Maandelijks archief: oktober 2006

Het broeikas-effect is een politiek probleem

Over het groene gelijk, en de onmogelijkheid om het te krijgen

Deze dagen trekt Al Gore, 8 jaar vice-president onder Clinton en in 2000 nipt verslagen door Georges Bush na een memoraal-gore.jpgbele verkiezingschaos, van hot naar her met zijn film ‘An Inconvenient Truth’. Het is een docudrama over de opwarming van de aarde en de katastrofale gevolgen daarvan in de nabije toekomst. Een indrukwekkend werkstuk. Niet alleen omdat deze alarmerende boodschap vol zelfkritiek van een toppoliticus komt (ik zie het onze paarse strebers, die blijven volhouden dat we in de beste der mogelijke werelden leven, nog niet doen), maar vooral omdat de film wetenschappelijk perfect onderbouwd is. Al Gore, ooit de Yves Leterme van de VS, die grijsheid en een gebrek aan charisma werd verweten, blijkt uitgegroeid tot een begenadigd spreker met het briljante intellect van Abraham Lincoln, de charme van Bill Clinton, en het moreel-politieke serieux van Ted Roosevelt. Beter laat dan nooit,- een lichtend voorbeeld voor de groenen, en het bewijs dat men niet alleen met peptalk maar ook met slecht nieuws en échte argumenten mensen kan overtuigen. Gore’s campagne nodigt evenwel uit tot een complothypothese met verreikende consequenties…

 Lees het artikel        Dit artikel openen in PDF-formaat

‘De dichters smelten van vreugd’ en plezier…’: Vlaanderen na 8 Oktober

Hoe het cultureel establishment zijn overwinning op het klootjesvolk viert

De lokale verkieclaus-verhofstadt.jpegzingsuitslagen zijn wat ze zijn: de verwachte afstraffing voor blauw, en winst voor het Vlaams Belang, dat evenwel SP.A in Antwerpen niet van de troon kon stoten. De middeleeuwse zegekreten (‘het beest is verslagen’) waren alvast niet van de lucht. Patrick Janssens had er wel een flink deel van zijn coalitiegenoten en oude strijdmakkers voor moeten oppeuzelen, maar een kniesoor die daar op let.

In de avondlijke euforie van die verkiezingszondag speelden zich echter ook buiten het SP.A-hoofdkwartier enkele merkwaardige taferelen af, die veelbetekenend zijn voor de reële politiek-culturele kloof die Vlaanderen kenmerkt. Toen bekend raakte dat Patrick de burgemeesterssjerp mocht houden, liep de Grote Markt vol met schoon volk dat men normaal alleen op filmfestival-premières en sjieke cocktail-party’s tegenkomt. Uiteraard de idolen van progressief-links zoals Tom Barman, Luc Tuymans, Jan Decleir en Tom Lanoye, maar ook de gepensioneerde dichter en eeuwige nobelprijs-kandidaat Hugo Claus kwam daar zowaar aangesleft. Onwaarschijnlijk tafereel, live door de VRT gefilmd rond halftien: de hoogbejaarde letterkundige stak een sigaret op (‘verboden door de dokter, maar vandaag moet het kunnen’), hoestte, leunde op zijn jonge vrouw (en ze gaan met hunne boerinnen op zwier), en stak dan een soort scheldtirade af, op Filip Dewinter en het Belang uiteraard, maar eigenlijk ook op het 33% domme plebs dat toch ‘fout’ gekozen had en zich nu in zijn eigen stront zat te wentelen. Een beschonken literaire coryfee die tussen de ploppende champagneflessen door nog wat mestkevers kwam doodtrappen. Genant,- ik kreeg plots een plaatsvervangend gevoel van schaamte.

 

Antwerpen, bezette stad?

In de aanloop naar de verkiezingen had het cultureel establishment (artiesten, schrijvers, journalisten, academici…) zich inderdaad geen moeite bespaard om het klootjesvolk de les te lezen en te zeggen voor wie het alvast niét mochten stemmen. Het leek wel een orgie van het goed geweten, gecultiveerd door de nieuwe kapitaalkrachtige elite die de dure herenhuizen en lofts van het Antwerpse Zuid heeft ingepalmd (waar je overigens zelden een allochtoon zal tegenkomen).

De toon werd gezet met de gratis 01.10 concerten van Tom Barman, aangevuld met waarschuwend sirenegeloei van Luc Tuymans: ‘Let op, kleine man, niet buiten de lijntjes kleuren!’. Op vrijdag 6 Oktober, twee dagen voor de lokale verkiezingen, verscheen in De Standaard een paniekerige ‘Oproep aan het lokale beleid’ vanwege Kunst en Democratie, ondertekend door een hele rist van die wereldverbeteraars, met de subliminale waarschuwing aan het adres van Jan Modaal om zich electoraal een beetje te gedragen. Het absolute dieptepunt werd diezelfde vrijdagavond bereikt, toen Tom Naegels, huisintellectueel van De Standaard en medeondertekenaar van de brief, ’s avonds op de VRT-verkiezingsuitzending aan alle proteststemmers de raad gaf om gewoon blanco te stemmen. Tja, wat voor een soort gemediatiseerde kermisdemocratie is dit eigenlijk? Hebben de achtbare leden van het kunstenaarsgild schrik van de ‘Onbekende Vlaming’? Ja dus. 33% Antwerpenaren kruipt nu in zijn schelp, met een nog grotere haat, niet zozeer tegen allochtonen, maar vooral tegen de nieuwe elite die haar bruggehoofd aan de Zuidkant heeft gevestigd. Antwerpen, bezette stad? Het begint erop te lijken.

 

Naderbekeken is de bemoeizucht van het culturele establishment tegenover het stemgedrag van de onbekende Vlaming zelfs geen morele kwestie; ze is veeleer ingegeven door het opportunistisch streven naar een behoud van status en privileges: de stadsdichters willen zekerheid en aanzien, geen rotte eieren. Het ‘volk’ is daarin een onbepaalbare factor, vooral sinds het voor een regime-vijandige partij stemt en dus tegen de politiek-culturele constellatie waarin voornoemde intellectuelen de dienst uitmaken. Onderhuids speelt bij die elite immers een groeiende frustratie dat de ‘gewone man’ geen pap meer lust van het gesubsidieerd kunstenbedrijf en evenmin van het begeleidende mediacirkus: de gewone Vlaming –en a fortiori de doorsnee-Antwerpenaar- is een vat vol tegenstellingen, labiel, chaotisch, hardleers, eigenzinnig, onbetrouwbaar. Bij ‘progressieve journalisten’ –en zowat iedereen op de redacties van De Standaard en de Morgen wil zo genoemd worden, behalve barones Mia Doornaert- is die frustratie zeer acuut: hoe sterk er ook op het geweten van Jef Klak wordt ingewerkt, hij blijft zich gedragen als een onvoorspelbaar, nukkig kind. De peilingen tonen niet wat er leeft, de burger heeft een verborgen agenda. De 01.10-concerten van Tom Barman, de alarmsirenes van Luc Tuymans, de waarschuwingen van deze of gene B.V., het glijdt allemaal op Jan Modaal af als regendruppels op een oliejekker. Hij zit op een voor hen onbereikbare golflengte, stemt instinctief, kijkt naar VTM of zapt, is niet voor rede vatbaar, en boycot zelfs de peilingen door ‘weet niet’ te mompelen en dan achteraf toch zijn zin te doen. Het is de blubberige onderlaag van de samenleving zoals de politiek-incorrecte cineast Guy Lee Thys (een witte raaf  in het intellectuele landschap) hem tekent in zijn film ‘Kassablanka’. Die subcultuur van ‘domme, slechte Vlamingen’, waar de familie Van Loock toe behoort, is een nachtmerrie geworden voor het cultureel establishment, dat met groeiende ergernis de partij demoniseert  die een onaangenamen Kulturfeindlichkeit uitstraalt, maar die blijkbaar wél kan communiceren met die man-in-de-straat, en daar zelfs geen reclamebureau voor nodig heeft.

Zo ontstond een liefde-haat-verhouding tussen elite en massa, met de Antwerpse anti-establishment-partij als permanente stoorzender en katalysator van burgerlijke ongehoorzaamheid. De modern-progressistische cultuur kan blijkbaar niet meer om met irrationele, instinctmatige grondstromen in onze samenleving, dat wat Nietzsche het ‘Dionysische’ heeft genoemd. Ze reduceert ze tot kansarmoede en politieke onbekwaamheid. Deze zwartbruine lavastromen, die men o.m. terugvindt in de niet-salonfähige poëzie van de Antwerpenaar en flamingantische activist Paul Van Ostaijen, zijn gevaarlijk, eigenzinnig en vrijwel onrecupereerbaar: ze gaan vooral over wat leeft in de onderbuik, het ‘subversieve’, in de oorspronkelijke betekenis van dat woord: tijd om de sirenes te laten loeien en de brandweer erbij te halen.

‘Politiek-correct’: voor vorst en vaderland

De ‘slechte Vlaming’ moet dus heropgevoed worden, of uitgedreven naar het platteland. Hij past niet in de stedelijke face-lifts die her en der op touw worden gezet, maar ook niet in de hygiënecultuur van het paarse optimisme. In deze saneringsoperatie gedraagt de culturele sector zich zonder meer als een gezagstrouw en systeembevestigend aanhangsel van de politieke macht. Het drama in de kloofvorming is inderdaad, dat heel dat cultureel establishment, waarvan het Claus-optreden maar een hilarisch voorbeeld was, geabsorbeerd lijkt door braaf-burgerlijke fatsoensnormen met een behoorlijke dosis hypocrisie, beter bekend onder de verzamelnaam ‘politiek-correct denken’.

Figuren als Tom Lanoye of Ramsey Nasr zijn allerminst eigenzinnige diepgravers die het systeem in vraag stellen en alles omwoelen,- het zijn eerder behaagzieke trend-intellectuelen met een hoge aaibaarheidsfactor, die de huik naar de wind hangen. Ze zoeken de mainstream en het gemakkelijk applaus bij gelijkgezinden, en wagen zich nooit buiten de krijtlijnen van de modern-progressistische rethoriek zoals die vooral door De Morgen wordt beoefend.

Tussen het culturele en het politieke establishment hebben zich mettertijd ragfijne netwerken ontsponnen, met als eerste bedoeling: het in stand houden van de kadukke Belgische constructie waarin de elites hun privileges kunnen behouden. Altijd speelt de monarchie hier discreet maar consequent haar rol van recupererende kracht. Zo komt het dat de modieuze rebel Hugo Claus geridderd is in de Leopoldsorde, en dat de zogenaamd controversiële Jan Fabre het plafond van het koninklijk paleis mag beschilderen. Dat de ‘links-progressieve’ choreografe Anna-Theresa de Keersmaeker zich barones mag noemen. En dat ex-premier Wilfried Martens, uitvinder van de volmachtenregering die ons anno 1985 in ’t geniep opzadelde met de Amerikaanse kruisraketten, door het theaterhuis NTG een soort apologie aangeboden krijgt. Enzoverder. Deze subtiele netwerkvorming tussen politiek en cultuur is een hoeksteen van het huidige regime. Het Belgische staatsraison van de compromissen, de hele en halve leugens, de face-lifts en schijnvertoningen, de zachte corruptie en de compensaties, heeft zichzelf op die manier heiligverklaard. De keerzijde van de medaille is een versmalling van het publiek debat, een drastische beperking van de vrijemeningsuiting, de creatie van nieuwe taboes in naam van de ‘verdraagzaamheid’, met o.m. het ‘Centrum voor Gelijke Kansen’ als waakhond. België overleeft dankzij lege rethoriek, werkelijkheidsontkenning, intellectuele lafheid, cirkelredeneringen en taboes. Van de dader van een steekpartij mag men niet zeggen dat hij van Marokkaanse origine is. Lachen met Prins Filip of met halsstarrig Frans-sprekende inwijkelingen in de Brusselse rand is onbehoorlijk. Wie tegen de monarchie is, is extreem-rechts en racistisch. Het cordon sanitaire in vraag stellen is inciviek en anti-democratisch(!).  En wie deze vormen van postmoderne censuur onder de aandacht brengt, is sowieso een fascist.

De geleidelijke versmalling van het maatschappelijk debat tot enkele politiek-correcte mainstream-ideeën is tenslotte de overlevingsstrategie van een postmodern regime zonder ideologie, drijvend op een vaag ‘feel good’-elan. Dat een flink stuk van het cultuurbedrijf zich hieraan heeft vastgehaakt en een establishment op zich is geworden, is de voorbije weken weer eens pijnlijk duidelijk geworden. Het zal de ‘slechte Vlaming’ alleen maar in zijn vermoeden sterken dat dit soort cultuur aan hem niet besteed is. Sinds midden de jaren ’90, met Dutroux, de Witte Mars en de daaruit volgende regimecrisis als kantelpunt, is er wel degelijk in België, en vooral in Vlaanderen, een ‘volkse’, niet-gestructureerde vorm van kritische afstandelijkheid ontstaan tegenover media, cultuur én politiek, waardoor zowel de mediamarketeers, het cultureel establishment als de politieke klasse met de handen in het haar zitten. Dit fenomeen afdoen als ‘verzuring’ of ‘verrechtsing’ is zichzelf wat wijs maken. Het gaat om nieuwe manieren hoe mensen zelf hun mentaal territorium afbakenen, op zoek gaan naar de waarheid of de verhalen proberen in elkaar te puzzelen via het web en andere bronnen. Het levert alternatieve denkpistes op – onorthodox, soms zelfs schokkend-, die via krachtige spelers als de burger- en internetjournalistiek een ongekend soort democratie op poten zetten, buiten de klassieke media en de traditionele politiek om. In wezen is heel het ‘politiek-correct’ gedoe een reactionaire strategie om die bewegingen in te dammen, en het kritisch bewustzijn af te vlakken tot modieuze prietpraat. Oudgedienden van Mei ’68 als Hugo Claus vergissen zich dus schromelijk als ze applaudisseren voor dit postmodern Machiavellisme.

Dat een zogenaamd ‘oerconservatieve’ partij als het Vlaams Belang die revolte aanzwengelt, is natuurlijk een weergaloze ironie van de geschiedenis –of misschien wel het allerlaatste uitvloeisel van het Belgisch surrealisme-, maar het neemt niets weg van de kracht van die maatschappelijke kering zelf. Ze draait niet alleen rond het migrantenthema (dat is slechts een hefboom), maar ook rond generatiespanningen, conflicten tussen planetaire culturen en subculturen, publieke ruimte en microkosmos, het universele en het particuliere, vervreemding en eigenheid, de afkeer van grote institutionele complexen, het burn-out-gevoel of het besef van niet meer mee te tellen in een onmetelijk raderwerk, de implosie van wereldbeelden,- dat alles in het perspectief van een grote onvrede met een politieke rethoriek die de problemen minimaliseert en het onbehagen ‘wegcommuniceert’.

Moraal van het verhaal

Conclusie: de oogst is binnengereden, maar het gejuich rond Patrick Janssens zal snel verstommen. De Antwerpse straatvechterspartij zal nóg winnen, simpelweg omdat ze momenteel als enige in onze contreien de burgerlijke ongehoorzaamheid een stem geeft, in een tijdsgewricht waar de Belgische constructie met al haar institutionele aanhangsels op het punt staat te bezwijken. Misschien kan, helemaal aan de andere kant van het politieke centrum, de PvdA de fakkel eens overnemen (op voorwaarde dat ze het Belgisch fetisj kan opgeven), of moet Jef Sleeckx maar eens werk maken van zijn linkse anti-establishment-partij. Waarbij ook die averechtse Luc Versteylen, peetvader van Groen, een stevige impuls zou kunnen leveren.

Met de triomf van reclameman en strateeg Patrick Janssens is hoe dan ook de vermarkting van de klassieke democratie voltooid, een project dat zijn collega Noël Slangen had opgestart, onder het goedkeurend oog van de ‘waakzame’ intelligentsia, de ‘kritische’ media, en uiteraard de politieke klasse zelf. Niet te verwonderen dat ‘politiek-incorrect’ in Vlaanderen een geuzentitel geworden is…

Hoe kritisch kan ‘politiek-correcte’ journalistiek zijn?

Achtergrondbedenkingen bij het nieuwe boek van Walter Zinzen

Onlangs verscheen van de hand van de gepensioneerde VRT-journalist Walter Zinzen het boek waarvan de titel klinkt azinzen.gifls een Terzake-aankondiging: “De Wereld is een schouwtoneel. Maar wie doet de regie?”. Zinzen zat na zijn opruststelling blijkbaar nog met een pak eieren die hij in het Huis van Vertrouwen niet kwijt was geraakt. Zoals daar zijn: de particratie, de tanende invloed van het parlement, de woeker van de parallelle netwerken, de neo-liberale ontsporing, de groeiende invloed van de multinationals en de globalisering, het ‘populisme’ van de politici en, last but not least, het zaptijdperk en de commercialisering van de massamedia.

Allemaal heel interessante items, zij het niet echt nieuw of verrassend: veeleer het feit dat ze uit de pen van Walter Zinzen vloeien, maakt zijn boek tot een nieuwsitem-op-zich. Daarnaast bevat zijn vertoog echter een paar opmerkelijke onderstromen die duidelijk maken dat een ‘kritische journalist’, die altijd in een strikt institutioneel kader heeft geopereerd (de openbare omroep), wel degelijk van intellectuele vooroordelen en ideologische premissen vertrekt.

Het loont overigens de moeite, dit boek te herlezen in het perspectief van de voorbije lokale verkiezingen en de opwellingen van ‘politieke correctheid’ die daarmee gepaard gingen.

‘Populisme’

Eerste vreemde vaststelling: voor de gedreven journalist en kuitenbijter Walter Zinzen bestaat er niet zoiets als een ‘mondige burger’ die zelf media, nieuws en duiding met een kritisch oog bekijkt. Het doorsnee-publiek is voor hem labiel, gemakzuchtig, kortzichtig, egoistisch, achterlijk, enkel geïnteresseerd in sensatie, en heeft dus nood aan een sterk en machtig intellectueel middenkader (de journalistiek dus…) dat informeert, stuurt, filtert, de emoties afdempt en tot rationele analyse terugbrengt. Wat Jan Modaal denkt of voelt, wordt in zijn boek dan ook smalend verketterd tot het ‘Gesunde Volksempfinden’, een term waarmee de nazi’s de rechtsstaat trachtten te vervangen door de wil van de partij. Wie toch toegeeft aan de verzuchtingen van het volk is ‘populistisch’, een van dé sleuteltermen in Zinzen’s boek. Hij stelt daarbij met een zeker dédain dat ‘de kiezer niet altijd gelijk heeft’ en dat democratie maar met mondjesmaat mag toegediend worden. Om die reden is Zinzen ook tegen directe democratie, referenda, buiten-parlementaire burgerinitiatieven, en zelfs actiecomités zoals die van de omwonenden rond de luchthaven van Zaventem. Voor Zinzen is het een hoofdtaak van de pers om de burger in zijn politieke keuzes te begeleiden en af te schermen tegen populistische ‘verleidingen’ en oprispingen van ‘groepsegoisme’.

Vanuit dat paternalistisch standpunt is het interessant om het opbod na te gaan van betuttelende signalen vanuit het cultureel establishment (artiesten, schrijvers, journalisten, academici…), in de aanloop van de recente lokale verkiezingen. Het ging om één grote resem waarschuwingen, gericht aan het klootjesvolk, om vooral niet vanuit de onderbuik te stemmen,- lees: buiten het landschap dat de zelfverklaarde ‘democratische partijen’ onder elkaar verkaveld hebben. Heel de opbouw van de 0.10-concerten, Tuymans’ sirenes op donderdagmiddag, open brieven van intellectuelen in de kranten (zoals in De Standaard van 6/10: ‘Oproep aan het lokale beleid’), vertoonde een enorme dosis argwaan tegenover het gevaarlijk-labiele volksgevoel dat in Antwerpen nog altijd goed is voor 33% van de stemmen. De afkeer van het zgn. ‘populisme’ is dus ook een afkeer van het gepeupel, het klootjesvolk dat de opiniepeilers bedot en zich electoraal misdraagt. Zinzen is in wezen een elitair-denkend intellectueel. Daar is niets mis mee, maar het staat wel haaks op de ‘links-progressieve’ kleur van heel zijn gedreven vertoog, tégen de elites, de machtscenakels, de paralelle netwerken. Heel het cultureel establishment in Vlaanderen lijdt aan die schizofrenie, hierin van harte gesteund door de media die zich op ‘kwaliteit’ beroepen, zoals VRT, De Standaard en De Morgen. Waarbij uiteraard steeds weer die ene ‘foute’ partij geviseerd werd. In het geval van Walter Zinzen is dit verdoken elitarisme ongetwijfeld verbonden met de oer-missie van de Vlaamse openbare televisie die in de jaren ’50 het licht zag: volksminnend én belerend, zoals indertijd Hendrik Conscience. En even gezagstrouw en systeembevestigend.

 ‘Politiek correct’

Het brengt me tot de tweede grote lijn van zijn vertoog: Zinzen’s blind geloof in de Belgische constructie en het ‘politiek-correcte denken’, een intellectuele fatsoensnorm die in België samenvalt met een aversie van al wat de instellingen en de monarchie in vraag stelt. Dit vergt enige biografische duiding. Hij behoort tot een (uitstervende) generatie van overtuigde Belgen, die in hun kinderjaren de bevrijdingseuforie hebben meegemaakt (W. Zinzen is van 1937), als pubers in de jaren ’50 rock ’n roll-den, rechtdoor naar het waw!-gevoel van de expo ’58 en de economische hoogconjunctuur van de golden sixties. Aan de voet van het Atomium situeert zich dan de carrière-aanzet van Walter Zinzen én het ontstaansmoment van de toenmalige BRT waar hij na zijn studies Germaanse aan de slag kon. Deze optimistische generatie van Nonkel Bob, Tony Corsari en Armand Pien was vastbesloten om het nieuwe regime –ondanks schaduwmomenten als de koningskwestie en de schoolstrijd- voluit te dragen, als B.V. avant-la-lettre, én als anchor van de staatsomroep. Voor Nonkel Bob misschien niet zo’n probleem, maar wel voor de ‘rebelse journalist’ Walter Zinzen. Zijn kritisch-onderzoekende toon moest zich dus beperken binnen dat institutioneel-maatschappelijk register van de reporter met het statuut van een staatsbediende. Kritisch, maar ’positief’ en ‘constructief’. Niet buiten de lijntjes kleuren dus.

En deze ‘bureaucratische’ voorgeschiedenis zweemt duidelijk door ‘De wereld is een schouwtoneel…’ : Zinzen betoont een veel te grote inschikkelijkheid tegenover het (politiek-gelegitimeerde) machtsapparaat. Hierdoor verwart hij ‘kritische journalistiek’ met ‘politiek-correct denken’, en dat is in onze tijd bijna een paradox. In de nasleep van Dutroux en de Witte Mars, en met het aantreden van groen-paars na de ‘dioxine-verkiezingen’ van 1999, werd die simplistische verwarring zelfs een dogma en zonder meer de overlevingsstrategie van heel het politiek-economisch-sociaal netwerk dat zich aan de Belgitude had vastgeklampt. Het is de vlucht-vooruit van het politiek-cultureel establishment en de tirannie van het politieke centrum. Hierin gingen ‘communicatiespecialisten’ à
la Noël Slangen een steeds grotere rol spelen, net omdat de inhoud totaal ondergeschikt werd aan de vorm (ook over politieke marketing en het fenomeen Slangen geen woord in Zinzen’s boek…). Met het gevolg dat, anno 2006, ‘politiek-incorrect’  in Vlaanderen bijna een geuzentitel geworden is voor een brede laag van denkers en publicisten, die de historische analyse hebben gemaakt dat de Belgische staat een voorbijgestreefd verschijnsel is. En dat het hele kluwen van politiek, cultuur en media dringend van buitenuit moet (her-) bekeken worden. De ‘anti-establishment’-attitude dus, die niet persé regimevijandig of anarchistisch is, maar alleszins wel fundamenteel-kritisch, analytisch ‘tot op het bot’, en zonodig breukgericht werkt.

Dat het gros van de VRT-journalisten zich nog altijd gedraagt als staatsbedienden en veel te vriendelijk is voor de ‘zittende macht’, is dan ook een probleem dat in Zinzen’s boek tussen de plooien valt: de irritante vooringenomenheid van Siegfried Bracke in de voorbije verkiezingsshows, het ergerlijke gesmoezel off-the-record van Ivan de Vadder met de premier, de hilarische vreugdedans van Janssens-aanhangers én VRT-journalisten op de Antwerpse Grote Markt, die avond van 8 Oktober. Zonder twijfel allemaal heel ‘politiek-correct’. Maar journalistiek op het ranzige af. De échte rebellen zoals Daniel Buyle, die met het establishment wél een probleem hadden, werden trouwens op tijd en stond verwijderd,- ook daarover zwijgt Zinzen in alle talen.

En ja, uiteraard is de ex-journalist tegen het Belang en voor het cordon. Met het juridisch maatwerk dat de politiek op het toenmalige Vlaams Blok toepaste, heeft  hij geen moeite, dat is ‘democratisch’ en ‘politiek-correct’. Maar het feit dat er in 2002 stemmen opgingen om de Arabisch-Europese Liga, die toen met patrouilles de straat terroriseerde, strafbaar te maken, dat vindt hij dan weer onrustwekkend en een aantasting van de democratische grondrechten.  Ik vraag me overigens af, wat Zinzen zou denken van de audiëntie die de koning aan Patrick Janssens verleent. Toevallige samenloop? Of een ‘politiek-correcte’ overwinningsceremonie?

Conclusie: hoe veel waardering ik ook heb voor de interviewstijl van onze op rust gestelde Terzake-journalist,- toch getuigt het boek ‘De wereld is een schouwtoneel…’ van een enigszins gedateerde, zelfs archaische visie op maatschappij, politiek, media en communicatie. Aan zijn critisch-gedreven vertoog hangen nostalgische brokken van een oud etatistisch verhaal, waarin een intellectuele bureaucratie via die ene openbare omroep aan volksverheffing deed en zich ook als elite onderscheidde. Het boek biedt, als journalistiek testament, stof tot nadenken over al die onderwerpen –dat is het positieve punt-, maar dan wel buiten de scope waarin het zich zelf heeft opgesloten. De ‘media’ zijn immers meer dan de VRT, VTM, De Standaard en de Morgen. Net zoals politiek bewustzijn ook niet te herleiden valt tot de partijpolitieke machtsrethoriek. Alleszins miskent hij dat wat, misschien wel in de nabije toekomst ‘de vijfde macht’ kan worden, noem het maar de kwintessens van heel het verhaal, namelijk de mondige burger zelf, die zich geen knollen voor citroenen laat verkopen, niet door de politiek, niet door de reclame, niet door de communicatiestrategen, en dus ook niet door ‘de media’.  Deze emancipatie speelt zich grotendeels af via nieuwe media zoals internet, de burgerjournalistiek, de weblogs… allemaal fenomen waar Walter Zinzen –met alle respect- misschien net iets te oud voor is. Mensen willen vandaag zelf naar de stukjes op zoek gaan en de puzzle ineensteken. Dat is zonder meer een overwinning voor de democratie. De argusogen, waarmee de ‘klassieke pers’ dit fenomeen bekijkt, is daar een bevestiging van.