Maandelijks archief: september 2006

Natascha, ou la nouvelle Justine

Het sadistisch universum van onderwijs en welzijnsindustrie

clip_image0031.gif Hoe zou het ondertussen met Natascha Kampusch zijn? Het is natuurlijk een schrale troost: een dikgespekte bankrekening overhouden aan een paar interviews, in ruil voor acht jaar eenzaamheid onder de garage van een gestoorde eenzaat. Al kan men zich afvragen of heel het sensatiecirkus, volgend op de ontsnapping, geen minstens even grote schande is. Of misschien wel meer schade veroorzaakt heeft, dan het ongewilde conclaaf met Wolfgang Priklopil zelf.
De public relations rond dit fenomeen waren alleszins ronduit ranzig. In het begin begreep ik niet waarom de jonge vrouw na acht jaar sekreet met een deken over haar hoofd moest rondlopen. Weldra werd dat duidelijk: voor de beeldrechten op het ‘begehrteste Gesicht Weltweit’ was een gigantisch opbod tussen de media aan de gang. 

Zeer snel werd communicatie een doel op zich. Iemand had haar een ‘woordvoerder’ aangepraat, een zekere Dietmar Ecker die een reclamebureau uitbaat en gespecialiseerd is in ‘Öffentlichkeitsarbeit’ (“overheidscommunicatie’,- gaat er bij de lezer ergens een lichtje branden?) en deze gratis service verzilverd zag met een enorme media-aandacht voor zijn business.
 Lees het artikel        Dit artikel openen in PDF-formaat

Advertenties

De mythe van het ‘Belgisch surrealisme’

Hoe de kunst van het absurde een staatslogica werd

Toen we dstrepy.jpgeze zomer in Frankrijk rondreisden, haalde België nog eens de buitenlandse pers met de gloednieuwe scheepslift van Strépy aan het Canal du Centre, die voor maanden dicht moest omdat alle katrollen al versleten waren. Berekeningsfoutje van de ingenieurs. Door slechte contracten mag de Waalse overheid opdraaien voor de herstellingsfactuur van zo’n 6 miljoen Euro…die via allerlei ‘Marshall-plannen’ toch wel weer door Vlaanderen zal meebetaald worden. Soit, tot daaraan toe, laten we het maar als ontwikkelingshulp beschouwen. Ik moest toen ook uitleggen aan onze Franse vrienden hoe die mirakuleuze, door alle economische studies als ronduit ‘nutteloos’ en ‘absurd’ bestempelde constructie er gekomen was: omdat Zeebrugge een nieuw havendok had ‘gekregen’ en er dus automatisch in het Zuiden ook ‘iets’ moest komen van dezelfde prijsklasse. De nooit in gebruik genomen metrolijn van Charleroi-Châtelet hoort eveneens bij die koehandel. Gegniffel alom. Van die ‘wafelijzerpolitiek’ belandde ons gezelschap bij het bier, de chocola, de frieten, Manneke Pis en het Atomium. Om dan terecht te komen bij de ultieme verklaring van heel het hilarisch gebeuren dat België heet: onze ‘surrealistische’ aanleg. Het zou met name in onze genen zitten: de gekte, de drang om wereldwonderen te creëren die elders de lachlust opwekken, de zin voor het ongerijmde, de plantrekkerij, de ingewikkelde compromissen, de bureaucratische logica.

 

magritte-highsociety1966.jpgVanwaar die mythe? Een en ander blijkt zijn wortels te hebben in de Brussels-francofone saloncultuur van de jaren ’20, de zogenaamde ‘années folles’. Een gouden tijd voor industriëlen, nieuwe rijken, speculanten en hogere ambtenaren, de ‘Beulemansen’ dus, die van de naoorlogse hausse hadden geprofiteerd en zich vestigden in riante Art Nouveau-villa’s of luxueuze stadspaleizen zoals de Résidence Palace. Deze immer feestende beau monde bekommerde zich nergens om en zag ook niets aankomen: noch de nakende beurskrach van 1929, noch het opkomende fascisme, en evenmin natuurlijk de barsten in de Belgische socio-politieke absurditeit zelf, waarin de Vlamingen per definitie een onderhorige status hadden en het in de grootstad hooguit tot chauffeur of dienstmeisje konden brengen.

Deze decadente bourgeoisie leefde in de werkelijkheidsontkenning en had net daarom behoefte aan een fantaisistische façadekunst waar ze bij kon wegdromen of glimlachen. Daarvoor werden twee Waalse schilders van stal gehaald: René Magritte met zijn gekende beeldgrappen (‘Ceci n’est pas une pipe’) en André Delvaux met zijn edelkitsj vol doorheen ruïnes slaapwandelende naakten. Brussel verafgoodde hen.Voor ze het goed en wel beseften waren ze de decorateurs geworden van het neurotisch bolhoed-imperium, vandaag beter bekend als het ‘Belgique de papa’.

Onnodig te zeggen dat de ‘politiek-incorrecte’ Vlaamse expressionisten uit diezelfde jaren ’20 (Permeke, De Smet, Van den Berghe…), met hun in aardekleuren gedrenkte, brute schildering van het platteland, in die Brusselse salons geen voet aan de grond kregen. Het paste niet in de euforie. Vlaanderen was in die tijd een verpauperd wingewest dat het moest stellen zonder transfers of compensaties: de boeren leden honger, de Waalse mijnen waren bemand met Vlaamse gastarbeiders die er als ‘boches’ en ‘sales flamands’ bespot en vernederd werden. Ook dat hoort bij de années folles.

Als Verhofstadt in 2001 die fameuze bolhoed van Magritte tot zijn persoonlijk logo maakt van het Europees voorzittersschap, is dat dus een heel raar statement: het is een impliciete erkenning van België, als francofoon-burgerlijke enscenering, met een toets van vrolijke gekte en een traditie van ritselende saloncultuur. En discreet gepatroneerd door een monarchie die hooguit wat Nederfrans hakkelt.

 

Het zal wel toeval zijn dat hogervernoemde spook-metrolijn Charleroi-Châtelet ons uitgerekend naar de geboorteplaats van René Magritte voert. En dat die fameuze scheepslift van Strépy vlakbij
La Louvière ligt,- een kweekplek van het ‘Belgische surrealisme’, op een boogscheut van de carnavalstad Binche. Het is alleszins géén toeval dat de Brusselse bourgeoisie van de jaren ’20 twee Waalse surrealisten in de galerij heeft verheven. Daar en toen is het idee ontstaan om het ongerijmde tot staatslogica te verheffen en de ondraaglijke lichtheid van België als een wereldwijd handelsmerk te deponeren.

In 1929 grijpen overal in Vlaanderen anti-Belgicistische betogingen plaats n.a.v. de vrijlating van de activist August Borms. De francofone elite wist meteen hoe laat het was: einde van de années folles. Maar niet van het ‘Belgisch surrealisme’. Dat weten we vandaag.