Maandelijks archief: maart 2010

De prijs van de vrijheid:De Bolkestein-paradox

Waarom een libertariër ineens over “christelijke waarden” uitweidt

Gisteren had in het Crowne Plaza Hotel te Antwerpen de uitreiking plaats van de Prijs van de Vrijheid, ooit een initiatief van de liberale denktank Pro Civitas, die twee jaar geleden nog Urbain Servranckx alias Urbanus huldigde, met ondergetekende als hulderedenaar. Heden hebben de “klassiek-liberalen” van Cassandra (de aan lager wal geraakte drinktank van LDD), het aloude Nova Civitas, en het tamelijk schimmige Work For All zich verenigd in Libera! Vooral willen zij samen het echte, diepblauwe liberalisme in ere herstellen, als doctrine van het pur sang kapitalisme, zich duidelijk onderscheidend van het warrige linksliberalisme à la Verhofstadt. Lauraat van de avond was Frits Bolkestein, gewezen EU-commissaris voor de interne markt. Europarlementslid Derk Jan Eppink, lid van het LDD-partijbureau, mocht de laudatio uitspreken.

Om kwart na zes, het uur van aanvang volgens de uitnodiging, stonden zowat vijf mensen in de ontvangsthal te drentelen, waaronder uw dienaar. Waarom toch altijd op tijd willen zijn? Dit wordt een flop van jewelste, dacht ik, vergetende dat libertariërs er ook elk een persoonlijk tijdsbesef op nahouden: tegen 19h was iedereen present, zo’n paar honderd man, en kon het feest beginnen. Luk Van der Kelen, commentator van Het Laatste Nieuws, moest de “tafelrede” houden maar had zijn kat gestuurd, wellicht in het besef dat dit gebeuren wat al te sterk een LDD-stempel droeg, met de springerige Boudewijn Bouckaert als bezieler.

De laureaat zelf dan. We kennen Frits Bolkestein uiteraard allemaal als de architect van de Europese dienstenrichtlijn uit 1999 die zijn naam draagt, en die een drastische deregulering van de dienstensector (arbeid, maar ook onderwijs, gezondheidzorg, cultuur…) in de EU aanbeveelt. Links is blijven wijzen op de keerzijde van deze medaille: als het vrije-concurrentie-principe wordt ingevoerd in sectoren zoals onderwijs en gezondheidszorg, dan gaan we naar Amerikaanse toestanden waar je een ziekenhuis gewoon niet meer binnengeraakt zonder geldige betaalkaart: ze laten je gewoon op de stoep creperen. Dat deregulering niet zomaar tot kwaliteitsverbetering leidt, weten ze in Engeland ook, sinds de privatisering van de spoorwegen het aantal dodelijke ongevallen drastisch deed stijgen. In België swingen de electriciteitsprijzen de pan uit, sinds de energiemarkt is “vrijgemaakt”. En een onderwijssysteem waar de overheid niets in de pap te brokken heeft (en dus bv. ook geen hoofddoekenverbod kan opleggen…), gesponsord door Microsoft, Het Laatste Nieuws en koekjes van Prince,- ik mag er niet aan denken.

Soit, leve de concurrentie dus, in het liberalisme staat het individu centraal, en iedereen moet het maar zien te redden, met zo min mogelijk sociale vangnetten. Take it or leave it, het is een filosofie zoals een ander.

Maar wat bleek nu gisteren tot onze verrassing? Dat die ouwe Frits, door Libera! vooral gelauwerd omwille van die beruchte richtlijn, het vooral had over de superioriteit van onze Christelijke cultuur en de daaraan verbonden waarden zoals… mededogen, verdraagzaamheid, bescheidenheid,- inbegrepen de Christelijke erfzondemoraal en het idee dat we hier op aarde vooral rondlopen om schuld af te betalen. Uit gesprekken achteraf bleek ik niet de enige te zijn die hier een spreidstand ontwaarde bij de hoogbejaarde professor economie. Even haalde hij Nietzsche tevoorschijn, als doodgraver van de Christelijke Sklavenmoral, maar even later kwamen we weer uit op de Bergrede uit het Mattheüs-evangelie, het meest ethische luik van het Nieuw Testament, en vooral opgebouwd rond de noties naastenliefde, onbaatzuchtigheid, het aanbieden van de andere wang…

De consistentie was helemaal zoek, toen Bolkestein ook nog eens het anti-islamverhaal wilde inpassen in de neoliberale premisse, waardoor ineens het idee ontstond dat een gedereguleerde economie moest geleid worden door een ethisch-dirigerende overheid, in naam van een Christelijke leidcultuur… die vooral tolerantie predikt. Men kon op dat moment vele hersenen horen kraken: men zou van een denktank-laureaat meer verwachten dan dit soort gebroddel. Want alle drie afzonderlijk zijn ze perfect consistent: het liberalisme, het christelijk solidarisme, en het anti-islamdiscours à la Wilders. Maar zet ze alledrie samen, en je krijgt een ideologische hutsepot van jewelste.

Wie in al haar stupiditeit de Bolkesteinparadox genadeloos ontmaskerde, was Patricia Ceysens, Vlaams parlementslid, ondervoorzitter van de VLD en meter van Kai-Mook, de in de Antwerpse zoo geboren baby-olifant. Hoe meer ze tetterde over het ontsluiten van de markten en de grote voordelen van het vrije ondernemersschap, des te duidelijker werd het spagaat van de laureaat: men kan niet de vrijheid verabsoluteren én een discours van waarden en normen houden. Zowat elke liberale denktank, van het Verhofstadt-vehikel Liberales tot Libera!, probeert een ethische dimensie aan het liberalisme te breien, dikwijls met de filosoof Karl Popper als passé-partout. Maar la Ceysens demonstreerde, in haar ééndimensioneel gekakel, feilloos dat de totale vermarkting ook de totale nivellering inhoudt, een geïnfantiliseerde wereld als speeltuin-zonder-regels, en dat een universum van de algehele verwisselbaarheid en uitwisselbaarheid op geen enkel ethos kan steunen, behalve op het cynisme, als een expressie van de posthumanistische ontnuchtering.

Vraag blijft dan: was het sublieme maar complexe vertoog van professor Bolkestein een pareltje van cynisme, het motto indachtig dat het vrije verkeer van goederen, diensten en personen ook uitzicht biedt op een postmoderne mix van onsamenhangend ideeëngoed? Of, tweede mogelijkheid,- wil de leperd alsnog een ticket voor het Rijk der Hemelen versieren? Want dat is eigen aan het christendom: berouw werkt, en het zijn de laatste gedachten die tellen.  Of, derde en laatste optie: is dit een pijnlijke manifestatie van de hersenverweking die ons allemaal te wachten staat als we oud genoeg worden? Uit respect voor de laureaat mik ik op de tweede mogelijkheid: Frits Bolkestein heeft last van nachtmerries. Zijn economisch model veroorzaakt zoveel menselijke schade,- en dat beseft de professor en ex-EU commissaris heel goed- dat de geproduceerde ongelijkheid de winnaars met een schuldgevoel opzadelt. Daar komen vervolgens de normen-en-waarden te hulp: zelf-restrictieve regels (die uiteraard ook weer overtreden worden, zoals deze van de “tolerantie”) die men zich oplegt zoals een boeteling zichzelf geselt. De bergrede was dus niét zomaar een zijsprongetje: Bolkestein heeft de religie nodig om zijn meritokratisch wereldbeeld in evenwicht te houden. Het kan leiden –hoeft niet- tot een echte persoonsverdubbeling, een Jekyll & Hyde syndroom.

De wanhopige zoektocht naar een ethisch fundament voor de vrije markt brengt mensen dus op ideeën, dat is alvast een pluspunt. De nieuwe denktank zal er zijn handen aan vol hebben. Hoe zat dat trouwens ook weer met het strenge protestantisme en de fameuze Hollandse koopmansgeest? Het Calvinisme (dat hier overigens sterk verwant is met de Joodse levensfilosofie) vertrekt van de onuitwisbare erfzonde, die ons verplicht tot hard werken, waarvan je echter rijk kunt worden en de anderen dus armer, hetgeen het individueel ethisch deficit doet toenemen, quod erat demonstrandum: we willen het goede, maar doen het kwade. Ergo: de mens is zondig, moet hard werken en zijn centen opnieuw investeren in plaats van ze in allerlei levensgeneugten te laten verdampen. Deze vicieuze cirkel is de oplossing van de Bolkesteinparadox. Het is eigenlijk een handig ding, waardoor men zichzelf een enorme vrijheid toeëigent, in het besef dat er achteraf moet betaald worden. Het is een verhaal van gespletenheid, van zondiging en zelfkastijding. Van deregulering én zich onderwerpen aan normen. Van de hoerenloper die ’s zondags met zijn vrouw en kinderen naar Walibi gaat. Van predatorsinstinct versus tristitia post coitu. Kortom: van het rechtsliberalisme dat tegelijk vrijheid opeist en ze weerom inperkt. Ene Bernard Mandeville, peetvader der libertariërs, heeft uit die dubbelheid zelfs een transsubstantietheorie gebrouwen, volgens dewelke individuele, aangeboren ondeugden juist de bron zouden vormen van maatschappelijk welzijn (“private vices, public benefits”). Als je dat gelooft, is het natuurlijk gemakkelijk om de slechterik uit te hangen.

Enfin, ongewild heeft Bolkestein aangetoond hoe moeilijk het begrip vrijheid concreet is in te vullen, zeker als je dan nog eens het vrijemarktprincipe koppelt aan het principe van de vrije meningsuiting. Een gevaarlijke link, die Voltaire al had opgemerkt: als je alle meningen toelaat, zal alleen de sterkste overleven,- deze dus met de meeste macht, hetzij door manifest geweld, hetzij verbaal, door opleiding, sociaal, financiële middelen, mediatiek.

Dat is overigens de oorzaak van de (ook weer door Bolkestein vervloekte) political correctness en het mainstream-denken: de commercialisering van de media hebben niet tot diversiteit geleid maar, integendeel, tot een smakeloze eenheidsworst.

Maar de humor van Eppinck en de vertoning van Ceysens maakten veel goed. Ook de schuimwijn en de hapjes mochten er zijn. Weliswaar à 25 Euro,- wie ook bij het diner wou aanschuiven moest 75 Euro afdokken. Vrijheid heeft zijn prijs. Want voor niets gaat de zon op, daar waren de klassieke liberalen dan weer wél onnoemelijk consequent.

Zachtjes kraken de voetnoten, luid jubelen de zeloten

Hoe een in-memoriam Leopold Flam een ex-memoriam wordt

 Vandaag, 16 maart 2010, zou mijn voormalige leermeester filosofie, Leopold Flam (1912-1995), achtennegentig geworden zijn. Ik heb hem als professor aan de VUB gehad tussen 1974 en 1979,- een “Vrije Universiteit” die toen nog alle binnenkomende studenten verplichtte om een Vrij-Onderzoek-verklaring te ondertekenen, wat ik dan ook deed, niet zonder achteraf naar Galilei’s voorbeeld een “E pur se muove” te mompelen. Als achttienjarige wou ik toen weten, begrijpen, maar vooral ook doorzien, ontrafelen, ontmaskeren: De vrijdenker en niet-doctrinaire humanist Leopold Flam was een verademing in een wereld die me verbeeldingloos, dwangmatig en uitermate hypocriet overkwam. Freud, Marx en Nietzsche waren de pijlers van zijn discours, zijdelings ook Kant.

Een systeemdenker was hij niet: het kwam soms behoorlijk warrig, monomaan en hypersubjectivistisch over, maar dat was een essentieel tegengewicht voor het dorre vakjesdenken dat in de hedendaagse filosofie eerder een “hulpwetenschap” ziet, een stuk loodgietersgerief voor de “echte”, positieve wetenschappen. Authenticiteit was een cruciaal criterium in zijn beoordelingskader. Een tekst moest voor hem vanuit de buik en de darmen komen, aan een scriptie met veel voetnoten en weinig eigen inzicht had hij een hekel. Meteen was Leopold Flam ook de beste illustratie van zijn eigen stelling dat de (levende) filosofie op de universiteit niet thuis hoort. De middeleeuwse scholastiek heeft haar ooit geënterd, nu was het kwestie om ze er weer uit los te weken. Dat hadden wij goed begrepen, al bleef de meester zelf verknocht aan die comfortabele positie van vast benoemd hoogleraar. Een van de talloze inconsequenties die hem kenmerkten.

Een sympathieke verschijning of een goed pedagoog was Flam allerminst. Hij had enkele vertrouwelingen, een resem nalopers en een tros vijanden,- ik behoorde tot de eerste soort en bouwde doorheen de jaren een bijzondere verstandhouding met hem op, waarin het ongezegde soms essentiëler was dan de woorden. Maar stilaan begon ik ook te beseffen dat het “existentialisme” van de professor irrationele, rancuneuze vormen kon aannemen, en de tegenstand uitvergrootte tot paranoïde proporties. Zo sloot de vrijdenker zich op in een mentaal bastion,- een zelfversterkend mechanisme dat hem in de marginaliteit dreef, maar ook de studenten die voor hem gekozen hadden. Heel mijn studietijd aan de VUB stond in het teken van die loopgravenoorlog. Op het einde, in het jaar dat ik mijn licentiethesis moest afleveren, was het pleit beslecht en stond het kiezen van Flam als promotor zowat gelijk met academische zelfmoord. De sfeer was te snijden, subtiele dreigementen vanwege proffen en assistenten waren schering en inslag. Op een zeker moment circuleerde er een petitie om hem af te zetten, die op niets uitliep, wellicht dankzij zijn sacrosancte status van Joods Buchenwald-overlevende en logelid, plus vermoedelijk ook nog wel een partijpolitiek regenscherm.

Soit, mijn eindverhandeling ging over sprookjes en hun psychoanalytische gelaagdheid, bij Flam uiteraard, wat dacht u, en dus een schietschijf voor heel de faculteit. In mijn commissie zaten behalve de promotor alleen maar lui die zijn bloed konden drinken en het afgeleverde werk uitsluitend vanuit die ambitie beoordeelden: mijn thesis was niet vrijzinnig genoeg, onwetenschappelijk, te rechts, zelfs “fascistisch” (toen al was dat een stok waarmee je elke hond morsdood kon slaan) te dit, te dat. Onder de scherprechters: prof. Herman De Ley, toen Trotzkist en RAL-sympathisant, nu voorstander van het invoeren van de sharia in België. Met de hakken over de sloot haalde ik het, wat moesten ze anders met die JS aanvangen. Enige tijd later ging Leopold Flam op welverdiend pensioen en verbraken we elk contact. Een doctoraatsproject bleef in de schuif liggen.

Ach, die Vrije Universiteit. Ik was zo gedegoutteerd dat ik besloot om de werktuigen die Flam me had toevertrouwd, ver buiten het academisch terrein aan te scherpen, en richtte samen met o.m. Ghislain Belmans en Jan Struelens het tijdschrift “O” op, een semi-ondergronds periodiek verschijnsel in de vorm van een journalistiek-filosofische kroniek. We spiegelden ons aan de befaamde Franse filosofische magazines zoals Tel Quel en Esprit, maar het gefotocopieerd boekske was ook zeer Vlaams, vettig-barok en concreet van inslag. Satire, overdrijving, reductio ad absurdum waren vaste bestanddelen van dit situationistisch observatorium toen er van internet nog geen sprake was. Niets menselijks was ons vreemd in die jaren ‘80. Het ging zelden of nooit over een filosoof of over teksten: onze thema’s waren het leven zelf, in heel zijn paradoxale en catastrofale manifestatie. Het werk van de jonge Jan Fabre is er zichtbaar door beïnvloed. Achtereenvolgens passeerden de waanzin, machines, het heilige, eten, het bad, reizen, het getal, geweld, sex, de dood (waarin Flam, heel uitzonderlijk, als Danteske persona figureerde) de revue. Elk thema werd ook op scène gebracht en gespeeld, als reality-show avant-la-lettre: de presentatie van het voedselnummer ging gepaard met een hoogst onsmakelijk banket vol quasi-oneetbare gerechten, het bad-nummer eindigde in het zwembad van Eeklo met de toenmalige waternimf Carine Verbauwen, de editie over het reizen werd aan het publiek voorgesteld via een hellevaart langs o.m. Leuven-Centraal, de basiliek van Scherpenheuvel, en zo richting de Limburgse mijnterrils (waar de rijkswacht ons onderschepte).

Het waren de donkere, grimmige jaren van de CCC, de rakettenleugens van Wilfried Martens, De Zwijger, en de Bende van Nijvel. Net zoals deze twee laatsten loste “O” midden de jaren ‘80 op in het niets en gingen we elk onze weg: na het uitbenen van hogervermelde existentieel-filosofische topthema’s kon het alleen nog bergaf, gewoontjes worden, middelmatig, en dat haatten we.

Alles keert terug

Die diaspora is achteraf mijn geluk geweest, want na zulke unzeitgemässe Betrachtungen  valt er aan een reguliere carrière eigenlijk niet meer te denken en kon ik de levensschool verder afwerken. Ik werd achtereenvolgens electricien, drukker-zaakvoerder, muziekschooldirecteur, operaregisseur, communicatiestrateeg en tenslotte publicist/internetactivist/free-lance onderzoeksjournalist, kring gesloten, terug van weggeweest. Met de webstek www.visionair-belgie creëerde ik tenslotte rond de milleniumwissel een persoonlijk digitaal platform, gewijd aan de kritiek en de deconstructie op het vlak van cultuur, politiek en media. De insteken zijn anarchistisch, anti-elitair, enigszins populistisch, ecologisch, republikeins-flamingant. Ik besef de verwantschap met “O” én de verschillen: in de postmoderne 21ste eeuw, waar alles subjectief en versplinterd is, met het internet als groteske weerspiegeling, moeten bewustzijnskernen op kleine schaal en autonoom trachten het complete plaatje te hertekenen, aan systeemkritiek te doen, de mens in het onmenselijke raderwerk te zoeken en het onmenselijkende te ontmaskeren.

Nog altijd voel ik de behoefte niet om Flam te citeren, steeds minder zelfs. Wellicht is op hem de boutade van toepassing die Nietzsche voor Schopenhauer bedacht: “Was er lehrte, ist abgetan. Was er lebte, wird bleiben stahn. Seht ihn nur an –Niemandem war er undertan.”  Hij blijft dus in het halfduister rondhangen, als een van mijn schimmen, en dat is goed: een gids die slechts af en toe vanuit het verleden in het heden verschijnt en voor de rest discreet de achterkeuken van het geheugen bewoont. Het is in dat perspectief dat ik voor het Huldeboek Leopold Flam een bijdrage schreef. Zonder hem één keer te citeren maar op de manier van hem tegenwoordig te maken in de tekst, zo zou hij het zonder twijfel ook gewild hebben. Deze voelbare aanwezigheid van en dialoog met de doden, hét kernpunt van de animistische natuurreligies, vormde meteen ook de leidraad van mijn essay, getiteld “Cum mortuis in lingua mortua – Fluisterstemmen in het Darwinjaar”.

Ik definieer het in de inleiding als volgt:

“Doorgaans bulkt het eerbetoon aan een oud-leermeester van de citaten. Onder het motto ‘de mortuis nil nisi bene’ is ook een apologetisch discours verplicht, waarmee de overledene als een mummie wordt ingekapseld in een galerij van cultuurhelden. Bij Leopold Flam stelt zich daarbij een probleem. Hij is eigenlijk een vergeten filosoof, een schim, eenvoudigweg omdat Vlaanderen geen filosofische traditie heeft en alles versmald wordt tot een academisch-bureaucratisch discours, naast uiteraard het gezwam van locale letterkundigen. Het probleem rond Flam is dus dat van de herinnering, die geen reconstructie van feiten is of het post mortem opwarmen van teksten, maar een haast fysieke invocatie van de dode. Als atheïst geloofde hij niet in het hiernamaals. Toch was zijn denken doordrenkt van een geloof in verbondenheid, geestesverwantschappen en zelfs ‘paranormale’ intuïties die maken dat mensen op een bepaald tijdstip en in een bepaalde ruimte niet toevallig aanwezig zijn. Een zinnige relatie tussen Leopold Flam en zijn nabestaanden definieer ik dus als esoterisch. Een relatie die niet tot het gangbare cultureel-literaire circuit kan gerekend worden. De her-innering moet de dode een stem geven, waardoor hij uit zijn schim-zijn, al was het maar voor even, ontzet wordt en incarneert.”

Ik stuurde het essay op naar de samensteller, ene Ivan Cloet die me voor de rest compleet onbekend was, waarna het een hele poos zeer stil bleef. Toen ik uiteindelijk toch informeerde naar de stand van zaken, kreeg ik een berichtje met de nogal bureaucratische mededeling:  “De redactieraad huldeboek Flam heeft unaniem besloten uw bijdrage niet in het huldeboek op te nemen”. Na enig aandringen om uitleg volgde de even lakonieke toevoeging dat “…er over deze beslissing niet gecommuniceerd wordt”.

Een ex-communicatie, en unaniem dan nog… Hallo, hoorde ik daar iemand zich in zijn graf omdraaien? Nu heb ik zelf al een aantal essaybundels voor gerenommeerde uitgeverijen geredigeerd en weet ik dat er soms moet bijgestuurd worden in een sfeer van goed overleg met de auteurs, in het belang van het geheel. Des te meer erger ik me aan dit bot soort amateurisme dat de uitgave van een essaybundel verwart met een opstelwedstrijd voor scholieren of een yoghourt-tombola. Ach, het woord censuur gaan we hier niet in de mond nemen; veeleer is het project gekraakt onder de voetnotenobsessie en citatendwang waar Flam zo tegen te keer ging,- de ironie ten top. Zo werd het huldeboek toch nog een uitdrijvingsritueel en lijkt Leopold Flam, zelfs postuum, ten prooi gevallen aan die fenomenen waarover hij altijd zijn verachting heeft laten blijken: de middelmatige wetenschapsbureaucratie, de dorre letterneukerij, het geïntrigeer van naijverige zeloten, het ellebogenwerk van lieden met veel ambitie en weinig talent.

Mijn essay “Cum mortuis in lingua mortua” verscheen uiteindelijk in het cultuurtijdschrift Streven.  Op het kaft van het bij de VUB-Press uitgegeven, met veel citaten gelardeerde huldeboek, prijkt enkel de naam van ene Willem Elias, een gladde jongen die in mijn tijd al handig laveerde in het academische mijnenveld. Ik merk in de inhoudsopgave ook bijdragen op van studiegenoten zoals Jef Van Bellingen, die wél op tijd het geweer van schouder veranderden, vrolijk meededen aan het Flam-bashen en hun thesis niét bij de omstreden hoogleraar afwerkten,- het heeft hun verdere academische carrière zeker niet geschaad. En natuurlijk de onvermijdelijke professor-op-rust Hubert Dethier, die tijdens de cursussen jammerend in tranen placht uit te barsten over “wat die man hem allemaal had aangedaan”. Van hogervernoemde “O”-medewerkers die in de jaren ’80  de denkwereld van Flam écht aan het terrein toetsten en riciso’s namen, anderzijds geen spoor. Ook in de 21ste eeuw blijft de VUB een kleine universiteit, in alle opzichten.

Veelzeggend tenslotte is de coverfoto, die door zijn tegenstanders indertijd al als karikatuur werd gebruikt: het enigszins clowneske beeld van de molenwiekende rattenvanger en praatzieke Narcist. Ja, dat was hij, ook, maar dat is niet de schim die in mijn achterhoofd verscholen zit en waar ik mee verder fiets doorheen het hobbelige landschap van de postmoderniteit. Selectief geheugen? Allicht. Maar het bewijst dat een in memoriam gemakkelijk een ex memoriam wordt, en dat men filosofen alleen eert door te schrijven wat zij zelf niét schreven, en door te doen waar de tegenwoordigheid toe noopt.  Al de rest is literatuur.

Johan Sanctorum

Op zoek naar een huid

Het “Grote Identiteitsdebat”: de puntjes op de i

Half februari ontspon zich in de krant De Standaard een minidebat onder politici (filosofen onthielden zich hier compleet, of geraakten gewoon de kolommen niet binnen…) over het begrip “nationale identiteit” n.a.v. het debat in Frankrijk. Guy Verhofstadt, die de knuppel in het hoenderhok smeet, kwalificeerde daarbij het identiteitsverhaal als een obstakel voor het wereldburgerschap en een verhaal “dat recht naar Auschwitz leidt”. Maar ook de these van zijn opponent Bart De Wever blonk uit door clichématig denken over sociale cohesie en groepsmoraal.
Tijd dus om dit filosofisch uit te klaren, in een sporenonderzoek dat ons via de Lange Wapper naar het kunstdorp Doel leidt…

Lees meer

Over confectiejournalistiek: De Standaard meets Apache & C° – een onverwoestbaar indianenverhaal

Vlaanderen kent al een decennium lang een bloeiend aanbod van nieuws- en opinieblogs die zich t.o.v. de klassieke media behoorlijk kritisch opstellen: wat ze soms missen aan journalistieke professionaliteit en technische middelen, compenseren velen ruimschoots door hun gedrevenheid om dieper te graven en zich buiten de grenzen van het politiek-correcte te begeven.

Recent zagen ook enkele initiatieven het licht die zich als “professionele” nieuwsblogs aandienen (waarmee bovenstaande bloggers en burgerjournalisten van de slag tot amateurs gedegradeerd worden). In De Standaard van 27/28 februari werden drie vertegenwoordigers van evenveel nieuwe “professonele”  blogs aan het woord gelaten: Han Soete (Indymedia), Dirk Barrez (De Wereld Morgen), en Georges Timmerman (De Werktitel, nu Apache). Alle drie hopen ze, naast sponsoring, vooral overheidssubsidies binnen te rijven, wat al vragen doet rijzen over hun intenties om buiten de invloedssfeer van het politieke establishment te blijven.

Je zou tevens denken dat de nieuwe “professionele” journalistieke blogs enige mediakritische bagage in de koffers hebben, en de nodige afstand houden van de traditionele media en hun verpulpingstendens, -een implosie van het redactionele ten voordele van de marketinglogica,- die we uitvoerig beschreven in “Media en journalistiek in Vlaanderen, – kritisch doorgelicht” (2009). Deze essaybundel behandelt zowel de politieke inbedding als de doorgedreven commercialisering in het Vlaamse medialandschap. Dezelfde insteek vindt men in het uit 2008 daterende boek van Nick Davies, “Flat Earth News”, waaruit de bekende zinsnede afkomstig is: “Our media have become mass producers of distortion. An industry whose task should be to filter out falsehood has become a conduit for propaganda and second hand news.”

Het DS-interview met de drie nieuwsbloggers bevestigt ons vermoeden dat het met die nieuwe onafhankelijkheid nog niet zo’n vaart loopt, en dat de drie zich gewillig laten recupereren door de traditionele pers waar ze beweren iets tegenover te willen stellen. Of hoe moeten we de uitspraak van Han Soete anders interpreteren: “De Morgen is een lifestyledagblad geworden en er is maar één kwaliteitskrant meer: De Standaard”.  – Pardon? Inzake lifestyle-nepjournalistiek kan niemand tippen aan De Standaard, zoals moge blijken uit de enorme vracht pulp die deze krant elk weekend in mijn brievenbus mikt. In het februarinummer van Ons Erfdeel komt de Nederlandse hoogleraar mediageschiedenis Huub Wijfjes overigens met het merkwaardig verhaal op de proppen dat media-topconsultant Leon De Wolff zowel bij De Standaard als bij De Morgen is langs geweest om de formats te hertekenen tot commercieel handzame confectiejournalistiek (sic). De restyling, in de richting van wat eufemistisch “commerciële publieksjournalistiek” wordt genoemd, geldt dus voor beide kranten. Het resultaat is in beide gevallen desastreus voor de kwaliteit. Maar op een of andere manier (en uiteraard is het feit dat De Morgen een klad journalisten zoals Timmerman en Bultinck de laan uitstuurde daar niet vreemd aan) moest de teneur van het interview aangeven dat De Standaard de witte raaf was in het Vlaamse medialandschap.

De pijnlijke waarheid is nochtans dat wij helemaal geen kwaliteitsmedia hebben, ook al eigenen minstens twee Vlaamse dagbladen zich dat label toe. Of moeten wij een krant zoals De Standaard, die nog niet zolang geleden haar persen liet stilleggen omdat een partijvoorzitter struikelde over de voorpaginakop, als een integer “kwaliteitsmedium” betitelen?

Tja, die nieuwe lichting linkse internetjournalisten,- Georges Apache Timmerman (die naar eigen zeggen “afstand wil nemen van de traditionele media”…), VB-basher Cochez, en andere slachtoffers van de Persgroep-herstructurering. Heb ik die twee overigens gehoord toen onderzoeksjournalist Roger Van Houtte onder druk van Steve Stevaert moest opstappen bij de Gazet van Antwerpen? Over Werktitel deden we al een boekje open in de bijdrage “Niets nieuws onder de zon” van 9/1, waar we enige twijfels uiten omtrent het serieux van journalisten die eerst de laan moeten uitgestuurd worden alvorens ze het licht zien. Tevens noteerden we toen dat ex-DeMorgen-redacteur Bert Bultinck, nu chef opinie bij De Standaard, in zijn krant buitengewoon vriendelijk is voor zijn ex-collega’s, en vroegen we ons af of De Werktitel zich niet brouilleert via dit soort connecties. We kregen na dat stukje zowat heel progressief Vlaanderen over ons heen, maar het recente DS-interview lijkt een bang vermoeden te bevestigen: dit is geen verfrissend geluid in medialand, dit is meer van hetzelfde,- namelijk embedded journalism die werkt volgens het ons-kent-ons-principe.

Mijn hypothese: het gesprek met de drie nieuwbakken internetjournalisten is een joint-venture, beklonken onder de voorwaarde dat DS er flatterend moest uit komen. Dat heeft een naam: branded content, als redactionele bijdrage verpakte reclame (voor de nieuwsblogs, maar vooral ook voor DS zelf). Van marketeer Peter Vandermeersch verbaast het me niks, zo kennen we hem. Voor de rest illustreert het treffend de karikatuur van de Apache-indiaan in de oude cartoons: dapper, maar te koop voor een paar flessen vuurwater. Wie biedt meer?

Johan Sanctorum