dat de verkeerde mensen aantrekt, namelijk zij die voor macht, status en materieel gewin gaan? De versodemietering van het leefmilieu en het dogma van de economische groei? Valt deze “radicale afwijzing van onze samenleving” ook onder uw nieuwe censuurwet-in-spe?

Men kan finaal iedereen ‘collaborateur’ noemen waar men het niet mee eens is, zoals elke Erdogan-tegenstander, van Koerd tot Gülenist, per definitie een ‘terrorist’ is.

De strijd tegen de eigenlijke terreur vergt intelligentie, zin voor nuance (jawel) en differentiatie. Elke terrorist heeft zijn eigen verhaal,- het gaat van echte doorgeslagen fanatici, over meelopers, tot psychotische gevallen,- en het zal moed, vernuft en verbeelding vergen om die puzzel in elkaar te passen waarna een strategie kan uitgetekend worden. Misschien is het zelfs in die zin beter om de vijand wél voluit het woord te geven, want dan kunnen we het tenminste bestuderen en eventueel een tegendiscours ontwikkelen dat aanslaat.

“We moeten het debat durven voeren”, schrijft Peter De Roover. Helemaal mee eens. Het vrije woord maximaal beschermen lijkt me dan al een goed begin. Anders gaan we gewoon mee in de logica van het nieuwe fascisme, dat door IS wordt uitgedragen maar ook in Ankara wortel heeft geschoten.

 

 

Anti-terreur, anders bekeken: is er nood aan meer prettig-gestoorden?

Was Mohamed Bouhlel, de man die met een witte vrachtwagen te Nice 85 mensen opzettelijk te pletter reed, een authentieke moslimterrorist, een psychopaat bij wie de knoppen doorsloegen, of een crimineel?

Uit de achtergrondinformatie blijkt steeds meer dat hij het alle drie was: ja hij was zoals dat heet ‘geradicaliseerd’, en ja, hij was een mentaal labiele eenzaat, en ja, hij heeft een voorgeschiedenis van geweldpleging, maar ook drugsverkoop en wapenhandel. Dat is een moeilijk punt voor de kruisvaarders onder ons, die liever zouden hebben dat Mohamed Bouhlel enkel en alleen handelde uit geloofsijver. Helaas: de man wàs echt een Narcistische zielenpoot én een crimineel.

Twee weken geleden stelde ik al in een artikel omtrent Nice (dat door de Doorbraak-redactie als politiek te incorrect werd bevonden en dus afgewezen) dat we met de containerterm ‘terrorisme’ nauwelijks nog wat opschieten. Het zegt alles en niets. Terrorisme gaat over terreur en terreur over angst, maar waarvoor hebben we allemaal geen angst? Een man die ons in de trein met een bijl te lijf gaat, zeker. Maar evengoed de bankovervaller, de belastingcontroleur, de pastoor die ons pietje betastte, de dokter die ons komt melden dat we kanker hebben. Angst is universeel en, ach, misschien kunnen we zelfs niet zonder, als kuddedieren die adrenaline kweken om vervolgens massaal weg te stuiven.

jihadEen nieuw element in de angst komt echter net voort uit de fusie van twee traditionele, oeroude schrikdemonen, de gek en de boosdoener, die door een derde worden getriggerd, namelijk de (religieuze) fanaticus. Dat brengt de terreur op een nieuw niveau waar alle koffiedikkijkers zich constant aan mispakken. In deze spiraal blijken Jihadisten een criminele achtergrond te hebben (denk aan Salah Abdeslam), bekeren gefrustreerde mislukkelingen zich tot de islam, en delen criminelen en psychopaten dezelfde kalashnikovs. In de vorige eeuw hadden we nog aparte opvangcentra zoals psychiatrische inrichtingen en gevangenissen,- nu worden ze allemaal moslim en kan de terreur echt beginnen. Verkijk u echter niet op die religieuze maïzena: meer en meer blijkt de lone wolf, de gestoorde eenzaat, hét model van de terrorist die zomaar in het wilde weg een spoor van vernieling achterlaat.

Hell’s Angels

Tot zover de vaststelling. De vraag is waarom het nog zolang geduurd heeft, en waarom onze Westerse samenleving lang immuun bleek voor dit soort psychotische gewelduitbarstingen. Ook daarop weet ik een antwoord: wij hebben artiesten, kunst, musea, performances. Ik weet heel zeker dat Jan Fabre en Arne Quinze, om maar die twee te noemen, intrinsiek dezelfde driehoek bewonen van de psychopaat, de crimineel en de (quasi-)profeet. In wezen zouden we ze mislukte terroristen kunnen noemen. Mislukt, nu ja…. Ze hebben de fatale driehoek omgevormd, zeg maar binnenste buiten gekeerd, tot een hoogst handzame driehoek waarin de marginale/gekwelde artiest (ex-psychopaat), de materialistische charlatan (ex-crimineel), en de historische missionaris (ex-jihadist) broederlijk samenwerken aan een glorieus artefact waarin de getransformeerde kunstenaar samen met zijn oeuvre schittert. Dat is een enorm pluspunt aan onze maatschappij: het vermogen, zij het gedeeltelijk, om marginaliteit op te werken tot ‘creativiteit’, waardoor een mate van wereldvreemdheid kan, mag, zelfs gewenst is.

kunstenaarU voelt het aankomen: als hedendaagse kunstenaars bijgeschaafde terroristen zijn, waarom dan niet proberen van de Mohamed Bouhlel’s artiesten te maken en hen zo een bezigheidstherapie te verschaffen die beantwoordt aan al hun Narcistische nood om een onuitwisbaar merkteken achter te laten? Als we terreur ten gronde analyseren moeten we toegeven dat maatschappelijk geweld in een vrije samenleving als de onze enkel binnen redelijke grenzen kan gehouden worden indien Wim Delvoye varkens mag tatoueren en Jan Fabre katten van de trap mag gooien,- wat uiteraard ook onze woede opwekt,- en beiden dat voor Grote Kunst mogen verkopen. Geef toe: een redelijk compromis.

Wie nog twijfelt aan mijn visie, raad ik aan om de cultroman ‘Ik Jan Cremer’ (1964) te lezen, het toendertijd als schandalig bevonden relaas van een gemotoriseerde losbol/seksmaniak/junk/klodderschilder (“Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, spat, sla, schop, ik vecht met verf en soms win ik.”). Het is een perfect voorbeeld van embryonale terreur die, mits een juiste sociale begeleiding, een artistiek en/of literair pad toegewezen krijgt waardoor de maatschappij van veel erger gespaard blijft.

Jaja, wir schaffen das. De met bijlen hakkende Syriërs en Afghanen, de asielzoekende bommenleggers,- natuurlijk hebben ze hier niets te zoeken. Angela Merkel zal de geschiedenis ingaan als de politica die onveiligheid Europees een nieuwe dimensie heeft gegeven, waardoor de panikerende burger probleemloos een totalitaire staat zou verkiezen boven de complete anarchie.

Tegelijk denk ik echter dat wij de negatieve energie die ons omringt, maatschappelijk moeten neutraliseren en opwerken. Vertederd kijk ik nu naar Fabre, Delvoye en al hun imitators die om ter gekst op televisie hun grensverleggende creaties komen toelichten. Maar met heimwee denk ik ook terug aan Scientology, Hare Krishna, al die sektetjes die tot de religieuze folklore behoorden en geen vlieg kwaad deden. Zelfs de Hell’s Angels en de Outlaws, waar zijn ze gebleven, die vluchtheuvels voor agressieve marginalen? Waarom zijn de voetbalsupportersclubs vandaag gerestyled tot brave hobbyclubs? Dit moet terugkomen, dat zachte fanatisme van de lichtjes geschifte meerderheid, het Afrit-9-gehalte van het Vrije Westen. Het heeft iets homeopathisch: de terreur verminderen door het (sociaal-aanvaardbare) geweld wat op te trekken.

Hier ligt een grote taak weggelegd voor de nieuwe socio-agogiek en wetenschap van de vrijetijdsbesteding, de humane wetenschap in het algemeen. Elk zijn geloof, elk zijn kerk, elk zijn theorie, passie, manie, tic. Uitlaatkleppen dus, gewoon het verhaal van de stoom en de ketel.

Una giornata particolare: vijf goede redenen om niét naar het 21-juli-défilé te gaan

Jambon

Het was een opmerkelijke uitnodiging die de Brusselse korpschef Guido Van Wymersch via de pers aan de bevolking meegaf om het aanstaande 21-juli-défilé bij te wonen: “Thuisblijven en op televisie volgen, staat gelijk aan toegeven aan ISIS. En dat mogen we nooit doen.”

Tja. Ik was helemaal niet van plan om dit kijkstuk op televisie te volgen, en nog minder om me morgen in levende lijve in Brussel te vertonen, ik voel me niet aangesproken. Maar het blijft wel hangen: als burger opgevorderd worden voor een parade ‘omdat we anders de vijand in de kaart spelen’. Voorwaar een enorme daad van vaderlandsliefde die ons in de huidige context wordt gevraagd. Na het afschrikkingseffect van het terrorisme waardoor mensen thuis blijven, is er nu de dwang om op straat te komen en als het ware een menselijk schild te vormen tegen de onzichtbare vijand. Het is niet helemaal hetzelfde, maar het doet er wel aan denken: in modelstaten als Noord-Korea heb je ook niet te kiezen of je al dan niet een militaire parade bijwoont.

Voor Guido Van Wymersch, die ooit een blaam kreeg omdat hij zijn eigen evaluatie had opgesmukt in de aanloop naar zijn benoeming, is het zijn laatste défilé alvorens hij van een welverdiende rust gaat genieten, en verlaten straten zouden echt wel een afscheid in mineur betekenen. Dit wordt Una giornata particolare, dus komen, mensen, komen!

Het Belvue-museum, metafoor van de versplintering

De plooibare Torck-kruk van Expo 58. Via deze Brusselse politieklucht komen we echter wel snel tot de kern van de zaak: sinds 22 maart 2016, de dag van de aanslagen in Zaventem en Brussel/Maalbeek, heeft België ook de schijn van een natie verloren. Het clichématige etiket failed state is niet helemaal correct: door het ontbreken van een collectieve identiteit is er nooit een state geweest, hooguit een construct dat nooit uit de steigers is geraakt en naadloos overging naar de status van ruïne, daarbij voortdurend op zoek naar een affiche die de leegte verbergt.

Het koningshuis beijvert zich ook vandaag nog om deze affiche in te kleuren. Via het vehikel van de Koning Boudewijnstichting worden filantropische projecten opgezet en artistieke manifestaties georganiseerd die België positief in de kijker moeten zetten als land van de diversiteit, verdraagzaamheid en ook een zekere Bourgondische ‘laissez-faire’-levensfilosofie. Het Belvue (heb j’em?)-museum, niet toevallig gelegen naast het Koninklijk Paleis in Brussel, was zo’n permanente België-van-de-oudheid-tot-heden-tentoonstelling, historisch kwakkel maar onberispelijk tricolore en ook wel aandoenlijk-stoffig. Om het geheel te moderniseren werd die tentoonstelling nu in een nieuw kleedje gestoken en werd de chronologie opgeheven, ten voordele van een postmoderne kijkdoos. Een passe-vite, een kroketmachine, een bokaal met (valse) diamanten, de koersbroek van Eddy Merckx, uitgestald als curiosa: de nieuwe curator herleidde België tot wat het is, namelijk een toevallig samenraapsel van objecten, toestanden, personen. Dat is een enorme vooruitgang: cultuurmakers beseffen nu wat de modale bewoners van dit koninkrijk al lang weten, namelijk dat ze in een ingebeeld land wonen.

De koninklijke familie had de hint overigens begrepen: Filip en Mathilde kunnen zich niet vinden in deze visie op de versplintering, en zullen niet aanwezig zijn op de opening. Een kwaliteitslabel dat kan tellen.

De curatoren geloven er dus zelf niet meer in en gingen resoluut voor een niet-samenhang, een opzettelijke bric-a-brac. Deze postmoderne visie is nieuw. Vroeger heette het dat België hét land van het surrealisme was, met een voorliefde voor dubbele bodems, knotsgekke compromissen en plezante chaos. Maar na Maalbeek/Zaventem is die identificatie compleet ongeloofwaardig en zelfs immoreel geworden. Het feit dat wij proportioneel het hoogst aantal Syriëstrijders van Europa kennen, heeft onder meer te maken met de tomeloze verheerlijking van de multicultuur uit de vorige eeuw, de cultus van de smeltkroes, en het negationisme omtrent sluimerende tegenstellingen. Alles was kleurrijk, divers, Belgisch. Molenbeek is het paradoxale resultaat van deze mythologie: een explosieve monocultuur,- en het woord ‘explosief’ mag letterlijk genomen worden. De dag dat België uiteenspatte, fysiek en reëel, heeft een naam: 22 maart 2016.

Zo wordt het nieuwe Belvue-museum als het ware een brokstukkenmagazijn dat je zou kunnen aantreffen na een ontploffing, maar dan enigszins afgestoft en ontdaan van menselijke resten. Het toont wat België echt is: iets tussen een nostalgische collectie van prullaria en een post-catastrofale inventaris.

De parade van 21 juli zal ook dit jaar nog helemaal in de sfeer van de nostalgische collectie baden, een show van soldaatjes en speelgoedtankjes, terwijl het publiek zelf weet dat de staat de veiligheid van zijn burgers niet meer kan garanderen. Alleen al uit lijfsbehoud blijven we er uren vandaan, in het besef dat heel de patriottistische ideologie een leugen was en dat we nu zelfs moeten rekening houden met een quasi-bezetting door Turkse Belgen,- ook een erfenis van de multiculturele zeepbel, terwijl achter elke hoek een asielzoeker met een hakbijl kan tevoorschijn komen. Hallucinant maar reëel.

De hilarische opvordering vanwege korpschef Van Wymersch zegt iets over de radeloosheid van een leeg institutioneel kader zonder publieke draagkracht. Een regimecrisis is onafwendbaar, misschien is dat nog een geluk bij een ongeluk. We zijn niet alleen, ook Frankrijk en wellicht zelfs Duitsland gaan een regimecrisis tegemoet: landen die zich zullen moeten heruitvinden doorheen en na het terreurtijdperk, maar zij hebben het grote voordeel van ergens op een culturele erfenis te kunnen terugvallen die meer is dan een postmoderne bricolage in een zijgebouwtje van het koninklijk paleis.

Veel redenen dus om op dat 21 juli défilé afwezig te blijven: te goed zomerweer, de Tour, teveel lawaai daar in Brussel, een acuut gebrek aan natiegevoel, geen zin om als een kreeft belle vue in stukken te eindigen voor het vaderland. ‘Er zal méér politie en leger rond de parade patrouilleren, dan erin meelopen’, liet Van Wymersch ons nog trots weten. Tja, een feest met groteske veiligheidsmaatregelen wijst er misschien op dat er niets te feesten valt. Dacht ik zo.