Maandelijks archief: mei 2008

Mei ’68: de mythe, de realiteit, en de hormonen

Lezing gegeven in het Vlaams Parlement op 17 mei 2008

Mei ’68, het betekent voor ieder van ons iets anders, in zoverre zelfs, dat ik me afvraag of het wel als algemeen begrip de geschiedenis zal halen.  Ik was toen veertien en herinner me vaag zwart-wit TV beelden van Franse studenten die met straatkasseien gooiden, Sovjettanks in Praag, gitaarspelende hippies in Berkeley, anti-Viëtnambetogingen zowat overal, kabouters in Amsterdam, en niet te vergeten: de tirades tegen het establishment vanwege studentenleider Paul Goossens in Leuven, naderhand topfiguur van datzelfde politiek-cultureel establishment, en onlangs door heel de pers uitgewuifd als gepensioneerd Belga-journalist.

Die metamorfose van rebel tot boegbeeld van een ‘links-progressieve’ elite, daar heb ik het straks nog over. Maar wat hebben al deze evenementen, van Praag tot Berkeley, eigenlijk gemeen? Vrijwel niets. Behalve dat ze zich allemaal in het jaar 1968 afspeelden en schone plaatjes opleverden…

Meer

Advertenties

Godin, secretaresse, voetveeg, zeug


  15 april 2008

clip_image001Toen ik onlangs, in mijn hoedanigheid van filosoof-onderzoeker, een mailtje stuurde naar de vermaarde schrijver Tom Lanoye, kreeg ik tot mijn verbazing een week later een bondig antwoord terug van een dame, een zekere Saskia, die me dringend vroeg géén berichten meer te sturen omdat de Meester de laatste tijd al te veel correspondentie kreeg. Tja, een letterkundige die zijn brievenbus verzegelt, dat is natuurlijk een vreemde zaak. Afgezien daarvan probeerde ik me reeds allerlei moois voor te stellen tussen Tom en Saskia, maar gezien de geaardheid van de dichter had ik het kunnen weten: ze bleek een assistente, gelieerd aan de vennootschap NV Lanoye, -het ding bestaat nog echt ook- die efficiënt alles opruimt wat de concentratie van de kunstenaar zou kunnen verstoren.

Nu, ook voor een schrijver telt een dag maar 24 uur, en het spreekt vanzelf dat zo’n gevierd auteur zich via een virtuele buitenwipster graag afschermt tegen pogingen tot stalking. Als artistieke entrepreneur is Tom overigens geen alleenstaand geval; ook een coryfee als Jan Fabre werkt op stevige boekhoudkundige fundamenten en laat zich straks misschien op de beurs noteren. In de postmoderne samenleving is cultuur allang geen stoorzender of een dissonant geluid meer, maar een deftige bedrijfstak zoals de informatica, de voedingssector, of de seksindustrie.

Doch die onbekende administrator achter het genie, Saskia, die blijft me intrigeren. Ze brengt me namelijk op het idee dat de romantische Muze, de goddelijke vrouw die van oudsher dichters, musici en schilders inspireert, eigenlijk maar de geïdealiseerde voorstelling is van de moderne secretaresse, een vrouwtje dat koffie brengt, brieven opent, en ongewenste bezoekers afwimpelt. Het idee dat de mannelijke kunstenaar moet gepamperd en gecoacht worden door een patrones, is wellicht zou oud als het artistiek universum zelf. In de Freudiaanse visie draait het natuurlijk om een moederfiguur, gecultiveerd door een tamelijk kinderachtige man, wiens viriliteit maar standhoudt als hij zich af en toe aan de boezem van mama mag vlijen. Le repos du chasseur heet het in de antropologie, Das Kind im Manne noemde Nietzsche het: het cultuurbedrijf is, zoals elke tak van het sociale leven, een gebeuren van dappere jagers en strijders die wenen bij de eerste geschaafde knie, en aansluitend moeten getroost worden. De presterende man is enorm afhankelijk van zijn vrouwelijke schaduw, ook in onze neopatriarchale cultuur. Maar terwijl de kleinburger thuis zijn soep laat opdienen en de grootindustrieel naar de hoeren loopt om zich te laten verwennen, is de kunstenaar, via een flinke portie bijgeloof, aangewezen op een mentale hostess die zijn dromen bezoekt en zijn artistieke potentie verzekert.

‘Potentie’ dus, we zijn bij de kern van de zaak. Dat kunst een mannelijk surrogaat is voor vrouwelijke vruchtbaarheid, is eveneens een inzicht dat we aan de psychoanalyse te danken hebben. En zoals de man zijn emotionele afhankelijkheid constant omzet in seksuele dominantie, zo wordt het beeld van de voedende, regerende Muze geschaduwd door het pornografische beeld van de hoer, slavin, lustobject. Het zijn twee kanten van één medaille. Vernedering hoort bij aanbidding; het feit dat de kunstenaar afhankelijk is van het wezen dat hij tegelijk wil domineren, leidt tot een soort verdubbeling van de vrouw als godin/duivelin, hoedster/demon, fee/heks, verpleegster/gifmengster, engel/beest, en noem maar op. Goethe noemde trouwens zijn Muze een wild paard dat moest getemd worden.

clip_image003Cherchez la femme. Veelbetekenend is, dat de Keltische barden hun vrouwelijke inspiratiebron al voorstelden als iets hemels én kwaadaardig, naargelang het moment. Het was dus kwestie, de inspirerende godin aan de leiband te houden en op vier poten te krijgen. In Wales en Ierland kreeg deze Muze aldus de naam Cerridwen, waarin men het Spaanse woord cerda herkent, dat… zeug betekent. Het alter-ego van de Godin der Kunsten als varken, bevestigt ons vermoeden dat hier dubbelzinnige projecties in het spel zijn. Ze stelt de barende natuur voor, waar de kunstenaar zich wel aan spiegelt maar die hij nooit kan evenaren, en die dus ritueel moet vernederd, geconsumeerd, geslacht worden, of gerecycleerd als verkoopbaar kunstobject, mechanical pig. De middeleeuwse troubadours speelden hetzelfde spelletje met hun beschermdame: door haar op een voetstuk te zetten en in smachtende lyriek te bezingen, ontstond er een soort literair schimmenspel met een gedenatureerd wezen, de vrouw als schutsengel en heilige (verwant met de Maagd-Maria-cultus), maar ook als fatale attractie, een door het middeleeuwse Christendom als demonisch beschouwd, ‘gevaarlijk dier’ dat geëxorciseerd moest worden.

Hier hoort een heel bestuarium bij van prooidieren. Naast het varken zijn ook de vos, de haas en het hert klassieke ‘duivelsdieren’ waarvan de jacht een soort rituele bezwering moet voorstellen: de jager is het archetype van de mannelijke artistieke wil, die zelfs na de jacht nog een verlengstuk krijgt in de figuur van de kervende keukenchef. Op 1 november verscheen echter het hert aan St. Hubertus en werden de rollen weer omgekeerd: het opgejaagde beest werd opnieuw engel en patrones, waarvoor de jager knielde en het mes liet vallen. Let op de gelijkenis met het Lam Gods: offerdier wordt mystieke verschijning, de transformaties blijven omkeerbaar.

De vrouw als dubbelzinnige gezellin en gevaarlijk speelgoed, het is en blijft kantje-boordje. Bekende artiesten lopen zo met hun maîtresse rond: als iets tussen een talisman, een jachttrofee en een bijterig hondje. Op elk moment kan de aanbidding omslaan in vernedering en geweld, en vice-versa. Heel de geschiedenis van de heksenvervolging kan men beschouwen als een uitloper van dat muzisch-sadistisch complex, het kantelen van de status van vruchtbaarheidsgodin, in die van lustobject, werktuig van de duivel, en tenslotte slachtrijp dier.

Het atelier als slachthuis

clip_image004Wat is dan eigenlijk ‘inspiratie’? Het kan niets anders zijn dan een mannelijke kniebuiging voor de superioriteit van de oermoeder, net voor ze gekeeld wordt in het atelier, en wordt getransformeerd tot ‘kunstwerk’. Artistieke creativiteit blijkt op die manier een permanente spanning te vertonen tussen het sublieme en het obscene, ingevolge de haat-liefde verhouding tussen de schilder en zijn (vrouwelijk) model, in casu de levende natuur. Zwevend tussen voluntarisme en afhankelijkheid van die Muze, blijft de kunstenaar een labiele kind-man. Geen enkele artiest geraakt hier uit. Soms wordt het sadisme tegenover de vrouw en de natuur heel expliciet en grotesk uitgebeeld, zoals in de doorspiesde kevers van Jan Fabre of, jawel, in de getatoeëerde varkens van Wim Delvoye, ook bekend van de strontmachine. Doordat deze laatste bovendien de voor het leven getekende dieren opnieuw in een luxe-omgeving plaatst (verwarmde hokken met zachte kussens) is de verwarring tussen vergoddelijking en vernedering compleet.

Een gelijkaardige macho-installatie, met symbolische offering van de muzische zeug, kon men meemaken in de voorbije Paul McCarthy-tentoonstelling te Gent. In deze ontstellende demonstratie van artistiek sadisme, die letterlijk en figuurlijk een gat sloeg in het SMAK, trok de kunstenaar alle registers open om, zoals de Keltische barden van weleer, het vrouwelijk element in onze cultuur, onder de vorm van een vastgebonden zwijn, te exorciseren. Creativiteit, machtsontplooiing en destructiviteit vallen hier samen en richten zich op één dierlijk object. Kotsend ben ik het SMAK-gebouw uitgelopen. De uitleg die men in de catalogus geeft, dat de kunstenaar hier juist geweld wil aanklagen, overtuigt mij niet: onder de discursieve, quasi-ethische dekmantel zit een onherleidbare sadistische grondtoon, het plezier aan de uitgebeelde obsceniteit, de pornografische desublimatie als keerzijde van het mannelijk minderwaardigheidscomplex.

Men moet dit soort slachtrituelen voor ogen houden, als dichters en musici beginnen zweverig te doen over hun Muze, hun verbeelding, hun creativiteit: het gaat om de verpersoonlijking van hun eigen onmacht. Telkens valt op hoe de vrouw de mannelijke creativiteit domineert en juist daardoor wordt gedegradeerd tot hoer, slavin, object, beest, meesterlijk geobjectiveerd in het kunstwerk zelf. Het kunstwerk als getemd dier, het varken als kunstwerk.

Saskia dus, en haar treurig schaduwbestaan. Het was toevallig ook de naam van Rembrandt van Ryn’s eerste vrouw. Ze moet intelligent en kunstzinnig geweest zijn, de schilder vereerde haar als zijn grote Muze. Eieren aten ze evenwel niet, de meester gebruikte ze voor het aanmaken van verf. Na drie miskramen en de geboorte van Titus stierf die godin op 29-jarige leeftijd, zelfs voor die tijd piepjong, fysiek uitgeput. Daarna kruisten nog verschillende huishoudsters het levenspad van de kunstenaar,- telkens werden ze tot Muze gebombardeerd, en eindigden ze in zijn bedstede.

Het eeuwige verhaal van het mannelijk genie en zijn dienstige schutsengel is niet alleen seksistisch, het verdringt ook een tegencultuur die discreter, authentieker, minder heerszuchtig en meer levensbeamend is. Vrouwen zijn er de draagster van maar kunnen die cultuur niet in meesterwerken omzetten, precies omdat ze de Narcistisch-kinderachtige reflex mankeren waarmee McCarthy en consorten zo succesrijk omspringen.

Ik vraag me dus af of er een ‘vrouwelijke’ kunst zou kunnen bestaan die echt ‘anders’ is, en meer doet dan het imiteren van dat mannelijk voluntarisme. Misschien is die Saskia-van-Lanoye wel veel slimmer en begaafder dan haar baas, en is het eigenlijk jammer dat ze haar schrijftalent moet beperken tot het sturen van standaardmails van het genre ‘Geachte Heer – Tot onze spijt moeten wij U mededelen dat…’. Maar zoals gezegd: zonder dit practisch vernunft zou ‘Ten Oorlog’ nooit geschreven zijn, men moet nu eenmaal zijn plaats kennen. Er zijn dus geen grote vrouwelijke artiesten, om dezelfde reden dat er geen goeie vrouwelijke voetballers rondlopen, of dat vrouwen geen auto kunnen rijden, of nooit in de keuken van een driesterrenrestaurant te vinden zijn (tenzij als afwashulp): het zijn allemaal door en voor mannen uitgedachte bezigheden, met dito spelregels en strategieën. Wat rest is de rol van Muze, Big Mamma, gastvrouw, excuustruus, assistente, secretaresse. In wezen weerzinwekkende voorbeelden van pseudo-emancipatie, theatrale bloempotverschijningen en op hoge hakken lopende moederfiguren.

Dat het publiek zich, afgezien van enig snobisme, tenslotte steeds meer afkeert van moderne en postmoderne Kunst, ligt aan het feit dat het kunstwerk altijd al een dood varken heeft gerepresenteerd, en dat nu, sinds McCarthy, ook écht toont. Daarmee heeft het zichzelf definitief ontmaskerd en mogen museale abattoirs als het SMAK rustig gesloten worden. Het gebouw kan dan heringericht worden om de daklozen van in de wijde omgeving te herbergen, ik zeg maar wat, en reken zelf uit hoeveel kinderen in Somalische vluchtelingenkampen van de hongerdood kunnen gered worden met het jaarbudget van deze instelling.

Misschien is dat wel de kunst van het derde millennium: evenementen, structuren, processen creëren die redden, hoop geven, doen leven. Barenboim en zijn West-Eastern Divan Workshop. Het is wel weer een man, maar toch.

Zijn bloggers ‘apen’ en is het internet ‘fascistisch’ ?

Het fenomeen Andrew Keen en de hetze tegen de blogosfeer

Verschenen in AchterHetNieuws, mei 2008

Met het optreden van Andrew Keen (London, °1960) heeft de anti-internet-lobby een nieuw boegbeeld verworven. In zijn boek ‘The Cult of the Amateur: how todays internet is killing our Culture’ (Nederlandse vertaling: ‘De @-cultuur’) trekt de man van leer tegen het alom-participatieve, volstrekt horizontaal werkende world-wide-web, zoals wij dat vandaag kennen, met aan elkaar gelinkte sites, weblogs, MySpace, Facebook, Youtube en dies meer. Het kreeg de naam “Web 2.0” , om het te onderscheiden van zijn voorganger uit de jaren ’70 en ’80, toen het nog een academisch informatienetwerk was, weinig meer dan een digitale fichebak met communicatiemogelijkheid tussen de gebruikers. Deze embryonale vorm is overigens op zijn beurt ontstaan vanuit het militair-strategische Arpanet, een circuit van computers, door het Amerikaanse leger in volle koude oorlog in elkaar geknutseld, met de bedoeling om informatie te beschermen via decentralisatie van dragers (als er eentje uitviel, konden de anderen het overnemen).
Nu het netwerk echter geëxpandeerd en gedemocratiseerd is tot planetair, totaal-toegankelijk informatie- en communicatieplatform waar ieder van ons wel een paar uur per dag op zit, is het een cultuurfenomeen van de eerste orde geworden, en mag het uiteraard ook wel eens kritisch tegen het licht gehouden worden. Dat bv. een dominerende speler als Google een quasi-monopolie verwerft op de centralisatie van informatie, en daarbij ook totalitaire systemen als de Volksrepubliek China op zijn wenken bedient met uitgefilterde versies,- daar mag men zich terecht vragen bij stellen. Of dat hetzelfde Google via Google-earth ongevraagd mijn achtertuin in alle details te kijk zet voor heel de planeet,- dat ligt ook niet zo voor de hand. Benieuwd hoe een rechtbank zou reageren moest ik deze webgigant aanklagen wegens inbreuk op de privacy…
Maar dit soort bedenkelijke evoluties vormen vreemd genoeg niet de zorg van Andrew Keen. Wel het gegeven dat het moderne internet een feitelijke totaaldemocratie heeft gerealiseerd, en het ‘Rijk van de amateur’ heeft afgekondigd, de gedreven niet-specialist en niet-professional. Enig doemdenken is Keen niet vreemd: doordat elke sterveling een actieve speler wordt op het web, zonder controle of kwaliteitsmaatstaven, wordt dat een moeras van middelmatigheid, gekenmerkt door quasi-analfabetisme en ranzig taalgebruik, waaruit een kakofonie van gratuit meningen opblubbert, van prettig gestoorde roddel tot en met regelrechte paranoia. De cognitieve relevantie van het massamedium is dus voor Andrew Keen nul, maar het vernietigt volgens hem daarenboven de ‘echte’ cultuur waarin hiërarchieën van tel zijn, iemand meer of minder autoriteit heeft door opleidingsniveau en ervaring, en waarin het ondermaatse wordt uitgefilterd.
Vooral de internet-encyclopedie Wikipedia moet het ontgelden: een ordeloze verzameling van artikels over om het even wat, waar iedereen auteur en lezer tegelijk kan zijn. Op dat fenomeen wil ik even focussen, want met Wiki is er inderdaad een probleem. Als ik bv. vandaag in het artikel over J.P. Sartre wil schrijven dat de man een waardeloze, oversexte polygraaf was met een kikkersmoel, dan staat het er ook zo, als een objectief feit. U kan die bijdrage dan morgen weer verwijderen, maar overmorgen zet ik het er terug op, en zo kunnen we nog ad infinitum doorgaan als we beiden veel tijd hebben. Die privé-oorlogjes woeden constant, echt waar. Niemand hoeft zich hier zelfs bekend te maken, haast elke wiki-gebruiker bedient zich van een schuilnaam. En O ja, de encyclopedie heeft wel een soort redactieraad van vrijwilligers. Ze moeten toekijken op de goede gang van zaken, hebben iets meer bevoegdheid en kunnen IP-adressen weren of bepaalde inhoud blokkeren. Als Uw politieke tegenstrever of persoonlijke vijand toevallig in die virtuele controlekamer zit, en zijn macht wil misbruiken, dan mag U het wel vergeten.
De eigenlijke kracht van het hedendaagse web 2.0 zit dan ook meer in het individuele engagement, jawel, de ‘amateur’ die we allen zijn, dan in structuren of subplatformen. Het is daarbij de kunst om het kaf van het koren te scheiden, elk voor zich, waarbij onderlinge tips natuurlijk ook helpen. Dàt maakt nu net de uitdaging van het web: elk individu moet zelf keuzes maken en filteren. Zo ontstaat een ‘spontane’ ranking, waardoor ik bv. wel de blog van mediawatcher Marc Van Fraechem consulteer, en de welgevulde beker van de Zatte Vrienden aan mij laat voorbijgaan. Dat sommigen zeker de omgekeerde keuze zullen maken, is een zaak van elementaire vrijheid.
Hoe dan ook zal in de komende decennia ongetwijfeld de spanning toenemen tussen ‘klassieke’ massamedia (kranten, weekbladen, TV…) en de blogosfeer. Deze laatste werpt zich meer en meer op als alternatief circuit van niet-gebonden observatoren die qua analytisch vermogen en diepgang de reguliere media vaak overtreffen. Het is daarop dat men het internet moet afrekenen, niet op het waardeloze scheldproza van een of andere cybersekte.
De journalisten-met-perskaart zien dit met lede ogen aan, goed beseffend dat ze ingekapseld zitten in de marktlogica van de infotaintment-industrie. Het is veelzeggend, dat een vzw als het Fonds Pascal Decroos onderzoeksjournalistiek moet promoten en professionele journalisten moet verleiden met subsidies om eens iets uit te spitten, iets te doen dat buiten de mediatieke gaarkeuken valt. De commerciële media-netwerken (Corelio, Persgroep, Roularta, Concentra, Sanoma…) hebben de journalistieke missie allang ondergeschikt gemaakt aan het kortetermijndenken van de marketeers die gebiologeerd zijn door oplagen en kijkcijfers. Het fenomeen Peter Vandermeersch is daar een typische exponent van, maar de voorbeelden waarin het commercieel management de redactionele lijn dirigeert, zijn legio en ook al veelvuldig in deze rubriek aangehaald. Ik spreek dan nog niet van de politieke bemoeienissen en de rechtstreekse ‘rode lijn’ die bv. een Guy Verhofstadt erop nahield met bepaalde krantenhoofdredacteurs.
Het internet, de blogosfeer en de opkomende burgerjournalistiek moeten gezien worden als revoltes tegen dit soort bevoogding van het intellect. De contrastrategieën laten zich uiteraard voorspellen. Vrijwel alle kranten en weekbladen hebben tegenwoordig zelf een blog aan hun webstek hangen, zogezegd ‘om de overgang te maken van fysiek medium naar virtuele krant’, en ‘om de lezer volwaardig te laten participeren’. Vrijwel niemand neemt die mediablogs ernstig: het is een al te doorzichtige truc om het internet te recupereren en het eigenlijke subversief-kritische potentiaal van het web te neutraliseren. Waarbij uiteraard steeds een webmaster toekijkt op de politiek-correcte inhoud van de geposte berichten, zogezegd om racistische of sexistische praat te filteren.
Aan de andere kant nemen de gesettlede media elke kans te baat om het internet in een slecht daglicht te stellen, en te karakteriseren als oppervlakkig, onbetrouwbaar, pervers, of gewoonweg onnozel. Het gepruts van de amateur dus, zoals Andrew Keen het smalend betitelt. ‘Veel ruis, weinig signaal’ constateert in zijn spoor de zelfverklaarde kwaliteitskrant De Standaard met veel dédain.
“In Vlaanderen is bloggen vaak iets erg persoonlijk. Vergeet het ouderwetse, papieren dagboek. Een beetje digitaal onderlegde Vlaming pent zijn zielenroerselen neer op het net. Deze blogs zijn erg populair bij kennissen en verwanten die vaak reacties posten op berichten. Vele bloggers zijn niet geïnteresseerd in een waakhondfunctie: het internet is voor hen louter een hobby…” aldus Kristof Hoefkens, redactrice cultuur&media (12/12/07). Daarmee neemt mevr. Hoefkens heel listig de onderkant tot maatstaf, om te besluiten dat het internetgebeuren, zeker in Vlaanderen waar De Standaard zijn oplage moet halen, het parochieniveau niet overstijgt. Deze kwaadwillige en doelbewuste diffamatie is tegelijk een strategie van het papieren medium, én een uiting van persoonlijke rancune vanwege beroepsjournalisten die zich ingehaald voelen door ‘amateurs’. Parallel daarmee duiken, net vanuit de oude media, allerlei voorstellen op om het subversieve web aan banden te leggen via allerlei ‘ethische charters’ en protocollen om het ‘proper’ te houden’.
Het zijn twee complementaire strategieën, overigens zo oud als de straat: recuperatie en stigmatisering. En tot het laatste mag men ook het fenomeen Andrew Keen rekenen. De achtergrond van deze donderpreker is overigens betekenisvol. Van opleiding historicus, streek hij midden de jaren ’90 neer in Silicon Valley en richtte het internetbedrijf audiocafe.com op, gesponsord door Intel en SAP. Toen die koe leeggemolken was, struinde hij van het ene achterkeukenbedrijfje naar het andere dotcommetje, om (voorlopig) te eindigen bij het door podcast.com gesubsidieerde AfterTV. Bij al deze commerciële strapatsen, waaruit Andrew Keen naar voor komt als een man die in zaken vooral putten maakt, puin achterlaat en onderweg zijn eigen portefeuille aandikt, is het intellectueel serieux ver te zoeken. En dat besefte onze internetcriticus blijkbaar ook, sinds zo’n twee jaar geleden.
Heel de kruisvaart van Keen tegen Web 2.0 is dus wellicht in hoge mate te herleiden tot een poging van deze man-van-twaalf-stielen-en-dertien-ongelukken om zich te rehabiliteren in het cultureel-academisch establishment. Dat moest gaan via een stevige portie cultuurpessimisme, een elitaristisch discours, het naar de mond praten van commerciële persconcentraties, en een herbevestiging van oude hiërarchiën (de intellectueel als vaandeldrager van de cultuur, waar de man-met-de-pet naar dient op te kijken). En zo geschiedde ook. In één moeite kon ook weer eens het oude auteursrechtenverhaal opgedist worden, de waarschuwing tegen piraterij, het gratis downloaden, etc.
De klassieke media namen heel de story maar wat graag over, en organiseerden ook de hype rond ‘The Cult of the Amateur’, waarin de doorsnee-bloggers zelf weinig subtiel voor apen worden uitgescholden, en heel het internet als een fascistisch complot wordt afgedaan. Een iets té gekleurd woordgebruik, als U het mij vraagt.

De moraal van dit verhaal? Dat de pogingen van de klassieke media om het internet te exorciseren, weinig meer zijn dan een achterhoedegevecht waarin bizarre allianties tot stand komen. We gaan hier nog lol aan beleven. Maar in alle ernst: het internet is noch goed noch slecht; het wordt en is, in toenemende mate, eenvoudigweg een dynamische, immer veranderende momentopname en afdruk van een planetaire beschaving, die zich spontaan structureert in een weefsel van ontelbare subculturen. Omdat elk individu belangrijk is, wordt het de basis van een nieuwe democratie, op een moment dat de klassieke, politieke democratie helemaal geabsorbeerd wordt door het geglobaliseerd marketingdenken.
Pogingen van de politieke macht om het web te controleren, zullen niet uitblijven. Ze zullen met veel vreugde begroet worden door onze vrienden beroepsjournalisten en krantenmakers, wedden?