Maandelijks archief: januari 2007

Groen! moet dringend op zoek naar zijn wortels

Waarom het milieuverhaal in Vlaanderen politiek niet vertaald geraakt 

De bomen botten al en de verwarming draait nauwelijks. Hoera dus voor de zachte winter? Neen, niet echt. De tijdelijke euforvera-dua.jpgie zou wel eens kunnen omslaan naar een enorme kater, als blijkt dat grote delen van deze planeet uitdrogen en we nog meer visite mogen verwachten van sukkelaars die bij ons hun geluk zoeken. Inclusief dramatische olieprijsstijgingen door de tropische stormen in de V.S., een zeespiegel tot aan ons dak, een ineenstorting van de aandelenmarkt en een enorm koopkrachtverlies (dat is geen naïef ‘groen’ doemscenario maar een prognose van het deftige World Economic Forum). Overigens gaat het niet goed met de kwaliteit van onze omgeving, ook zonder dat CO2-verhaal. Het fijn stof van de dieseluitstoot neemt toe, de allergieën tegen van alles en nog wat evenzeer. Toch slaagt de partij die deze bezorgdheid politiek moet vertalen, er niet in om in Vlaanderen een draagvlak te creëren. Wat loopt er mis? 

‘Regelneven op geitewollen sokken’

Volgens de laatste peilingen zouden de Groenen nog zo’n 6% halen, dat is met de hakken over de kiesdrempel. Deze politieke fractie vertegenwoordigt in Vlaanderen blijkbaar nauwelijks nog een levensbeschouwelijk segment en is niet eens in staat om reële hypes (Al Gore en de show rond zijn broeikasfilm) te benutten. En toch. Mij maak je echt niet wijs dat gezond eten op ons bord, of schone lucht met minder kankerverwekkend spul, de doorsnee-Vlaming niet zou interesseren. Moest men hem/haar in een enquête een globaal ecologisch vragenpakket voorleggen, over bv. het belang dat hij hecht aan gezondheid en welzijn, minder kinderen die jaarlijks in het verkeer weggemaaid worden, en over het behoud van natuurgebied voor de komende generaties, dan zouden die peilingen er wellicht totaal verschillend uit zien. Anders gezegd: Groen! doet niet wat het moet doen, namelijk buikgevoelens politiek vertalen en haar rol van zweeppartij vervullen. Iets wat haar gedoodverfde antipode, het Vlaams Belang, wél vermag. En daar zijn een aantal redenen voor te bedenken, vooral vanuit dat buikgevoel.

Vooreerst blijft de partij hangen aan het zure geitewollen-sokken-imago: wereldvreemde azijnpissers die beweren dat zingen onder de douche het milieu schaadt (we blijven er langer onder en verbruiken dus meer water en energie!). Dankzij hen is het idee gegroeid dat ecologisch bewustzijn te maken heeft met het derven van plezier en een algehele Calvinisering van de levenssfeer: weinig mogen, veel moeten; genot is des duivels, we moeten doordrongen worden van een zondebesef (iedereen vervuilt), bezworen met regelmatige boetetochten naar het (inkomplichtige) containerpark. Hoeft het gezegd dat zoiets in het ‘Boergondische’ Vlaanderen moeilijk ligt?

Dat brengt ons op het tweede otium: dat van de regelneverij. Sinds de Groenen hun intrede deden in de federale regering, anno 1999, heeft de partij zich vastgeklampt aan het politiek-culturele establishment dat weet wat goed is voor de gewone man. Het idee dat je met een regen van wetten en wetjes de samenleving kunt veranderen is een illusie, maar de Vlaamse Groenen geloven er hardnekkig in. Deze verholen minachting voor de modale Vlaming, sowieso al begiftigd met een gezond wantrouwen tegen macht, leverde een nauwelijks bedekte, wederkerige haat op, die leidde tot betogingen tegen de Groene Hoer (2003) en  regelrechte electorale afstraffingen. Maar de lessen werden niet getrokken, Groen! blijft zweren bij de bovenbouw..

Ten derde hebben de ‘Vlaamse Groenen’, ondanks hun naam, altijd de Belgicistische kaart getrokken. Het idee om kleinschaligheid, anti-globalisme en basisdemocratie (drie kernbegrippen van het ecologische gedachtengoed) eens te toetsen aan Vlaamse verzuchtingen naar zelfredzaamheid, los van de vermolmde monarchische operettestaat waarin goed bestuur van langsom minder aan de orde is, blijft een taboe binnen Groen! Deze missing link ondergraaft de laatste mogelijkheid om met het Vlaams collectief bewustzijn, waar deze onderstroom leeft, enigszins voeling te krijgen.

De klad zit er dus fameus in. De troika van grootmoeders die Groen! momenteel regeert (Vera Dua, Mieke Vogels en Magda Aelvoet) is echter vastbesloten om haar vel duur te verkopen en duldt geen dissidentie. Er zijn wel degelijk jongeren die beseffen wat er fout loopt met een groene partij die gedoemd is om constant in snelheid genomen te worden door rood, maar ze worden met een Stalinistische arrogantie gemuilkorfd. Dit is ergerlijk, niet alleen voor die partij zelf, maar vooral voor Vlaanderen, dat, door een hopeloos foute politieke setting en strategisch geklungel van de groene fractie, de aansluiting mist met het verhaal rond milieu, gezondheid, levenskwaliteit. Want daar draait het om.

Is ecologisch bewustzijn niet een heel klein beetje ‘conservatief’?

Het dwangmatig achternalopen van de ‘progressieve gedachte’ schijnt de partij steeds verder te duwen in de richting van de politiek-correcte consensus en het ongezonde gezelschap van SP.A en VLD,- waardoor een fundamentele discussie rond waarden en strategie niet meer aan de orde is. Een mandataris, die uit schrik voor partijrepresailles anoniem wenst te blijven, verwoordde het zo: ‘Het ergste van al was dat onze slogan – Groen! is nodig voor een progressief beleid – niet bleek te kloppen. Gent en Antwerpen hebben waarschijnlijk nooit progressievere beleidsplannen geschreven als vandaag. Veel groenen zouden geld geven om zo’n beleidsplan mee te kunnen uitvoeren.”’. (De Morgen van 5/1)

Indien het los zou komen van die progressistische kramp, kan het ecologisch verhaal wel degelijk bij ons een publiek draagvlak krijgen. Als Vlaanderen toch overwegend ‘conservatief’ denkt en voelt, dan mag dat woord eindelijk eens ten volle worden ingevuld: ‘behoudsgezindheid’ gaat ook, en misschien vooral, over het handhaven en verbeteren van levenskwaliteit. Het is dus conservatief, in de mooiste zin van het woord, om het vrachtwagenverkeer dat over onze wegen dendert (overigens vooral internationaal transitverkeer waar we economisch nauwelijks wat aan hebben), in te dijken. Het is ook ‘conservatief’ om kleinschalige, diervriendelijke landbouw te herwaarderen, die opnieuw de biefstuk van vroeger op tafel kan brengen, in het besef dat het beest op ons bord ook een leven heeft gehad. En het is ‘conservatief’ om bijvoorbeeld te protesteren wanneer een tapijtenmagnaat in Waasmunster zomaar een openbare weg afsluit doorheen een recreatiegebied.

Anderzijds blijkt het ‘progressieve discours’ zich niet met levenskwaliteit bezig te houden, maar met de heilige koe van de vooruitgang. In het als tractaat vermomd verkiezingspamflet van Guy Verhofstadt, het ‘4de Burgermanifest’, wordt o.m. uitgebreid de lof gezongen van de auto-industrie en de farmaceutische sector. Onder het motto ‘optimisme is een plicht’ worden alle kritische geluiden omtrent de op hol geslagen consumptiemaatschappij weggelachen. Ons land is de trieste koploper van Europa inzake het slikken van anti-depressiva en zelfmoorden. In naam van die vooruitgang draaien we mee in een uitzichtloze spiraal van concurrentie en rivaliteit, terwijl er eerder grote behoefte is aan onthaasting en bezinning over waarden die echt tellen. Graag wat meer ‘conservatief’ dus, even ophouden met doorhollen. Waar wachten de groenen nog op, om ons te verleiden tot een herwaardering van levenskwaliteit?

De wortels van deze partij liggen nochtans wel degelijk in dit verhaal van behoud en herstel: was het niet pater Luc Versteylen die begin de jaren ’70 met zijn actie tegen het Oelegemse Duwvaartkanaal, dwars door een natuurgebied, aan de bron lag van ‘Anders Gaan LEVen’? En, veel verder terug, hebben de grote Vlaamse landschapsschilders niet steeds weer gezocht naar dat mystieke moment van verzoening tussen mens en natuur, in het besef dat we allemaal behoren tot één ecosysteem?

Groen! is dus ontworteld. Het ergste wat een milieupartij kan overkomen. Groen! moet zich dringend herbronnen, maar heeft haar geheugen weggewist. Ooit zal Vlaams Groen haar zo gehate tweelingzus, helemaal aan de andere kant van het politieke halfrond, maar in dezelfde protestgolf van de jaren ’70 ontstaan, misschien wel de hand moeten reiken. Dat moment wil ik nog meemaken, voor ik natte voeten krijg.

De fluwelen terreur van het levensgroot portret

Over postmoderne gezelligheid en geënsceneerde familiariteit in de media

Nog niet zolang geleden werd het feelgoed-programma ‘Fata Morgana’ afgevoerd omdat de kijkcijfers onder de verwachtverhofstadt_haard.jpging bleven. Het bracht telkens wel wat Vlamingen op de been die hun scoutstijd nog eens wilden herbeleven, maar de volksopvoedkundige betutteling was er teveel aan. Achter de grote uitdagingen waarvoor de inwoners van Koksijde, Lanaken, Kaprijke, Wuustwezel…, werden gesteld, zat inderdaad een niet mis te verstane opdracht: de nukkige Vlaming moest dringend gesocialiseerd worden,- nota bene door hetzelfde medium dat van nature zoveel mogelijk ‘sociale’ vrijetijdsbesteding wil wegkapen.

Snel werd ook duidelijk dat het troetelkind van netmanager Bettina Geysen met een soort politieke missie was begiftigd. Het sleutelconcept was ‘sociale cohesie’, het codewoord was SAM, maar de impliciete politieke boodschap was, dat er dringend een dam tegen de ‘verzuring’ moest opgeworpen worden. Lees: tegen ‘extreem-rechts’, in casu het Vlaams Belang. De medewerking van de Koning Boudewijn Stichting, een door het Hof gepatroneerde vzw met een uitgesproken systeembevestigende opdracht, was daar uiteraard niet vreemd aan. Ondertussen had Bettina binnen het VRT-huis zo intens geSAMd met toenmalig televisiedirecteur Aimé Van Hecke, dat er speciaal voor haar een nieuwe functie werd bedacht om dat rollebollen over de werkvloer wat binnen de perken te houden. Van Hecke is ondertussen naar het tijdschriftenconcern Sanoma vertrokken, tot zover de petite histoire.

Het gevecht tegen de ‘verzuring’ is alvast een obsessie gebleven voor de openbare omroep. De schrik voor middelpuntvliedende krachten en regimevijandige onderstromen in de samenleving is zo groot, dat elke vorm van kritische afstandelijkheid als iets verdorven, asociaal, zelfs pervers wordt beschouwd. Vlamingen moeten op gezette tijden groepsterapie volgen in Gordel-evenementen en massaspelen, anders gaan ze piekeren en zeuren. En fout stemmen. In dezelfde lijn situeert zich het hoera-denken van Verhofstadt’s 4de burgermanifest, dat, onder het motto ‘Optimism is a moral duty’,  het volk aanspoort om positief om te gaan met elkaar, in het belang van het land, de instellingen, de wereldmarkt, de consumptiemaatschappij, de vooruitgang.

En daarmee botst deze positivistische ideologie, die onvoorwaardelijk vertrouwen opeist, recht tegen het burgerlijk ongehoorzaamheidsinstinct dat ons diep ingebakken zit. Want we wantrouwen de politici, we staan sceptisch tegenover de nieuwe gadgets die ons nóg gelukkiger gaan maken, we geloven maar half van wat de geschreven pers en de televisie ons aan informatie serveren. En tot overmaat van ramp: we slaan aan het bloggen. De Vlaming is een beetje zuur, of noem het gewoon sceptisch tegenover structuren, instellingen en politieke rethoriek. Overal waar we een systeem ontdekken, vermoeden we complotten. Telkens een vos de passie preekt, gaan we onze ganzen tellen. De vraag is alleen, of dat wel zo’n ongezond instinct is, waarop sociale pedagogiek van toepassing moet zijn. Moeten wij heropgevoed worden?

Schone schijn

Het probleem voor de politiek én de media is, dat een zekere zuurtegraad in de publieke opinie nodig is voor de democratie,- die alleen kan overleven dankzij een flinke portie alertheid van de kiezer, de consument, de kijker. Datgene wat de filosoof Pierre Rosanvallon ‘la contre-démocratie’ noemt,- de niet-georganiseerde en net daardoor onrecupereerbare weerspannigheid van de burger. Maar in de verziekte Belgische constructie gelden andere normen: ‘democratie’ staat bij ons in het teken van de politieke correctheid, waarbinnen het onbehoorlijk is om bepaalde vragen te stellen die heel het fragiele machtsevenwicht tussen personen, zuilen, partijen, belangengroepen, regio’s, levensbeschouwingen zouden kunnen aantasten. En in de goede oude traditie moet de staatsomroep dat evenwicht reflecteren. Dus moet die ‘sociale cohesie’, het idee dat we één grote familie zijn, steeds weer gepromoot worden, via de massamedia en bepaalde entertainment-formats. Dat is op middellange termijn een dodelijke ziekte die zich tegen de democratie zelf zal keren, maar de huis-,tuin-, en keukenideologen van de ‘sociale cohesie’ willen van geen ophouden weten. Waarbij het vermoeden ontstaat dat het dwangmatig optimisme van de nieuwe politiek, en de mediatieke ‘strijd tegen de verzuring’, in éénzelfde strategie kaderen van de depolarisatie.

De publieke emo-cultuur moet dus de contradicties in de samenleving dichtdekken. Na de stille dood van ‘Fata Morgana’ hebben de strategen aan de Reyerslaan nu het geweer van schouder verwisseld. Het accent is blijkbaar verschoven, van de grote solidaristische massacampagnes à la Fata Morgana, naar de intimistische tête-à-têtes en de amicale afspraakjes tussen Bekende Vlamingen die wij als rolpatronen moeten zien, om ook zo’n rijk, boeiend, afwisselend, aangenaam en sociaal leven op te bouwen. Plots gaan de drie toffe jongens (‘De bende van Wim’ ) met hun moto weer op vacantie om allerlei fratsen voor de camera uit te halen. Of laten diezelfde B.V’s zich afzakken op de sofa om aan mama’s boezem jeugdherinneringen op te diepen (‘Mijn moeder’). Of ze gaan op reis naar zonnige oorden om daar van elkaar’s uitstraling te genieten (‘Beste vrienden’). Opvallend is daarbij de toenemende gelijklopendheid tussen het human interest-pakket van de VRT en wat De Standaard in dat genre zoal aanbiedt.

Geen sikkepitje zuurte in al deze demonstraties van warmte, gezelligheid, pakkende emoties en overslaande vonken tussen mensen die het gemaakt hebben. Terwijl de paparazzi en de roddelpers nog oog hebben voor het ongeluk van de celebrities, wordt hier vooral het rozegeur en maneschijn beklemtoond, met de subliminale boodschap dat maatschappelijk sukses en roem positieve emoties opleveren,- en omgekeerd. Iets waarvan wij, juist dankzij pulpblaadjes als Dag Allemaal, beseffen dat het schone schijn is.

De ‘menselijke politicus’ vult het beeld

In een volgende fase –en dan wordt het pas interessant- slaat deze rooskleurige versoaping over op de beeldvorming en de mediarepresentatie van de politieke klasse zelf. De Wetstraatganger heeft de ontwapenende charme van de familiariteit herontdekt, en wenst zich te profileren als vader, zoon, moeder, dochter… Plots worden we in de media geconfronteerd met dikke, warme wolken van tederheid, eens we het privé-leven van de halfgoden uit de politieke arena doordringen. Het feit dat in het Belgische politieke wereldje nogal wat zonen-en-dochters-van carrière maken,- té veel om het enkel aan toeval of talent te kunnen toeschrijven- wordt dan ineens een pluspunt, in plaats van een reden tot bezorgdheid. Het verlies aan legitimiteit, dat de politieke klasse sinds midden de jaren ’90 moest incasseren, wordt goedgemaakt door de mens-achter-de-politicus heel het beeld te laten vullen. Tien jaar geleden maakten we ons nog druk over een parlementair die een studiebeurs voor zijn zoon versierde, nu is het familieportret het nieuwe paradigma.

Na Dutroux, het Spaghetti-arrest, de Witte Mars en het grote ongenoegen over netwerken, nepotisme en connecties, is de politiek weer zacht geland in de nieuwe huiselijkheid en het nestgevoel van vaders, zonen, moeder, dochters, nonkels en tantes. Doordat ditmaal de emotionele context benadrukt wordt via een softe, intimistische fotografie (vader Willy en kleinzoon Matthias Declercq aan het raam, in een Hamilton-achtig, versluierd tegenlicht; of moeder Leona en dochter Maya Detiège, gezellig kwebbelend op de sofa over de dingen-des-levens), wordt onze argwaan geneutraliseerd, en zou het bijna onbehoorlijk zijn om hier enig voorbehoud te maken. Via dit subtiel populisme is de afstand tussen de bestuurder en de burger verdwenen, en daarmee ook de antithese tussen boven- en onderbouw. De enscenering van de familietaferelen is dus cruciaal: de nieuwe, postmoderne gezelligheid van de premier-op-de-sofa is een machtsstrategisch instrument, én een teken van toenemende verstrengeling tussen macht en media.

Vanaf dan kan politiek ook terug in de ik-vorm bedreven worden. Via de versoaping van de politicus krijgt die macht juist weer haar biologische vorm, die we sinds de Franse Revolutie dood waanden: het gaat om de overleving van individuen en clans. Het veelgeprezen ‘voluntarisme’ van Guy Verhofstadt is daar een afgeleide van: de drang om te winnen (Rumsfeld: ‘I am a survivor’) vermenselijkt en legitimeert de politicus. Hij vertegenwoordigt eigenlijk zichzelf, vanuit een persoonlijk charisma, en dat geeft zijn discours een absolute geldigheid. De emoties worden overbelicht, in een spectrum dat varieert van de harde, wilskrachtige roerganger tot de zachte pit-onder-de-bolster. Met overgave laat de politicus in zijn ziel kijken, wetende dat ons geprikkeld voyeurisme elke kritisch oordeel uitsluit. Door te focussen op de minister als vader, zoon, echtgenoot, etc. wordt ons de afstand onthouden die reëel nodig is om beleidsdaden en imago-rethoriek kritisch te ontleden.

Ook J.M. Dedecker blijkt een mens van vlees en bloed, en wat voor een. Op 28/1/07 lieten Wim Van Den Eynde en Jan Puype (ooit een degelijk onderzoeksjournalist, nu een inktkoelie van Canvas) het kamerbreed ego van deze narcistische politicus ons salon binnenstromen. Terwijl zoon Dimitri de communicatiestrategie uitkient. Jawel, ook de eenmanspartij van Jean-Marie is een familiebedrijf.

Het ‘zurig’ besef dat we in deze spektakeldemocratie uiteindelijk toch maar weinig in de pap te brokken hebben, wordt helemaal verzoet door de postmoderne politieke cultuur die subjectiviteit, empathie en begrip claimt voor politici, die ook ‘maar mensen’ zijn, zij het van een lichtere, surreële stof. De manier hoe een middelmatige Wetstraatklant als Rik Daems zijn (ondertussen met een nakroost gezegende) relatie met PS-kamerlid Sophie Pécriaux uitbuit, én de manier hoe de media daar garen van spinnen, is eigenlijk weerzinwekkend. We hebben de illusie dat we binnendringen in het privéleven van de politicus, terwijl het net andersom is: hij penetreert, als familiemens, in onze huiskamer en installeert zich op de sofa. Deze usurpatie is een verschijnsel van de laatste twee jaar. De politiek gaat niet meer voor de zetel in het halfrond, maar voor de fauteuil in de living. De ‘contre-démocratie’ is hier uiteraard ver weg: iemand die zich nestelt in ons interieur, claimt de facto een vertrouwensband,- de nieuwe, postinstitutionele agressie van de macht heet familiariteit. De milde tirannie van het schouderklopje.

Op Vrijdag 5 Januari (perfecte timing, halverwege de voorstelling van het 4de burgermanifest medio december en het VLD-congres van februari) bracht De Standaard een ‘diep-menselijk’ portret van Guy Verhofstadt. De ‘naakte mens’ heet deze nieuwe serie, waarin vreemd genoeg vooral politici mogen figureren. Er was momenteel blijkbaar geen nood aan een kritische doorlichting van de protagonisten, vijf maanden voor de federale verkiezingen, maar wel aan een positieve, subjectivistische covering met intieme ontboezemingen. We lezen er onder meer dat Guy soms wel weent ‘hoewel dat voor een man niet gemakkelijk is’, een doorzetter is die evenwel uit zijn fouten leert, troost vindt bij vrouw en kinderen, de chemie van de liefde verheerlijkt, en graag lacht. En dan die uitsmijter: ‘Niet de politiek maar je gezin en de gezondheid zijn het belangrijkste’. Wie zou zo’n man niet in de huiskamer willen? Met hem wil ik zelfs mijn vrouw delen en de beste plek op de sofa afstaan.

De fluwelen terreur van het levensgroot portret maakt ons week en weerloos. De mens-achter-de-politicus is de mens-vóór-de-politicus geworden. Zijn concrete existentie overschaduwt alle ideologische premissen en maakt de kritiek bij voorbaat belachelijk. Deze verwisseling van façades illustreert hoezeer de media opnieuw in het zwaartekrachtveld van de macht zijn terechtgekomen. Zullen deze stijlfiguren geboekstaafd worden als de nieuwe journalistieke cultuur van de vroege 21ste eeuw? Dan staat ons nog wat te wachten. Is het toeval dat een gesubsideerd gezelschap als het NTG een monoloog opvoert waarin de ‘mens achter de politicus’ Wilfried Martens wordt geportretteerd? En verbaast het U dat Wilfried in de wolken was over de opvoering? Eindelijk is dat gezeur over die rakettenkwestie, de volmachten en Poupehan verleden tijd. De historische kritiek is verdampt, de hagiografie is in opmars. In 1983 werd Martens nog gehekeld in de satirische strip “Pest in ’t Paleis” van Guido van Meir en Jan Bosschaert. Maar de jaren ’80 liggen ver achter ons. Ik krijg het vermoeden dat heel dat nieuwe, telegeleid B.V.-intimisme à la ‘Beste Vrienden maar een opwarmingoefening is voor het echte werk: het grote pardon voor de politiek.

 

Ik stel dan ook vooral mijn hoop op momenten waarin het intimistische format niét naar behoren werkt. Wanneer de camera’s registreren wat ze eigenlijk niet mogen registreren. In het Canvas-programma ‘Mijn Moeder’ figureerde onlangs Guy Leterme, die zijn ouders te eten ontving op het kabinet. Het had iets ontluisterend, het scenario klopte niet met het beeld. We zagen geen zoon die zijn mama omhelsde, geen tranen, geen geknuffel, geen herinneringen of ontboezemingen. Wat we wel zagen, was een doodverlegen Leterme, die zijn draai niet vond, ma en pa geïntimideerd, op meters afstand aan een veel te grote tafel, met vele stiltes en nietszeggend gemompel over het weer en het eten. Westvlaamse zurigheid, zeg maar. Zich totaal niet bewust van het surrealische van deze enscenering, verbaasde columnist Marc Reynebeau zich over de houterigheid van de personnages. Een mediatieke lapzwans als Dewael had allang de stoelen terzijde geschoven, zijn ma vastgepakt en en passant de dienster in haar billen geknepen. 

Maar laat dat nu voor mij net de echte schoonheid zijn van die Leterme-uitzending: het on-mediagenieke. Het levende bewijs dat macht in zijn onderhemd niet sexy is. Dat praten met een volle mond geen goeie televisie oplevert. Dat de worst-met-boerekool van moeder Leterme wellicht beter smaakt, in Ieper, zonder camera’s. En dat programma’s met politici beter over politiek zouden gaan. Scherp, analytisch. Met afstand.

Zou U zich kunnen inbeelden dat…

Onverantwoord interessant: de schemerzone tussen enquêtes en non-events

Toen hetdanneels.jpg radio-ochtendnieuws op 30 November 2006 helemaal in het teken stond van J.M. Dedecker’s overstap naar NVA, en het ACW verbaal zelfs al druk bezig was met het kartel op te blazen, pakte De Standaard uit met de futloze kop ‘Dewael geeft les aan uitgeprocedeerden’. Compleet de actualiteit gerateerd, het overkomt de besten. Er was de dagen nadien op de binnenlandredactie ongetwijfeld geween en geknars der tanden: hét politiek feit van het jaar gemist. De frustratie van een dagblad bestaat er inderdaad in dat het nooit de snelheid kan evenaren van de audiovisuele media. Ondanks super-efficiënte desk-top-publishing en geoliede rotatiepersen. De vraag is, of het die wedloop dan ook wel moet aangaan, en wat de gevaren zijn om uit te glijden in de creatie van non-events en pseudo-feiten die gemakkelijker te beheren vallen, maar die soms uitdraaien op regelrechte desinformatie.

‘Federaal premier’ Leterme: koketteren met het non-event

Dat zowel De Standaard als De Morgen zich uitsloven om die structurele achterstand op de ‘snelle’ media te compenseren met vuistdikke weekend-bijlagen zonder veel journalistieke substantie, is algemeen bekend. Ik keil ze meestal onmiddellijk in de papiermand en heb nooit het gevoel iets gemist te hebben. Jammer van de bomen die voor deze pulp moeten sneuvelen. Maar er tekenen zich ook andere, minder onschuldige tendenzen af in de positioneringsstrategie van de dagbladen. Ik focus even verder op hogervermelde Vlaamse krant.

Om Dedecker-debâcles te vermijden, heeft men bij De Standaard blijkbaar geopteerd voor een strategie van het non-event: steeds meer gaat de voorpaginakop over onvatbare ‘trends’ die tot hype worden opgeblazen. Van daaruit worden dan lezerspolls georganiseerd die de discussie moeten aanzwengelen. Ik verdenk de redactie er van, de stille hoop te koesteren dat ze daarmee in de limiet de actualiteit kan manipuleren. Want zeg nu zelf: een krant die het nieuws mààkt, is de concurrentie altijd met een straatlengte voor. De logica van de self-fulfilling prophecy dus: iets zo hard roepen, dat het ook gebeurt,- of dat het althans een straat- en kroegonderwerp wordt.

Voorpaginakoppen van het genre ‘Paars is weer helemaal terug’ (18/10), ‘Bedrijven bekennen kleur’ (15/11), ‘Jongeren vinden weg naar klassiek niet’ (17/11), en ‘Kiezer duwt Leterme naar de Wetstraat 16’ (25/11) zijn maar een greep uit die opbouw van tendentieuze maar eigenlijk nietszeggende pseudo-berichtgeving, die verder niet hardgemaakt wordt en dikwijls een paar dagen later weer helemaal is verdampt.

De laatste ballon, die over Leterme-als-toekomstige-premier, verdient een nadere beschouwing: hij was de ultieme samenvatting van de ‘Novemberbarometer’, door TNS-Media uitgevoerd in opdracht van de Standaard en VRT. Om de hype ‘wetenschappelijk’ te onderbouwen, nemen de media inderdaad steeds meer hun toevlucht tot publieke enquêtes. Dikwijls gaat het om regelrecht natte-vingerwerk en haastig uitgevoerde peilingen bij zo’n 500 tot 1000 personen met een vaste telefoonlijn (wat sowieso al een vervorming in het resultaat oplevert). Docent statistiek Stefaan Pleysier heeft ondertussen al brandhout gemaakt van die ‘barometer’-methodes van De Standaard, zeker als men ziet welk soort conclusies eraan gekoppeld worden.

De gebruikte methodes en de precieze vraagstelling worden dan ook ofwel niét vermeld, ofwel in een piepklein hoekje. Na enig zoeken vond ik inderdaad een indicatie over welk soort vragen het in die barometer zoal gaat: ‘Kunt U zich inbeelden, op M. X te stemmen?’ Ja natuurlijk kan ik mij inbeelden dat ik voor Leterme zou stemmen. Ik kan mij namelijk veel inbeelden. Ik kan me zelfs voorstellen dat ik op Filip Dewinter zou stemmen, als ik echt kwaad word over bv. de paarse constructies om toch maar de begrotingscijfers te kunnen opsmukken, of over de geborneerde vooringenomenheid van de Vlaamse media tout-court. Volgens weer een andere peiling van De Morgen/VTM kan trouwens meer dan de helft van de Vlamingen zich een Belang-stem ‘inbeelden’. So what?

De waarheid is, dat de Vlaming Leterme helemaal niet ‘naar de Wetstraat 16 duwt’, maar dat hij een nonsensikaal antwoord gaf op een nonsensikale vraag, op het moment dat zijn patatten koud werden. En dat De Standaard verlegen zat om een sensationele primeur. De frekwentie van de peilingen stijgt voortdurend: op dit moment pakt deze krant zo ongeveer om de twee weken uit met een statistisch statement dat men hoopt te verhypen tot fundamentele ‘trend’ of pseudo-plebisciet. Terwijl het om een toevallige en beperkte extrapolatie gaat die een voorpagina-waardige conclusie moet opleveren.

Vanuit maatschappelijk perspectief is dit een bedenkelijke evolutie. Meer en meer wordt de reële, ‘directe’ democratie van verkiezingen, referenda of burgerinspraak, vervangen door een gemediatiseerde virtuele realiteit rond politieke en maatschappelijke issues. Ze drijft op nevelachtige afleidingen uit statistisch hoogst dubieuze bevragingen van ‘de publieke opinie’,- een clichéterm die door de meeste sociologen overigens allang naar de prullemand is verwezen. 

De gehypte conclusies worden dan weer aangeboden als leidraad voor de politieke partijen en hun coryfeeën om rekensommen te maken en om hun strategie bij te sturen. Zo pochte De Standaard herhaaldelijk over het feit dat haar peilingen het kartel CD&V/NVA zouden ‘gemaakt’ hebben. Als dat zo is, dan hoef ik niet meer te gaan stemmen, want dan hebben die 700 ondervraagden het voor mij beslist, en in de eerste plaats natuurlijk de bedenkers van de kop. ‘Onverantwoord-interessant’, zeg dat wel.

 

God als Beerschot-supporter: van marketingstunt tot mediahype

Van een nog twijfelachtiger allooi was de God-campagne van begin December, weeral bij dezelfde ‘kwaliteitskrant’. In haar ijver om reclame een beter imago te bezorgen, had Vepec (‘Vereniging voor Promotie en Communicatie’) bij het marktonderzoeksbureau Compagnie een enquête laten uitvoeren omtrent de geloofstoestand van de gemiddelde Vlaming. Meer dan 50% bleek in ‘iets’ te geloven, wat dat ook moge wezen. Daar zat deeg in voor een ferme portie gebakken lucht. Vepec schakelde het obscure publiciteitsbureautje LDV in, om een promotiecampagne voor niemand minder dan God zelf op te zetten, die men in eerste instantie probeerde te slijten bij de kerkelijke overheid, in casu Kardinaal Danneels. Let wel: dit moest eigenlijk een verklede promotiestunt voor de reclamesector zelf worden, met de kerk als potentiële geldschieter en de Kardinaal als trekpaard, want uit dezelfde enquête bleek de herder qua populariteit torenhoog te scoren.

De Standaard pikte het dubieuze project op en pakte uit met de verbazingwekkende kop ‘De ideale man heet Godfried Danneels’  (29/11). In het daaropvolgende weekend verschenen de paginagrote God-reclames, uitgedacht door de creatieve genieën van LDV, die het Opperwezen en Danneels in in één fastfoodpakket moesten serveren.  ‘Gij zult niet stelen, wacht liever op de wintersolden’, en ‘Ik verwacht U zondag in de kerk,- als Beerschot niet speelt’ waren twee van die subtiele slogans.

De Standaard slaagde er hier in, om doodernstig, zonder een spoor van ironie, drie non-events door elkaar te haspelen: het twijfelachtig resultaat van een ‘religieus marktonderzoek’, een sectoriële stunt van de reclamelobby, en het hilarische campagnebeeld zelf.

Klein detail, en dat was het event achter het non-event: Kardinaal Danneels zat enorm verveeld met heel het gedoe, en liet zijn woordvoerder de maandag daarop een koele rechtzetting sturen, dat de kerk met dit waspoederverhaal eigenlijk niet gediend was. Gelukkig was de Dedecker-bom ondertussen gebarsten en verdween God even mysterieus uit de kolommen als hij erin geraakt was.

Besluit

Onnodig te zeggen dat het in beide gevallen om ondermaatse journalistiek gaat. Indien een pretentieloze krant als Het Laatste Nieuws de snelheidskloof tegenover de televisie nog tracht te compenseren met roddel en regionaal dagjesnieuws, dan gaat De Standaard voluit voor faction, tot nieuws gepolijste fictie.

De achtergrond is een redactionele leemte die zienderogen toeneemt: enerzijds het onvermogen om échte, spittante analyses te brengen, en anderzijds de onwil om aan serieuze onderzoeksjournalistiek te doen. Dàt zijn de twee pijlers waarop een ‘kwaliteitskrant’ echt de snelle media kan verslaan. Maar de opinieredactie van De Standaard, waar de ‘analyses’ zouden moeten gecoördineerd worden, is in handen van gedumpte derderangs-journalisten, genre Tom Heremans, die ongeneerd de kolommen aan eeuwig-dezelfde B.V.’s of aan cafévrienden gunnen.

En van diepgravende, eigenzinnige onderzoeksjournalistiek is helemaal geen sprake in een krant die met de openbare omroep tot één groep behoort, waarvan Umicore-baas en Agoria-voorzitter Thomas Leysen gedelegeerd bestuurder is, en waarin Derk-Jan Eppinck de laan werd uitgestuurd onder druk van de verlichte burgermanifesten-auteur.

De lezer zelf zal dus de slimste moeten zijn in het verhaal. De media mogen voortboeren, maar er is vooral nood aan schaduwmedia: er moet inderdaad achter het nieuws gekeken worden. Met veel genoegen lees ik bv. ook de blog van Marc Van Fraechem (http://victacausa.blogspot.com) die de geschreven pers én de TV-berichtgeving ongenadig confronteert met hun grote en kleine leugens, intellectueel amateurisme, versprekingen, of flagrante desinformatie. Het verzet tegen de verpulping zal van onderuit moeten groeien, vanuit de kritische mediaconsument, de dwarsslezer, de subversiviteit van het internet. De grote skepsis, die bij ons al te vaak met ‘verzuring’ wordt verward. Iets waar wij al jaren op hameren, nl. dat echte democratie gegrondvest is op een gezonde burgerlijke achterdocht, werd recent bevestigd door de Franse politoloog Pierre Rosanvallon (‘
La contre-démocratie. La politique à l’âge de la défiance’). Het oude sprookje van ’s keizers kleren dus.

Ondertussen blijkt dat 89% van de TV-kijkers het fameuze RTBF-nepjournaal van 13/12 klakkeloos geloofden. Een kleine minderheid dus die geamuseerd de grap doorhad, of even naar een andere zender zapte voor een vergelijk, of gewoon na vijf minuten de knop omdraaide om iets anders te doen. Ik begin te snappen waarom media en marketeers het geloof herontdekt hebben.