Anti-terreur, anders bekeken: is er nood aan meer prettig-gestoorden?

Was Mohamed Bouhlel, de man die met een witte vrachtwagen te Nice 85 mensen opzettelijk te pletter reed, een authentieke moslimterrorist, een psychopaat bij wie de knoppen doorsloegen, of een crimineel?

Uit de achtergrondinformatie blijkt steeds meer dat hij het alle drie was: ja hij was zoals dat heet ‘geradicaliseerd’, en ja, hij was een mentaal labiele eenzaat, en ja, hij heeft een voorgeschiedenis van geweldpleging, maar ook drugsverkoop en wapenhandel. Dat is een moeilijk punt voor de kruisvaarders onder ons, die liever zouden hebben dat Mohamed Bouhlel enkel en alleen handelde uit geloofsijver. Helaas: de man wàs echt een Narcistische zielenpoot én een crimineel.

Twee weken geleden stelde ik al in een artikel omtrent Nice (dat door de Doorbraak-redactie als politiek te incorrect werd bevonden en dus afgewezen) dat we met de containerterm ‘terrorisme’ nauwelijks nog wat opschieten. Het zegt alles en niets. Terrorisme gaat over terreur en terreur over angst, maar waarvoor hebben we allemaal geen angst? Een man die ons in de trein met een bijl te lijf gaat, zeker. Maar evengoed de bankovervaller, de belastingcontroleur, de pastoor die ons pietje betastte, de dokter die ons komt melden dat we kanker hebben. Angst is universeel en, ach, misschien kunnen we zelfs niet zonder, als kuddedieren die adrenaline kweken om vervolgens massaal weg te stuiven.

jihadEen nieuw element in de angst komt echter net voort uit de fusie van twee traditionele, oeroude schrikdemonen, de gek en de boosdoener, die door een derde worden getriggerd, namelijk de (religieuze) fanaticus. Dat brengt de terreur op een nieuw niveau waar alle koffiedikkijkers zich constant aan mispakken. In deze spiraal blijken Jihadisten een criminele achtergrond te hebben (denk aan Salah Abdeslam), bekeren gefrustreerde mislukkelingen zich tot de islam, en delen criminelen en psychopaten dezelfde kalashnikovs. In de vorige eeuw hadden we nog aparte opvangcentra zoals psychiatrische inrichtingen en gevangenissen,- nu worden ze allemaal moslim en kan de terreur echt beginnen. Verkijk u echter niet op die religieuze maïzena: meer en meer blijkt de lone wolf, de gestoorde eenzaat, hét model van de terrorist die zomaar in het wilde weg een spoor van vernieling achterlaat.

Hell’s Angels

Tot zover de vaststelling. De vraag is waarom het nog zolang geduurd heeft, en waarom onze Westerse samenleving lang immuun bleek voor dit soort psychotische gewelduitbarstingen. Ook daarop weet ik een antwoord: wij hebben artiesten, kunst, musea, performances. Ik weet heel zeker dat Jan Fabre en Arne Quinze, om maar die twee te noemen, intrinsiek dezelfde driehoek bewonen van de psychopaat, de crimineel en de (quasi-)profeet. In wezen zouden we ze mislukte terroristen kunnen noemen. Mislukt, nu ja…. Ze hebben de fatale driehoek omgevormd, zeg maar binnenste buiten gekeerd, tot een hoogst handzame driehoek waarin de marginale/gekwelde artiest (ex-psychopaat), de materialistische charlatan (ex-crimineel), en de historische missionaris (ex-jihadist) broederlijk samenwerken aan een glorieus artefact waarin de getransformeerde kunstenaar samen met zijn oeuvre schittert. Dat is een enorm pluspunt aan onze maatschappij: het vermogen, zij het gedeeltelijk, om marginaliteit op te werken tot ‘creativiteit’, waardoor een mate van wereldvreemdheid kan, mag, zelfs gewenst is.

kunstenaarU voelt het aankomen: als hedendaagse kunstenaars bijgeschaafde terroristen zijn, waarom dan niet proberen van de Mohamed Bouhlel’s artiesten te maken en hen zo een bezigheidstherapie te verschaffen die beantwoordt aan al hun Narcistische nood om een onuitwisbaar merkteken achter te laten? Als we terreur ten gronde analyseren moeten we toegeven dat maatschappelijk geweld in een vrije samenleving als de onze enkel binnen redelijke grenzen kan gehouden worden indien Wim Delvoye varkens mag tatoueren en Jan Fabre katten van de trap mag gooien,- wat uiteraard ook onze woede opwekt,- en beiden dat voor Grote Kunst mogen verkopen. Geef toe: een redelijk compromis.

Wie nog twijfelt aan mijn visie, raad ik aan om de cultroman ‘Ik Jan Cremer’ (1964) te lezen, het toendertijd als schandalig bevonden relaas van een gemotoriseerde losbol/seksmaniak/junk/klodderschilder (“Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, spat, sla, schop, ik vecht met verf en soms win ik.”). Het is een perfect voorbeeld van embryonale terreur die, mits een juiste sociale begeleiding, een artistiek en/of literair pad toegewezen krijgt waardoor de maatschappij van veel erger gespaard blijft.

Jaja, wir schaffen das. De met bijlen hakkende Syriërs en Afghanen, de asielzoekende bommenleggers,- natuurlijk hebben ze hier niets te zoeken. Angela Merkel zal de geschiedenis ingaan als de politica die onveiligheid Europees een nieuwe dimensie heeft gegeven, waardoor de panikerende burger probleemloos een totalitaire staat zou verkiezen boven de complete anarchie.

Tegelijk denk ik echter dat wij de negatieve energie die ons omringt, maatschappelijk moeten neutraliseren en opwerken. Vertederd kijk ik nu naar Fabre, Delvoye en al hun imitators die om ter gekst op televisie hun grensverleggende creaties komen toelichten. Maar met heimwee denk ik ook terug aan Scientology, Hare Krishna, al die sektetjes die tot de religieuze folklore behoorden en geen vlieg kwaad deden. Zelfs de Hell’s Angels en de Outlaws, waar zijn ze gebleven, die vluchtheuvels voor agressieve marginalen? Waarom zijn de voetbalsupportersclubs vandaag gerestyled tot brave hobbyclubs? Dit moet terugkomen, dat zachte fanatisme van de lichtjes geschifte meerderheid, het Afrit-9-gehalte van het Vrije Westen. Het heeft iets homeopathisch: de terreur verminderen door het (sociaal-aanvaardbare) geweld wat op te trekken.

Hier ligt een grote taak weggelegd voor de nieuwe socio-agogiek en wetenschap van de vrijetijdsbesteding, de humane wetenschap in het algemeen. Elk zijn geloof, elk zijn kerk, elk zijn theorie, passie, manie, tic. Uitlaatkleppen dus, gewoon het verhaal van de stoom en de ketel.

Una giornata particolare: vijf goede redenen om niét naar het 21-juli-défilé te gaan

Jambon

Het was een opmerkelijke uitnodiging die de Brusselse korpschef Guido Van Wymersch via de pers aan de bevolking meegaf om het aanstaande 21-juli-défilé bij te wonen: “Thuisblijven en op televisie volgen, staat gelijk aan toegeven aan ISIS. En dat mogen we nooit doen.”

Tja. Ik was helemaal niet van plan om dit kijkstuk op televisie te volgen, en nog minder om me morgen in levende lijve in Brussel te vertonen, ik voel me niet aangesproken. Maar het blijft wel hangen: als burger opgevorderd worden voor een parade ‘omdat we anders de vijand in de kaart spelen’. Voorwaar een enorme daad van vaderlandsliefde die ons in de huidige context wordt gevraagd. Na het afschrikkingseffect van het terrorisme waardoor mensen thuis blijven, is er nu de dwang om op straat te komen en als het ware een menselijk schild te vormen tegen de onzichtbare vijand. Het is niet helemaal hetzelfde, maar het doet er wel aan denken: in modelstaten als Noord-Korea heb je ook niet te kiezen of je al dan niet een militaire parade bijwoont.

Voor Guido Van Wymersch, die ooit een blaam kreeg omdat hij zijn eigen evaluatie had opgesmukt in de aanloop naar zijn benoeming, is het zijn laatste défilé alvorens hij van een welverdiende rust gaat genieten, en verlaten straten zouden echt wel een afscheid in mineur betekenen. Dit wordt Una giornata particolare, dus komen, mensen, komen!

Het Belvue-museum, metafoor van de versplintering

De plooibare Torck-kruk van Expo 58. Via deze Brusselse politieklucht komen we echter wel snel tot de kern van de zaak: sinds 22 maart 2016, de dag van de aanslagen in Zaventem en Brussel/Maalbeek, heeft België ook de schijn van een natie verloren. Het clichématige etiket failed state is niet helemaal correct: door het ontbreken van een collectieve identiteit is er nooit een state geweest, hooguit een construct dat nooit uit de steigers is geraakt en naadloos overging naar de status van ruïne, daarbij voortdurend op zoek naar een affiche die de leegte verbergt.

Het koningshuis beijvert zich ook vandaag nog om deze affiche in te kleuren. Via het vehikel van de Koning Boudewijnstichting worden filantropische projecten opgezet en artistieke manifestaties georganiseerd die België positief in de kijker moeten zetten als land van de diversiteit, verdraagzaamheid en ook een zekere Bourgondische ‘laissez-faire’-levensfilosofie. Het Belvue (heb j’em?)-museum, niet toevallig gelegen naast het Koninklijk Paleis in Brussel, was zo’n permanente België-van-de-oudheid-tot-heden-tentoonstelling, historisch kwakkel maar onberispelijk tricolore en ook wel aandoenlijk-stoffig. Om het geheel te moderniseren werd die tentoonstelling nu in een nieuw kleedje gestoken en werd de chronologie opgeheven, ten voordele van een postmoderne kijkdoos. Een passe-vite, een kroketmachine, een bokaal met (valse) diamanten, de koersbroek van Eddy Merckx, uitgestald als curiosa: de nieuwe curator herleidde België tot wat het is, namelijk een toevallig samenraapsel van objecten, toestanden, personen. Dat is een enorme vooruitgang: cultuurmakers beseffen nu wat de modale bewoners van dit koninkrijk al lang weten, namelijk dat ze in een ingebeeld land wonen.

De koninklijke familie had de hint overigens begrepen: Filip en Mathilde kunnen zich niet vinden in deze visie op de versplintering, en zullen niet aanwezig zijn op de opening. Een kwaliteitslabel dat kan tellen.

De curatoren geloven er dus zelf niet meer in en gingen resoluut voor een niet-samenhang, een opzettelijke bric-a-brac. Deze postmoderne visie is nieuw. Vroeger heette het dat België hét land van het surrealisme was, met een voorliefde voor dubbele bodems, knotsgekke compromissen en plezante chaos. Maar na Maalbeek/Zaventem is die identificatie compleet ongeloofwaardig en zelfs immoreel geworden. Het feit dat wij proportioneel het hoogst aantal Syriëstrijders van Europa kennen, heeft onder meer te maken met de tomeloze verheerlijking van de multicultuur uit de vorige eeuw, de cultus van de smeltkroes, en het negationisme omtrent sluimerende tegenstellingen. Alles was kleurrijk, divers, Belgisch. Molenbeek is het paradoxale resultaat van deze mythologie: een explosieve monocultuur,- en het woord ‘explosief’ mag letterlijk genomen worden. De dag dat België uiteenspatte, fysiek en reëel, heeft een naam: 22 maart 2016.

Zo wordt het nieuwe Belvue-museum als het ware een brokstukkenmagazijn dat je zou kunnen aantreffen na een ontploffing, maar dan enigszins afgestoft en ontdaan van menselijke resten. Het toont wat België echt is: iets tussen een nostalgische collectie van prullaria en een post-catastrofale inventaris.

De parade van 21 juli zal ook dit jaar nog helemaal in de sfeer van de nostalgische collectie baden, een show van soldaatjes en speelgoedtankjes, terwijl het publiek zelf weet dat de staat de veiligheid van zijn burgers niet meer kan garanderen. Alleen al uit lijfsbehoud blijven we er uren vandaan, in het besef dat heel de patriottistische ideologie een leugen was en dat we nu zelfs moeten rekening houden met een quasi-bezetting door Turkse Belgen,- ook een erfenis van de multiculturele zeepbel, terwijl achter elke hoek een asielzoeker met een hakbijl kan tevoorschijn komen. Hallucinant maar reëel.

De hilarische opvordering vanwege korpschef Van Wymersch zegt iets over de radeloosheid van een leeg institutioneel kader zonder publieke draagkracht. Een regimecrisis is onafwendbaar, misschien is dat nog een geluk bij een ongeluk. We zijn niet alleen, ook Frankrijk en wellicht zelfs Duitsland gaan een regimecrisis tegemoet: landen die zich zullen moeten heruitvinden doorheen en na het terreurtijdperk, maar zij hebben het grote voordeel van ergens op een culturele erfenis te kunnen terugvallen die meer is dan een postmoderne bricolage in een zijgebouwtje van het koninklijk paleis.

Veel redenen dus om op dat 21 juli défilé afwezig te blijven: te goed zomerweer, de Tour, teveel lawaai daar in Brussel, een acuut gebrek aan natiegevoel, geen zin om als een kreeft belle vue in stukken te eindigen voor het vaderland. ‘Er zal méér politie en leger rond de parade patrouilleren, dan erin meelopen’, liet Van Wymersch ons nog trots weten. Tja, een feest met groteske veiligheidsmaatregelen wijst er misschien op dat er niets te feesten valt. Dacht ik zo.

Nice, 14/7: waarom wij de waanzin moeten be-grijpen, om niet zelf gek te worden

wittevrachtwagen

Voor het bloedbad gisteren in de riante badplaats Nice staat de teller momenteel op 84 slachtoffers. Hoewel er op het moment van dit schrijven nog niets is opgeëist door IS of om het even wie, kwam president François Hollande al manhaftig voor de camera verklaren dat ‘het terrorisme ongenadig zal bestreden worden’.
Dat is een mooi voornemen, maar van de chauffeur in de fatale witte vrachtwagen is momenteel enkel geweten dat het een Franse trucker is met Tunesische roots, een verleden van kruimeldief heeft en vader van drie kinderen is. Wel wat weinig als aanknopingspunt voor een tactische breinstorm over ‘hét terrorisme’. Het zegt iets over het troebel mengsel van amateurisme en hysterie dat zich verspreidt, ook bij figuren die aan het roer van de natie staan. Uiteraard gaat het ook om oorlogsretoriek van een president wiens populariteit op een absoluut dieptepunt staat, maar toch: de war on terror (de term is van George W. Bush, de man die samen met Tony Blair het alibi voor de inval in Irak verzon) lijkt ook in Europa meer en meer een alles-en-niets-verhaal, een vaag exorcisme dat niet meer op de feiten teruggaat maar op het algemeen aanvaard beeld van de feiten. Een onrustwekkende evolutie.

Halbstarken

Naarmate het IS-territorium inkrimpt nemen de aanslagen in Europa en de VS toe, dat werd ons voorspeld. Maar tegelijk voltrekt zich een ander fenomeen: de toenemende ‘zelfsturing’ van de terreur. Zelfs al eist Islamitische Staat nadien de aanslag op, het blijkt meer en meer dat de wereldwijde geweldacties geen ordewoord uit Ar-Raqqah meer nodig hebben: het virus plant zich vanzelf voort. De vraag is, bij wie en waarom.
Dat viraal aspect is veel te weinig aan de orde. We zien wel brokstukken in het ronde vliegen, en gaan een paar dagen later meestal toch weer over tot de orde van de dag, maar het kruipt onder de leden en beïnvloedt ons denken. En om die psychische terreur is het écht te doen. Het gaat dan niet over de bom zelf, maar over de schokgolf en de natrillingen, het nieuws, het gerucht, en zijn effecten. Publieke angst is zo’n effect. Ze kan leiden tot een mentale tunnel waarbij iedereen nog maar over één ding spreekt en aan één ding denkt. Een groot deel van de rationaliteit –nodig om het probleem echt onder ogen te zien- wordt opgeofferd aan een regie om de angst beheersbaar te houden. Bijvoorbeeld door op elke hoek van de straat een para te zetten. Dat lost niets op, maar het geeft een ‘veiligheidsgevoel’, en dat vinden vele politici al een hele vooruitgang.

Veel interessanter nog is een ander effect van terreur: het werkt als een lokroep bij alle mogelijke lieden met een lage psychische immuniteit om eraan deel te nemen, ‘erbij te horen’. De bekering tot de fundamentalistische islam en de zogenaamde radicalisering zijn in dat opzicht maar middelen om agressie te kunnen veruiterlijken via een ingebeelde ‘rechtvaardige oorlog’. Er is IS, het krimpende kalifaat, maar de jihad wordt vermoedelijk ook meer en meer een vluchtheuvel voor alle mogelijke frustraties en mentale of sociale disfuncties, tot en met regelrechte psychoses.
En ja, het krioelt nu eenmaal op deze planeet van psychische wrakken en risico-patiënten. Achter de stoere strijders verschuilt zich,- en dat weten de IS-strategen verdomd goed-, een deerniswekkend hoopje sukkels, weliswaar soms goed opgeleid en helemaal niet sociaal marginaal, maar niettemin mensen met een zware hoek af.
Zonder twijfel is het voor deze Halbstarken een triomf om zomaar, alleen of met een handvol gelijkgezinden, het wereldnieuws te halen en als het ware de loop van de geschiedenis te bepalen: het geeft een enorm machtsgevoel. Terreur is onder meer ook de overcompensatie van alle minderwaardigheidscomplexen. Het is de apocalyptische triomf van de zieke mens, opdoemend uit de grijsheid, als de man in de witte vrachtwagen. Met of zonder IS-label.

Vierendelen

In die optiek is religie niet het probleem maar de hefboom, hoe bol de Koran ook staat van haat jegens niet-gelovigen. We hebben met levende waanzin te maken, niet met dode teksten. Het is opvallend hoe de jihad-boodschap vlot binnensijpelt bij labiele persoonlijkheden die in de (pseudo)religie een ‘trigger’ hebben gevonden om hun stoornis uit te leven, zie bijvoorbeeld de dader van de schietpartij in Orlando/VS. Was het nu echt uit deemoed voor Allah, uit afkeer van de westerse samenleving, uit homohaat, of was de man gewoon compleet geschift? Wat is het verschil met een doorsnee-psychopaat bij wie de stoppen doorslaan? Vroeger vermoordde je vrouw en kinderen, een halve schoolpopulatie (in de VS nog steeds), of maakte je als seriemoordenaar de buurt onveilig, nu blaas je een metrostation op of rij je met een vrachtwagen de menigte in. Waarna iedereen dadelijk weer ‘de oorlog verklaart aan het terrorisme’. Men zou echter eens moeten nagaan in hoeverre de statistieken van zgn. psychopathische misdrijven, sinds de toenemende terreurgolven van het laatste jaar, gedaald zijn. Samen met de reguliere criminaliteit, die ook de vlag van de jihad heeft ontdekt.

In die zin vind ik het woord ‘terrorisme’ als passe-partout meer en meer een miskleun, en is Hollande’s paniekuitspraak ‘Dit is een oorlogsverklaring aan de republiek’ van een vreselijke banaliteit. Het gaat om extreem geweld en Allah wordt er bij gesleurd, maar het zal toch wel nodig zijn om dieper te kijken dan dat, wil men het fenomeen doorgronden, in kaart brengen en onschadelijk maken.
Een zekere dosis empathie –hoe moeilijk dat woord ook ligt na 85 doden- is dus nodig, en als wetenschapper Stephen Hawking dat bedoelt met het woord, ben ik helemaal mee. We kunnen de man-in-de-witte-vrachtwagen wel als een monster beschouwen en hem eventueel vierendelen op zijn middeleeuws, of nog maar eens een ‘grote clash der beschavingen’ uitroepen, of anderzijds wat kaarsjes branden en stille marsen houden, maar wat schieten we daarmee op?
De echte uitdaging is daarom vermoedelijk niet de ‘strijd tegen het terrorisme’ maar het doorgronden van de terrorist, die eigenlijk als monotype niet bestaat want de halve mensheid is een potentiële terrorist, begin er maar eens aan. Het klinkt misschien soft en zielenknijperig, en het is allerminst zo bedoeld, maar we zullen uit onze eigen waan moeten durven stappen en concreet op de man en de vrouw af gaan. Laten we de dokter zijn in het gekkenhuis, niet een van de gekken. Met clichés en groteske veralgemeningen geraken we er nooit, sterker nog, doen we zelf mee aan de virale verspreiding van de waan.

De media spelen uiteraard een sleutelrol in deze dynamiek, jammer dat ze het zelf niet beseffen. Het klinkt wereldvreemd en utopisch, maar zonder media of internet zou er natuurlijk ook geen grootschalig terrorisme zijn: als niemand wist dat er in Nice iets is gebeurd, was er ook niets gebeurd. Of hoe het gerucht zichzelf waar maakt, vrij naar Jean Baudrillard (1929-2007), een filosoof waarvan ik François Hollande dringend de lectuur kan aanbevelen.

Over spuwende ministers en Vlaamse filmkens: waarom ik elk jaar weer uitkijk naar 11 juli

BourgeoisDe grap over de Guldensporenslag is, dat de Vlamingen tot 11 juli gewacht hebben om slag te leveren tegen het Franse leger, omdat ze zo een redelijke kans hadden om de pers te halen gezien de politieke komkommertijd. Tot op vandaag is die Vlaamse feestdag (zoals de Belgische trouwens), een welgekomen dag vol vermaak in een nieuwsarm jaargetijde.
Het is natuurlijk grappig dat de vleesgeworden saaie deftigheid zelve, in casu de Vlaamse Minister-President Geert Bourgeois, achtervolgd wordt door zijn eigen one-liner waarin hij de Vlamingen op de grond laat spuwen. Dat is heel onbeleefd, zo leerde ik van mijn moeder. Alleen voetballers doen het nog, om de tegenstander te imponeren als een soort oud-mannelijk territoriumsignaal. En neen, Geert bedoelde het zo niet, maar toch, het luidde letterlijk zo in dat VTM-interview naar aanleiding van 11 juli, Vlaamse feestdag: De taalgrens is een stakingsgrens geworden en de Vlamingen spuwen daarop’. Baf, je hoort het fluim zo kletteren.
Terzijde: spuwen op een taalgrens, het is al niet makkelijk, en op een stakingsgrens nog veel minder, want waar zou die eigenlijk precies liggen. De uitspraak klopt ook niet, binnen haar eigen betekenisveld: als de Vlamingen in de visie van Bourgeois al ergens zouden op spuwen, dan is het op stakingen en niet op een ‘stakingsgrens’. Maar waarom grijze Geert zich liet verleiden tot zo’n pittige beeldspraak, bewust wetende dat dit wel voor wat tumult zou zorgen in deze komkommertijd? Omdat de N-VA leeft van loze retoriek, en dit soort taalgebruik uit de kast haalt als de Vlaamse beweging even moet bediend worden, terwijl Jan Jambon en Steven Vandeput binnen tien dagen toch ook present zullen zijn op de tricolore parade. Honni soit qui mal y pense. Maar vandaag mag, wat zeg ik: moét de Vlaming spuwen, ook al komt de wind uit het Zuidwesten en zit de kans er dik in dat de fluimbal in zijn eigen gezicht uiteen pletst.

 

Alles eindigt in een worst
Vlaamse grondNeen, geef mij dan maar de zomerhit die het Vlaams Belang vandaag uitbrengt: “Dit is Vlaamse grond”, gezongen door twee blonde blommen, een mollige en een ranke, geflankeerd door een gitarist en euhm, een luchtpercussionist. Het deuntje is wat Lais-achtig, maar die meiden waren allicht niet te strikken voor een VB-single, dus was het behelpen met twee schone maar niet echt toonvast zingende Neles.
Hun gezapige rit verloopt in een 2-PK, van de IJzertoren naar het Gentse Gravensteen, doet dan even Molenbeek aan waar dievelings een sticker wordt geplakt, en eindigt ergens in de Vlaamse velden op een barbecue met varkensworsten en, jawel, zie ik het goed, twee mannen die elkaar knuffelen. Boodschap begrepen, hier geen islamgedoe. Want: dit is Vlaamse grond.
Wat klopt er niet aan dit filmpje? Van alles, het zit klungelig in elkaar, de meisjes lijken van hout, het deuntje in mineur is slaapverwekkend, de tekst grotesk. Dit moét bijna van Anton Aldi zijn, de discountdichter die ook de bindteksten van de IJzerwake verzorgt. Het toont ons een blank, proper, gezellig en idyllisch Vlaanderen dat niet bestaat, met opvallend weinig mensen, vermoedelijk omdat niemand herkenbaar in beeld wil komen op een VB-clip. Maar vooral: het vervalt in dezelfde, N-VA-achtige cultus van de middelmatigheid, vol pastoorslyriek die de Vlamingen vooral aan hun ‘grond’ wil binden omdat ze toch te dom zijn voor iets anders. Neen, de Val van Antwerpen en de brain-drain naar het Noorden is duidelijk nog niet verteerd. Spuwen aan en op de grens, met de worst in de hand door Vlaanderland: de twee flamingante partijen overtreffen mijn stoutste verwachtingen.

 

Kleine ambities
Over grond gesproken. In mijn eigen gemeente Overijse vecht ik met enkele rabauwen al jaren om een landbouwgebied/natuurgebied te vrijwaren van verstedelijking. De burgemeester, een échte Vlaming en N-VA-er die nauwe banden heeft met de immo-sector, heeft met deze Vlaamse grond andere plannen. Onze actie om de zgn. ‘trage wegen’ (oude voetwegen voor wandelaars en fietsers), die o.m. door een rijke industrieel worden afgesloten omdat ze door zijn domein gaan, weer open te krijgen, botst op een bureaucratische muur van goede Vlaamse makelij. Mijn grootste bondgenoot in deze is een…. alhier wonende Deen die niet snapt hoe je hier met de wet aan je kant toch wandelen kunt gestuurd worden.
Vlaamse grond dus, en hoe deze te versodemieteren. Straks ook nog Uplace er bovenop, ook weer dankzij de Vlaams-nationalisten die in hun eigen rochels uitglijden. De politiek, de Vlaamse nog meer dan de Belgische, huldigt kleine ambities, intellectueel en cultureel, maar ook maatschappelijk-sociaal en ecologisch. In wat voor een godverdomse Vlaamse republiek zouden we wel wakker worden met zo’n stel grijze klerken?
Het hardnekkig naar de mottenballen ruikende kerktorenflamingantisme, gecombineerd met een even hardnekkig rechtsblauw centenflamingantisme, blijft de grondtoon bepalen van de Vlaamse beweging. In Catalonië is het streven naar autonomie nog modern en ambitieus, bij ons is ze nostalgisch en kneuterig-conservatief.
“Dit is Vlaamse grond, dus bol het af” klinkt het in het refrein van de VB-clip. Wel, ik denk er sterk over na om dat te doen. En via Youtube blijft men wereldwijd perfect op de hoogte van de stand der dingen in Vlaanderland. Nog een vrolijke 11 julidag gewenst.

Onverdoofd slachten en ‘godsdienstvrijheid’: is een Sharia for Flanders in de maak?

sharia

Een maand geleden legden Hermes Sanctorum (Groen) en Chris Janssens (Vlaams Belang) het Vlaams Parlement een voorstel van decreet voor, dat een totaalverbod op onverdoofd slachten inhoudt. Dus niet alleen op tijdelijke slachtvloeren, n.a.v. het islamitische Offerfeest bijvoorbeeld, maar ook in de reguliere slachthuizen. Op zich is dat tamelijk revolutionair, gezien de ideologisch totaal verschillende achtergrond van de initiatiefnemers.

Vlaams minister van Dierenwelzijn Ben Weyts (N-VA), die zelf beweert een voorstander te zijn van het verbod, zat er mee verveeld want de politieke meerderheid (CD&V, N-VA, Open Vld)  bevindt zich hier niet op één lijn. Vooral CD&V, die nogal wat moslimpolitici in de rangen sluit, wilde naar goed tsjevengebruik de kool en de geit (in dit geval het schaap) sparen, en drong aan op een afzwakking van het decreet.

De oplossing was zo Belgisch als ze maar zijn kon: het advies van de Raad van State, vragen,- speciaal opgericht om onoplosbare problemen een tijd in de koelkast te houden-, en ondertussen verder bakkeleien in de hoop dat de vis verdrinkt. Je weet maar nooit dat het advies zelf negatief is, en dan hebben alle partijen een alibi om water bij de wijn te doen, of de zaak zelfs gewoon helemaal verticaal te klasseren.

Het advies is er nu, en jawel: de Raad heeft grondwettelijke bezwaren en ziet in dat algemeen verbod op onverdoofd slachten “…een miskenning van de vrijheid van godsdienst”.

Ten gronde is dat een bizarre motivering. Vrijheden kunnen niet naast elkaar staan want dan krijg je paradoxale situaties. Een samenleving met een morele ‘drive’ moet ook vrijheden kunnen ordenen en in een hiërarchie plaatsen. Dat deed de filosoof Kant al, toen hij poneerde dat je niet iemand iets aandoet wat je zelf niet wil aangedaan worden. De vrijheid om iemand van zijn stoel te duwen is bijvoorbeeld ondergeschikt aan de vrijheid om erop te blijven zitten.

De grondslag van dit Kantiaans principe is overigens pure empathie, mededogen, en daar hoort ergens respect voor het leven bij, ook dierlijk leven, hoe hachelijk dat in onze hoogindustriële samenleving ook is. Want ook als het verbod op onverdoofd slachten er komt,- een leuke plek is zo’n slachthuis natuurlijk niet. Varkens zijn slim, en beseffen al als ze in de vrachtwagen gestouwd worden, hoe laat het is. Niemand wil tenslotte weten hoe die pakken worst en kotelet in de koeltoog van de Delhaize zijn terecht gekomen, dat is de typische schizofrenie van de gezellige barbecuemaatschappij.

Doos van Pandora

Maar goed, dat principe van de godsdienstvrijheid: NVA-fractieleider Matthias Diependaele vindt het een ‘wereldvreemd’ argument, en dat is wel heel voorzichtig uitgedrukt.

Dierenrechten staan inderdaad niet in de grondwet. En effectief, godsdienstvrijheid is ingeschreven in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waar die Raad van State zich op beroept. Maar de vrijheid van godsdienst uitbreiden tot alle concrete handelingen die nodig zijn om die godsdienst te beleven, is werkelijk de doos van Pandora openen. Wat als de discriminatie van homo’s (ik zal meer kleurrijke voorbeelden, zoals hen te pletter gooien vanaf het dak, achterwege laten) tot een bepaalde religieuze praktijk behoort? Wat met bijvoorbeeld de zgn. clitorodectomie, een zware verminking van de vrouwelijke genitaliën bij kleine meisjes, voorgeschreven door bepaalde Afrikaanse moslimsecten? Ook toe te staan, in naam van de godsdienstvrijheid?

Godsdienstvrijheid moet een belevingsrecht zijn, geen vrijgeleide tot gelijk welke actie, want dan eindigen we in regelrechte terreur.

Het weze duidelijk: het Europese Verlichtingsdenken mag zich niet verliezen in formalisme, door allerlei rechten zomaar door elkaar te klutsen in naam van de tolerantie en de multiculturaliteit. Godsdienstvrijheid moet een belevingsrecht zijn, geen vrijgeleide tot gelijk welke actie, want dan eindigen we in regelrechte terreur, en is het opblazen van een metrostation ook een religieuze praxis. Die Gedanken sind frei, maar rituelen zijn ondergeschikt aan ethische maatstaven die in onze humanistische traditie zijn verankerd. En dat is nu net het gladde van het begrip halal: het gaat niet over gedachten maar over praktische voorschriften die in het sociale leven van elke dag gelden, en dus in conflict kunnen komen met onze normen en wetten.

Dat is de reden waar bijvoorbeeld Denemarken, IJsland, Zweden, Zwitserland en Noorwegen het onverdoofd slachten wél helemaal buiten de wet hebben gesteld, halal of niet. Het protest is er overigens miniem, waarom wordt er bij ons dan zo’n heisa over gemaakt?

Soumission

Waarom? Onder meer omdat,- en dat is de adder onder het gras,- niet alleen de ‘moslimgemeenschap’ politieke druk zet, maar vooral ook de Joodse lobby die door hetzelfde verbod zou getroffen worden. En die lobby heeft dan weer sterke tentakels in VLD-middens én recenter ook binnen de N-VA. Daar hoeven geen tekeningetjes bij: de Raad van State heeft alle Vlaamse regeringspartijen op een elegante manier uit de wind gezet, door uitdrukkelijk de dialoog aan te bevelen, waarna de geest uit de fles kan.

En zo haalden ook de Groenen bakzeil.  ‘Het is tijd voor een bemiddelaar die dierenrechten en religieuze vrijheid op een goede manier verzoent, zodat er een kamerbreed voorstel kan komen van alle democratische partijen’, aldus Björn Rzoska en Hermes Sanctorum. ‘Alle democratische partijen’? Sorry VB, geen rechtse kruiden meer in onze linkse soep. Belgisch-Turkse partijvoorzitster én moslima Meyrem Almaci zal haar twee groene dierenvrienden wel tot de orde geroepen hebben. Tot zover de metapolitieke ethiek.

‘In het dossier van het verdoofd slachten is dialoog en overleg cruciaal. Luisteren naar elkaars argumenten, proberen te begrijpen wat belangrijk is, samen zoeken naar oplossingen.’ ‘Dialoog en overleg’, begin er maar eens aan bij een religie met middeleeuwse maatstaven. Binnen afzienbare tijd komt het beledigen van de profeet op de agenda, en kan het principe van de vrijemeningsuiting wat ingeperkt worden om ‘samen naar oplossingen te zoeken’, in het belang van de sociale harmonie.

En zo komt het Houellebecq-doembeeld (‘Soumission’) toch weer naar boven. Na een paar decennia strijd tegen de terreur zullen de geesten rijp zijn om een politieke, zachte, fluwelen overname te aanvaarden van onze vermoeide samenleving door de nieuwe theocratie. Mét actieve medewerking vooral van de theocratie uit het verleden, het Christendom, waar de C van CD&V nog altijd voor staat.

Dat is de echte inzet van het debat rond ritueel slachten: dit is niet zomaar een zaak van dierenwelzijn, maar een conflict –en niet het laatste- tussen de seculiere samenleving en de vordering van een religieuze gemeenschap die nog geen 10% van de Vlaamse bevolking uitmaakt, maar waarvan wel 70% de religieuze wet boven burgerlijke wet stelt. ShariaforBelgium is dan wel als een bedreiging voor de democratische rechtstaat geklasseerd, door de lankmoedigheid van het politiek establishment (dat hier werkelijk de publieke opinie negeert) lijkt een ShariaforFlanders wel spontaan uit onze instellingen zelf op te dampen. Benieuwd wie in de nabije toekomst nog zijn nek zal durven uitsteken: wordt vervolgd?

“Arm, oud en dom”: het profiel van de Brexit-kiezer als anti-politieke randdebiel

neen

Na de talloze Brexit-voorspellingen, waarbij vooral de doemscenario’s elkaar opstapelden, vergelijkbaar met de millennium-catastrofe die ons op 1 januari van het jaar 2000 te wachten stond, is het nu tijd voor een nieuwe stroom koffiedik-sessies van meestal dezelfde analisten, maar dan rond de vraag welk soort (on)mens die leave-stemmer eigenlijk wel is. Want u moet weten dat analisten nu eenmaal tot de beter gesitueerde helft van deze samenleving behoren (journalisten, oud-politici, proffen, al wat eindigt op het achtervoegsel ‘-loog’), ook wel genoemd het establishment, en dat de foute uitslag gewoonweg ligt aan foute kiezers. Een profiel van de Britten die zich uit de EU stemden, tekent zich nu duidelijk af. Ten eerste zijn ze arm en hebben ze uit pure miserie ‘neen’ gestemd, de sukkels. Ten tweede zijn het chagrijnige oudjes die de hippe jongeren een stralende Europese toekomst hebben ontnomen. Maar vooral, ten derde: ze zijn laag-ontwikkeld en dom, ze snappen het niet, en ze hebben zich laten belazeren door rattenvangers als Nigel Farage.

Arm, oud en dom. De ongeschoolde, stinkende plebejer met rotte tanden (François Hollande: ‘les sans-dents’) heeft gesproken en de ondraaglijke walm hangt tot in de TV-studio’s. Ze hebben dan wel gewonnen, maar wat is de overwinning waard van een opgehitste meute bange blanke oude randdebielen?   Gisteren, 24 juni, nam analist Herman Van Rompuy, ex-voorzitter van de Europese Raad (en dus zeker onbevooroordeeld), in VRT-Terzake voortdurend het woordje ‘haat’ in de mond als het ging over de anti-EU-kiezers, terwijl hij zelf zijn haat met moeite kon verbergen tegenover dit domme plebs waaraan werkelijk geen democratie besteed is. Het moge een troost wezen dat hij spoedig zal uitsterven, die godverdomse anti-EU-stemmer. Is het niet van ouderdom, dan van armoede of van mentale insufficiëntie.

Populisme’

Dat misprijzen voor de anti-politiek van de foutstemmers is niet nieuw. Het heet dat ze de democratie misbruiken via een foert-stem die het normale politieke spel van de serieuze politici zoals Daniël Termont verpest. In 2004, daags na de fameuze Zwarte Zondag, bulderde professor Vermeersch doorheen de radio tot het kwart Vlamingen dat op de verkeerde partij had gestemd: “Ge moest beschaamd zijn!”. Legendarische woorden die eigenlijk impliciet pleiten voor een herinvoering van het cijnskiesstelsel: wie politisch unfähig is (de term stamt uit de nazi-retoriek), verdient eigenlijk zijn stembrief niet. Wie modern is, hip, progressief, goed opgeleid krijgt er integendeel drie, en zo naar beneden volgens talent, IQ, maatschappelijke verdienste en euh… inkomen want dat hangt dikwijls samen. Geleide democratie: het is de enige mogelijkheid om het afbraakwerk van de (extreem)rechtse populisten te counteren.

Populisme. Het is een vreselijk woord waaraan een enorm dédain kleeft voor het klootjesvolk. Het tracht zowel de politici te stigmatiseren die zich er zogenaamd aan bezondigen, als de kiezers die er zich zogenaamd aan laten vangen. Maar waarom is dit woord een scheldwoord? Mag het volk niet spreken? Gelooft de elite waarlijk dat er zoiets bestaat als politiek-correct en politiek-fout, en dat het gepeupel (een woord dat verwant is met ‘populisme’) in zeven sloten tegelijk loopt als het niet zorgvuldig begeleid en gestuurd wordt? Dan gelooft die elite ook niet in zoiets als buikgevoel en gezond verstand, en dat is een probleem, nog veel groter dan alle Euro-exits samen: het waanidee dat democratie enkel de genoeglijk spinnende motor mag zijn van de maakbare samenleving met weldenkende burgers die het systeem niet meer in vraag stellen.

En daar komt het nu net op aan: in de volksraadpleging vervalt heel het systeem van filters, buffers, particratie en cordons, en krijgt de burger eindelijk de macht die hem toekomt maar steeds weer ontnomen wordt. Hij is, heel even, geen wieltje meer in het raderwerk, maar kan als nar, vanuit de onderbuik, het reguliere script van het politieke theater doorkruisen.

Grafdelvers

HamletHerhaaldelijk moest ik aan de allergrootste Brit, William Shakespeare, denken gedurende de afwikkeling van het Brexit-epos, omdat hij als autentiek Europees erfgoed eigenlijk heel dat EU-gezemel hemelhoog overstijgt. In Hamlet laat de schrijver, midden het drama, twee grafdelvers (clowns) verschijnen die met luchtige spot, in quasi-zinloze frases, heel het theater, zoals het zich tot dan toe voordoet, letterlijk op een hoopje vegen. Ze begraven de dode Ophelia, maar hebben vooral aandacht voor het weer, en prijzen de grafdelverskunst, “die een huis maakt dat moet meegaan tot de dag van het laatste oordeel”. Terloops delven ze zelfs een schedel op van hun voormalig idool, de nar Yorick (Nigel Farage?), en wuiven hem postuum alle lof toe.

In deze scène lacht Shakespeare met de hoofdacteurs, het theater, het stuk, met zichzelf, en met heel het systeem dat mensen als marionetten laat meedraaien. Voor mij zet de auteur de gravedigger in het verhaal neer als de neen-stemmer, de buitenstaander die vol ironie en sarcasme het verhaal parodieert en zelfs kaapt. De analisten hebben gelijk: de ‘neen’-stem is niet serieus te nemen, het is een grap, als veegde iemand zijn gat af met de stembrief, wat het daardoor juist bijzonder relevant maakt.

Het feit dat het grafdelven misschien wel het tweede oudste beroep ter wereld is, kan er op wijzen dat het zogenaamde populisme minder een zaak van opruiers is, dan wel van menselijk vanitas-gevoel (ijdelheid der ijdelheden) en zwarte humor die zich tegen de macht keert. De exit-stem is de ultieme tegenstem, een heilzame schok, het uiterste van wat een democratie vermag. Laten we deze clown koesteren, zeker nu die democratie door haar echte antipode wordt bedreigd, in de vorm van een religie die dood en terreur zaait.

 

Frans en ‘een mondje Nederlands’

Sinds 2014 bezet een partij die zich Vlaams-nationalistisch noemt de belangrijkste sleutelposten van het Belgische staatsbestel. Sommige flaminganten beschouwen dit als het eindpunt en de triomf van de Vlaamse Beweging, een fenomeen dat zo oud is als de Belgische staat zelf, zich afzet tegen de minorisering van de Vlaamse meerderheid en ijvert voor een ‘gelijkwaardige’ behandeling van de Nederlandse taal.

We gaan de geschiedenis van die beweging hier niet opnieuw uit de doeken doen: ze wankelt tussen pure burgerrechtenbeweging en separatistisch streven, zelfs heraanhechting met Nederland. Ze heeft er een bochtig parcours op zitten, langsheen IJzertoren en collaboratie. Ze dwong institutionele hervormingen af, een heus Vlaams parlement, maar dan wel binnen de Belgische context. Op een handvol diehards na heerst in Vlaanderen algemeen het gevoel dat we kregen wat we wilden en dat we nu wel andere katten te geselen hebben. België mag blijven, als we in Zichen-Zussen-Bolder maar Vlaams mogen spreken, en in Brussel trekken we ons plan wel. Ook de koning mag blijven, al was het maar voor de boekskens, op voorwaarde dat het niet teveel kost en het hof zich aan het ceremonieel handboek houdt.

‘Langue de barbares’

Gérard Mestrallet (Engie): 'België is een fiscaal paradijs'Edoch, tevredenheid is de moeder van de bijziendheid en de schoonmoeder van de teleurstelling. Het Belgique de Papa leeft wel degelijk,- alleen heeft het zich teruggetrokken in de dieper gelegen regionen van het establishment, onvatbaar voor institutionele palavers. Op de achtergrond en in de coulissen suddert een vaag, discreet maar efficiënt netwerk met een onmiskenbaar francofone, koningsgezinde en Belgisch-patriottistische signatuur. Het is een schaduwuniversum waar zowel linkse syndicalisten als volbloedliberalen thuis zijn, met alles daartussen. Het bevat exclusieve clubs zoals de Cercle de Lorraine, maar evengoed vrijmetselaarsloges en neo-unitaristische denktanks genre B.U.B. Het bindmiddel van deze cenakels: de consensus dat België misschien wel tweetalig is, maar dat het Frans als cultuurtaal voorbestemd blijft om zich ook te handhaven als dé bestuurstaal, en van daaruit eigenlijk de overkoepelende voertaal, met het Nederlands als een soort regionaal dialect.

Wie denkt dat ik spoken zie, verwijs ik naar de speech van Gérard Mestrallet, voorzitter van de Franse energiemaatschappij Engie (die onze kerncentrales beheert), naar aanleiding van de officiële lancering van B-BOP, een nieuwe Belgisch-Franse businessclub in Parijs.

Mestralet heeft het bij die gelegenheid niet alleen over het nut van gas en elektriciteit. Hij bezingt de lof van België als ‘fiscaal paradijs’ waar ‘er met ministers best te praten valt’, hij mag ze zelfs tutoyeren. Een twijfelachtig compliment voor minister van financiën Johan Van Overtveldt (N-VA), en allicht een verklaring waarom minister van energie Marie-Christine Marghem (MR) zo enthousiast de nucleaire kaart trekt.

Over de Belgische taalkwestie doet Gérard Mestralet ook een markante uitspraak: volgens hem is het helemaal niet nodig om alhier Nederlands te spreken, want elke Vlaming wordt geacht voldoende Frans te kennen. Dat scheelt in de discussie, onder vrienden kan je toch niet heel de tijd gaan switchen. En jawel, het Frans is zoveel eleganter, leent zich zo veel beter tot knipoogjes en stilzwijgende verstandhouding. “Met de francofonen onder elkaar werden we het ook snel eens. Als we enkele woorden of zinnetjes in het Nederlands konden zeggen, bij wijze van beleefdheid, was het al lang goed”, aldus Gérard. Een mondje Nederlands dus, meer moet dat niet zijn.

Men moet die uitspraak niet zomaar als een lapsus afdoen. De Engie-voorzitter beschrijft er een feitelijke situatie mee, die helemaal onder en buiten de politiek-institutionele kaders staat waarbinnen de Belgische staat de taalverhoudingen regelt. Er mag dan wel een papieren evenwicht bestaan, in de praktijk werkt tweetaligheid gewoon niet, en is er één taal die als ‘rijker’, communicatief meer geperfectioneerd en uiteindelijk cultureel hoogstaander wordt beschouwd. De taal van de tafelgesprekken, de diners en de onderonsjes achteraf. De taal van Molière uiteraard.

Vanuit francofoon standpunt kan men die attitude zelfs niet kwalijk nemen. Men kan een tweetalig contract opstellen, maar de informele achtergrond, de relaties, connecties, vriendschappen, kortom alles wat door de linguïsten als ‘het pragmatisch segment’ wordt beschouwd, verloopt via één medium, één lingua franca waarin de consensus wordt beslecht. En die standaardtaal wordt dan ook ervaren als leidtaal. Denk vooral niet dat het francofone suprematisme alleen leeft in elitaire kringen. Bij een recente bevraging in de straten van Charleroi bleek hoezeer jongeren er het Nederlands als een ‘langue de barbares’ beschouwen…

Tous ensemble dus, et pour les flamands la même chose. Het Belgische verschil tussen theorie en praktijk neemt soms hilarische vormen aan. Ik ken N-VA-ers die op kabinetten Frans spreken omdat het daar gewoon de voertaal is en er anders niet te communiceren valt. Slecht Frans, soms hoor ik hen bezig aan de telefoon onder mekaar, maar toch: Vlamingen zijn nu eenmaal beleefd. In Overijse moet je nog maar kuchen en de bakkersvrouw spreekt je al in het Frans aan. In sommige kindercrèches moet je er met Nederlands al niet meer afkomen: binnen 10 jaar is het taalprobleem in deze randgemeente opgelost.

Assimil-Nederlands

Nochtans is er aan Franstalige kant ook veel goede wil om Nederlands te spreken. Mijn buur onder andere, die bij de bakker zijn brood wél in het Nederlands bestelt. Maar als het gesprek over de haag ietwat diepgaander wordt, besef je pas dat een taal meer is dan een woordenschat en wat grammaticaregels. De nuances mankeren, je voelt dat het gesprek vastloopt in clichés, je doet aan vrijwillige taalarmoede om op het niveau van je gesprekspartner te blijven.

En zo worden we, na de arrogante ééntalige francofonie, met een zo mogelijk nog erger euvel geconfronteerd: de welwillende Franstalige die zich in het Nederlands probeert uit te drukken en ons dwingt om mee te spreken, mee te denken in een rudimentair Nederfrans zonder schwung of nuance.

Want geef toe: ondanks alle goede bedoelingen is en blijft het Nederlands van premier Charles Michel een kartonnen Assimil-Nederlands, iets dat woorden uit ons woordenboek bevat en grammaticaal min of meer klopt, maar dat wel door een computer gegenereerd lijkt. Andermaal denk ik dan als goede Vlaming, na vijf minuten tenenkrullen: zeg het maar in het Frans, man. En Charles Michel is dan nog de betere versie van de francofone tweetaligheid.

Dat heeft zo zijn gevolgen voor de kwaliteit van de communicatie,- ik denk dat die handicap schromelijk onderschat wordt. Zodra de premier naar het Nederlands overschakelt, komt de betekenis wel over maar lijkt er een stuk zin weggevallen. Dat laatste aspect is onvermijdelijk verbonden met de culturele diepgang van de taal, het geheel van gevoelswaarden, nuances, wat zich tussen de regels bevindt. Is vertalen op zich al een heksentoer, het feit dat er zoveel verloren gaat bij iemand die ‘zich uit de slag trekt’ kan zwaar wegen op de kwaliteit van het politiek debat. Van de weeromstuit kunnen ook Vlamingen zich nauwelijks nog in hun taal uitdrukken en ontstaat er zowaar een Algemeen Michel-Nederlands op maat van de Brusselse praatbarak. Luister naar de modale Vlaming op de VRT en verbaas u over het gestuntel. Is de Vlaamse taalretardatie een Belgisch fenomeen?

Jaloers word ik dan op de manier hoe Nederlanders hun debat kunnen voeren, op het scherp van de snee, maar ook met alle nuances die de taal van Hermans, Reve en Mulisch biedt. Als de Fransen op Molière en Sartre kunnen terugvallen, hoeven wij geen genoegen te nemen met een soort fastfood-Nederlands dat in het Belgische bestuursmodel standaard wordt. Politiek-maatschappelijke beslissingen zijn te belangrijk om tot stand te komen via een Babels allegaartje waarin goedbedoelde, rudimentaire tweetaligheid de communicatie naar een lagereschoolniveau doet afglijden. Voor sommigen misschien een onderdeel van een globalistisch-kosmopolitische droom, mij lijkt het veeleer een nachtmerrie.

België is linguïstisch een vierdewereldland,- allicht is ook dat een onderhuids aspect van de failed state. Voor mij is dat de voornaamste reden om te splitsen: niet omwille van het centenflamingantisme, en zelfs niet vanuit het idee ‘wat we zelf doen, doen we beter’, maar vanuit het besef dat een diepgewortelde, rijke taal méér is dan een literair gadget. Ze vormt het reservoir van ideeën en is het instrument waarmee wij een samenleving opbouwen, met de nadruk op ‘samen’.

Ofwel verfransen we weer allemaal,- dat is een optie-, ofwel menen we het met onze eigen taal en gaan we voor iets wat men een ‘cultuurnatie’ noemt. Iets ertussen leidt nergens toe. Stop de verkleutering, de vertaaldwang en het Nederfrans als standaard. Als de filosoof Ludwig Wittgenstein schreef ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’, dan is het duidelijk hoe we onze wereld kunnen ontgrenzen: door onze taal te koesteren en te verfijnen.