Maandelijks archief: juli 2009

“Joke, Joke, haal ’t spinrag uit je haren, Joke, Joke, trek je witte jurkje aan !”

Misschien is een “onmondige” cultuurminister wel een verademing

paolaZonet liep Koningin Paola weer langs bij kunstschilder Luc Tuymans n.a.v. diens tentoonstelling in Brussel “Against the day”. Tuymans verzorgt zijn public-relations, dat is het minste wat men kan zeggen. Maar het is natuurlijk ook een statement: de Commandeur in de Leopoldsorde associeert zich hier (opnieuw) openlijk en expliciet met het Belgisch ancien régime waar in Vlaanderen nauwelijks nog een draagvlak voor is.  Paola, die het nooit verder bracht dan een krakkemikkig Nederlands, is bovendien een vergeeld symbool van macht uit een tijd toen knechten nog werden opgeknoopt als ze appels stalen uit de boomgaard van de Heer. Dat kan tellen. Hoe briljant Tuymans als penseelridder ook moge wezen, politiek leeft hij op Mars, en is zijn kunst louter decorum. Ze schurkt zo dicht aan bij de bovenbouw en de machtssymbolen, zonder de minste vorm van ironie zelfs, dat ze elk systeemkritisch moment ontbeert.

Want laat dit nu net dé bestaansreden van het creatieve proces in de moderniteit zijn: wat mij interesseert in de kunstenaar, is de mate waarin zo iemand het collectief onderbewuste naar boven kan brengen: hoop, verlangen, frustraties, gevoelens van onbehagen die in een samenleving gisten en die moeizaam een uitweg zoeken. Slechts de meest gevoelige antennes en de sterkste handen kunnen die signalen detecteren en opwerken tot een zinnig, leesbaar icoon. Kunst is in se marginaal, middelpuntvliedend, dissident. De verhouding met de macht kan daarom niet anders dan problematisch zijn: waar de politiek onrust tracht te bezweren, roept de kunstenaar ze op. Waar de kunstenaar vragen opwerpt, verwondering uitlokt, wil de politiek vereenvoudigen en beheersen.

In dat opzicht is “cultuurpolitiek” een pervers fenomeen. Het idee dat een staat, een regime, de culturele dynamiek steunt, superviseert, regisseert, kan alleen begrepen worden vanuit een poging om kunst en de kunstenaar zoveel mogelijk onschadelijk te maken en onder te brengen in een bureaucratisch stelsel van subsidies, projecttoelagen, prijzen, jury’s, commissies, etc. Men kan dat zonder meer een vorm van chantage noemen: het politiek establishment steunt cultuur maar koopt vooral goodwill, en creëert een cultureel establishment. Daartoe moet kunst geïnstitutionaliseerd worden en gekanaliseerd in beheersbare structuren die naadloos aansluiten op de bestaande officiële administraties. De overheid wil vooral met grote theatergezelschappen en kunstencentra zaken doen, niet met kleine, oncontroleerbare garnalen die in de marge af en toe toch stoute dingen doen zoals performance-kunstenaar Benjamin Verdonck (die nu overigens ook om den brode onderdak zocht bij het Toneelhuis).

Via een perverse ratio combineert deze kunstbureaucratie een hemelbestormende esthetica met platte boekhouderslogica. Men moet in dat opzicht “Courant” eens ter hand nemen, het driemaandelijks magazine van de Vlaamse theatersector, je gelooft je eigen ogen en verstand niet meer. In duizelingwekkende volzinnen broeden cultuurapparatsjiks er de geloofsleer uit die kunst een schijn van relevantie moet geven. Bij nader toezien is het een taal die uitsluitend naar zichzelf verwijst, het esoterisch discours van een elite die zich afdekt en tegelijk één oog op de subsidiepotten gericht houdt. Want daar gaat het in laatste instantie over,- al de rest is pretext-: over centen (“middelen”), rekeningen, budgetten. De Vlaamse kunstensector heeft het parasitisme zelf tot kunsttak verheven.

Onbevlekt ontvangen

In dat opzicht Schauvliegeis de aanstelling van CD&V-politica Joke Schauvliege een opportuniteit van formaat. Het feit dat een complete dilettante door de politieke loterij de post van cultuurminister werd toebedeeld, zou de sector in kwestie kunnen inspireren tot een aantal fundamentele, grensverleggende vragen.

Kunnen kunstenaars en cultuurmakers hun subversieve rol eigenlijk nog wel spelen, als ze compleet ingebed zijn in een logica van de vetpotten? Moet een administratie bepalen wat goed voor ons is en welk soort kunst, via een of andere betoelaging, aan het publiek mag geserveerd worden? Is een ‘cultuurminister’ eigenlijk wel nodig, tenzij men cultuur inderdaad reduceert tot een “sector” die het midden houdt tussen entertainment, volksverheffing en terapie voor schizo’s? Kan men dat departement niet beter afschaffen, en het infrastructuurbeheer aan de regie der gebouwen overlaten om kunst… gewoon kunst te laten zijn? In welke richting zou kunst van binnenuit veranderen, mocht ze de navelstreng durven doorknippen met het overheidsapparaat?

Maar daar schijnt de discussie helemaal niet over te gaan. Verontruste coryfeeën zoals Erwin Mortier en Tom Lanoye zijn vooral begaan met de vraag of mevrouw Schauvliege de regels van het spel wel begrijpt. Zou ze bijvoorbeeld “Courant” wel kunnen lezen, of legt ze het boekje na één bladzijde met een geeuw weg, vanuit een instinctief gevoel dat dit nergens over gaat? Ze is zo blank en onbeschreven, dat ze het normale betoelagingssysteem wel eens zou kunnen destabiliseren, onder het motto “jongens, ga elders spelen”. Het liefst hebben onze kunstbroeders eigenlijk normaalbegaafde, matig geïnteresseerde diensthoofden die de cash-flow van overheid richting kunstenbedrijf niet belemmeren (Erwin Mortier in de Morgen van 15/7:” Stellen ze qua belangstelling voor hun beleidsdomein niet veel voor, dan zijn we best tevreden met hun budgetten”). Cultuur moet, volgens de heer Lanoye, als een ernstig-gecompliceerde materie beheerd worden, zoals economie, waarbij hij vergeet dat de “oikos” in het woord “economie” “haard” betekent. Alles is in wezen huishoudkunde, wisten de Grieken al, misschien moeten er juist wel méér huisvrouwen de staatskassen beheren, dat zou ons veel onzin en ergernis besparen.

Hun eis van “een mondige cultuurkenner als minister” (Tom Lanoye in DS van 19/7/09) verraadt bijgevolg vooral de vrees om aan een huismoeder-in-de-luiers te moeten uitleggen waarom kakmachines nodig zijn. De aanstelling van Joke Schauvliege is, behalve het resultaat van de normale koehandel en het reguliere postjesgeschuif, ook een cultuurschok. Toevallig, maar toch: een opportuniteit. Zoals ook mijn hond of een kind van vijf op de troon dingen kan veroorzaken die alles doen kantelen, het sprookje van de kleren-van-de-keizer, weet u wel. Kevers aan het plafond? Een toneelvoorstelling, bestaande uit halfnaakte vrouwen die met sla-olie overgoten worden? Zuilen die van hespen, voedsel dus, zijn gemaakt? Mja. Ik snap er niks van, ik wil het ook niet snappen. Misschien is het wel gewoon onzin, dure en onsmakelijke onzin die aan de markt van vraag-en-aanbod moet worden overgelaten: als er liefhebbers zijn die ervoor willen betalen, so be it.

De consternatie van de sector is dus gewettigd: een patronesse die interviews geeft met een baby op schoot, daarin te kennen geeft dat ze heel af en toe eens een amateurtoneelopvoering bezoekt en nooit een boek leest, daar druipt elk wereldvreemd discours vanwege het kunstengild van af als regen van een paraplu.

“Joke, Joke, haal ’t spinrag uit je haren, Joke, Joke, trek je witte jurkje aan !”,- zo zong Jan De Wilde ooit. Misschien is een “onmondige minister” wel een verademing in Culturistan. Ik ben haar grootste fan, nu al.

“Koesteren” is haar geliefde woord, wat moeten we eigenlijk nog meer. De geest van J.J. Rousseau, de filosoof die besefte dat cultuur een mannelijke afwijking is, daalde eindelijk over Vlaanderen neer, met Joke wordt het perfect. Onwetende wijsheid en kennis die enkel vanuit het moederlichaam komt, zonder het fatale zaad van de mannelijke waan: sinds de Onbevlekte Ontvangenis hebben we het niet meer meegemaakt.

Lanoye en consoorten zullen deze subtiele ontlettering, waar we eigenlijk allen naar snakken, niet overleven. Weg met Paola en het geconsacreerde hoerendom. De afbouw van de kunstbureaucratie en de opgang van het nieuwe dilletantisme,- laat dit het eerste en enige programmapunt zijn van de laatste cultuurminister.

Johan Sanctorum

Advertenties

De keerzijde van de ‘Maddens-doctrine’ is de patstelling

Uitstekend opiniestuk vandaag in DS van Peter De Roover, mede-auteur van onze essaybundel “De Vlaamse republiek –van utopie tot project”.

Inderdaad: “On n’ est demandeur de rien”, maar wat als de vaderlandse francofonie van dit koninkrijk dat opnieuw echoot? Wat verandert er dan? Juist: niets. En verandering is nu net wat zich opdringt, in de huidige context van een vermolmd Belgisch bestel. Dat onze Vlaamse roeping in een democratisch-republikeins project ligt besloten, en niet in een eindeloos geknabbel aan de Belgische constructie, schreef ik een week geleden nogmaals.

De staatshervorming krijgt ondertussen weer de allures van het monster van Loch Ness. Zal het er op middellange termijn niet op gaan lijken dat de listige Kris Peeters heel het N-VA-zootje behendig op sleeptouw heeft genomen, en geparkeerd heeft in een droogdok waar het wel zogezegd de Vlaamse bevoegdheden volop kan uitspelen, terwijl de Belgicistische elites tijd winnen? Is er echt een tegenstelling tussen Van Rompuy en Peeters, of is dit weer het zoveelste tsjeventheater?

Trouwen op 11 juli is één zaak, en men mag Bart Dewever enig krediet gunnen, maar de schaduw van Egmont/Schiltz, die de Vlaamse beweging politiek deed versplinteren, hangt nu al over deze nieuwe oefening in participationisme. Kritische oppositie zal nodig zijn, om op tijd aan de alarmbel te trekken.

En o ja, wat doen opeens die VOKA-krokodillen (Philip Muyters, Baron Paul Buysse, Urbain Vandeurzen…) in en rond de kersverse Vlaamse regering? Dat lijkt niet echt te ruiken naar een fris project voor een sociaal Vlaanderen, maar veeleer naar de ons-kent-ons-clubjes waar de Texas-mythologie van het aloude centenflamingantisme wordt gecultiveerd. Voor meer details, herlees ,,De elite van België – Welkom in de club” van Jan Puype. Inderdaad: van België.

Hoe stevig zitten de ridders in het zadel?

Korte 11-juli toespraak van Johan Sanctorum tot het voetvolk

GuldensporenOp 11 juli gedenken wij de Slag der Gulden Sporen van 1302, het hoogtepunt van een gistende rebellie van het Graafschap Vlaanderen tegen de Franse leenheer. Een betekenisloos historisch fetisj? Allerminst. Onmiskenbaar betekende die overwinning van het ‘gewone’ voetvolk tegen de Franse ridders een kantelpunt in de geschiedenis van Europa. Een ruiter die zomaar door een voetganger met een knots tegen de grond wordt geslagen, het was ongehoord voor die tijd. Revolutio, in de authentieke zin van het woord.

Ook in andere veldslagen uit die periode (De Boerenslag in Ane nabij Drente, de Zwitserse guerilla tegen de Habsburgse ridders) dook deze nieuwe sport op, die allicht door de aristocratische ruiterij als puur vandalisme, zoniet terrorisme werd beschouwd, een inbreuk op eeuwenoude regels, absoluut not done. Het was het prille begin van een burgerlijke emancipatiestrijd in het kader van de middeleeuwse stedenautonomie, een liberaliseringsproces dat pas met de Franse revolutie zijn beslag zou krijgen. Wat de renaissance en de verlichting voor onze Europese cultuur betekenen, is de golf tussen 1302 en 1789 op politiek vlak.

De romantische perceptie van dit kantelpunt heeft, met dank aan Hendrik Conscience en diens “Leeuw van Vlaanderen” (1839), voor een aantal relatief onschuldige misvattingen gezorgd. Zo waren de ‘vrijheidshelden’ Jan Breydel en Pieter de Coninck naar alle waarschijnlijkheid morrende middenstanders die het vooral beu waren om veel belastingen te betalen,- heden zouden ze veeleer onderdak vinden bij LDD. En de fiere Vlamingen van toen waren deze die vandaag in “Man bij hond” ondertiteld worden, namelijk de Oost- en Westvlamingen. In de Groeningheslag stonden de Brabanders… aan de kant van Frankrijk, naast een hele hoop andere locale overlopers. Tenslotte was ook Conscience zelf een overtuigd Belgicist en was zijn roman helemaal niet bedoeld als spoorslag voor een Vlaams streven naar zelfbestuur. Integendeel.

Tot zover het verschil tussen folklore en realiteit. Minder onschuldig is echter de bewustzijnsvernauwing die zich binnen de Vlaamse beweging zelf rond de Guldensporenslag heeft voltrokken. De sociaal-revolutionaire dimensie raakte namelijk helemaal ondergesneeuwd en werd versmald tot een semi-mythologisch, revanchistisch gekleurd nationalisme. Cynisch genoeg buitte Albert I dat in 1914 uit, door het Vlaamse plebs de vuurlinies in te jagen via een loze belofte op meer burgerrechten (“Vlamingen, gedenkt de Slag der Gulden Sporen!”). De Vlamingen stierven in het IJzerslijk, op luttele afstand van de Groeninghebeek, maar kregen niets, hetgeen ons het activisme opleverde waaruit dan weer de collaboratie groeide. Ook vandaag nog overheerst in de Vlaamse beweging de visie dat hét Vlaamse volk zich vanuit zijn archaische wortels moet heruitvinden als één homogene populatie, door de geschiedenis misdeeld maar uit op revanche. Dat is zonder meer conservatief en anti-emancipatorisch.

Er bestaat namelijk niet zoiets als een Vlaams volk, evenmin als het Belgische volk een realiteit is. We zijn allemaal individuen, via groepen en netwerken aan andere individuen gelinkt. Wél vormen de implosie van België en het afscheid van deze 19de eeuwse bufferstaat een gelegenheid om de democratie een 21ste-eeuwse opwaardering te geven in een eigen ruimte met een nieuwe constitutionele basis. Vanuit cultureel-historisch standpunt zou die ruimte perfect Vlaanderen kunnen zijn. Het valt echter te betwijfelen of de heersende politieke klasse zin heeft in dat avontuur. We verlaten dan namelijk de deelstaat-piste van het centenflamingantisme en de zgn. Maddens-doctrine (weinig meer dan een spiegelbeeld van het Franstalige chantagedenken), om het republikeinse project aan te vatten, helemaal buiten de Belgische context: een nieuwe staatsgemeenschap, als vereniging van vrije en mondige burgers die niet alleen in het stemhokje de democratie beoefenen, maar voortdurend interveniëren, als actieve aandeelhouders van de polis. De secessie, a.h.w. als breekpunt en tabula rasa met oude gebruiken, wetten, structuren.

Het is daarbij opmerkelijk hoe spaarzaam en schroomvallig het woord “republiek” bij ons wordt gebruikt, ook bij flamingante en zelfs separatistische partijen.  De res publica (letterlijk: ‘de zaak van iedereen’) is namelijk het resultaat van een voortdurende evenwichtsoefening onder alle burgers tussen privé-belangen en het algemeen optimum. Vandaag noemen we dat basisdemocratie, of straffer nog: contre-démocratie. Ze is alleen mogelijk binnen de context van een permanent publiek debat met een vrijwel totale participatiegraad en een minimale regie van bovenuit.

Nicole_en_HugoDat is een progressieve gedachte, evenzeer schatplichtig aan de politieke inspraakstructuur van het oude Athene als aan de Franse Verlichtingsfilosofie. Maar daar wringt nu juist het schoentje: de Vlaamse beweging is het burgerlijk-emancipatorische spoor bijster en heeft het traditioneel niet zo voor die chemie van de Aufklärung. Is het daarom dat men liever barbecues organiseert op 11 juli dan controversiële debatten? Of dat Nicole & Hugo in Kortrijk (of all places) het Guldensporenfeest mogen opvrolijken, in plaats van, ik zeg maar wat, de minstens even explosieve Anja Hermans?

Dat brengt ons op de culturele dimensie van het republikeins project. De kwaliteit van het publiek debat, -dat niet alleen in het parlement moet worden gevoerd maar overal, dagelijks, op het werk, op school, de straat, de kroeg…-, wordt bepaald door het niveau van een cultuurtaal die door iedereen word gedeeld en doorleefd. Al wie spreekt en schrijft werkt mee aan de verfijning van dit medium waarin de publieke communicatie verloopt. En daar wringt weerom een schoentje: Vlamingen houden niet van discussiëren, ze laten het liever over aan advocaten en beroepspolitici. En laat voor de rest onze letterkundigen maar lekker taalspelletjes spelen. Onze culturele elite fêteert vooral zichzelf, maar voelt zich helemaal niet geroepen om een taal te polijsten die de publieke communicatie op een hoger niveau kan brengen: het Vlaamse cultureel establishment is in essentie asociaal en apolitiek.

In tegenstelling tot Nederland en Frankrijk is er bij ons dan ook nauwelijks een traditie van polemiek en beschaafde woordenstrijd. We verstaan de kunst van de onenigheid niet. O jawel, er zijn meningen in overvloed, maar het vermogen om “van gedachte te wisselen”, zoals dat heet, is beperkt; de Vlaming verkiest om op zijn morzel grond te blijven zitten, ook intellectueel. We hebben een achterstand inzake communicatievermogen, die het publiek debat verlamt en daarmee ook het republikeinse work-in-progress bevriest.

De clou van het democratisch proces zit hem dus in de mondigheid van alle burgers, gegrondvest op een common language. Het Vlaams dus. Neen, niet eens het Nederlands,- het Vlaams. Democratie zonder eenheid van taal is ondenkbaar. Ik heb daarom meer moeite met de Arabische opschriften in sommige Antwerpse wijken dat met de hoofddoek. Ze wijzen op een versmalling van de res publica tot een polyglot amalgaam van subculturen die de democratie wel consumeren maar er niet aan deelnemen.

Meteen is dit het antwoord op de vraag waarom bij ons het republikeinse gedachtegoed onderontwikkeld is. Zowel het door rechts geclaimde volksnationalisme als de linkse multicul-utopie miskennen de republikeinse dynamiek die op een gesofistikeerde cultuurtaal drijft. Rechts ziet het publiek debat als pure chaos en een verlies van homogeniteit, links huldigt het cultuurrelativisme van het lappendeken en vlucht vooruit in (koningsgezinde!) Belgavox-orgasmen. Rechts wil niet, links kan niet: de republiek is een witte vlek in Vlaanderen.

In beide gevallen ligt het ideaal van de natie als actieve burgervereniging (civil society), drijvend op participatie en rechtstreekse democratie, nog lichtjaren ver. Zolang komen we ook nooit tot de pointe van het emancipatieverhaal, namelijk de publieke discussie rond een nieuw grondwettelijk kader dat afstand neemt van het Belgisch democratisch deficit, via bijvoorbeeld een systeem van bindende referenda, een verkozen president, een parlement met spreekrecht voor alle burgers, en zelfs de afschaffing van politieke partijen die ons toch alleen maar het woord ontnemen en vandaag puur marktstrategisch functioneren. Nogmaals: zal de Vlaamse politieke klasse zichzelf overbodig maken en Vlaanderen tot politiek laboratorium van Europa uitroepen? Waarom zou ze.

Kris_PeetersEr is dus weinig reden tot feestvieren op 11 juli. De grijns van Kris Peeters, de echte triomfator van 7 juni, verschijnt op alle voorpagina’s en covers, maar de modale Vlaming bekijkt het politieke schouwtoneel met de grootste onverschilligheid. Hij is vooralsnog geen betrokken partij. De arrogantie van de macht is dezelfde als deze in het Belgische bestel. Monkelend groeten de kersverse Vlaamse ridders via de camera het plebs. Geruisloos schuiven de schaakstukken op het bord, in de richting van een semi-autonome vazalstaat die geen schijn van aanstalten maakt tot een eigen constitutioneel proces, hooguit tot het klassieke knip-en-plakwerk binnen de grenzen van de Belgische constructie.

De bezorgdheid van ons, republikeinen, dat Vlaanderen een verkleinde uitgave wordt van het Belgique à papa, een in wezen behoudsgezinde maatschappij van de elites, gekenmerkt door een democratisch minimalisme, bestuurlijke intransparantie en een grote mate van publieke apathie, lijkt gewettigd.

De burger zal zich bij zijn eigen haren uit het moeras moeten trekken. Heel het anti-establishmentgegeven dat de politici haaruitval blijft bezorgen, allerlei uitingen van burgerlijke ongehoorzaamheid, het verzet ook tegen de Eurocratie, de afkeer van weldenkende culturo’s en intellectuele collaborateurs, toont aan dat de beweging die begin 14de eeuw begon nog steeds niet voltooid is. Het Lange-Wapper-protest in Antwerpen is er het meest recente bewijs van. Er mogen dus gerust nog wat ridders van hun paard vallen, me dunkt. Ook en vooral in Vlaanderen. Goedendag, dankjewel, smakelijk, en tot de volgende.

Johan Sanctorum