Maandelijks archief: juni 2007

‘Vox Pop’: het volk mag spreken, maar altijd met twee woorden

Bedenkingen na 10 juni: LDD en de pers

In de aanloop naar de voorbije federale verkiezingen verraste het Canvas-programma ‘Terzake 07’ ons door de obligate debatten tussen de beroepspolitici te laten inleiden met korte straatinterviews waarin de ‘man van de straat’ aan bod kwam. Geen mondige intellectuelen of vertegenwoordigers van het ‘middenveld dus, wel het echte klootjesvolk dat,- waarom verbaast het ons niet- een behoorlijk misprijzen aan de dag legde voor het politiek bedrijf en de Wetstraatklasse. Onthutsende uitspraken, uiteraard met de nodige clichés (‘de zakkenvullende politiekers die zich achter onze rug krom lachen’) waarvan mensen zich nu eenmaal bedienen om een punt te maken. Mij vertelden die korte spotjes alleszins veel meer dan de clichés die tijdens de debatten over en weer werden gemikt, rond ‘goed bestuur’, de ‘hardwerkende Vlaming’ of dies meer. Uiteindelijk toonde de camera hier de emanatie van een reële anti-establishment-onderstroom die het Vlaams Belang groot maakte en die J.M. Dedecker zopas vijf kamerzetels opleverde.

Voor Yves Desmet was die confrontatie met de ‘vox pop’ er evenwel teveel aan. In De Morgen van 4 juni fulmineert de hoofdredacteur tegen de onverantwoordelijke VRT-journalisten die het waagden om het mooie, beschaafde politiek debat te ontsieren met volkse sneren, meestal in het dialect, naar de protagonisten van het politiek theater. De hoofdredacteur citeert enkele van die ‘ongefundeerde opinies en ranzige vooroordelen’ (sic), om dan aansluitend ook heel het fenomeen van de internet-fora, die al evenzeer doordrenkt zijn van ‘niet-geargumenteerde clichés, seksistisch en machistisch geneuzel, een overvloed aan dt-fouten en andere symptomen van het simplistisch wereldbeeld’ (sic) aan de kaak te stellen.Vreemde gedachtengang voor een ‘progressief’ journalist: van zodra de publieke opinie zich uitdrukt buiten het door de reguliere pers gestandaardiseerde discours en dito kanalen, wordt ze plots onfatsoenlijk en zelfs ondermijnend voor de democratie. Desmet houdt van het volk, maar alleen als het met twee woorden spreekt en als het zegt wat het in de krant heeft gelezen.

Zo schemert de paradox van de moderne gemediatiseerde democratie ook hier door: iedereen mag een mening hebben, maar niet alle meningen worden als legitiem en ‘geschikt voor de openbaarheid’ beschouwd. In de zgn. publieke opinie beluistert het politiek-cultureel establishment dus het liefst een echo van zichzelf. Wat daarbuiten valt, wordt als ‘populistisch’, ‘ondemocratisch’ en zelfs ‘fascistisch’ beschouwd.Wat de belezenheid, het fijn taalgevoel en de eruditie van Yves Desmet zelf betreft: blogger Marc Vanfraechem (waarschijnlijk een van die internet-schoelies waar Yves zo op gebeten is) probeert moeizaam de intellectuele blunders van de Morgen-hoofdredacteur bij te houden. Een indrukwekkende en vermakelijke blooper-lijst van krakkemikkige zinswendingen en flagrante blijken van onkennis, waarvan het situeren van de Romantiek vóór de Verlichtingsperiode een van de meer hilarische is. (Zie http://victacausa.blogspot.com/) 

Maar goed, terug naar het verkiezingsstukje van onze opinion leader.Uit het editoriaal ‘Vox Pop’ dd. 4/6 van Desmet spreekt zowel een onnoemelijk dédain voor wat er bij de onbekende Vlaming leeft, als een schrik voor diens rauwheid die hem tot ‘irrationeel stemgedrag’ aanzet. De gewone man of vrouw die paars op 10 juni naar huis stuurde (dat zag zelfs Yves toen al aankomen) is plat, dom, en politisch unfähig (zo kwalificeerden de nazi’s bepaalde elementen die dringend aan heropvoeding toe waren). Hij of zij mag wel de talloze reality-TV-formats bevolken, maar moet zich volgens Desmet onthouden van politieke uitspraken op TV. Die zijn namelijk het voorrecht van een hele rist mensen die doorgestudeerd hebben en in de juiste netwerken carrière hebben gemaakt. Met een gelijkaardig dédain fulmineerde Standaard-columnist Oscar Vanden Boogaard tegen het onwillige, rechtshangende kiesvee: ‘Hebben jullie die rijen voor de stembus eens goed bekeken? De meeste mensen hebben niet eens het vocabulaire om fatsoenlijk te denken.’ (DS 12/6/07). Naderhand vond ook de intellectuele nar Rik Torfs het nodig om in dezelfde krant de stem van ‘La Flandre Profonde’ te betittelen als ‘onfatsoenlijk’, en zelfs het algemeen stemrecht in vraag te stellen…Het ‘volk’ hoort dus geen mening te hebben, tenzij die professioneel voorgekauwd is door de herauten van het mainstream-denken, de zgn. ‘opiniemakers’, zoals Yves Desmet, Bart Brinckman, etc. Het statuut van deze figuren is even dubbelzinnig als artificieel. Wie vertegenwoordigen zij, behalve zichzelf? De strekking van het medium dat hun meningen wereldkundig maakt? Bepaalde lobby’s of belangengroepen? Wat maakt de mening van Peter Vandermeersch tot een gezaghebbende visie en die van mijn buurvrouw tot kletspraat?Als men het woord ‘opiniemaker’ analyseert, dampt de onfrisse geur vanzelf al op: als (publieke) opinies per definitie meningen zijn die spontaan en vanonder uit opborrelen, dan kunnen ze niet ‘gemaakt’ worden. Het is het een of het ander: ofwel spreekt het volk zoals het gebekt is, ofwel is het een zaak van columnisten en commentatoren die zich het publiek discours toeëigenen en die zelf nauw aanleunen bij de Wetstraatklasse. 

Café Trapkes Op

Conclusie: de ‘publieke opinie’, zoals Yves Desmet ze koestert, is een buiksprekersfenomeen. Ze is het product van semi-intellectueel knutselwerk en behoort tot de charades van een schijndemocratie. Ze vormt a.h.w. het spiegelbeeld van ons electoraal systeem zelf, waar de ‘wil van de kiezer’ evenzeer een fantoombegrip is, ad libitum ingevuld door een hermetische politieke alchemie waar de burger geen greep op heeft. Want wat de kiezer ook ‘wil’, de regering zal zoals altijd het product zijn van een geïnstitutionaliseerde achterkamerpolitiek (de ‘formatiegesprekken’), al dan niet gepredetermineerd door geheime akkoorden die vóór de verkiezingen werden afgesloten. Zodadelijk komen Verhofstadt en Co, door de Vlamingen naar huis gestuurd, langs de achterdeur weer binnen alsof er niets aan de hand is. De koning, de emanatie van een volstrekt ondemocratisch instituut, zal de regering benoemen. Voor kleine partijen is het extreem moeilijk om zich te lanceren: er is de kiesdrempel, en de groten bedienen financieel zichzelf: hoe meer zetels, hoe minder kiezers daar procentueel voor nodig zijn. En, top of the bill, een partij die al twee decennia lang de politieke agenda bepaalt, wordt zorgvuldig uit dit soort ‘democratie’ geweerd.

Geen wonder dat dé man van het buikgevoel in de voorbije verkiezingen, Jean-Marie Dedecker, op de avond van 10 juni in geen TV-studio te bespeuren was en liever in Café Trapkes Op aan de Gentse Watersportbaan een gratis vat gaf. De media hadden hem al politiek dood verklaard, weggepeild als een irrelevant ‘stuk folklore’ (dixit Prof. Carl Devos), en dat was nu misschien net de beslissende stoot voor de ‘publieke opinie’ om hem te plebisciteren. De onbeschaafde, grillige vox populi dus, waar Yves Desmet en de schare welbespraakte columnisten zo’n gloeiende hekel aan hebben. Dedecker heeft alvast daarin zijn gelijk gehaald: de massamedia, die voortdurend allerlei hypes achterna lopen, kijken angstvallig de kat uit de boom als het om nieuwe politieke geluiden gaat. Pas op: geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt om ooit voor deze BMW-rebel te stemmen die het roken in restaurants terug wil toelaten en dubbeldek-autostrades als oplossing voor het mobiliteitsprobleem aankaart. Maar zijn vijf kamerzetels zijn er wel ondanks de grote media gekomen. En die tellen dubbel.

De pers als zelfverklaarde opiniemaker dus. Toevallig viel mijn oog, in De Standaard van 8 juni ( weeral dezelfde krant dus, waarin wetstraatwatcher Bart Brinckman met stellige zekerheid Dedecker’s afgang voorspelde) op een curieuze redactionele dichothomie. Over twee pagina’s blokletterde de krant ‘Gerechtshof in Gent vertoont structurele fouten’. Bij nader inzien stonden twee artikels naast elkaar gemonteerd: links een bijdrage van redactrice Inge Thijs die gedetailleerd aantoonde wat voor een architecturale miskleun vol disfuncties dat nieuwe Gentse justitiepaleis wel was; aan de rechterkant een even grote column van expert Koen Van Synghel, die uitvoerig de loftrompet stak van het bouwwerk en de ontwerpers Beel & Achtergael (‘transparantie, functionaliteit en zakelijkheid zijn de ordewoorden’). Tja, wat is dat gerechtshof nu, een mislukking of een nieuw wereldwonder? Een onwerkbaar misbaksel of een toonbeeld van functionaliteit? Natuurlijk kunnen twee mensen over hetzelfde onderwerp een totaal verschillende opinie hebben. Maar dat bewijst precies dat ook een krant als De Standaard maar een verzamelvat van meningen is, of om het met de woorden van Yves Desmet in zijn commentaarstukje nog eens te zeggen: “Iedereen weze in deze postmodernistische internettijd zijn fifteen minutes of fame gegund, maar is het nodig om daar de rest van de wereld mee lastig te vallen?” 

Pure opiniejournalistiek is dus veredelde kletspraat, ook als ze in zgn. kwaliteitskranten wordt beoefend. De columns van barones Mia Doornaert zijn zo voorspelbaar dat ik ze zelfs niet meer lees: pro Bush, de neocons, en de Christelijke waarden van het Avondland; tegen de Palestijnen, Segolène Royal en de Antwerpse hoofddoeken. Het zijn geconsacreerde vooroordelen van een hopeloos vastgeroest brein waar geen millimeter beweging meer in zit en dat alleen nog functioneert vanuit een intellectuele superioriteitswaan. Misschien dat iemand die een gelijkaardige hersenstilstand heeft opgelopen, erdoor nog gecharmeerd wordt. Maar het is voor de rest slechts één van de 6 miljoen meningen in Vlaanderen, die geen bijkomende feiten aanbrengt, geen nieuwe context bezorgt, en evenmin verrassende perspectieven biedt. Ze versterkt het gevoel van mijn buurvrouw dat het om irrelevante ‘gazettenpraat’ gaat die ze niet nodig heeft om haar ‘eigen gedacht’ te vormen. En of ze gelijk heeft.Wat ‘de man en de vrouw in de straat’ wél nodig hebben om zich een eigen mening te vormen, en waar de kerntaak van een ernstig medium uit bestaat, is elementaire informatie, aangevuld met analyse en achtergrond. Het absolute archetype van de onderzoeksjournalistiek is de complottheorie: feitenmateriaal, in een netwerkcontext gebracht, waardoor zichtbaar wordt waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Vertrekkend vanuit een gezonde argwaan, de stenen van het institutioneel bouwwerk omkeren, en de daar tussenin woekerende persoonlijke vervlechtingen uitbelichten. Dat vergt meer moed en energie dan het uitbazuinen van een opinie, de meeste journalisten steken er dus hun tijd niet in.

Zo’n moment was de sublieme ‘Electrabel-files’-reportage van Canvas/panorama op 3 juni. Een onthutsende analyse waaruit bleek hoe Electrabel, via geheime protocols met toppolitici, de liberalisering van de energiemarkt met sukses kon afstoppen, en een quasi-monopolie kon handhaven om via zijn afgeschreven kerncentrales slapend rijk te worden. Lagere overheden werden omgekocht met etentjes en snoepreisjes. Dat komt toch akelig dicht in de buurt van ‘de zakkenvullende politiekers die zich achter onze rug krom lachen’, vind je ook niet, Yves? Is het niet tevéél fatsoen dat ons parten speelt?

Advertenties

Vijf goede redenen om Nee te stemmen

Een politieke analyse aan de vooravond van 10 juni

In ‘The naked clip_image002.jpgApe’, een ontluisterend boek over menselijke gedragingen en sociale rituelen, beschrijft Desmond Morris haarfijn hoe politiek in elkaar zit: mannetjesdieren doen aan machtsvertoon en bepalen een hiërarchie, met als inzet het aantal wijfjes dat te bespringen valt. Hij toont aan hoe, bij de meest uiteenlopende diersoorten, territoriale en hiërarchische conflicten op-leven-en-dood evolueerden tot ‘rituele schijngevechten’ onder de mannelijke exemplaren: imponerende houdingen, bluf, dreigementen, terrein afbakenen, zonder dat echt tot de aanval wordt overgegaan.
 Het is opmerkelijk hoe deze zoölogische theorie van het ‘veel-drukte-om-niets’ aansluit op het electorale schouwspel dat we weer mogen meemaken: politiek is doordrongen van mannelijke pronkzucht en machtsvertoon. Enige verkramptheid en verlies van werkelijkheidszin is niet vreemd aan deze ‘decadente’, om zichzelf draaiende theatraliteit van het politieke beest. Kikkers die zich opblazen om de tegenstander af te schrikken, tot ze ei-zo-na ontploffen: wie het VLD-spektakel van de laatste maanden geobserveerd heeft, beseft hoe dicht blufpoker en belachelijkheid bij elkaar liggen.
Politiek is de karikatuur van het territoriumgevecht en de strategie van het absurde, en wie daaraan nog twijfelt, heeft de fameuze show van Debbie en Nancy niet gezien. Vijf ontluisterende campagneprofielen, plus een stemadvies…

Het artikel lezen                Openen in PDF

De Vlaamse republiek is nog steeds een fata morgana

Zijn de Vlamingen wel rijp voor hun democratie? 

Op 14 Mei woonde ik een boeiend politiek debat bij in de Dilbeekse Westrand, georganiseerd door de VVB, met als thema: Brussvancleemput.jpgel-Halle-Vilvoorde. De discussie was snedig, soms bits, maar alleszins verhelderend. Tot mijn verbazing echter zat ik middenin een groepje hevige supporters van één bepaalde Vlaamse partij, die zich geroepen voelden om luidkeels hun ongenoegen te uiten over de stellingen van andere sprekers. Soms kwam het tot gescheld (‘Verrader!’, ‘Krapuul!’) en was het debat amper nog te volgen. Eerlijkheidshalve moet ik erbij zeggen dat hun favoriete spreker wél uitblok in welbespraaktheid en dossierkennis. Zijn aanhang daarentegen, die hij deskundig bespeelde, leek me eerder het publiek van een boksmatch.

Bij dit soort gelegenheden stel ik me dan de vraag of de Vlamingen die het hardste roepen om hun eigen staat, wel klaar zijn voor een volwassen discussie binnen hun democratie. Leerzame lectuur in dat verband is bv. Geert Van Cleemput’s boek ‘Vlaams geblokkeerd’,- het relaas van een korte partijpolitieke ervaring op de studiedienst van wat toen nog het Vlaams Blok heette. In het kort komt zijn analyse erop neer dat het VB zichzelf veroordeelt tot een steriele oppositie door de straatvechtersstijl van Dewinter; dat het cordon sanitaire het koninginnestuk is van een neo-Belgicistische strategie (met het vermeende ‘racisme’ als dooddoener,- een analyse die ikzelf, min of meer gelijktijdig met de auteur, in juni 2006 uitbracht); en last but not least: dat het politiek isolement van de partij de zittende bonzen eigenlijk goed uitkomt en elke open discussie bij voorbaat aborteert. Het Vlaams Belang kan zich electoraal behoorlijk handhaven, maar ondergaat een soort mentaal zelfvergiftigingsproces door een gebrek aan instroom, vooral van kritische massa: daardoor moet de partij steeds sloganesker de onderste regionen van de samenleving bewerken. De grote verliezer is het flamingantisme zelf: het VB is de beste levensverzekering voor het Belgique-de-papa, waarbij de reguliere pers al haar pijlen verschiet op de gedoodverfde zondebok.

Met de slotstelling van de auteur ben ik het absoluut oneens.Van Cleemput ziet de oplossing in machtsverwerving van de Vlaamse beweging, ‘in media, onderwijs, de zakenwereld, het middenveld, de vakbonden, de Kerk’. Dat is een institutionalistische visie die voorbijgaat aan de noodzaak van een cultureel bewustwordingsproces en de rol die een verlichte avant-garde daarin moet spelen. Het zijn nu net de intellectuelen die het dode moment moeten overwinnen, niet de strategen. Misschien moeten we de opmerking van Lodewijk XIV indachtig zijn, dat de pennen van Voltaire en Rousseau de doodsteek aan het Ancien Régime hebben gegeven. Zij waren de wegbereiders van de Franse Revolutie én de inspiratie achter de grondwet van nieuwe naties zoals de V.S. Het drama is nu net dat de Vlaamse intelligentsia, op hier en daar een witte raaf na, zich als volgzame ‘klerken’ (zoals GVC ze zelf noemt) laten gijzelen binnen de vicieuze cirkel van persoonlijke ambities, politieke correctheid en het conservatief-Belgische statusquo. Het kapen van macht of het zich inkopen in elitaire clubs doorbreekt die cirkel niet, omdat macht als vanzelf altijd weer het zwaartepunt van het establishment zoekt, en zich in essentie tegen elke verandering keert. De Vlamingen hébben de macht, dat is het probleem niet: ze missen evenwel het zelfrespect om na A ook B te zeggen, en de tafel schoon te vegen.

Een conclusie die zich opdringt, na het lezen van de Van Cleemput-story, is alleszins dat rechtgeaarde intellectuelen in een partijkader niets te zoeken hebben, noch bij het VB, noch bij een andere partij. Er is nog zoiets als een kritische buitenwacht nodig, mondige enkelingen die een en ander nauwlettend observeren en analyseren, al dan niet onder de vleugels van een ‘denktank’ die buiten de partijpolitiek staat. Hier moet in de eerste plaats het debat gevoerd worden rond de grondwet van de toekomstige Vlaamse natie, open en fel. Welk soort samenleving plaatsen we tegenover de door elites gedomineerde operettestaat van 1830?Tot op vandaag is die Vlaamse natie nog steeds een fantoombegrip, een fata morgana die opdampt uit de belegen rethoriek van ijzerbedevaarten en zangfeesten. Er zit te weinig modern esprit in de Vlaamse beweging, die gevangen zit tussen een boekhouderslogica en kerktorenromantiek. Ik heb het dan ook moeilijk met Van Cleemput’s fetisjistische benadering van het woord ‘nationalisme’. Niet omdat het een taboe zou zijn, maar omdat het tot een verouderd, 19de eeuws referentiekader behoort, ook de softe variant die ‘volksnationalisme’ heet. Begrippen als kleinschalig zelfbeheer, decentralisatie en ecologische zorg zijn veel vruchtbaarder voor de preconstitutionele brainstorm, en kunnen ook een brug slaan naar links, want een Vlaanderen van pastoors en kruideniers, sorry, daar wil ik niet in wonen.

Voor de rest heeft de uitslag van 10 juni weinig belang: ze zal een regering opleveren zoals te voorzien en te verwachten was,- een consolidatie van het machtsoverwicht van de ‘drie grote politieke families’ die het in België al meer dan 100 jaar voor het zeggen hebben. Het is tragikomisch dat flarden van de oude Volksunie zich over deze drie families hebben verspreid en dus de restauratie mee in de hand werken. De rest telt niet mee, het waarom wordt in Van Cleemput’s boek uitgelegd.

‘Vlaams Geblokkeerd’, uitg. Manteau, 2006, paperback, 383 blz

Knack vs. Slangen,- een maand later

Hoe een schandaal weer een fait-divers wordt…

Ruim een maand nadat Knack zijn Slangen-dossier had uitgebracht en de waterkringen in de kikkerpoel zijn weggedeind, is het misschien tijd voor een kleine balans van dit media-event, met aandacht voor de attitudes van de verschillende hoofdrolspelers:- de klokkenluider, de geviseerde spin-doctor, en de rest van de mediawereld.Eerst en vooral Knack-magazine zelf, de uitdager en protagonist. Dit weekblad is sinds 2002 in een bittere juridische strijd gewikkeld met de reklameman uit Hasselt. Aanleiding was een in 2001 verschenen artikelreeks rond de zaak EcoConsult, een communicatiebedrijf dat een overheidsaanbesteding won, maar het dankzij concurrent Slangen, die een vaste stek had op het kabinet Verhofstadt, nooit mocht uitvoeren. Het bedrijf tekende protest aan en kreeg gelijk van de Raad van State,- een louter academische overwinning, want de opdracht zelf is door de premier ondertussen geschrapt. Deze malversatie, samen met het ondertussen welbekende gesjoemel rond overheidsopdrachten begin de jaren ’90 (de affaire Kelchtermans, die Slangen’s advocaten tot aan de verjaring wisten te rekken), werd door Knack aan de kaak gesteld, en leverde een schadeclaim van zo’n 3 miljoen Euro op. 

Een gemiste kans

Tot teleurstelling van velen echter voegt het met veel bombarie aangekondigde Knack-artikel van 16/4/07 vrijwel niets toe aan wat we al wisten, afgezien van enkele sappige maar weinig ter zake doende nevenintriges. Bovendien blijft het hangen in de anekdote en mankeert het elke bredere duiding of context, waardoor het peil zienderogen wegzakt naar een tabloid-gehalte. Hierdoor wordt het vermoeden versterkt dat het weekblad met slechte kaarten speelt en vooral vanuit een revanchistische inspiratie werkt. En dat leidt journalistiek altijd tot broddelwerk.Op dit moment, luttele weken voor wat weer eens ‘de moeder van alle verkiezingen’ wordt genoemd, ware het nochtans boeiend geweest om heel deze onzindelijk ruikende saga eens in een ruimer politiek-maatschappelijk kader te situeren, en te projecteren op de achtergrond van een verziekt Belgisch regime, gekenmerkt door een beklemmende fluistercultuur en dito coulissenpolitiek.

De ‘clou’ van het Slangenverhaal ligt immers ver buiten het juridisch-technische geëmmer over schijnoffertes en vervalste aanbestedingen. Het gaat namelijk over de ethische vraagstelling of overheidscommunicatie wel mag geïnfiltreerd worden door marketinglogica en reklamepsychologie van het goedkoopste soort. Uit lectuur van handboeken zoals ‘Modellen van C’ en de eigen bedrijfswebsite, blijkt dat publieke desinformatie tot de kern van Slangen’s denksysteem behoort. De man die dus jarenlang de premier adviseerde, een quasi-monopolie bezat op informatiecampagnes van de overheid, en nu een beleidspartij als de VLD strategisch stuurt, ademt het cynisme uit van de beroepsdemagoog. Vanuit die onthutsende vaststelling zijn de omkoopschandalen, die door journalisten à la Draulans tot in de treure uit de kast worden gehaald, eigenlijk maar peanuts. Het vonnis in eerste aanleg van 2004, omtrent de zaak Kelchtermans, was nochtans duidelijk: ‘Het plegen van dergelijke vorm van criminaliteit getuigt van een verwerpelijk gebrek een normbesef (…) en een ernstig misprijzen voor de gewone burger’.  Met dit boeiend, door een intelligent rechter weggegeven uitgangspunt voor een journalistiek-filosofische analyse doet Knack jammer genoeg niets,- het artikel gaat niet in op de ethische dimensie, ontrafelt geen systemen of netwerken maar speelt puur de man. Draulans’ tekst blijft bijgevolg hangen in een steriele, anekdotische schandaalsfeer, die verder uitdijt over de haast dagelijkse communiqués op de Knack-website, de ludieke nepsites die Slangen zelf opzet, zoals www.meneerrik.be, en diverse welles-nietes-discussies via radio en TV. Op de duur kreeg het gekissebis iets koddig en vermakelijk, waardoor de publieke indruk is ontstaan dat het veel drukte om niets is.

En dat is uiteraard precies het effect dat de VLD-strateeg wilde bereiken: het verzanden van de discussie in gimmicks en scheldproza. Alles gaat in de richting van een uitzichtloze stellingenoorlog die steeds grotere lettertypes gebruikt, maar die zal eindigen in de kleine lettertjes van de procedureslag waar geen kat meer naar omkijkt. Miststrategie dus: doel bereikt. De inhoudelijke zwakte van Draulans’ artikel geeft Slangen de gelegenheid om de intellectuele discussie te verleggen naar een formalistisch-sofistisch steekspel vol semantische vaagheid. Dit lokken van de tegenstander naar een voor hem nadelig terrein is uiteraard een krijgslist. Noël Slangen is immers als de dood voor een fundamenteel-intellectuele discussie rond politieke vermarkting en mediagestuurd ‘opiniemanagement’. Dat zijn sukses kadert in een regimekrisis, en de kloof tussen overheid en burger net daardoor alleen maar zal vergroten, is natuurlijk het onderwerp van een veel verreikendere, maar ook veel delicatere en op background gebaseerde denkoefening. En daarvoor lijkt Dirk Draulans me, met alle respect, een paar maatjes te licht. 

En de media, zij keken ernaar…

In deze negatieve spiraal is het van cruciaal belang hoe de andere media, als derde, reageren. Kunnen of willen zij meer doen dan monkelend becommentariëren aan de zijlijn? Dat het publiek méér wil dan sensatie en opgewarmde kost, is duidelijk. Een lezersbrief in De Morgen van 23/4 smeekt om enige analyse en diepgang die ‘het kat-en-muis-spel overstijgt’. Tja, dat is toch wel pech, want uitgerekend De Morgen –gebeten om te weten– stelt zich traditioneel op als hét forum van Noël Slangen, goede maatjes met hoofdredacteur Yves Desmet. In een column van 22/4 portretteert de VLD-campagneleider er zich zowaar als een  ‘wroetend zelfstandig ondernemer’ (sic) die zich wist op te werken en nu door mediagigant De Nolf en zijn duistere netwerken dreigt te worden versmacht. In het ochtendprogramma op Radio 1 van Koen Fillet en Annemie Peeters, mocht de strateeg dat gebleir nog eens overdoen. Het is opmerkelijk, hoe de flamboyante B.V., thuis in allerlei TV-spelletjes en talkshows, zich bij de eerste kritiek terugplooit naar de status van zakenman die ‘commerciële schade ‘ondervindt, en daar genoegdoening voor eist. In de assertieve mediastunts ziet men dus de publieke figuur en politicus Noël Slangen aan het werk, in het defensief treedt de reklamemakelaar naar voor die klaagt dat zijn winkel beklad wordt. De schrijver van bovenvermelde lezersbrief blijft hoe dan ook op zijn honger zitten, want naast dit pathetisch lamento was en is De Morgen opvallend karig met commentaar: de ‘progressieve’ krant heeft geen zin in fundamentele discussies en laat de communicatiegoeroe breeduit zijn ding doen. Het moet geleden zijn van de tijd van Jos Van Eynde en de Volksgazet, dat een krantenredactie zich zo sloom opstelde.

De Standaard dan maar, die andere kwaliteitskrant? Hier overheerste dezelfde lakonieke stijl van berichtgeving, het leken wel gecopy-paste Belga-communiqués. De Standaard was duidelijk niet van plan om met het onderwerp iets te doen, de marketingregel indachtig dat je geen issue opraapt dat door een concurrent is gelanceerd. Over alle mogelijke en onmogelijke onderwerpen kropen de ‘analisten’ van het huis die weken in de pen, maar geen woord over de positie van de spin-doctor en zijn achterliggend ideeëngoed, n.a.v. het Knack-Slangen-dispuut. Wel mochten de huiscolumnisten grappig-badinerend het object als een voddepop de lucht ingooien tot het letterlijk niets meer om het lijf had, zoals Patrick De Witte (‘De snakemeister is helemaal niet gevaarlijk, alleen zou ik er nooit een tweedehandsauto van kopen’ – DS 26/4) of Tom Naegels, die zowaar de krakkemikkige zinnen van Slangen’s inderdaad erg slecht geschreven stukje taalkundig op de korrel neemt (DS 28/4).Conclusie: ofwel zien de twee ‘grote kranten’ echt niet dat er een probleem is, wanneer de waarheid via de filters van een ingenieus ‘opiniemanagement’ tot ons moet komen, ofwel hebben ze eendrachtig besloten om dit heet hangijzer te laten passeren,- mogelijk omwille van verborgen afspraken met het onderwerp in kwestie. En misschien is een goed verpakte leugen ook wel mediagenieker en commercieel lonender dan de waarheid.

Heeft Slangen de grote media mee in het bad getrokken van een gedoogcultuur rond zijn persoon en denkstijl? Herhaaldelijk heb ik De Standaard én De Morgen, in de aanloop naar de juni-verkiezingen, betrapt op bewonderende uitlatingen omtrent de VLD-barnumcampagne, en evenredige minachting voor bv. Leterme’s franjeloze down-to-earth-communicatie. Waarom? Omdat het eerste meer gemakkelijke copij en betere plaatjes oplevert dan het tweede? Zo heeft de gewone man, met al zijn vooroordelen, toch weer gelijk: politici liegen, de kranten schrijven maar de halve waarheid. En de partij die pocht dat ze de ‘politieke inhoud’ heruitgevonden heeft, wordt gedomineerd door de marktleider in de gebakken-lucht-industrie.

Eens kijken wat dat geeft op 10 juni.