Maandelijks archief: september 2007

Chris De Stoop en de Belgische ‘paranoia-cultuur’

Wanneer ‘onderzoeksjournalisten’ ten strijde trekken tegen complottheorieën 

Op zondag 9 september j.l. legden in Brussel een paar honderd manifestanten het Noord-Zuid-traject af, om duidelijk te maken dat ze twijfelden aan de officiële versie van de 9/11 terreuraanslagen. Ze eisten een onafhankelijk onderzoek (maar wie is er in deze onafhankelijk?) naar de ware toedracht rond een gebeurtenis die een enorme impact heeft op het leven van alle planeetbewoners, politiek, economisch, cultureel. 11 september 2001 zal ooit een sleuteldatum worden in de geschiedenisles, naast  476 en 1789.

Op zichzelf is de twijfel van de betogers redelijk en hun eis legitiem. De leugens rond de aanleiding voor de Irak-oorlog, gecombineerd met de permanente schandaalgeur rond Bush zelf (waardoor o.m. adviseur Karl Rove en justitieminister Alberto Gonzales vroegtijdig moesten opstappen), doen vermoeden dat we maar het topje van de ijsberg te zien krijgen.De reguliere journalistiek heeft hieromtrent nog maar weinig potten gebroken: Bush’ entourage houdt de Amerikaanse pers stevig in de tang. Eigenlijk is het de provocatieve amateur-onderzoeker en filmregisseur  Michael Francis Moore die de knuppel in het hoenderhok smijt. Zijn film ‘Fahrenheit 9/11’ is een strenge kritiek voor de huidige VS-president, maar ontrafelt ook de banden tussen de familie Bush en het Arabische koningshuis, de excuuslogica achter de Irak-oorlog, en de manipulatiestrategie achter de war on terror.

Onnodig te zeggen dat Moore als staatsvijand nr. 1 wordt bestempeld, en amper toegang krijgt tot de grote media. De release van zijn film werd deskundig geboycot, de man communiceert met het publiek vooral via zijn website.De kracht van het Bush-regime is vooral zijn netwerkgehalte. Het opereert onder de waterlijn, in parallelle circuits die zich van democratische controle geen moer aantrekken. Onderzoekers en critici zijn dus verplicht om ook ‘onder de waterlijn’ te gaan, en naar verborgen links tussen personen en groepen te vissen. Het fenomeen is tekenend voor het democratisch deficit van de laatmoderniteit. Onze samenleving hangt aaneen met netwerken. Zachte fluistercircuits waar op informele manier deals worden gesloten en faveurs worden uitgewisseld. Hoe slechter de instellingen functioneren, des te uitbundiger bloeien de netwerken. België bv. is corrupter en meer netwerkgericht dan Nederland, gewoonweg omdat het quasi-onbestuurbaar is en compromissen opstapelt die in het halfduister worden gearrangeerd.

Onderzoeksjournalist Jan Puype infiltreerde dat kluwen een tijdje, wat resulteerde in zijn boek ‘De elites van België’ (2005), een ontluisterend document. Puype kreeg maar weinig media-aandacht, de elites lachten eens en boerden gewoon voort; zijn boek ligt nu bij ramsjhandelaar Deslegte.Er is onbetwistbaar sprake van zorgvuldige anti-lobbying tegenover klokkenluiders. Ze worden met zachte hand in de marginaliteit gedreven. Het obscurante karakter van de moderne netwerkcultuur creëert ook iets anders: een diep onbehagen in de publieke opinie, en het besef dat de reguliere politiek maar een façade is. In de onderstroom van het collectief bewustzijn ontstaat dus zoiets als een ‘complotvermoeden’, een fundamentele achterdocht die dikwijls foute analyses oplevert, maar die daarom niet minder pertinent en gegrond is. Er ontstaan mysteries en gissingen, omdat antwoorden op essentiële vragen mankeren. Het complotdenken zoekt naar samenhang, op momenten dat de verwarring maximaal is, of de stilte oorverdovend.

De voorbeelden zijn legio, vooral juist in Belgenland. Na 20 jaar geklungel, ontslag van speurders van zodra die resultaat boekten, en diverse verhuizingen van het metershoge dossier van het ene arondissement naar het andere, staat het onderzoek naar de Bende van Nijvel geen stap verder. Is het complotgevoel in deze context irrationeel en belachelijk? Neen, het gaat om een signaal van publieke verontrusting en een gevoel van onmacht, dat o.m. de Witte Mars van 1996 opleverde.  

Nina, Ruanda en Nonkel André

In dat opzicht is het zopas verschenen boek van journalist Chris De Stoop  ‘Het complot van België’ een opmerkelijke ontkenning van die realiteit. De auteur plaatst zich namelijk als journalist in het middelpunt van een ‘echt onderzoek’ naar reële complotten, daarbij omcirkeld door psychopathologische fenomenen die hij onder een ‘cultuur van paranoia’ rangschikt. Vooreerst haalt hij het verhaal uit de kast van een zekere Nina H. die hem een tijdlang stalkte met stapels brieven en ‘bewijsmateriaal’ omtrent rode maffia’s en corrupte ministers. Vertederd maar meewarig beschrijft de auteur haar als een labiele mythomane die zich aan perslui vastklampt: de paranoia van Nina H. zal De Stoop doorheen het boek gebruiken als een paradigma voor de Vlaams/Belgische verzuring en het publieke bijgeloof.

In het tweede deel komen de dramatische gebeurtenissen in Ruanda anno 1994 aan de orde, waar De Stoop toen rondhing voor Knack om de genocide van op de eerste rij te verslaan. Hier situeert de journalist een ‘echt complot’ van Belgische bewindvoerders die de terugtrekking van de para’s forceerden, met alle gevolgen vandien voor de achterblijvers. Die analyse is zonder twijfel correct. Terloops krijgen we echter ook de waarschuwing mee, dat eigenlijk het locale Ruandese complotdenken aan de basis lag van de slachting.

In het derde luik komt dan nonkel André op de proppen, die als paranoia-lijder in een psychiatrisch gesticht werd opgenomen, een schedelboring onderging en sindsdien een plantaardig bestaan sleet.  Tot zover de drie anekdotes rond het thema ‘paranoia’, met ezelsbruggen aaneen geklonken. Maar waar wilde De Stoop nu eigenlijk naar toe? De interviews die hij weggeeft zijn explicieter dan het boek zelf. De verbazende stelling van de auteur is immers dat de Belgen verpieteren in een waanwereld van de achterdocht, die het sociale weefsel bedreigt. We zijn te negatief en te kritisch. De gewone man, niet-journalist of niet-historicus, heeft dus geen recht op maatschappelijk of politiek wantrouwen. Het complotdenken is ziekelijk (behalve als een geaccrediteerd journalist ‘complotten’ ontdekt),- het is een uitvloeisel van onze underdogmentaliteit:

“Men zegt dat het te maken heeft met de geschiedenis van overheerst worden, u moeten wapenen tegen een vreemde overheid. Behalve dat denk ik dat het ook te maken heeft met een mentaliteit die je ook in Rwanda herkent: mensen zijn hier erg op zichzelf. Dat is een mentaliteit waarin paranoia en complotdenken sneller gedijen.” (Interview in De Morgen van 6/9/2007)

Behalve dat die uitspraak manifest niét klopt (de Ruandezen zijn juist sterk tribaal georiënteerd, niet individualistisch), blijkt Chris De Stoop zich op het standpunt van de non-believers te plaatsen: de mensen zien spoken. Toch wel een opmerkelijke attitude voor een onderzoeksjournalist. Hij schrikt er ook potentiële bronnen mee af. Goede én slechte. De Stoop verwart immers het symptoom met de oorzaak. Niet de Belgische ‘cultuur van paranoia’ is het probleem, wel het voorwerp van achterdocht, en het feit dat mensen ook echt belazerd worden. Door de logica om te draaien, wordt de Belg of Vlaming, die de corrupte netwerkstaat bekritiseert of argwanend bejegent, zelf een ‘probleem’.

Uiteindelijk komt de aap uit de mouw: wie de Belgische constructie aanvecht, creëert een klimaat van wantrouwen en zet aan tot haat. Ruandese toestanden zullen niet uitblijven als Bart De Wever voortgaat met zijn haatdiscours, zo fulmineert de auteur verder in De Morgen.Intellectueel is dit oneerlijk en historisch zeer betwistbaar. Rousseau en Voltaire, critici van het Ancien Régime, zijn volgens deze logica eveneens kwalijke aanstichters van de paranoia. Al wie zich keert tegen het gevestigde systeem en ‘wantrouwen creërt’, voedt complottheorieën en zet mensen tegen elkaar op.

Dit boek heeft dus een hoog establishment-gehalte. Het is nu al duidelijk dat De Stoop kandidaat is voor een lintje op 21 juli. Maar messcherp analyseren is anders. In zijn gedrevenheid om bestsellers te produceren gaat de auteur zwaar in de fout, door te insinueren dat er teveel mensen met teveel fantasie rondlopen. De werkelijkheid overtreft namelijk onze donkerste fantasie, en het komt altijd met veel vertraging uit, bijvoorbeeld omdat iemand op zijn sterfbed nog snel zijn geweten wil ontlasten (zoals Jef Houthuys in 1991 over de ‘vier van Poupehan’, een clubje dat in de jaren ’80 zowat heel de Belgische staatshuishouding en petit comité arrangeerde). Dat de hedendaagse antipsychiatrie heel anders staat tegenover de zgn. ‘paranoia’, en haar wel degelijk een maatschappelijke relevantie toekent, is ook niet aan de auteur besteed.De complotten zijn reëel –dat is juist het verbijsterende- en burgerlijke skepsis is dus gewettigd. Alleen,- en dat voedt nu net het grote wantrouwen, wordt het heden maar transparant als het voltooid verleden tijd is geworden. De pers, die overal met haar neus op zit, komt veel te laat. De archieven gaan open als de verantwoordelijken allang op het kerkhof liggen, en termijnen voor schadeclaims verstreken zijn. De onthulling heeft dan iets academisch en zelfs systeembevestigend.

Daar toont de moderne geschiedenis een hele reeks voorbeelden van. De moord op Patrice Lumumba (1961), de eerste wettig verkozen premier van het onafhankelijke Congo, wàs een complot waarin Koning Boudewijn, de regering Eyskens en de CIA hoofdspelers waren. Pas in 1999 onthulde ene Ludo De Witte, weeral iemand die niét uit het reguliere journalistieke milieu komt, na veel eigenzinnig speurwerk een ongelooflijk scenario dat nog waar bleek te zijn ook,- en waarvoor zelfs de verbeelding van Nina H. niet toereikend ware geweest. In 2002 (ruim veertig jaar later dus), gaf de Belgische overheid schoorvoetend toe, in het complot betrokken geweest te zijn. In datzelfde jaar gaf de CIA het archiefmateriaal vrij, die ook haar rol onthulde. Case closed.

‘Het complot van België’ maakt me bijna boos. Het boek presenteert zich als ‘non-fictie’, maar gaat nergens heen, analyseert niet en ontvouwt geen perspectief. Voor mij zit het in de categorie ‘semi-literaire roddel’, gewikkeld rond de insinuatie dat België vandaag zelf het slachtoffer is van separatistische provocateurs. Tja, het complot van België. We weten dat Roularta-baas Rik De Nolf, de broodheer van De Stoop, zich lid van de sjieke en extreem-Belgicistische Cercle de Lorraine mag noemen (zie hoger:  ‘De elites van België’). Ook de pathetische performance van de auteur zelf op de begrafenis van Koning Boudewijn (zie hoger: Lumumba) ligt nog in ons geheugen. Het is echter onbehoorlijk om die feiten en een reeks andere aan elkaar te linken. Want dat behoort, juist ja,… tot de ‘cultuur van de paranoia’.

Berichten uit la Flandre profonde

clip_image002.jpgclip_image002.jpgNadat Yves Leterme met 800.000 voorkeurstemmen (haast zoveel als heel het VB-electoraat) door de kiezer naar de Wetstraat werd gekatapulteerd, was het tijdens de formatieonder-handelingen van augustus weer bon ton in de Franstalige pers om te schamperen op de domme, boertige Vlaming. ‘La Flandre profonde’, het benepen, in zichzelf gekeerd nest rond de kerktoren,- het is een dankbaar cliché om onze numerieke meerderheid te beladen met een stigma van culturele achterlijkheid. Vreemd genoeg nam onze eigen zogenaamd ‘progressieve’ pers volop deel aan deze moddercampagne.
Maar is Vlaanderen wel zo ‘rechts’ en ‘conservatief’ als deze verlichte bobo’s het voorhouden? Of ging het op 10 juni nu juist om een algemeen gevoel van ‘genoeg-is-genoeg’, en vormen die commentaren het achterhoedegevecht van een elite die zelf niet meer op de polsslag van de tijd zit?

Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat