Is satire onzin?

Strenge bedenkingen bij een mild arrest
De vrijspraak door de Leuvense rechtbank voor Knack-journalist Koen Meulenaere (24/10/06) lijkt op het eerste gezicht meulenaere.jpgeen overwinning voor de persvrijheid. Meulenaere had in het weekblad ‘Voetbalmagazine’ de Truiense burgemeester Ludwig Vandenhove als een ‘bordeelschuimer’, en een ‘onwettige burgemeester’ met pedofiele neigingen gekwalificeerd. Vandenhove had 15.000 Euro geëist maar ving dus bot, de Vlaamse Vereniging van Beroepsjournalisten juichte. Toch blijven er vragen hangen rond de motivering van het vonnis en de politiek-maatschappelijke definitie van ‘satire’ anno 2006. M.n. schijnt de rechter te zijn uitgegaan van een ‘onbestaand verband tussen satire en waarheid’. Opmerkelijk is, dat de gevierde columnist daar helemaal zijn verdediging had op gebouwd, meer dan op het principe van de persvrijheid en de vrijemeningsuiting zelf. 

 ‘Het is maar om te lachen’

Eerst en vooral de begripsverwarring tussen een column en satire, die ook uit het vonnis blijkt. Een column is een beschouwelijk-opiniërend stuk, bondig, zoals de naam het zegt: tot een kolom beperkt, sterk op de actualiteit geënt en in een spitse stijl geschreven. Het is een genre op zich. Kranten en magazines trekken dikwijls columnisten aan, die een ijzersterke reputatie hebben omwille van hun originele analyses en gevatte uitspraken. De pur-sang columnist is een free-lancer: Als journalistieke vrijbuiter eet hij van verschillende walletjes, bindt zich niet aan één medium en waarborgt zichzelf zo de nodige intellectuele vrijheid.

Aan dat profiel beantwoordt Koen Meulenaere duidelijk niet, vermits de man een vast betaalde betrekking bij Knack heeft, en daarnaast nog wat bijklust, zoals in ‘Voetbalmagazine’.

Nemen we dus aan dat het om ‘satire’ gaat, o.m. in zijn vaste Knack-rubriek ‘Bladspiegel’’. Men herinnert zich daarin de opgeklopte heisa rond de al-dan-niet-geplagieerde licentiaatsthesis van Freya Van den Bosche. Toen de geplaagde minister dreigde een klacht in te dienen, trachtten Knack en Meulenaere zich eerst achter de smoes te verschuilen dat het ‘maar satire’ was, en dus geen waarheidsgehalte had. Ja, sorry, heb ik iets gemist? Blijkbaar kent niemand zijn klassieken nog, want ‘satire’ behoort tot een eeuwenoude literaire traditie, waarin wel degelijk een deconstructief spel met de realiteit wordt gespeeld. Via valse bodems, uitvergrotingen, quiproquo’s en overdrijvingen, wordt een hilarische sfeer gecreëerd om ons op het verkeerde been te zetten, vastgeroeste reflexen te omzeilen, en clichés onderuit te halen. De stijlfiguur heet ‘ironie’, het genre heet ‘satire’. Het is noch onschuldig noch vrijblijvend, want er worden wel degelijk personen en toestanden geviseerd.

Ik kijk even in mijn bibliotheek: van de Romeinse schrijver-hekeldichter Horatius, over het middeleeuwse dierenepos ‘Van den Vos Reinaerde’, Rabelais’ ’Vie inestimable du grand Gargantua’, via Gogol’s ‘Neus’, George Orwell’s ‘Animal Farm’, tot de clown Coluche en het Parijse satirische blad van wereldformaat ‘Le Canard Enchaîné’. Allemaal holle of bolle spiegels die op de werkelijkheid gericht zijn, meestal daar waar de macht en de sterken van de samenleving zich situeren. Soms subtiel, soms grotesk, maar nooit gratuit: de satiricus danst op een slappe koord. Van Horatius weten we dat hij als berooide en foute free-lance-auteur (hij had in de oorlog aan de verkeerde kant gestaan) in een dubbelzinnige verhouding leefde met de toenmalige keizer Augustus, die hem in ’t oog hield en constant trachtte te recupereren. De satire is sindsdien een politiek-incorrect schaduwmedium, dat via buik en onderbuik het soort verboden ‘Aha!’-erlebnissen opwekt dat anders niet door de (zelf)censuur passeert. Elk regime heeft er moeite mee, hoeveel dubbele bodems en camouflage er ook worden ingebouwd. Zelfs in onze vrolijke jaren ’60 werd Hugo Claus’ groteske toneelstuk ‘Het leven en de werken van Leopold-II’ nog van de affiche gevoerd wegens ‘beledigend voor het koningshuis’. Dat was het inderdaad, maar het was ook een in dolle fratsen verpakte, vlijmscherpe kritiek op onze koloniale periode. Vandaag zouden zijn advocaten hebben aangevoerd dat het ‘maar satire’ was,- probleem opgelost.

Repressieve tolerantie

Wat vandaag voor ‘satire’ moet doorgaan is het dus niet, althans niet in de literair-historische betekenis. De postmoderne definitie van de Leuvense rechter en Koen Meulenaere zelf, omtrent ‘satire die geen verband met de waarheid houdt’, degradeert het genre tot onderbroekenlol. Of… geeft het systeem daarmee subtiel te kennen dat het geen humor duldt die méér is dan vermakelijk gezwets?  Wordt ‘satire’ op die manier herleid tot Spielerei, met de terapeutische modderfunctie die ook de zgn. roddelbladen hebben? Er hangt dus een geur aan die vrijspraak: het is geen overwinning voor de vrijemeningsuiting, maar veeleer de exorcisering van een subversief genre.

Dat brengt me op een tweede randbedenking bij de rechterlijke uitspraak: de vrijgeleide voor ‘irrelevante’ satire loopt parallel met een klimaat van nieuwe censuur en zelfcensuur. Sinds de moord op Theo Van Gogh en de Deense cartoonkwestie zijn wel degelijk een aantal thema’s in de taboesfeer terechtgekomen; meerbepaald is ‘racisme’ een enorme stoplap geworden om heel de problematiek van religieuze intolerantie en cultuurclash uit de weg te kunnen gaan. Ik vraag me b.v. af, hoe het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding zou gereageerd hebben, moest Meulenaere in zijn stukjes het woord ‘makak’ of ‘bougnoul’ hebben gebruikt, of iets uit dat register. Of moest hij Abu Djaja ‘de pooier van Allah’ genoemd hebben, zoals Theo Van Gogh ooit deed. Zou men dat ook met de mantel der liefde toegedekt hebben, onder het motto dat ‘in satire alles mag’?

Men krijgt toch sterk de indruk dat de breeddenkendheid tegenover politiek-onschadelijk gemaakte humor (zie hoger) in verband staat met een evenredige schuwheid voor onderwerpen die écht gevoelig liggen. De columns van Koen Meulenaere zouden dan als bliksemafleider dienen om een quasi-tolerantie te etaleren, waarbij allerlei bekende en minder bekende Vlamingen de revue passeren zonder dat het echt wat uitmaakt. Daarom vinden alle politici het ook fijn om door Geert Hoste over de hekel gehaald te worden: het vergroot gewoonweg hun street credibility, om het even wat de man uit zijn nek kletst: de stand-up-comedian is een moderne nar, zijn vrijheid dient blijkbaar als alibi om kritiek te smoren. Iets wat Herbert Marcuse ooit ‘repressieve tolerantie’ noemde.

Zo krijg je satire op zijn kop: een vrolijk partijtje kleiduifschieten, om de echte hete hangijzers te ontwijken. Wie daar buiten om probeert te gaan, krijgt dus wél problemen. Ik denk aan de Deense Mohammed-cartoons; of aan de publicist Paul Beliën die politiebezoek kreeg na zijn nogal aangebrande blogtekst rond de ‘schapen en de roofdieren’, verwijzend naar de stille marsen en het Islamitische offerfeest. Dat is ook satire. En ik hoef het daarom niet te smaken of het met Paul Beliën helemaal eens te zijn: ‘Je déteste vos idées mais je suis prêt à mourir pour que vous puissiez les exprimer’, om de satiricus Voltaire te citeren.

Conclusie:

Binnen het Knack-format, dat zich qua content en stijl duidelijk spiegelt aan hoogwaardige nieuws- en duidingsmedia zoals The Economist en Le Nouvel Observateur (wat niet betekent dat het dat niveau ook haalt…), is het geval Koen Meulenaere een anomalie. Het wil meer zijn dan fictief maar minder dan onthullend, spits maar vrijblijvend, ludiek maar niet kritisch,- het blijft dus hangen in een surreëel kader dat reactionaire trekjes krijgt en dat tegemoet komt aan de roddelhonger van de intellectuele middenklasse. De (door het gerecht ondersteunde) foute perceptie van satire, als fabulatie en louter entertainment, kadert tenslotte in de ondraaglijke lichtheid van de postmoderne politieke cultuur, die zelf een hoog entertainment-gehalte gekregen heeft.

Er duiken zo wel meer van die anomalieën op, die een zwalpende redactionele lijn en journalistieke normvervaging doen vermoeden. Ook in het geval van Radio-1-presentator Koen Fillet, die de marathon van New-York niet liep maar wel heel de tijd deed alsof hij hem wel ging lopen, ging de VRT duidelijk uit de bocht. Het was ook allemaal maar ‘om te lachen’, maar de reactie van luisteraars bewees dat die pot-pourri van  (des-)informatie, entertainment en platte sensatie niet gewaardeerd wordt. En wat te denken van het ‘onafhankelijk-progressief’ dagblad De Morgen, waarin de officiële VLD-strateeg Noël Slangen er een vaste opiniecolumn op nahoudt?

Het is tekenend voor de kwaliteit van de Vlaamse satire dat ze als literair genre én als persverschijnsel eigenlijk dood is sinds Johan Anthierens er met ‘De Zwijger’ in 1984 de brui aan gaf. Om financiële redenen, maar vooral ook door de kwaadwillige diffamatie vanwege gesettelde media die het ding het daglicht niet gunden, zoals, juist ja,…Knack-magazine.

Advertenties

Een Reactie op “Is satire onzin?

  1. raak! én satirisch inwoord en beeld gebracht à la sanctorum!
    johan sanctorum zal nooit een Eindejaarsconférence op vrt hebben, dat is meteen ook duidelijk.
    nochtans begrijpt het gewone volk beter satire dan billenkletserij waarvan het weet dat het toch maar bedoeld is om op de billen te kletsen. maar de machter die lacht bij satire, lacht zonder zijn verstand uit te schakelen. en dat is veeleer een vaardigheid van het gewone volk dan van het met een hoe dan ook altijd ergens afgeschreven thesis aan een diploma geraakte middenklasse. daarom dat zelfs de Rechtvaardige Rechters eigenlijk zo populair geworden is: het gewone volk smaakt de humor ervan beter dan de middenklasse die zich alleen zuivert van de kazk waarin hij te kakken wordt gezet.