Van onze verslaggever uit Oostenrijk

De komkommertijd kan thuisblijvers op gevaarlijke ideeën brengen 

Ik haat grote vacantieperiodes. Niet zozeer omwille van de Belgische rotzomers zoals we er weer een mochten meemaken ondanks de belofte van Al Gore dat we naar een mediterraan klimaat evolueren; maar vooral door de schrijnende mediatieke lethargie, opgevrolijkt met onbenullig gezwets, afgewisseld met spannende reisverslagen die de thuisblijvers moeten overtuigen van hun grote ongelijk. Of erger nog: cultuurrecensies over grote buitenlandse muziekfestivals waar ik al 10 jaar een ticket voor probeer te bemachtigen, maar waar de eerste-de-beste inktkoelie-met-perskaart zomaar binnenwandelt.  

Neem nu het stukje van Geert Sels in De Standaard van 30 juli, over de ‘Jedermann’-voorstelling op de Salzburger Festspiele: op theater- en operagebied een topper, maar onbereikbaar geworden voor de echte liefhebber, omwille van het torenhoog snobgehalte en de onbetaalbare highsociety-allures. Ik laat U mee genieten van de openingszin uit de recensie ‘van onze redacteur in Oostenrijk’ die er dus blijkbaar wél bij was: ‘Bayreuth koestert al decennia zijn Parcifal, de Salzburger Festspiele zijn Jedermann.’  Dat zijn zomaar eventjes drie missers in één kort zinnetje. Het gaat eerst en vooral over Wagner’s Parsifal met s, die ten tweede geen decennia op de affiche staat maar al sinds 1882 (de opera werd als ‘Bühnenweihfestspiel’ door de componist ook speciaal voor dit theater geschreven). En ‘Festspiele’ is natuurlijk meervoud, die van Salzburg hebben dus hun Jedermann. Dat kan muggenzifterij lijken, maar deze slordigheid is symptomatisch: het wijst erop dat recensenten van zgn. kwaliteitskranten als Geert Sels hun klassieken niet kennen en  ook de moeite niet nemen om een en ander op te zoeken. De taalfouten krijgen we er gratis bij, over het deskundig en kritisch gehalte van zijn recensie kunnen we alleen onze vermoedens hebben. 

Algemener nog, kan men stellen dat Cultuur met grote C, zoals deze prestigieuze operamanifestaties, steeds meer een virtueel karakter krijgt, omdat ze enkel nog bezocht worden door VIPs en geaccrediteerde perslui. Overmediatisering van cultuur kan dodelijk zijn: festivals zijn eerder zomernieuws geworden dan echte ontmoetingsplekken voor meerwaardezoekers. Er ontstaat dan een soort geruchtencircuit omtrent evenementen die ontoegankelijk zijn voor doorsnee-liefhebbers. Meestal zijn de recensies behoorlijk lovend, alleen al omdat de criticus in kwestie er volgend jaar ook graag wil bij zijn, en omdat kranten niet meer geloven in slecht nieuws of strenge kritieken. De euforische hype die zo gecreëerd wordt, mist dikwijls alle realiteitswaarde. Zo kon ik vorig seizoen per toeval wél beslag leggen op een kaartje voor de Rheingold-enscenering in de Vlaamse Opera, om persoonlijk vast te stellen dat regisseur Ivo Van Hove er eigenlijk een rommeltje van gemaakt had, met soms stuitende discrepanties tussen tekst, beeld en actie: het dilettantisme van de nieuwe lichting operaregisseurs weerspiegelt zich in het gebrek aan background van de critici,- en omgekeerd.

 Het feit dat de pers ook hier ‘unaniem lovend’ was, rond dingen waarvan een klein kind kon zien dat ze niet kloppen, doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een ‘Kleren-van-de-Keizer’-fenomeen: geruchtenspiralen die een eigen leven gaan leiden, en onze perceptie gaan bepalen. Men kan vervolgens uitpakken op cocktail-party’s met superlatieven over het evenement, die recht uit de krant komen. Men hoeft de uitvoering zelfs niet meer te zien: Geert Sels en zijn gezellen hebben al gezien dat het goed was,- en zij kunnen het weten want ze hebben de beste voorbehouden plaatsen.  Ja sorry, dit soort secundaire geschwärm pik ik niet langer. Dan nog liever Pukkelpop of Sfinks, hoezeer dat ook indruist tegen mijn melomane aanleg. Het zogezegde elitaire karakter van kunstgenres als opera is door de media getransformeerd tot virtuele hype-cultuur, opgediend in trendy-oppervlakkige en ondeskundige prietpraat. Van onze redacteur in Oostenrijk. 

Fata Morgana 

Terug naar de komkommertijd en zijn uitspattingen. Wat de VRT de twee vakantiemaanden te bieden heeft, tart alle beschrijving. De behoefte om zo goedkoop mogelijk televisie te maken, gecombineerd met de dwangmatigheid om te blijven uitzenden, leidt tot een verpulping die een regelrechte minachting voor het thuisfront uitstraalt. Het lijkt alsof men redeneert dat alle interessante, boeiende mensen met een normaal IQ toch elders zitten, aan de Azurenkust, in Toscane of Madeira,- en dat er enkel nog geheugenloze randdebielen voor het scherm vegeteren, die elke herhaling als iets nieuws begroeten.

Even kijken. Luiheidshalve blader ik in dezelfde krant waar ik Geert Sels’ stukje aantrof. Het TV-1-programma’s van 30 juli biedt in het avondblok liefst drie herhalingen aan  (De Kampioenen, Baantjer, Missing), evenveel als Canvas  (Keerpunt, Hotel Babylon, Meesterwerken). Eén wisselt af met een oeverloze dagelijkse talkshow (Zomer 2007), terwijl Twee elke dag de onvermijdelijke Herman Van Molle opvoert. VTM doet opvallend beter: alleen de Kotmadam geeft een déjà-vu-gevoel.  In volle Belgische formatieperiode, en terwijl de Irak-oorlog of andere calamiteiten zich niets aantrekken van vakantieschema’s op redacties, wordt het Canvas-duidingsmagazine Terzake geschrapt en vervangen door een aangekochte reportage ‘van de jaren stillekens’. De openbare zender komt hiermee op een peil waar mediaminister Bourgeois eigenlijk allang had moeten ingrijpen: men kan beter een testbeeld uitzenden dan een hoop belegen rommel door de kabel jagen. Na de Tour de France leek de wereld voor de VRT wel definitief stilgevallen, en opgezogen in de apotheose van het Zedelgemse Kuifjesfeest.Fata Morgana dus: een vaste waarde in de zomerprogrammatie, waarin een BV een heel dorp doet samenlopen om de meest gekke opdrachten tot een goed einde te brengen. Over het bedrieglijk aspect van dit soort mediageregisseerde volksfeesten heb ik het vroeger al gehad. Hier wordt een solidair en blij Vlaanderen ten tonele gevoerd dat alleen op het kleine scherm bestaat. Leni Riefenstahl’s nazi-propagandafilm ‘Triumph des Willens’  lijkt hier wel het lichtend voorbeeld. Met vertraagde beelden, zorgvuldig geselecteerde close-ups van lachende of wenende mensen, en kleverige emo-music, wordt gesuggereerd dat elk spatje ongenoegen ons vreemd is, en dat alles wat zich naast of buiten de collectieve begeestering afspeelt, als ‘zuur’ of ‘asociaal’ moet worden bestempeld.    

Het postmodern fascisme achter het geesteskind van Bettina Geysen, die zich nota bene samen met de Koning Boudewijnstichting had voorgenomen om op die manier ‘extreem-rechts’ en de ‘verzuring’ in te dammen, leidt tot een zodanig groteske en fabuleuze emo-pulp, dat men zou wensen dat een enorme, verfrissende Belgische wolkbreuk hier een eind aan maakt. Reklamemaker en ex-spindoctor van Verhofstadt, Fons Van Dyck, doet ronduit euforisch over dit soort programma’s,- het moet onze argwaan al wekken: Fata Morgana baadt in een semi-religieuze euforie, drijvend op een onderstroom van zoeterig sentiment. De emoties zijn niet diepmenselijk of authentiek, ze volgen de beeldtaal van het medium en imiteren de illusie. Zo vult het massamedium de leegte van de vacantie (het woord is trouwens verwant aan ‘vacuüm’) met een nieuwe leegte van het emotainment.‘Emotainment’ is ook de toverformule van weeral diezelfde Standaard, die in de zomermaanden Dag Allemaal naar de kroon steekt, met bladzijden lang uitgesmeerde bijdragen over het liefdesleven van Dixie Dansercoer, de geamputeerde borst van Martine Jonckheere, en het zielige weduwnaarschap van Patrik Vankrunkelsven. Van de twee laatstgenoemden weet ik pertinent zeker dat ze als vaste gasten van hogervernoemd weekblad met hun privé-leven te koop lopen en daar carrièrematig ook winst willen uitslaan. Professioneel exhibitionisme..

Dat brengt ons op de oorsprong van het woord ‘komkommertijd’: deze waardevolle groente komt uitgerekend in de zomermaanden tot volle wasdom, en profiteert zo maximaal van de nieuwsluwte,- waarbij uiteraard het grootste exemplaar de voorpagina’s haalt. De zomer van 2007 leerde ons niet alleen veel over de ontbrekende tiet van Martine Jonckheere, maar evenzeer over de onbestaande woorden van het Spaanse volkslied. De fata morgana als realiteit, het non-event als topic: na 1 juli blijkt pas hoezeer de media hun eigen realiteit creëren. To be or not to be, that is the question.  

Nu zult U zeggen: ach man, waarom ’s zomers TV kijken of de krant uitpluizen? Ga eens met de hond wandelen, lees een goed boek, of pak Uw vrouw eens vast. Dat is juist, en daar ligt ook het gevaar voor de media: ergens leidt de leegte van de komkommertijd tot een subversieve conclusie. Ooit zullen mensen en masse hun krantenabonnement opzeggen en hun TV door het raam keilen,- en merken dat het leven zonder veel leuker én zinniger is. Moge in afwachting Geert Sels de reuzenkomkommer van deze zomer steken op een plaats die hem er permanent aan herinnert hoe ‘Parsifal’ gespeld wordt. En moge enkele goedgemikte bommeldingen van Al Quaeda de snobs uit Salzburg verdrijven zodat echte liefhebbers weer aan hun trekken komen.Gevaarlijke tijd, die komkommertijd, zeg dat wel.

Advertenties

2 Reacties op “Van onze verslaggever uit Oostenrijk

  1. Ik heb vorig jaar mijn kabelabonnement opgezegd. Maar om mij onbekende redenen kan ik nog altijd ontvangen. Ik kijk dus al 8 maanden gratis. Ik ontvang ook internet langs de kabel en misschien is mijn gratis tv aansluiting een ‘incentive’ om voor mijn internetverbinding minder snel naar een alternatief te zoeken? Het bespaart mij in ieder geval 150 euro per jaar.

  2. Ik heb anderhalf jaar zwart kunnen kijken na het opzeggen van mijn kabelabonnement. Zo lang duurt het blijkbaar vooraleer er iemand langs komt om het kabeltje door te knippen.
    Ik mis de kabel niet. Nee, er is geen bal op de TV (in de jaren ’80 was het blijkbaar niet anders). Gelukkig kun je tegenwoordig zowat alles (illegaal) downloaden.