Maandelijks archief: oktober 2007

De zaak Van Themsche en de media

siegfried.jpgsiegfried.jpg(gepubliceerd in AchterHetNieuws, November 2007) 

“Vertel eens, Caroline, liepen de emoties vandaag hoog op?”

Hsiegfried.jpgans Van Themsche is veroordeeld tot levenslang wegens moord ‘met racistische motieven’,- de uitspraak is wat ze is. Toch hebben zijn advocaten, die naar cassatie stappen, gegronde argumenten om de objectiviteit van heel de rechtsgang en het vonnis in twijfel te trekken. De overmediatisering van dit proces, en de manier hoe de showadvocatuur dit heeft uitgebuit, noopt tevens tot een grondige bezinning over recht en rechtvaardigheid in de postmoderne spektakelmaatschappij.
In deze zaak ontstond een mediatiek opbod dat we sinds de zaak Dutroux niet meer gekend hebben. Van dag tot dag kon men vaststellen hoe kranten en TV-journaals – met de ‘kwaliteitslabels’ VRT en De Standaard merkwaardig genoeg voorop- zich te buiten gingen aan een ongenuanceerd soort verslaggeving. Daarin werden echt nieuws, duiding, commentaar en opgeklopt emo-journalisme met elkaar vermengd tot een troebele stoofpot, met behulp van allerlei orakels.

Mensen zoals gepensioneerd rechter Edwin Van Fraechem bijvoorbeeld, die niet van het TV-scherm weg te branden was, en op zijn dooie eentje al een strafmaat suggereerde, nog voor de jury aan een uitspraak toe is (“Op veel positiefs moet Hans Van Themsche niet meer hopen. Elk jaar minder dan levenslang zal voor deze jongeman een overwinning zijn.” – Het Nieuwsblad van 2/10). Van Fraechem maakte het zo bont dat de voorzitter van het Assisenhof de jury moest waarschuwen tegen dit soort gazettenpraat. Of de al even mediageile showadvocaat Jef Vermassen, verdediger van de familie van Luna, die via De Standaard van 3/10 Hans Van Themsche als een ‘massamoordenaar’ kwalificeerde, ‘zoals er vandaag niet veel in Europa rondlopen’. Dat is een zeer geladen omschrijving, die afkomstig is uit een context van oorlogsmisdaden en genocide. Moet men Van Themsche in één adem vernoemen met bv. Radovan Karadzic? Het legt ook een impliciete link naar het oorlogsverleden van één familielid van de dader en de beschuldiging van racisme (zie verder).

Vermassen deed dit niet zomaar. Het feit dat een advocaat die opmerkingen ventileert via een krant -en niet louter voor het hof-, wijst op een taktiek met voorbedachtheid om de publieke opinie mediagewijs te manipuleren en, via die weg, de jury subliminaal te bewerken. Want die mensen gaan natuurlijk elke dag na de zitting naar huis, lezen kranten, kijken TV, discussiëren erover, al worden ze volgens de wet geacht om ‘alleen te oordelen op grond van de gegevens die in de openbare terechtzitting worden overgelegd’. Later zou Vermassen het thema van de ‘massamoordenaar’ uitvoerig bespelen in zijn slotpleidooi: het medianummertje was wel degelijk een opwarmer ten behoeve van de juryleden.

En de media gingen klakkeloos mee in dit verhaal. Hier werd dus, op het uiterste randje van de deontologie, een potje ‘opiniemanagement’ gespeeld, waarvan we dachten dat het alleen aan spindoctors was voorbehouden: de hyperemotionaliteit van de media-covering werkt altijd in het nadeel van de beklaagde, en wordt bewust uitgespeeld door bijdehandse advocaten à charge. Van Themsche werd aan de galg gepraat door journalistieke kletsmajoors, met de aanklagende partij in de souffleursrol. Ik zou hier Dr. Eric Rosseel even willen citeren, coördinator van het ‘Netwerk Psychiatrie en Samenleving’,- vooral ook omdat men deze als gauchistisch bekend staande psycholoog niet kan verdenken van enig ideologisch raakvlak met de beschuldigde:
“De VRT brengt hier pure vaudeville, dat heeft met ernstige journalistiek geen uitstaans meer. Gerechtsjournalisten moeten de kijker tonen dat ze de eerste beginselen van het recht kennen, ipv als opruiers op te treden. Zij moeten afstand nemen van hun persoonlijke gevoeligheden en emoties, zoniet zijn ze beroepsonbekwaam. (…) De huichelarij van en rond de slachoffers stoort me. Ik moet me stilaan inhouden om niet de kant van de beschuldigde te kiezen; niet omwille van Hans Van Themsche zelf, maar omwille van het feit dat het verdriet van de slachoffers de bewijsvoering zelf gaat vervangen.”

Emoticons à volonté

Dat brengt ons naar de toonzetting zelf van de berichtgeving. Telkens weer werden de enorme ‘emoties’ van de nabestaanden en het slachtoffer dat het overleefde, uitvergroot, en in contrast geplaatst met de killer die ‘emotieloos voor zich uit staart’. ‘Emotie’ was blijkbaar het sleutelwoord in de voorbereidende briefings op alle redacties. Standaard-journalist Marck Eeckhaut kwam op het VRT-nieuws uitvoerig en met een lijkbiddersgezicht de dieptes van de menselijke geest peilen en ‘emoties’ aflezen, of net ‘kille ongevoeligheid’. Maar wat weten die journalisten eigenlijk af van wat er in het hoofd van Hans Van Themsche omgaat? Het achterliggende populisme van deze simplistische beeldvorming en manifeste partijdigheid ligt zonder twijfel in de dictatuur van de kijk- en verkoopcijfers (‘Wij schrijven wat U denkt, dus lees ons!’). Zaken als deze liggen in het spervuur van de mediaconcurrentie, waarbij ‘emotie’ de trefkracht bepaalt, en het journalistiek lynchen van een verdachte veel kijklustigen aantrekt. Toch zit het fenomeen dieper dan de marketinglogica: de theatraliteit waarmee de media het verdriet van de nabestaanden usurperen, wijst op een toenemende gevoelloosheid en cynisme van die media zelf, die maatschappelijk uitstraalt, en die misschien een veel fundamentelere oorzaak is van het feit dat de stoppen doorsloegen bij van Themsche.

Het is niet aan mij, om uit te maken, wat iemand die een kind verloren heeft, voelt na anderhalf jaar rouwen. Toch ontkomt men niet aan de indruk dat het publieke stigmatiseringsproces tegenover Van Themsche parallel loopt met een even grote uitvergroting en aanwakkering van het slachtofferleed. Het verdriet van de nabestaanden wordt een commercieel product, een compleet gemediatiseerd item, zodanig dat zij zich met het opgedrongen scenario gaan vereenzelvigen en luid wenend de gerechtszaal uitlopen, alwaar de aasgieren van de verzamelde pers hen opwachten. Wonden worden opengereten, niet voor de onthulling en de zoektocht naar waarheid, maar voor de beeldwaarde en het showgehalte. Alle actoren lopen hierin mee,- zonder twijfel is het door de overleden mediafilosoof Jean Baudrillard gelanceerde woord ‘simulacre’ hier van toepassing: een geënsceneerde quasi-realiteit die de echte realiteit compleet absorbeert.

Deze justitieshows zijn zonder meer een verlengstuk van de reality-TV à la Robinson en Big Brother. Alle actoren zijn acteurs, alle betrokkenen zijn spelers én pionnen. Alle emoties zijn echt én geënsceneerd, zoals een goede acteur ook echte tranen plengt. De ambities van het televisiemedium gaan hier zeer ver, het tast de grenzen constant af. In 2005 kreeg de VRT-ploeg van Koppen het éénmaal gedaan om de assisenzaak rond de gebroeders Vlassenbroeck helemaal live te registreren: ‘Beschuldigde sta op’, maar dan veel echter. Dat de aanwezigheid van camera’s toen ‘emoties’ uitlokte, dit proces ‘gemaakt’ heeft, de rechtszaal tot theaterruimte herkneedde, en wellicht zelfs de uitspraak beïnvloedde (beide broers kregen levenslang) is een redelijke hypothese. De virtuele realiteit die zo ontstaat, wordt beleefd, geconsumeerd en gereproduceerd door de massa zelf, voor wie het product in essentie bedoeld is: gerecht, macht, en media convergeren in de manipulatieve strategie van de spektakelmaatschappij.
Dat Van Themsche in de gevangenis over ‘extreem-geweldadige videogames’ kon beschikken, is daar maar één facet van. Het ineenvloeien van realiteit en virtualiteit heeft in onze samenleving zo’n niveau bereikt, dat het videogame overal is,- we leven erin. De kracht, die Van Themsche de trekker deed overhalen, heeft misschien minder met doordeweeks ‘racisme’ te maken, dan wel met de bewustzijnsvernauwende impact van een tomeloze beeldcultuur die eigen denkvermogen en emoties vervangt door geprepareerde attitudes. Of nog duidelijker gezegd: de media slachtofferen met plezier wat ze zelf creëren. Van Themsche was schuldig, nog voor het proces begon. Niet alleen door de hypertheatrale setting en de emotionele overexposure, maar vooral ook door de onderliggende politieke opiniesturing.

Van mediatieke hysterie tot politiek proces

Dat brengt ons tot het derde en laatste punt in deze nabeschouwing rond het Van Themsche-proces: de toedichting van ‘racistische motieven’ en het onderliggend politiek gehalte van de aanklacht. Van meetaf aan is dit het proces geweest van rechts, extreem-rechts, en het Vlaams Belang. Dat de dader uit een bruin milieu komt, met een grootvader als ex-SS-er en tante Frieda als VB-parlementslid, werd door weldenkend Vlaanderen onmiddellijk aangegrepen om de dodelijke schietpartij als een racistische aanslag te kwalificeren, lang voor de aanklacht op tafel lag. Meteen lag ook de collectieve ‘schuld’ op de weegschaal van de 20% Vlaamse mestkevers die op de foute partij stemmen. “Dit is een politiek proces. Dit is het proces van een partij, het VB, die een jonge man politiek, ideologisch tot een racistische moordenaar kneedde.” lees ik ene Koen Calliauw schrijven op de indymediawebsite. Wel, beste Koen, daarmee pleit je eigenlijk HVT vrij, en plaats je het VB op de beklaagdenbank van een ‘politiek proces’. En politieke processen, ja sorry, die horen niet thuis in een democratisch bestel. Er is niet zoiets als een ‘goede’ en een ‘slechte’ censuur, of ‘een beetje vrijemeningsuiting’, hoorde ik onlangs Prof. Dr. Jean Bricmont nog zeggen: er is democratie en freedom of speech of er is er geen.

Het zal me wel weer in bepaalde middens zwaar aangerekend worden, maar mij vallen verschillen nu eenmaal op. Toen Joe Van Holsbeeck door twee zigeuners vermoord werd voor een mp3-speler, werden er ‘stille marsen’ gehouden tegen ‘zinloos geweld’. Het door de media gebruikte relativerend discours (achtergrond, jeugdige leeftijd, kansarmoede…) omtrent de daders suggereerde haast dat het hier om een ‘tragisch ongeluk’ ging, eerder dan om een moord. Even later werd een van de twee gesignaleerd op een voetbalmatch, in het kader van hun herintegratie in de samenleving. Idem dito in de zaak Guido Demoor, in elkaar geslagen door een groepje allochtonen, met de dood tot gevolg. Redouan Siti, de meerderjarige dader die de fatale schop toebracht, kwam er met twee jaar cel en een geldboete vanaf. Afgezien van deze mildheid, viel vooral de welwillende discretie van de media op, en hun schroom om zelfs maar te berichten dat het om allochtonen met een gerechterlijk verleden ging. Terwijl we van Van Themsche ondertussen weten welke posters hij op zijn kamer had hangen.

Dit soort hypocrisie gaat me te ver. Als men de term ‘racisme’ wil hanteren, dan was die in de zaak Demoor zonder twijfel ook van toepassing. Als men hier selectief te werk gaat, dan moet ik veronderstellen dat de politieke demagogie de boventoon voert. En dat het zogezegde anti-racisme-discours een dekmantel is om af te rekenen met middelpuntvliedende, staatsvijandige en anti-Belgicistische krachten, door Hans Van Themsche gepersonifieerd.
Op 4 oktober kwam het, uitgerekend rond dit punt, tot een breuk tussen Mr. Van Aelst en Songül Koç, de Turkse vrouw die de aanslag overleefde. De advocaat liet zich in VRT/Terzake ontvallen dat racisme wellicht niet het hoofdmotief is, en werd wandelen gestuurd door zijn cliënte: er rust blijkbaar een taboe op bepaalde theses. In de druk om de zaak te politiseren en Van Themsche als een toerekeningsvatbare ‘racist’ te berechten, wenst de familie blijkbaar een actieve rol te spelen. Barbertje zal dus hangen, het staat in de sterren geschreven, o.m. dankzij het gebruik van de Rorschach-test, u weet wel: die inktvlekken waar je bij moet vertellen wat je erin ziet. Reeds in de jaren ‘70 werd deze test door de ganse internationale wetenschap als ‘onwetenschappelijk’ beoordeeld.

Zo werd het showproces, behalve een soap, ook een oefening in politiek-correct denken en een hallucinant zondebokverhaal. In 1933 werd de jonge communist Marinus van der Lubbe, ook na een grandioos showproces, veroordeeld voor brandstichting aan het Reichstag-gebouw en terechtgesteld. Ook toen liepen de ‘emoties’ hoog op, en werd de zaak door de nazi’s weergaloos uitgebuit. De rest van dit verhaal is bekend,- dacht ik toch.

(De reacties op dit artikel hebben deels betrekking op een eerste versie, geschreven tijdens het proces en gepost op 4 oktober.)

Advertenties

De terugkeer van Hoegaarden naar Hoegaarden: achtergronden en symboliek

(gepubliceerd in 'Doorbraak'-November 2007)

Rien ne va plus: soms is stilstand échte vooruitgang

De aanslehoegaarden1.jpgpende institutionele crisis die sinds 10 juni België in zijn greep houdt,- en op het moment van dit schrijven, medio oktober, nog steeds aan de gang is- wordt door de meeste perscommentatoren als iets nefast gekwalificeerd. Het beraad ‘slabakt’, er wordt ‘nauwelijks of geen vooruitgang geboekt’, Elio di Rupo spreekt hilarisch van een rondje ‘surplacen’. Toch zijn het misschien net die clichés die ons op een andere waarheid wijzen: traagheid heeft ook zijn voordelen. In die vier maanden zijn immers meer zekerheden in vraag gesteld dan in 175 jaar vaderlandse geschiedenis. In Brussel verschenen er tricolore vlaggen aan de balkonnetjes, een ‘Red België’-petitie werd door zo’n 500 nostalgische B.B.’s ondertekend,- maar vooral: er kwam een publiek debat op gang rond zin en onzin van de bestaande instellingen, de Belgische constructie, de monarchie. Elke dag brokkelt in Vlaanderen, volgens peilingen, de meerderheid af die nog heil ziet in het bestaande regime. Pendent opera interrupta, het raderwerk stokt, de tongen komen los: de geschiedenis leert ons dat dingen kantelen vanuit een impasse.

Zowat een maand geleden deed zich een opmerkelijk feit voor dat op het eerste zicht niets met de huidige regimecrisis te maken heeft, – nl. de terugkeer van de Hoegaardse witbierproductie uit Jupille naar de plek waar het begon, Hoegaarden zelf. Er werden syndicale vreugevuren ontstoken, in het dorp kon de leut niet op, en ook de bierliefhebbers waren in hun sas. De bredere symboliek van deze gebeurtenis ging nochtans onopgemerkt voorbij, ook bij bovenvermelde commentatoren. En ik heb het dan niet over het feit dat een Waalse brouwerij vruchteloos probeerde om een Vlaams recept copiëren. De conclusies uit Interbrew’s Hoegaarden-debâcle reiken veel verder: ze leiden tot het inzicht dat niet alles om ’t even waar en door om ’t even wie kan gemaakt worden. Dat schablonen niet zomaar universeel kunnen toegepast worden. En dat de rekenkunde van een multinational even abstract en wereldvreemd is, als de rekenkunde die Europa en België voorlopig nog samenhoudt. Ik reconstrueer kort dit verhaal over rationaliteit en magie, kwantiteit en kwaliteit, snelle winst en trage gistingsprocessen. Het kan de tenoren van het huidige institutioneel debat van pas komen

‘Twee keer straffer, en dan verdunnen’
De oorsprong van het Hoegaardse witbier gaat terug tot in het begin van de 14de eeuw, en heeft te maken met de intense tarweteelt in deze steek: tarwe is het hoofdbestanddeel van het troebele witbier, naast mout, hop, water en een heel specifiek kruidenmengsel. Eeuwenlang teerde Hoegaarden op deze exclusiviteit, die als het ware door de vette Haspengouwse bodem zelf werd gemaakt. Maar de moderne marktwetten drongen zich op. Al in de 18de eeuw speelt de globalisering dit streekproduct parten: door de uitbreiding van het wegennet wordt het witbier door de pilsbieren (zoals Stella) weggeconcurreerd. Bovendien is de pilsproductie minder tijdrovend (time is money) en dus goedkoper. In 1957 houdt de laatste Hoegaardse brouwer, Tomsin, het voor bekeken.
Zo’n 10 jaar later probeert de melkventer Pierre Celis, die nog in de oude brouwerij had geholpen, het opnieuw. Hij slaagt erin, vanuit het geheugen en door gesprekken met ex-werknemers, het recept op te diepen en brengt de nieuwe Blanche op de markt, met groot sukses. Sindsdien werd Celis herhaaldelijk, naar eigen zeggen, tamelijk agressief benaderd door het Leuvense Interbrew (het huidige Inbev) om De Kluis te verkopen. Celis houdt de boot af, maar in 1985 vernielt een brand de brouwerij in Hoegaarden nagenoeg totaal. De oorzaak is nooit achterhaald, het gerechterlijk onderzoek werd vrij snel stopgezet. Tot op vandaag wordt er in het dorp gefluisterd dat deze catastrofe Interbrew bijzonder goed uitkwam, temeer omdat de gistingketels zelf intact bleven…
En inderdaad: vrijwel onmiddellijk verscheen de Leuvense biergigant op het toneel om vers kapitaal te injecteren en zich in De Kluis in te kopen. Daar moest wat tegenover staan: om de productie te versnellen en de capaciteit op te voeren voor de wereldmarkt, werd Celis verzocht om zijn bereidingswijze aan te passen: twee keer zo straf brouwen, en dan met water aanlengen. Een aanzienlijke tijdbesparing, tel uit Uw winst. Kenners begonnen opmerkingen te maken over een fletse smaak,- Pierre Celis voelde er zich hoe langer hoe slechter bij en verkocht tenslotte zijn resterende aandelen om in Amerika een nieuw bier te ontwikkelen.
De rest van het Interbrew/Inbev-verhaal is gekend: Hoegaarden verhuisde naar Jupille. Alleen de bottelarij en de nagisting-op-fles bleven ter plekke. En, o ja, de multinational plantte er zowaar ook een museum neer, een educatief bezoekerscentrum om enige folklore te creëren rond het gekidnapte streekbier. Het cynisme van de communicatie-experten bestond er in, om het spookdorp tot themapark uit te roepen, een soort Bokrijk van het witbier. In Jupille slagen ze er ondertussen niet in om het Hoegaardse recept uit te voeren. Complete sloten afgekeurd brouwsel (zelfs de kleur trok niet op de aloude Blanche) worden in de Maas gekeild, of aan Nederlandse veevoederfabrikanten verkocht (boze tongen beweren dat deze foezel via-via toch in de Hollandse cafés terechtkwam…). Tot heel de delocatie wordt afgeblazen en de Braziliaanse fluitjesbierproducent beteuterd moet toegeven dat het toch niet zo simpel was als de boekhouders hadden voorgerekend.

Zo kwam de Witte terug thuis. En inderdaad, de terugkeer van Hoegaarden naar Hoegaarden is ‘maar’ een symbool. Inbev behoudt het label en strijkt de winst op. Morgen kan De Kluis met één pennetrek weer een lege schuur worden. Toch is het verhaal hoopgevend. De globalistische mythe van de totale maakbaarheid en inwisselbaarheid houdt hier op, en wordt gecounterd door iets wat we voorlopig maar ‘de magie van de plek’ zullen noemen. Het vertelt ons dat er andere, ‘trage’, onzichtbare processen aan het werk zijn, die de snelle procédés inhalen. Onder de waan van de dag, het gereken en het gesjacher, gist een fundamentele maar discrete chemie, die vroeg of laat haar waarheid doet gelden. Eilanden van kwaliteit, die op een of andere manier hun integriteit weten te bewaren. Uniek, vrouwelijk, plekbewust, compromisloos. In een wereld waar alles onderweg is, zo rap en goedkoop mogelijk, zijn onverzettelijke individuen, onverplaatsbare processen en oncopieerbare recepten een verademing.

In mijn boekenkast staat Darwin naast de Bijbel

clip_image012.jpgclip_image012.jpgSuggesties voor een open biologieles  (1/10/07)

Het zitclip_image012.jpg er zoals bekend bovenarms op tussen de creationisten en de Darwinisten,- nu ook in Vlaanderen. De evolutieleer, een ijzersterke 19de eeuwse doctrine die de menselijke soort als het product ziet van een lang biologisclip_image012.jpgclip_image012.jpgchontwikkelingsproces, krijgt zowaar opnieuw concurrentie van het aloude Adam-en-Eva-verhaal, dat zijn rechten opeist in de biologieles. Dat Darwin zijn illuminatie kreeg op de Galapagoseilanden, september 1835, is algemeen bekend. Maar waar komt dat idee vandaan van een almachtige pancreator die de klus in zeven dag klaart? En is de evolutieleer wetenschappelijk echt superieur, of missen de hedendaagse doorsnee-wetenschappers de bescheidenheid die de grote vernieuwers net siert?

Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat