Maandelijks archief: december 2007

De weg naar Mekka is een doodlopende weg

Omtrent Islamo-fascisme, grenzen aan de tolerantie en het couscous-model  (1/1/08)

Gepubliceerd in Menzo-magazine, januari 2008 

Enige tleyers_weg_naar_mekka.jpgijd geleden sloot Jan Leyers zijn TV-exploratie doorheen de Islamwereld af. De reis startte in Cordoba, ooit hoofdstad van het Moorse Spanje, en eindigde met een anticlimax in Saudi-Arabië, nabij de heilige stad Mekka, waar Leyers als heiden niet welkom was. Wat had hij dan gedacht. Blode Jan vertrok dus met stille trom, en deed wat alle Westerse intellectuelen in zo’n geval doen: een boek schrijven. Een, naar ik aanneem, vrij accuraat reisverhaal met veel pittige details. Maar waarin tussen de regels toch duidelijk wordt met wat voor een probleem wij hier in Europa eigenlijk opgescheept zitten: het wordt nooit wat met die Islam,- dit is gewoon geen religie zoals een ander.
 Is weldenkend Vlaanderen eindelijk ontwaakt uit zijn ‘eenheid-in-verscheidenheid’-idylle, waarbij de Islam één krent zou zijn van de multiculturele taart?

Lees het artikel  
Dit artikel openen in PDF-formaat

Advertenties

Buffernatie, asfaltstrook of uitgaansbuurt voor Hollanders?

Gepubliceerd in 'Doorbraak', Januari 2008 

Het is altijd een grote dada van de neoliberale denktanks in onze contreien geweest: België is het “logistiek centrum van Europa”; we danken onze welvaart aan het constant gedaver van tientonners die vanuit het Oosten richting Zeebrugge bollen, of stoere binken die tussen Duinkerke en Rotterdam hun boterhammen opeten, liefst de voeten op het dashboard.

In deze tamelijk 19de eeuwse visie staat economische groei gelijk met veel getoeter en ijzergerammel. De ongemakken neemt men er graag bij: een flink pak extra verkeersslachtoffers, elke dag wel ergens een kop-staart-aanrijding met een vrachtwagen in de hoofdrol, chauffeurs die zelfs geen woord Engels spreken en door een gefrustreerde politie ongemoeid worden gelaten bij overtredingen, een overbelast wegendek dat haast niet meer te onderhouden valt, een zware ecologische impact, lawaai en stank ook op zon- en feestdagen (in Duitsland en Frankrijk heeft men daar allang komaf mee gemaakt, waardoor het zware transitverkeer tijdens de weekends vooral onze kant wordt opgestuurd), enz. De oppermachtige transportlobby Febeltra, traditioneel intiem met VLD-politici, heeft nooit uitgeblonken in maatschappelijk engagement of fris denkwerk rond de globale kost van dit plaatje: voor haar bleef het een vanzelfsprekend feit dat de publieke mobiliteitsinfrastructuur zoveel mogelijk afgestemd was op de privé-belangen van de transportsector, die verder ook nooit een sociale verantwoordelijkheid neemt (het verplicht maken van de ‘dodehoeksspiegel’, die vooral jonge fietsers moest sparen, werd door deze lobby bv. jarenlang afgeketst).

Het idee dat België een stuk autostrade is tussen Frankrijk en Nederland, zit diep in het collectief bewustzijn gebakken: het maakt deel uit van een laag zelfbeeld, gekoesterd door een natie die zich vereenzelvigd heeft met de rol van transitzone. Daaraan ligt een historische conditionering ten grondslag die ouder is dan het Belgische feit zelf: we zijn, sinds de absorptie van het machtige graafschap Vlaanderen door de Habsburgers, door de geostrategische berekeningen van de grootmachten gedegradeerd tot restgebied en bufferzone. Van zowat elke Europese oorlog werden we het slagveld, en bij elk vredesverdrag kwam onze intermediaire buffer-status weer op de proppen. Het Verdrag van Wenen, na de nederlaag van Napoleon in 1815, kende zowat heel het huidige België en Luxemburg toe aan Willem van Oranje, als overwinningsbonus én tegelijk als bufferzone bij een eventueel nieuw conflict met Frankrijk. Wanneer in 1830 de ‘Belgische revolutie’ uitbreekt, in hoofdzaak een aangelegenheid van de Brusselse bourgeoisie die het werkvolk wist te mobiliseren in ruil voor gratis jenever, zijn de grootmachten opnieuw alert: het Belgische feit wordt bezegeld in de Conferentie van Londen (1831), waar dit keer vooral Frankrijk en Groot-Brittanië het Hollandse gewicht in de Europese balans wat willen afslanken. De nieuwe Belgische staat moest verder als neutrale, intermediaire staat dienst doen om het status-quo in Europa te behouden. Een bufferzone dus, andermaal. Wanneer in 1914 het Duitse leger, op weg naar de confrontatie met erfvijand Frankrijk, de vrije doortocht door deze ‘neutrale’ zone geweigerd wordt, ondervonden we pas aan de lijve wat het betekent om de voetveeg van Europa te zijn. Gedurende vier jaar wordt in een uithoek van West-Vlaanderen geschoten op alles wat beweegt, waarna men in Versailles de Europese grenzen hertekende, met weeral België in de rol van… bufferzone.

Ik zou nog bladzijdenlang kunnen doorgaan met deze geschiedenisles; de kwestie is, dat het aloude ‘slagveld van Europa’ zijn intermediaire status in toenemende mate heeft veredeld tot dat van internationaal knooppunt en wegrestaurant. Daartoe werd, wellicht bewust, een non-identiteit gecultiveerd die vooral draait rond de amusant-onnozele reputatie van de ‘surrealistische’ natie waar niets werkt en waar het er ook niet toe doet, het Manneken-Pis-gehalte, de chocola en het bier. ‘Wereldburgers’ als Karel De Gucht zijn grote gangmakers van dit Belgische praline-imago. De constante opendeurpolitiek die door deze operettenatie verder op alle vlakken wordt beoefend (een chaotisch migratiebeleid, de ‘logistieke’ mythe met alle overlast vandien, het herbergen van allerlei internationale instellingen, de Euro-Brussel-cultus…) lijkt er wel op gericht om deze non-identiteit consequent in stand te houden.

Het gevaar is nu reëel dat dit ‘Belgisch complex’ geruisloos overgedragen wordt op een Vlaamse emancipatiegedachte die al te veel door een naieve neoliberale entrepreneurslogica is ingegeven. De Vlaamse beweging is immers méér dan een taalstrijd, méér dan een economische vuist, zelfs meer dan een revanchistische contestatie van de Belgische constructie. Ze is, in de breedste zin, een poging om de intermediaire, neutrale status, waarin we door de logica van de Europese geschiedenis werden gemanoevreerd, te doorbreken. Dat kan alleen via het rechtzetten van historische dwalingen, maar daar mag het niet bij blijven: de institutionele discussie is ondergeschikt aan de vraag, wie we zijn en welke collectieve grondrechten we als zelfstandige natie willen waarborgen aan de burger. Een pre-constitutionele discussie dus. En daar hoort een essentieel luik bij rond levenskwaliteit, ecologie en mobiliteit,- een discussie die verder gaat dan boekhouderslogica en het zelfgenoegzaam geneuzel rond ‘goed bestuur’. Willen we echt de asfaltstrook aan de Noordzee blijven? Of toch maar liever gaan voor de kweek van ‘stille’ hersencellen in de 21ste eeuwse kenniseconomie, die ook aandacht heeft voor cultuurkwaliteit in de non-profit-sfeer?  Misschien mogen we Wallonië en Brussel dat achterhaald imago van transitzone dan wel gunnen, inclusief de bijbehorende Manneken-Pis-iconen die ons letterlijk een dwergmentaliteit opdringen.

Het leidt tenslotte ook naar de vraag rond de Nederlandse perceptie van heel het Belgische ontbindingsproces. Uit een enquête van het Hollandse gratiskrantje DAG zou blijken dat zowat 45% van onze Noorderburen een annexatie met Vlaanderen wel ziet zitten. De reden is echter tamelijk ontluisterend: Vlamingen zijn “leuk”, “gezellig”, “zachtaardig”, “niet al te snugger”, en… je kan er lekker eten. De Bourgondische aard, weet U wel.

Kijk, het vooruitzicht om met onze vrienden benoorden de Moerdijk te herenigen, omwille van het hoog frituurgehalte en een Antwerpse kathedraal waar je aan de achterzijde kan urineren,- dat beneemt me alle lust om deze denkpiste verder te zetten. Ik wil niet scheiden van het Belgische surrealisme, om de aboriginal van een soort Nederlandse Cocagne-provincie te worden. Dat leidt gegarandeerd ooit weer tot frustraties en heisa, en dat hebben we al genoeg gehad.