De fluwelen terreur van het levensgroot portret

Over postmoderne gezelligheid en geënsceneerde familiariteit in de media

Nog niet zolang geleden werd het feelgoed-programma ‘Fata Morgana’ afgevoerd omdat de kijkcijfers onder de verwachtverhofstadt_haard.jpging bleven. Het bracht telkens wel wat Vlamingen op de been die hun scoutstijd nog eens wilden herbeleven, maar de volksopvoedkundige betutteling was er teveel aan. Achter de grote uitdagingen waarvoor de inwoners van Koksijde, Lanaken, Kaprijke, Wuustwezel…, werden gesteld, zat inderdaad een niet mis te verstane opdracht: de nukkige Vlaming moest dringend gesocialiseerd worden,- nota bene door hetzelfde medium dat van nature zoveel mogelijk ‘sociale’ vrijetijdsbesteding wil wegkapen.

Snel werd ook duidelijk dat het troetelkind van netmanager Bettina Geysen met een soort politieke missie was begiftigd. Het sleutelconcept was ‘sociale cohesie’, het codewoord was SAM, maar de impliciete politieke boodschap was, dat er dringend een dam tegen de ‘verzuring’ moest opgeworpen worden. Lees: tegen ‘extreem-rechts’, in casu het Vlaams Belang. De medewerking van de Koning Boudewijn Stichting, een door het Hof gepatroneerde vzw met een uitgesproken systeembevestigende opdracht, was daar uiteraard niet vreemd aan. Ondertussen had Bettina binnen het VRT-huis zo intens geSAMd met toenmalig televisiedirecteur Aimé Van Hecke, dat er speciaal voor haar een nieuwe functie werd bedacht om dat rollebollen over de werkvloer wat binnen de perken te houden. Van Hecke is ondertussen naar het tijdschriftenconcern Sanoma vertrokken, tot zover de petite histoire.

Het gevecht tegen de ‘verzuring’ is alvast een obsessie gebleven voor de openbare omroep. De schrik voor middelpuntvliedende krachten en regimevijandige onderstromen in de samenleving is zo groot, dat elke vorm van kritische afstandelijkheid als iets verdorven, asociaal, zelfs pervers wordt beschouwd. Vlamingen moeten op gezette tijden groepsterapie volgen in Gordel-evenementen en massaspelen, anders gaan ze piekeren en zeuren. En fout stemmen. In dezelfde lijn situeert zich het hoera-denken van Verhofstadt’s 4de burgermanifest, dat, onder het motto ‘Optimism is a moral duty’,  het volk aanspoort om positief om te gaan met elkaar, in het belang van het land, de instellingen, de wereldmarkt, de consumptiemaatschappij, de vooruitgang.

En daarmee botst deze positivistische ideologie, die onvoorwaardelijk vertrouwen opeist, recht tegen het burgerlijk ongehoorzaamheidsinstinct dat ons diep ingebakken zit. Want we wantrouwen de politici, we staan sceptisch tegenover de nieuwe gadgets die ons nóg gelukkiger gaan maken, we geloven maar half van wat de geschreven pers en de televisie ons aan informatie serveren. En tot overmaat van ramp: we slaan aan het bloggen. De Vlaming is een beetje zuur, of noem het gewoon sceptisch tegenover structuren, instellingen en politieke rethoriek. Overal waar we een systeem ontdekken, vermoeden we complotten. Telkens een vos de passie preekt, gaan we onze ganzen tellen. De vraag is alleen, of dat wel zo’n ongezond instinct is, waarop sociale pedagogiek van toepassing moet zijn. Moeten wij heropgevoed worden?

Schone schijn

Het probleem voor de politiek én de media is, dat een zekere zuurtegraad in de publieke opinie nodig is voor de democratie,- die alleen kan overleven dankzij een flinke portie alertheid van de kiezer, de consument, de kijker. Datgene wat de filosoof Pierre Rosanvallon ‘la contre-démocratie’ noemt,- de niet-georganiseerde en net daardoor onrecupereerbare weerspannigheid van de burger. Maar in de verziekte Belgische constructie gelden andere normen: ‘democratie’ staat bij ons in het teken van de politieke correctheid, waarbinnen het onbehoorlijk is om bepaalde vragen te stellen die heel het fragiele machtsevenwicht tussen personen, zuilen, partijen, belangengroepen, regio’s, levensbeschouwingen zouden kunnen aantasten. En in de goede oude traditie moet de staatsomroep dat evenwicht reflecteren. Dus moet die ‘sociale cohesie’, het idee dat we één grote familie zijn, steeds weer gepromoot worden, via de massamedia en bepaalde entertainment-formats. Dat is op middellange termijn een dodelijke ziekte die zich tegen de democratie zelf zal keren, maar de huis-,tuin-, en keukenideologen van de ‘sociale cohesie’ willen van geen ophouden weten. Waarbij het vermoeden ontstaat dat het dwangmatig optimisme van de nieuwe politiek, en de mediatieke ‘strijd tegen de verzuring’, in éénzelfde strategie kaderen van de depolarisatie.

De publieke emo-cultuur moet dus de contradicties in de samenleving dichtdekken. Na de stille dood van ‘Fata Morgana’ hebben de strategen aan de Reyerslaan nu het geweer van schouder verwisseld. Het accent is blijkbaar verschoven, van de grote solidaristische massacampagnes à la Fata Morgana, naar de intimistische tête-à-têtes en de amicale afspraakjes tussen Bekende Vlamingen die wij als rolpatronen moeten zien, om ook zo’n rijk, boeiend, afwisselend, aangenaam en sociaal leven op te bouwen. Plots gaan de drie toffe jongens (‘De bende van Wim’ ) met hun moto weer op vacantie om allerlei fratsen voor de camera uit te halen. Of laten diezelfde B.V’s zich afzakken op de sofa om aan mama’s boezem jeugdherinneringen op te diepen (‘Mijn moeder’). Of ze gaan op reis naar zonnige oorden om daar van elkaar’s uitstraling te genieten (‘Beste vrienden’). Opvallend is daarbij de toenemende gelijklopendheid tussen het human interest-pakket van de VRT en wat De Standaard in dat genre zoal aanbiedt.

Geen sikkepitje zuurte in al deze demonstraties van warmte, gezelligheid, pakkende emoties en overslaande vonken tussen mensen die het gemaakt hebben. Terwijl de paparazzi en de roddelpers nog oog hebben voor het ongeluk van de celebrities, wordt hier vooral het rozegeur en maneschijn beklemtoond, met de subliminale boodschap dat maatschappelijk sukses en roem positieve emoties opleveren,- en omgekeerd. Iets waarvan wij, juist dankzij pulpblaadjes als Dag Allemaal, beseffen dat het schone schijn is.

De ‘menselijke politicus’ vult het beeld

In een volgende fase –en dan wordt het pas interessant- slaat deze rooskleurige versoaping over op de beeldvorming en de mediarepresentatie van de politieke klasse zelf. De Wetstraatganger heeft de ontwapenende charme van de familiariteit herontdekt, en wenst zich te profileren als vader, zoon, moeder, dochter… Plots worden we in de media geconfronteerd met dikke, warme wolken van tederheid, eens we het privé-leven van de halfgoden uit de politieke arena doordringen. Het feit dat in het Belgische politieke wereldje nogal wat zonen-en-dochters-van carrière maken,- té veel om het enkel aan toeval of talent te kunnen toeschrijven- wordt dan ineens een pluspunt, in plaats van een reden tot bezorgdheid. Het verlies aan legitimiteit, dat de politieke klasse sinds midden de jaren ’90 moest incasseren, wordt goedgemaakt door de mens-achter-de-politicus heel het beeld te laten vullen. Tien jaar geleden maakten we ons nog druk over een parlementair die een studiebeurs voor zijn zoon versierde, nu is het familieportret het nieuwe paradigma.

Na Dutroux, het Spaghetti-arrest, de Witte Mars en het grote ongenoegen over netwerken, nepotisme en connecties, is de politiek weer zacht geland in de nieuwe huiselijkheid en het nestgevoel van vaders, zonen, moeder, dochters, nonkels en tantes. Doordat ditmaal de emotionele context benadrukt wordt via een softe, intimistische fotografie (vader Willy en kleinzoon Matthias Declercq aan het raam, in een Hamilton-achtig, versluierd tegenlicht; of moeder Leona en dochter Maya Detiège, gezellig kwebbelend op de sofa over de dingen-des-levens), wordt onze argwaan geneutraliseerd, en zou het bijna onbehoorlijk zijn om hier enig voorbehoud te maken. Via dit subtiel populisme is de afstand tussen de bestuurder en de burger verdwenen, en daarmee ook de antithese tussen boven- en onderbouw. De enscenering van de familietaferelen is dus cruciaal: de nieuwe, postmoderne gezelligheid van de premier-op-de-sofa is een machtsstrategisch instrument, én een teken van toenemende verstrengeling tussen macht en media.

Vanaf dan kan politiek ook terug in de ik-vorm bedreven worden. Via de versoaping van de politicus krijgt die macht juist weer haar biologische vorm, die we sinds de Franse Revolutie dood waanden: het gaat om de overleving van individuen en clans. Het veelgeprezen ‘voluntarisme’ van Guy Verhofstadt is daar een afgeleide van: de drang om te winnen (Rumsfeld: ‘I am a survivor’) vermenselijkt en legitimeert de politicus. Hij vertegenwoordigt eigenlijk zichzelf, vanuit een persoonlijk charisma, en dat geeft zijn discours een absolute geldigheid. De emoties worden overbelicht, in een spectrum dat varieert van de harde, wilskrachtige roerganger tot de zachte pit-onder-de-bolster. Met overgave laat de politicus in zijn ziel kijken, wetende dat ons geprikkeld voyeurisme elke kritisch oordeel uitsluit. Door te focussen op de minister als vader, zoon, echtgenoot, etc. wordt ons de afstand onthouden die reëel nodig is om beleidsdaden en imago-rethoriek kritisch te ontleden.

Ook J.M. Dedecker blijkt een mens van vlees en bloed, en wat voor een. Op 28/1/07 lieten Wim Van Den Eynde en Jan Puype (ooit een degelijk onderzoeksjournalist, nu een inktkoelie van Canvas) het kamerbreed ego van deze narcistische politicus ons salon binnenstromen. Terwijl zoon Dimitri de communicatiestrategie uitkient. Jawel, ook de eenmanspartij van Jean-Marie is een familiebedrijf.

Het ‘zurig’ besef dat we in deze spektakeldemocratie uiteindelijk toch maar weinig in de pap te brokken hebben, wordt helemaal verzoet door de postmoderne politieke cultuur die subjectiviteit, empathie en begrip claimt voor politici, die ook ‘maar mensen’ zijn, zij het van een lichtere, surreële stof. De manier hoe een middelmatige Wetstraatklant als Rik Daems zijn (ondertussen met een nakroost gezegende) relatie met PS-kamerlid Sophie Pécriaux uitbuit, én de manier hoe de media daar garen van spinnen, is eigenlijk weerzinwekkend. We hebben de illusie dat we binnendringen in het privéleven van de politicus, terwijl het net andersom is: hij penetreert, als familiemens, in onze huiskamer en installeert zich op de sofa. Deze usurpatie is een verschijnsel van de laatste twee jaar. De politiek gaat niet meer voor de zetel in het halfrond, maar voor de fauteuil in de living. De ‘contre-démocratie’ is hier uiteraard ver weg: iemand die zich nestelt in ons interieur, claimt de facto een vertrouwensband,- de nieuwe, postinstitutionele agressie van de macht heet familiariteit. De milde tirannie van het schouderklopje.

Op Vrijdag 5 Januari (perfecte timing, halverwege de voorstelling van het 4de burgermanifest medio december en het VLD-congres van februari) bracht De Standaard een ‘diep-menselijk’ portret van Guy Verhofstadt. De ‘naakte mens’ heet deze nieuwe serie, waarin vreemd genoeg vooral politici mogen figureren. Er was momenteel blijkbaar geen nood aan een kritische doorlichting van de protagonisten, vijf maanden voor de federale verkiezingen, maar wel aan een positieve, subjectivistische covering met intieme ontboezemingen. We lezen er onder meer dat Guy soms wel weent ‘hoewel dat voor een man niet gemakkelijk is’, een doorzetter is die evenwel uit zijn fouten leert, troost vindt bij vrouw en kinderen, de chemie van de liefde verheerlijkt, en graag lacht. En dan die uitsmijter: ‘Niet de politiek maar je gezin en de gezondheid zijn het belangrijkste’. Wie zou zo’n man niet in de huiskamer willen? Met hem wil ik zelfs mijn vrouw delen en de beste plek op de sofa afstaan.

De fluwelen terreur van het levensgroot portret maakt ons week en weerloos. De mens-achter-de-politicus is de mens-vóór-de-politicus geworden. Zijn concrete existentie overschaduwt alle ideologische premissen en maakt de kritiek bij voorbaat belachelijk. Deze verwisseling van façades illustreert hoezeer de media opnieuw in het zwaartekrachtveld van de macht zijn terechtgekomen. Zullen deze stijlfiguren geboekstaafd worden als de nieuwe journalistieke cultuur van de vroege 21ste eeuw? Dan staat ons nog wat te wachten. Is het toeval dat een gesubsideerd gezelschap als het NTG een monoloog opvoert waarin de ‘mens achter de politicus’ Wilfried Martens wordt geportretteerd? En verbaast het U dat Wilfried in de wolken was over de opvoering? Eindelijk is dat gezeur over die rakettenkwestie, de volmachten en Poupehan verleden tijd. De historische kritiek is verdampt, de hagiografie is in opmars. In 1983 werd Martens nog gehekeld in de satirische strip “Pest in ’t Paleis” van Guido van Meir en Jan Bosschaert. Maar de jaren ’80 liggen ver achter ons. Ik krijg het vermoeden dat heel dat nieuwe, telegeleid B.V.-intimisme à la ‘Beste Vrienden maar een opwarmingoefening is voor het echte werk: het grote pardon voor de politiek.

 

Ik stel dan ook vooral mijn hoop op momenten waarin het intimistische format niét naar behoren werkt. Wanneer de camera’s registreren wat ze eigenlijk niet mogen registreren. In het Canvas-programma ‘Mijn Moeder’ figureerde onlangs Guy Leterme, die zijn ouders te eten ontving op het kabinet. Het had iets ontluisterend, het scenario klopte niet met het beeld. We zagen geen zoon die zijn mama omhelsde, geen tranen, geen geknuffel, geen herinneringen of ontboezemingen. Wat we wel zagen, was een doodverlegen Leterme, die zijn draai niet vond, ma en pa geïntimideerd, op meters afstand aan een veel te grote tafel, met vele stiltes en nietszeggend gemompel over het weer en het eten. Westvlaamse zurigheid, zeg maar. Zich totaal niet bewust van het surrealische van deze enscenering, verbaasde columnist Marc Reynebeau zich over de houterigheid van de personnages. Een mediatieke lapzwans als Dewael had allang de stoelen terzijde geschoven, zijn ma vastgepakt en en passant de dienster in haar billen geknepen. 

Maar laat dat nu voor mij net de echte schoonheid zijn van die Leterme-uitzending: het on-mediagenieke. Het levende bewijs dat macht in zijn onderhemd niet sexy is. Dat praten met een volle mond geen goeie televisie oplevert. Dat de worst-met-boerekool van moeder Leterme wellicht beter smaakt, in Ieper, zonder camera’s. En dat programma’s met politici beter over politiek zouden gaan. Scherp, analytisch. Met afstand.

Advertenties

5 Reacties op “De fluwelen terreur van het levensgroot portret

  1. Ik heb ook ooit zo eens een handje gekregen van een ‘populaire politicus’. Ben direct mijn handen gaan wassen. Deze kleffe familiariteit is inderdaad walgelijk. Het is een nieuwe bio-cultuur van de politiek: het lichaam als arument.

  2. Ik kan hierover maar één ding kwijt: dit is in zijn genre het beste dat ik in jaren gelezen heb.

  3. Frank Colle

    Lees meer over ‘de naakte mens’ in Homo Sacer, Giorgio Agamben, ned. vert. bij uitgeverij Boom

  4. Jan Braeken

    Uitstekend stuk Jo.
    Dé hamvraag die voor mij nu overblijft is : wie is dé steunpilaar, die enorme basismacht waarop onze Guy steunt ? Wie is die reusachtige, geheime onbekende die alles wat Guy doet al decennia lang mogelijk maakt ? Anders gezegd, wie is Mevrouw Verhofstad ?

    Het antwoord op die vraag zal ons mogelijk meer leren over de Belgische politiek dan honderd BV’s ooit kunnen vernietigen.

    Jan

  5. Goed geschreven.

    Toch sluit in mijn ogen het een het ander niet uit. De Vlamingen hebben nog meer dan genoeg contre-démocratie over. Ik denk niet dat de menselijke politicus écht het beeld vult. Daarbij komt dat het fenomeen van de stamboompolitici niets nieuws onder de zon is. Het bestaat al eeuwen en in alle culturen en landen.
    Ik ben een jong politicus zonder ‘stamboom’ en zoek mijn weg. Het is ongetwijfeld moeilijker, maar de voldoening is des te groter.

    Zin in nog wat meer contre-démocratie à la Belgique? Surf naar http://www.bloggen.be/theotuurt