Maandelijks archief: februari 2009

De joodse lobby steekt een tandje bij

Bedierven de schotelantennes de Israëlische communicatiestrategie?

doornaartNu de Israëli’s zich teruggetrokken hebben uit Gaza, blijkt pas hoe grondig ze hun werk hebben gedaan. Het menselijk leed en de materiële schade is niet te overzien. Gedurende heel de periode van de inval was Gaza verboden gebied voor de pers. Dat kaderde in een communicatiestrategie die de these van de “wettige zelfverdediging” wereldwijd moest propageren, met zo min mogelijk beelden van collateral damage,- dode kinderen en wenende moeders. Hoe functioneert die strategie eigenlijk?

Het gaat om een mondiale drukkingsgroep, gekend als “de joodse lobby”, waarvan het zenuwcentrum zich niet in Israël maar in de VS bevindt. Ze past geavanceerde technieken van netwerking en beïnvloeding toe, maar verschilt van alle andere lobby’s en belangengroepen door het steeds weer inroepen van een verpletterend historisch argument, nl. de nazi-genocide op zes miljoen joden in de 2de wereldoorlog (een feit dat geen zinnig mens overigens betwist, noch de morele implicaties ervan). Het discours dat hieruit ontstond is hoogst hybride. De propaganda van de staat Israël, het historisch zionisme, het religieus Judaisme, én de holocaust-thematiek, met de daaraan verbonden klaagcultuur, draaien op zo’n manier in elkaar, dat ook zoiets aberrants als de recente Gaza-invasie te rechtvaardigen valt. De jodenvervolging uit het verleden wordt finaal een passe-partout voor alle militaire- en bezettingsacties van de staat Israël. Het begint me eerlijk gezegd serieus op de zenuwen te werken, ik heb nog nooit een discussie meegemaakt met leden van de Joodse gemeenschap over een actueel probleem, zonder dat de holocaust ter sprake kwam. Wetenschappers als Norman Finkelstein en Guy Vandenberghe hebben heel die perverse logica diepgaand geanalyseerd,  tal van (ook Joodse) kunstenaars als Daniel Barenboim hebben er zich nadrukkelijk van gedistantieerd. Maar elk kritisch geluid wordt verbanvloekt als een uiting van antisemitisme, waardoor men terugvalt in het scenario van het uitverkoren/vervolgde volk, en het liedje van vooraf aan begint.

De manipulatorische ingesteldheid -ik aarzel niet het zo te noemen- van het zionistisch propagandacircuit, dat helemaal complementair is aan het ondergrondse Jihad-terrorisme, werkt van bovenuit, via de politiek-maatschappelijke kaders, de culturele en academische elites, en uiteraard de media. Het is semantisch subtiel en werkt vooral met retoriek, ensceneringen, perceptiesturing, maar ook soms met regelrecht intellectueel bedrog, hetgeen net de vooroordelen en clichés bevestigt. Er was onlangs het “plagiaatincident” rond de petitietekst van Michael Freilich in de Standaard; er was ook de montage, vanwege “Joods Actueel”, van een nazi-cartoon vóór een VRT-filmpje uit Man-bij-hond, alsof die cartoon erbij hoorde. Dat zijn frauduleuze praktijken die ook bij brave mensen zoals TV-maker Stijn Meuris kwaad bloed verwekken.

De pendel keert altijd terug

Heel de ondertussen lange lijst klachten vanwege de Joodse gemeenschap tegen de sowieso al van “racisme” verdachte Vlamingen (De Hitler-forel van Plat Préféré, de nazi-chippendale van Tomas De Soete, de gasgrap van komiek Philippe Geubels-geen-familie-van,…) lijkt vooral gericht op het bestendigen van een slachtofferimago, waarbij elke vorm van relativering of satire als obsceen wordt geduid. Deze on-Europese vorm van censuur (die we ook gecontesteerd hebben in de zaak van de Mohammed-cartoons) gaat zelfs de politiek-correcte VRT niet goed af, en maakt TV-creatieven ronduit balorig.

De druk op politiek en media zal, vrees ik, de zurigheid nog doen toenemen en de satiremakers nog meer inspireren,- dit is een zelfrollende sneeuwbal. En jawel, het feit dat Bert Anciaux het aandierf om het “drama van Dendermonde” te associëren met de slachting in Gaza, bezorgde hem zelfs steun van oude vijanden en linkse rakkers.

Overigens was het politiek terugfluiten van Anciaux absoluut “disproportioneel”, en ik zeg dat als zijn eigen lastigste criticus. Er zijn al wel meer staatshoofden en hun onderdanen in straffe clichétaal beledigd door onze politici (we denken bv. aan Karel De Gucht die premier Balkenende “een stijfburgerlijke Harry Potter-figuur” noemde, hierin geïmiteerd door toenmalig vice-premier Freya Van den Bossche), zonder dat daar iemand van wakker lag, de geviseerde nog het minst van al.

Het verbaal kapittelen van Bert Anciaux, vooral vanuit de CD&V- en VLD-regionen, doet inderdaad vermoeden dat de pro-Israël-lobby stevig verankerd is in de Belgische politiek. We herinneren ons ook een merkwaardig TV-beeld van vorig jaar, waarin Yves Leterme, net voor zijn ontslag als premier, nog de tijd vond om een groepje Israëlische kinderen toe te spreken die op vacantie waren om “het oorlogsgeweld te ontvluchten”. De joodse lobby-organisatie Chabad leurt met dit theater al een poos heel de wereld rond. Het is een tamelijk wansmakelijk kindermisbruik, dat waarschijnlijk toen al kaderde in een soort persstrategische aanloop naar de Gaza-inval van december 2008. De VRT- en VTM-camera’s waren in elk geval keurig op post. Op het teken van de begeleidende rabbijn hieven die nette jongens en meisjes uit het Beloofde Land zowaar een “vredeslied” aan, onze ogen schoten vol.

Zolang dat soort lobby-charades bestaat, zal ook de pendel terugslingeren in de andere richting. Dat is een normale correctie, Michel Freilich en companen zullen zich daarbij moeten neerleggen. Zolang ook moeten wij ons oor te luisteren leggen bij andere bronnen, die misschien ook niet objectief zijn, maar die alleszins de vervorming compenseren. Vanaf midden januari stelde Al Jazeera, bij ons vlot te ontvangen met een schotelantenne, zijn beeldmateriaal over de Gaza-inval vrij ter beschikking van alle professionele- en burgerjournalisten, terwijl Rudi Vranckx maar bleef doorlullen in de door Israël opgelegde perszone achter het front. Het zijn beelden die via internet de wereld rondgingen en de woede hebben opgewekt bij de moslimpopulatie in Antwerpen en Brussel. Maar het zijn ook die beelden die onze intelligentsia, en uiteindelijk een groot deel van de publieke opinie, ertoe hebben gebracht om de Joods-zionistische rechtvaardigingsretoriek in vraag te stellen.

Ondertussen lijken academici en mensen uit de onderwijssector nog steeds onder sterke druk te staan. De lobby zet zelfs een tandje bij. Filosoof-docent Lieven De Cauter liet zich onlangs ontvallen dat voor hem alle Amerikaanse universiteiten potdicht blijven, omwille van zijn Israël-kritiek. Publicist Lucas Catherine, die het regelmatig voor de Palestijnen opneemt, mocht het cordon eveneens aan den lijve ondervinden. De Standaard weert hem al sinds 2004 uit de kolommen: volgens inside-informatie zou o.m. de rechts-conservatieve barones Mia Doornaert, notoir lid van de pro-Israël-lobby en DS-columniste, die excommunicatie hebben bewerkstelligd. Een Phara-interview met L. Catherine, ten tijde van de Gaza-inval, werd door de Canvas-redactie op het laatste moment afgezegd, omdat… Mia Doornaert haar veto had gesteld.

Het wordt dus weer nauwkeurig afwegen, heel kritisch lezen, kijken en luisteren, en een gezonde skepsis aan de dag leggen. De ultieme bewaker van de pers is de mediaconsument zelf. Dat wordt vooral in deze tijden duidelijk.

Johan Sanctorum

Telepatie, “intertekstualiteit”… of noemen we het gewoon plagiaat?

Achter het Nieuws, 3/2/09

Hoe Michael Freilich (“Joods Actueel”) opinies assembleert

Op vrijdag 30 januari j.l. verscheen in De Standaard een ingezonden stuk dat de “selectieve verontwaardiging” van de publieke opinie aanklaagt inzake de Israëlische Gaza-inval. Men stelt dat Israël steeds weer de kop van Jut is, terwijl bv. de Navo-operaties in Kosovo nauwelijks vragen opwierpen. Onder het artikel prijken de handtekeningen van Michael Freilich (hoofdredacteur “Joods Actueel”), prof. Marc Cogen (UGent), een handvol CD&V- en VLD-politici, en de onvermijdelijke Benno Barnard. Literair is de tekst niet echt een hoogvlieger, het taalgebruik is bepaald krakkemikkig. Heel het stuk geeft een gefragmenteerde indruk, met zinnen die zelfs door een geoefend lezer een paar keer moeten herkauwd worden, zoals: “Als internationale bepalingen over mensenrechten in het algemeen en het oorlogsrecht in het bijzonder nog van enige betekenis willen zijn, dan moeten ze op comparatieve wijze toegepast worden, in overeenstemming met de ernst van de inbreuken die een staat pleegt, en niet op basis van zijn populariteit in de rest van de wereld.”

Een paar dagen later zal blijken hoe het opiniestuk tot stand is gekomen: grote delen blijken gecopieerd (en slecht vertaald) te zijn uit een column van ene Alan Dershowitz in het Amerikaanse internetmagazine The Huffington Post (22/1/09).

Ter vergelijking,- de Engelse versie van bovenstaande passage luidt:

“If the laws of war in particular, and international human rights in general, are to endure, they must be applied to nations in order of the seriousness of the violations, not in order of the political unpopularity of the nations.”  Een flagrant geval van telepatie, of is hier leentje-buur gespeeld, al dan niet met toestemming van de originele auteur?

Een en ander werd ons gereleveerd door docent Jan Verbeeren, vakgroep wijsbegeerte en moraalwetenschap (UGent), die nauwgezet alle gecopieerde passages aanstipte, het zonder meer als plagiaat bestempelde, en eraan toevoegde dat hij zijn studenten al voor minder heeft gebuisd. Wat later bellen we met een zenuwachtige Michael Freilich die eerst uitvoerig nog eens de Israëlische zaak bepleit (waar het hier niet om gaat), om dan te verzekeren dat de heer Dershowitz een van zijn vaste medewerkers is, en dus niet hoefde vernoemd te worden als co-auteur. Daar had hij wel een punt, en of mijnheer Freilich dan ook even het e-mail adres van Alan Dershowitz kon doorgeven, zodat we een en ander konden natrekken? Neen, dat kregen we niet. Het vermoeden is dus inderdaad gewettigd dat de hoofdredacteur van “Joods Actueel” uit copijnood snel-snel wat heeft gesurfd naar bevriende websites, en zonder bronvermelding of wat dan ook een tekst heeft geassembleerd. Nood breekt wet.

Bloggers doen het werk van de opinieredacteurs

Op zich weegt het geval natuurlijk vrij licht. Wereldwijde politieke netwerken en lobby’s hebben nu eenmaal de neiging om met “stamteksten” te werken die her en der doorgecopieerd worden. In mijn studententijd schreven de Maoisten gewoon Pekin Information af om er hun blaadjes mee te vullen. De kwaliteit van de teksten was er ook naar, en wekte vooral de lachlust op. Toen heette dat propaganda, tegenwoordig spreekt men van “opiniemanagement”. En daar hoort ook de bezigheid van publicisten als Michael Freilich bij: het gaat primair om indoctrinatie -althans een poging tot-, met als doeleinde het opkrikken van het (na Gaza danig beschadigde) Israël-imago. Elk zijn job.

Een andere vraag is natuurlijk, of de opinieredactie van een “kwaliteitskrant” als De Standaard dit soort veredelde pamfletten zomaar moet afdrukken. Je zou denken dat ingezonden teksten toch gescreend worden, uitgevlooid op taalcorrectheid, geverifieerd op originaliteit. Niets daarvan blijkbaar. Terwijl docenten als Jan Verbeeren tegenwoordig met goede software elke vorm van internetplagiaat (ook in vertaling) kunnen opsporen.

Het is al langer geweten dat de opiniepagina’s van De Standaard geen betrouwbare staalkaart uitmaken van wat er leeft aan relevante meningen in Vlaanderen. Veeleer doen de samenstellers ervan zelf aan een soort opiniemanagement, waarbij een vast lijstje van DS-intimi om een mening worden gevraagd, polemieken worden geënsceneerd, en omgekeerd uiteraard ook een hele krans intellectuelen uit het debat wordt geweerd (de beruchte “zwarte lijst”). Mensen als Frank Thevissen en Lucas Catherine kunnen erover meespreken.

Door het feit dat men zich vooral bezighoudt met dit soort manipulatieve schaduwjournalistiek, doen de redacteurs niet wat ze eigenlijk moeten doen: waken over het niveau van wat er zoal op de redactie binnenwaait. Bronnen worden niet gecheckt, gegevens niet geverifieerd, flagrante onjuistheden niet gecorrigeerd. Een Jan Goossens bijvoorbeeld, de bevlogen KVS-directeur, die op diezelfde DS-opiniebladzijden boudweg beweert dat “de islam in de zevende eeuw al een deel van onze Europese traditie was”, terwijl elke middelbare scholier hoort te weten dat de Arabische invasie van Spanje pas in de 8ste eeuw plaatsgreep. Pientere bloggers als Marc Van Fraechem (http://victacausa.blogspot.com) hebben er een sport van gemaakt, dit soort bloopers te detecteren en dag-na-dag aan te tonen hoe slordig deze redactie wel omspringt met het aangeboden materiaal. Natuurlijk kan men beweren dat De Standaard niet verantwoordelijk is voor ingezonden stukken. Toch wijst deze nonchalance op intellectuele onernst en straalt het negatief af op het imago van de krant. Een intelligent en beslagen redacteur hoort te zeggen: “Sorry mijnheer Goossens, maar dit soort onzin kan echt niet in onze krant, ook al is ze voor uw rekening, gelieve uw huiswerk opnieuw te maken. ”

Een intelligent en beslagen redacteur had dus ook moéten zeggen: “Sorry mijnheer Freilich, maar in uw tekst lijken complete zinnen gecopieerd uit een artikel van Alan Dershowitz, verschenen in The Huffington Post”. Dat kunnen wij ook. Graag bronvermelding, of nog beter: schrijf eens zelf een tekst.”

De politici en de dichter daargelaten, weet ik niet of een hoog aangeschreven academicus als prof. Marc Cogen zich nog wel prettig voelt in dit licht-frauduleus kluwen. Jan Verbeeren windt er geen doekjes om: “Het aspect “intentie” speelt een belangrijke rol, intentie in de zin van doelbewust de bron niet vermelden om zodoende de indruk te wekken dat het om eigen inbreng gaat. In het geval men – a fortiori –  de bron niet vermeldt om de woorden van de oorspronkelijke auteur te kunnen verdraaien dan kan men zelfs spreken van grove intellectuele oneerlijkheid. En dat is in het geval van het opinieartikel in De Standaard duidelijk het geval.”

 Ten laatste willen we nog een doordenker meegeven over dat déjà-vu-gevoel dat ons, lezers van kranten, magazines, blogs steeds meer bekruipt. Misschien is het wereldwijde communicatienetwerk dankzij het web wel op hol geslagen. Er wordt gewoon overgecommuniceerd, gegoogled, gebradeerd met informatie, opinies en meningen. Alles wat we lezen hebben we al eens gelezen, niet helemaal hetzelfde, maar het lijkt er verdomd goed op. Franse intellectuelen zoals Julia Kristeva hebben daar het mooie woord “intertekstualiteit” voor bedacht, terwijl het eigenlijk toch maar om een vrij akelige eenheidsworstproductie gaat, een mainstream  waarin elk discours zich beweegt, “geïnfecteerd” als het is door elk ander discours via een oververhit systeem van de uitwisseling. Digitalisering werkt daarbij het klakkeloos copiëren -of het kunstig plagiëren- in de hand, hetgeen zelfs tot een schrikbarend nieuw analfabetisme bij scholieren en studenten blijkt te leiden.

Soms moeten we de stekker uittrekken, om weer zelfstandig te leren denken en schrijven. Het is de reden waarom mijn goede vriend Mark Grammens, éénmansredacteur van “Journaal”, zich met het internet niet wil inlaten. Teveel van hetzelfde, beweert hij. “Je mag opgewonden schrijven, maar je moet rust hebben om te lezen en na te denken, ordenen, verwerken” schrijft hij me op zijn 50-jaar oude Adler. Een attitude die ik vele vaste klanten van de opinierubrieken alleen maar kan toewensen. 

Johan Sanctorum

Kan men “een beetje onafhankelijk” zijn?

Doorbraak februari 2009

De valstrikken van het confederale denken

 “Where then is our republicanism to be found? Not in our constitution certainly, but merely in the spirit of our people. That would oblige even a despot to govern us republicanly.” (Thomas Jefferson)

In Knack van 7 januari j.l. vallen enkele uitspraken van N-VA-boegbeeld Geert Bourgeois te lezen die ons, pleitbezorgers van Vlaamse onafhankelijkheid, wenkbrauwen doen fronsen. Zo pleit hij onomwonden voor een confederaal België, en verbant termen als “separatisme” en “autonomisme” naar de categorie van het onfatsoenlijk woordgebruik. Daarbij maakt de politicus de stigmatiserende associatie tussen Vlaamse autonomie en “het-op-zich-zelf-terugplooien” van een mentaal achterlijke negorij,- een beeldspraak die normaal vooral gebezigd wordt door B+ adepten.

De terugkeer naar de confederale optie, die eigenlijk een neo-Belgicistische restauratie betekent, staat in alle opzichten haaks op het idee van een republikeins réveil, waar tien Vlaamse intellectuelen en opiniemakers zich voor uitgesproken hebben in het onlangs verschenen boek “De Vlaamse Republiek: van utopie tot project” .

Dit pleidooi voor volwaardige staatsvorming beroept zich op een publieke opinie die voorlopig in geen enkele peiling echt uit de verf komt, omdat ook de juiste vragen niet worden gesteld. De Vlamingen zijn allang republikein, ze weten het alleen nog niet. De meerderheid -zeker de jonge generatie- hunkert wel degelijk naar iets “totaal anders”.

Niet alleen om het verschil te maken met de Belgische monarchie en de daaraan verbonden coulissepolitiek. Maar vooral uit de groeiende behoefte aan een nieuw samenlevingscontract, een andere bestuurscultuur, een hogere vorm van democratie, en een intense vorm van burgerparticipatie, zoals de jonge publicist Brecht Arnaert terecht stelt. Aan België kleeft een democratisch deficit dat door geen enkele staatshervorming nog te repareren valt, constateerden ook al eerder filosoof Peter De Graeve en politicoloog Bart Maddens.

Dit gaat inderdaad over directe democratie. Het republikeins réveil moet de Vlaming vooreerst betrekken in een echte clash-der-ideeën, rond de hamvraag: waar willen we met het Vlaanderen van morgen naar toe? Een breed, geestverruimend debat rond waarden, identiteit en maatschappelijke streefdoelen op lange termijn. Niet alleen in de universiteitsaula’s of op TV, maar ook thuis, op straat, in de scholen, op café.

Vroeg of laat moet dit bevragingsproces, eventueel beklonken met een reeks referenda, dan uitmonden in een nieuw grondwettelijk kader. Geen “Europese grondwet” vol kleine lettertjes en uitzonderingen. Geen technologisch hoogstandje van topjuristen. Maar een ethisch charter, beknopt, essentieel en universeel begrijpbaar. Een tekst die probleemloos op één velletje papier kan en 200 jaar meegaat, zoals de Amerikaanse grondwet uit het gezegende jaar 1789: zeven artikels en 23 amendementen, voor een bevolking van 300 miljoen. Meer moet dat niet zijn.

De vraag die dan in mij opkomt: kan men “een beetje ononafhankelijk” zijn? Hebben sommige politici misschien schrik van de mondige burger en zijn participatie-eis, dat ze opteren voor een “uitgekleed België” in plaats van een onafhankelijk Vlaanderen waarin de grote maatschappelijke discussies, inclusief het constitutioneel debat, aan bod komen? Verkiezen ze een wat zure maatschappelijke onderlaag boven een echte politieke omwoeling? Is de republiek hen wat te hoog gegrepen en een te riskant politiek avontuur, dat ze verkiezen om in stilte de meubels te verslepen naar het deelstaatniveau? Overigens: als Europa de confederale bovenbouw zal uitmaken, waartoe dient dan nog die Belgische tussenverdieping?

De republiek is niet zomaar een technisch begrip. Ze is emotie, inzet, geloof. Ze is misschien wel ons meest belangrijke cultureel erfgoed. Ze kleurt ons Europees verleden, maar voor Vlaanderen is ze, daar ben ik absoluut zeker van, de beste optie voor de toekomst. Een onafhankelijkheidsverklaring is daarin een noodzakelijke caesuur, een essentieel breekpunt.

“Wat we zelf doen, doen we zelf”, stelt Peter De Roover terecht. Het is zo simpel als dat.

In hetzelfde interview pleit Geert Bourgeois ook voor een imagocampagne om ons Europees blazoen wat op te poetsen, nadat de Raad van Europa ons, “xenofobe” Vlamingen, weeral op de vingers had getikt. Ja sorry, hier komt weer de beruchte Vlaamse underdog-attitude naar boven, het eeuwige excuusgedrag. Er scheelt niets met ons imago. Wel met dat van België. Ook Europa zelf heeft vandaag een levensgroot probleem. De historische logica is namelijk dat Vlaanderen in de 21ste eeuw wellicht de spits zal afbijten in een Europees herverkavelingsproces, dat de 19de eeuwse natiestaten naar de geschiedenisboeken zal verwijzen.

 Johan Sanctorum