Maandelijks archief: juli 2010

Paniek op de wei

Duisburg is de overtreffende trap van elk Tomorrowland

In de openingsscène van de film Una Giornata Particolare (Ettore Scola, 1977) loopt heel Rome storm voor een bezoek van Adolf Hitler aan il duce Benito Mussolini. Twee mensen zijn in de grote parade blijkbaar niet geïnteresseerd: de huisvrouw Antonietta, en haar homofiele buurman Gabriele. De twee beleven iets wat op een romance gelijkt. Op het einde van de dag komt de dol enthousiaste echtgenoot van Antonietta thuis om het grote volksfeest  in geuren en kleuren na te vertellen. Door het raam ziet ze dat Gabriele door de politie wordt opgepakt, ze doet het nachtlampje uit, zo eindigt de film. Het contrast tussen het semi-verplichte massa-evenement (men hoort constant luidsprekers, begeesterende toespraken en uitzinnig applaus op de achtergrond) en de stilte tussen de twee is de sleutel van deze film. Prangende vraag, die altijd weer naar boven komt: Is het mogelijk om niet deel te nemen? Is het zelfmoord om tegen de trend in te gaan, of is het opgaan in de collectieve roes juist de zelfmoord?

Ik moest eraan denken toen ons eveneens in geuren en kleuren werd bericht over de Love Parade in Duisburg, het techno-festival waar twintig doden vielen ingevolge een paniekgolf. En wij die dachten dat de Duitsers iets konden organiseren. Of was het daarom te doen? Anderzijds, twintig doden op anderhalf miljoen bezoekers, het is een peulschil, dan was Auschwitz toch beter in zijn genre. Volgens de statistieken heb je meer kans om thuis dodelijk van de trap te stuiteren; en de organisatoren bleken degelijk verzekerd tegen ongevallen. Maar even serieus: dit soort evenementen ademt echt doodsverlangen uit. Het gaat niet meer om muziek en zelfs niet om collectieve beleving, doch eerder om een behoefte aan totale onderwerping en verdamping van het Ik in een zee van geluid en drukte. De link met fascistische meetings werd al door verschillende analisten gelegd, terecht: in Duisburg resoneerde niet alleen de nazi-parade, maar ook heel de Duitse romantiek, de Totentanz, Götterdämmerung, het offer, het geflirt met het einde en het absolute, Wagner…. tot aan het berouw en de inkeer (“Dit nooit meer”). Ongeneeslijk zijn ze, die Duitsers, ze verdienen niet beter dan vertrappeld te worden.

Maar het fenomeen is uiteraard veel breder en universeler dan een oprisping van collectieve Weltschmerz. Eerst en vooral is de evolutie van die Love Parade opmerkelijk: ze sluit aan bij mijn eerder artikel “Alleen woestijnvissen kunnen hier nog zwemmen” over de vermarkting en massificatie van het feest, en de inpalming van de publieke ruimte door commercieel geregisseerde massaspektakels.

De serie Love Parades was anno 1989 in Berlijn, net voor de val van de muur, heel klein begonnen met een ludiek-anarchistisch straatfeestje van Matthias Roeingh alias DJ dr. Motte,  onder het motto “Friede, Freude, Eierkuchen”.  Aantal deelnemers: 150. Jammer genoeg werd dit prettig-gestoord samenzijn van gabbers een traditie, en steeg het deelnemersaantal elk jaar exponentieel. Snel kwamen de sponsors opdagen (vooral commerciële radio- en TV-zenders, allerlei met jongerencultuur verbonden merken, maar ook de christendemocratische CSU deed een duit in het zakje…), en kreeg dit straatfestival inderdaad echt de allures van een massamanifestatie die heel het openbare leven lamlegt. Una Giornata Particolare, voorwaar. De commercialisering, de promotie tot massaspektakel, én de effecten van bewustzijnsvernauwing lijken met elkaar verbonden. Meteen zitten we in de verhitte sfeer van Rock Werchter (eigendom van het Amerikaanse Live Nation), Tomorrowland  (handelsmerk van het Nederlandse ID&T) en tutti quanti: alle marketeers, maar ook politici, vergapen zich aan deze gelegenheden waar enorm veel jong volk en dus ook enorm veel consumenten/kiezers op elkaar gepakt zitten. Hier heerst de kuddegeest, verpakt als popcultuur, en gedraineerd naar een mondiale marktplaats. Mei ’68, revisited. Maar in de postmoderne marketinglogica is het niet nodig om normen op te dringen of boodschappen te lanceren: verwijder alle normen, vernietig alle slogans, giet alles vol met bier, en je krijgt een ideale mix van hormonen, cash, en hersendood waar je echt alle kanten mee uit kan, tot en met een tunnel zonder exit.

Die schaalvergroting is fascinerend. Van 150 man naar anderhalf miljoen: dat lijken gewoon maar vier extra nullen, doch men kan zich afvragen of het kwaad al niet in de kiem zat verscholen. Naar het schijnt begon ook Hitler in de Münchense bierkelders met zo’n 150 man: dit moet ons van elke samenscholing doen weglopen. Wat in 1989 begon als een ludiek protest tegen de conventies, is uitgegroeid tot een absoluut conformistisch ritueel, dat grenst aan de zelfdestructie. Het is daarbij toch altijd verhelderend om de happenings uit de actuele popcultuur te confronteren met de fascistische massaparades. De volksmenners van vandaag zijn de DJ’s. De spiegeling van de politieke meetings uit de jaren ’30 aan de dance-orgie van honderd jaar later staat ons toe om naar de existentiële wortel te gaan van de massificatie: mensen zijn tegen hun individualiteit niet opgewassen. Men zoekt de massa, omdat men schrik heeft van zijn eigen schaduw.

Dance macabre

Het nihilisme achter de roes- en genotscultus is helemaal niet nieuw. De massapsychoses evenmin. Maar de electronisch ontplofte decibelcultuur heeft wel een enorm potentiaal aangeboord van existentiële vertwijfeling, die is omgeslagen in apathie. De meeste jongeren lijken me objectief ongelukkig, het disco-feest is fake: ze vieren veeleer hun eigen en elkaars begrafenis. Het zoeken van grote massa’s met oorverdovende muziek, de nodige dranks en drugs, eventueel ook het sexuele avontuur, is de rituele beleving van een escapistische jeugdcultuur die voortborduurt op het ‘no-future”-motief van de punk uit de jaren ’80. Maar in tegenstelling, ook weer, tot het subversieve punk-statement, is deze vlucht-in-de-massa geen uiting meer van protest, doch eerder een extatische beaming van een nieuwe maatschappelijke orde. De massa is de negatie van die orde, maar tegelijk vormt ze een metafoor voor de existentiële en sociale jungle waarin men wordt geleefd. Wat is er dan warmer, dan opgaan in die kudde,- de orde als chaos en de chaos als orde te aanvaarden? Wat is er dan logischer en biologischer, dan de paniekreactie, als ultiem spasme van een meute die de uitgang zoekt, hem niet vindt, en elkaar vertrappelt?

Op die manier wordt de massa een meta-lichaam, een monsterachtig gedrocht vol destructieve energie,- een proces dat Elias Canetti al uitvoerig beschreef in “Masse und Macht” (1960). We willen sterven omdat we niet kunnen leven, en de massa biedt daartoe een vehikel. Politiek, sociaal en mentaal is het individu altijd in de verdrukking. Sinds de ontwikkeling van de neocortex, het jongste deel van de menselijke hersenen, willen we afstand  houden en onderscheid maken, maar dat mislukt: anders zijn is zó vermoeiend, de capitulatie wenkt altijd. Elke puber wordt tussen die twee polen geslingerd: de wil om zichzelf te zijn, en de druk van de anderen om te participeren en een groepsidentiteit aan te nemen.  We hervallen altijd naar een lager bewustzijnsniveau, en in de limiet is de overgave compleet, versmelt het Ik terug met de rest, en wordt het organisme niets meer dan een fractie van een stroom. De massa is een graf, een massagraf, en elk lid gedraagt zich als een ontzield lichaam.

Inzicht in dit regressief, zombie-achtig halfbewustzijn is essentieel om de amplitude van manifestaties als Tomorrowland en Love Parade te begrijpen. De Duisburgse catastrofe was uitzonderlijk, maar is geen toeval. De rituele zelfmoord is de enige mogelijkheid om de paradox te overwinnen van een maatschappelijke orde die tegelijk een chaos is. Een systeem dat ons enerzijds aanzet tot egoisme, maar anderzijds onze individualiteit ontneemt. De massa is dus ons enig soelaas. Overal waar veel volk is, laten we onze eigen terechtstelling ensceneren. En vergis u niet: het is de sociale druk, professioneel en privé, die de zelfvernietiging uitlokt, al was het maar tijdelijk. Onder de oppervlakte van het Ik-tijdperk zit een weergaloze dwang tot participeren, presteren, consumeren, conformeren. De dance macabre wordt beleefd als een intermezzo, door mensen die voor de rest van hun tijd waarschijnlijk in stropdas hard aan hun carrière werken en bereid zijn om zich volledig te conformeren, mits het uitdelen van de nodige elleboogstoten en trappen naar onder (merk de gelijkenis met panieksituaties). Dat dit escapisme ook af en toe écht uitglijdt in de catastrofe, is dan een noodzakelijk kantelmoment om de kick te behouden. Duisburg is gewoon de overtreffende trap, de focus. Alle massaspektakels zitten in haar zog, van de wereldkampioenschappen voetbal tot Tomorrowland.

Heel dit commercieel opgepept mengsel van walg, extase, wanhoop en euforie stelt tenslotte weer de vraag naar de overlevingskansen van de enkeling, die doorheen de film  “Una giornarta particolare” wordt gesteld. Heeft het nog zin om na te denken, te schrijven, een individuele mening te vormen, te agiteren, tegen de stroom in? Of is dat alles slechts een functie van door media en reclame gedicteerde trends? Voelen jongeren instinctief aan dat de sociale mechanismen oppermachtig zijn, en dat verzet geen zin heeft? Zoeken ze daarom de kudde, als plek van vergetelheid?

Sorry voor wiens trommelvliezen daar geen boodschap meer aan heeft, maar het heruitvinden van de stilte lijkt me een absolute noodzaak om de gehoorschade te doen herstellen. En natuurlijk het besef dat alles ongelijk is, niet-unificeerbaar, hobbelig. Afstand houden om gemeenschap mogelijk te maken, als iets uitzonderlijks. Blijven luisteren dus naar Bach, Beethoven, Mozart: voor het plezier natuurlijk, en in het heerlijke besef dat we maar met weinigen zijn.

 Johan Sanctorum

Advertenties

De Vlaamse media en de Belgische ziekte – 11 juli 2010

11 juli-toespraak van Johan Sanctorum in Mechelen en elders te velde

Beste vrienden,

Het verhaal van de Gulden Sporen is een schoon verhaal, 11 juli is een schoon feest, de leeuw is een schoon dier, Vlaanderen is een schoon land met een prachtvolk, zoals ik ooit eens een politicus hoorde jubelen.

Het is misschien allemaal té schoon om waar te zijn. Dat van die gulden sporen is door ons aller Hendrik Conscience verzonnen, er schijnt niets van te kloppen.  De leeuw schijnt in die tijd een luipaard geweest te zijn. 11 juli is niet eens een officiële feestdag. En Vlaanderen, tja, wat is dat voor iets? Een Noord-Belgische regio? Een deelstaat zonder bevoegdheden behalve voor het schilderen van de verkeerspalen? Een land op zoek naar zichzelf, naar echte autonomie? Of houden we het toch maar bij de Lamme Goedzak die wel droomt van een onafhankelijk Vlaanderen, maar die, bij het wakker worden, verschrikt naar zijn portefeuille tast?

Lees meer

Alleen woestijnvissen kunnen hier nog zwemmen

Over voetbal, biermonopolies, verboden minirokken en ontplofte boorplatforms

Een paar dagen geleden kon men in de krant lezen dat het in de gemeente Werchter tijdens de festivalperiode niet toegestaan is om in het openbaar naar het wereldkampioenschap voetbal te kijken. Jawel, het is geen grap: een inboorling die in zijn voortuin (dus strikt genomen zelfs nog op privé-terrein) samen met enkele Hollandse fans naar Nederland-Brazilië aan het kijken was, kreeg een proces-verbaal aan zijn been. Volgens CD&V-burgemeester Dirk Claes moet Werchter gedurende de tijd van het festival “helemaal aan de muziek gewijd zijn”. Pardon? Aan de muziek, of aan de business van evenementengigant Live Nation, waaraan organisator Herman Schueremans zijn florerend festival verkocht?

Wellicht is dit monopolie op vertier en amusement inderdaad het onderdeel van een deal tussen de organiserende instantie en de lokale overheid. Het doet denken aan de manier hoe de FIFA in Zuid-Afrika in een wijde perimeter rond de voetbalstadia absolute exclusiviteit heeft bedongen voor haar sponsors. Het WK kreeg het statuut van ‘speciaal evenement’, waardoor het onder de Merchandise Marks Act uit 2002 valt. Daar valt niet mee te lachen. Bier dat niet uit de vaten van AB Inbev vloeit (met dank aan bestuurder Jean-Luc Dehaene), is ten strengste verboden. Zelfs de uithangborden kilometers in het rond dienen overplakt als ze namen van concurrerende biermerken vermelden: de lokale brouwerijen zullen aan dit wereldkampioenschap alvast geen Rand verdienen. Elke ondernemer of zelfstandige die ook maar durft om zijn product te linken aan iets wat op een voetbal lijkt, krijgt een boete aan zijn been.  Het incident waarbij enkele Hollandse meiden met oranje jurkjes rondliepen, en hardhandig uit het stadion werden verwijderd (de kleur zou verwijzen naar het biermerk Bavaria!), geeft ons een idee welke proporties dit aanneemt: de FIFA en haar sponsors gedragen zich als een bezettingsmacht.

Het inpalmen van de publieke ruimte (in de zin van: “ruimte, eigen aan de gemeenschap”) door grote commerciële organisaties en event-producers, met de gulle medewerking van de overheid, is een fenomeen dat ons enigszins zou moeten verontrusten. Het gaat uiteraard niet alleen om het verbod op oranje rokjes en verplicht Jupiler of Budweiser drinken: dit heeft een symbolisch-politiek karakter van vrijheidsberoving en gijzeling. De vrijheid inzake beweging, kleding, gewoonten, enz. die wij inherent achten aan de publieke sfeer, is een rituele beleving van liberale grondwaarden, eigen aan de Europese culturele traditie. Zopas protesteerde VLD-politica Gwendolyn Rutten tegen fatsoenrakker Siegfried Bracke, die vond dat zijn partijgenote Kim Geybels zich te sexy kleedde volgens de senaatsnormen. Lulkoek natuurlijk. Van mij mag ze in bh en broekje komen, of nog minder. En haar leuze klopte als een bus: ‘Free your mind’, geen democratie zonder recht op zottigheid, geen vrijemeningsuiting zonder vrijheid van bierkeuze.

Bij wijze van symbolische manifestatie mag en moet ons heilig spreekrecht, de freedom of speech, dus ook benadrukt worden via ogenschijnlijk onnozele acties, zoals het dragen van een minirok in een deftige herenclub zoals de senaat, of het drinken van Duvel op een wei waar Inbev vindt dat je alleen Leffe mag drinken. Maar dat laatste wordt dus een probleem: de wei is verkocht. Waar wij met hand en tand, op het fetisjistische af, onze burgerlijke vrijheidsidealen verdedigen, staan we ze moeiteloos af als een drankengigant erom vraagt. De overheid, grondwettelijk gebonden aan die liberale principes, plooit en laat zich door de arrogante privé-business de wetten dicteren. Ook op straat.

De privatisering en monopolisering van de publieke ruimte is daarmee een feit. De politieke dictaturen zijn out. Niet zij leggen beslag op het openbare leven, maar de grote commerciële concerns die een verzwakt politiek systeem hun wil opleggen. Dat leidt uiteraard tot zeer libertaire, zelfs anarchistische denkpistes, diegenen die daar niet tegen kunnen mogen hier stoppen.

Het grootkapitalisme is helemaal niet “liberaal”, in de filosofische zin, maar integendeel monopolistisch, totalitair, en zelfs ronduit repressief, zoals van Werchter tot Johannesburg mag blijken. Er wordt veel geblaat over de hoofddoek en de boerka (en inderdaad schuilt er een totalitaire, achterlijke ideologie achter die kledingstukken), maar de confiscatie van de publieke ruimte door commerciële belangengroepen, daar kraait geen haan naar, ook Gwendolyn Rutten niet natuurlijk, die vanuit haar ideologie beslist de Inbev-parade toegenegen is.

Het conflict tussen klassiek liberalisme en monopoliekapitalisme wordt veel te weinig geanalyseerd. Allicht koesteren de liefhebbers van de vrijemarkteconomie een zekere gêne rond dit onderwerp. Toch schuilt er een niet te onderschatten maatschappelijke verschuiving achter. Het aloude feest, als sociaal verzoeningsritueel, wordt helemaal geabsorbeerd door een megalomane marketinglogica die eigenlijk alleen de aandeelhouders van de sponsor ten goede komt. De commercialisering van de massasport toont ons heel duidelijk die verschuiving. Om het wereldkampioenschap voetbal binnen te halen, doen nationale politici letterlijk hun broek af. Steden en gemeenten vrijen de organisatoren van de Ronde van Frankrijk op, dat het niet leuk meer is (“We moeten onze stad op de wereldkaart zetten!”). Achter deze evenementen draait een geoliede marketingmachine die exclusieve sponsors toelaat om de meest exuberante eisen te stellen naar de overheid, het publiek, de neringdoenden. Het is mijn groot bezwaar tegen dat soort sportieve massa-manifestaties: ze hebben de neiging om beslag te leggen op onze handel en wandel, op eten en drinken, op doen en laten, op alles eigenlijk. De Ronde van Vlaanderen is een prachtig volksevenement, maar ondertussen heeft de steenrijke Woestijnvisdirecteur Wouter Vandenhaute de Ronde opgekocht en schuimen zijn agenten alle plekken van het parcours af, om te zien of een of andere neringdoende geen graantje probeert mee te pikken. Alain Corneille en Marieke Van Ghyseghem kunnen er met hun “VIP-tent” van meespreken: afdokken alstublieft, of opkrassen

 Laat ze begaan,en alles eindigt in zwarte blubber

Het bekende adagium van Pierre-Jospeh Proudhon, “La propriété c’est le vol”, lijkt in de postmoderne globalisering een nieuwe betekenis te hebben gekregen: het grootkapitaal eigent zich, in de hoedanigheid van “sponsor”, de stad, de openbare plekken, de publieke netwerken, de evenementen, schaamteloos toe. Dit is gelegitimeerde diefstal. Uiteraard werkt de totale privatisering van openbare diensten, volgens de beruchte Europese Bolkenstein-richtlijn, dat proces in de hand. In België heeft de “liberalisering” van bv. de energiemarkt alleen maar het quasi-monopolie van Electrabel versterkt, een tak van de Franse groep GDF Suez die met de Belgische overheid zowat doet wat ze wil. Onze electriciteitstarieven zijn dan ook zowat de duurste van Europa, idem dito voor de telecomsector.

Vreemd genoeg implodeert, samen met de publieke ruimte en het publieke management (de overheid dus), ook de privésfeer. Wellicht heeft het ene met het andere te maken. Het TV-voyeurisme is groter dan ooit, we gooien alles te grabbel op Facebook en de zgn. “sociale netwerken”, intimiteit is geen enkel criterium meer. Dit gaat niet meer over Big Brother, niemand verplicht ons tot die indiscreties, we doen het spontaan en met overgave. Men zou dus kunnen vermoeden dat mensen, door de aftakeling van de publieke sfeer en de usurpatie door de grote commerciële concerns, ook het besef verliezen van eigenheid, onderscheid en intimiteit. Deze dubbele degradatie is een van meest essentiële psychologische gevolgen van de globalisering en de zgn. “liberalisering”. De totale openheid kraakt elke identiteit.

Liberalisering en monopolievorming lijken twee kanten van één medaille.  De ontdekkingsreizen en de wereldwijde usurpatie door Europa van de natuurlijke rijkdommen en grondstoffen, vanaf de 15de eeuw, tonen op planetaire schaal hoe het toeëigeningsmechanisme werkt. De verloedering van het Afrikaanse continent heeft daarmee te maken, niets anders. Dit is uiteraard het verhaal van het (neo-)kolonialisme, Leopold II en zijn privé-bedrijfjes, de moord op Patrice Lumumba met de actieve medewerking van de CIA, de Belgische Haute Finance (die vreesde voor onteigening), en het Koninklijk Hof. Wat we vandaag meemaken in Congo, de verkrachtingen en plunderingen, het rechthouden van het schandalige Kabila-regime, is allemaal terug te brengen tot de plutocratie van enkele grote spelers op de mondiale grondstoffenmarkt. De politici dansen naar hun pijpen. Een tweede Lumumba is er nooit meer gekomen: opgeruimd staat netjes.

 Op de achtergrond en diep onder de waterlijn speelt zich momenteel dan nog het ergste af, namelijk een spuitende oliebron die nu al heel de Golf van Mexico vervuilt en wellicht grote delen van de Atlantische kusten zal teisteren. Oorzaak: een multinational die van de VS een concessie kreeg om olie uit de zeebodem op te boren, zonder de technologie te bezitten om een ramp als deze afdoende te bemeesteren. Tenzij het ook hier een kwestie van cost saving is natuurlijk. Van hoog tot laag, van Obama tot die brave Werchterse burgemeester, bemerkt men een manifest gebrek aan politiek leiderschap en een knieval voor de wetten van de big bussiness.

Het grenzeloze cynisme van BP-topman Tony Hayward is kenmerkend voor de manier hoe het grootkapitaal heel onze planeet naar de haaien helpt. De smurrie zal blijven spuiten: het lijkt meer een boekhoudkundig dan een ecologisch probleem. Naar verluidt worden Vlaamse technici, die een plan voor een oplossing zouden op zak hebben, door de VS en BP uit het gebied geweerd. Ik hoop dat de enthousiaste voorstanders van de vrijemarkteconomie en het postmoderne globalisme beseffen dat dit soort après-nous-le déluge-mentaliteit met vrijheid (van ondernemen) niets meer te maken heeft, integendeel: de “vrijheid” van Tony Hayward maakt de vrijheid kapot van allen die in aan de zuidkust van de V.S. leven van visvangst, toerisme, etc. Alles eindigt in zwarte blubber. Voor niets of niemand heeft dit graaierig pletwalskapitalisme respect. Niet voor de mens, als individu, als sociaal wezen, als soort, noch voor het leven, de aarde, de natuur. Alleen woestijnvissen kunnen hier nog zwemmen.

Dat grootindustrieel Jan De Clerck, onder het goedkeurend oog van het gemeentebestuur van Waasmunster, openbare wegen annexeert en in zijn domein inlijft, is een schandaal op zich, doch slechts peanuts in vergelijking met de wereldwijde toeeigeningsmechanismen die zich voltrekken zonder dat er een haan naar kraait. We verliezen de wereld, elke dag een beetje. De Sepp Blatters, de Wouter Vandenhautes, de Tony Haywards, de Mark Zuckerbergs,… bezetten deze planeet en we hebben er met onze stomme kop geen erg in. 

Ziezo, daarmee hebben we in deze dorstige tijden heel de actualiteit van de laatste weken op een hoopje geveegd. Het draait altijd rond dezelfde dingen. Conclusie van deze column:  meer minirokjes in het parlement, bier van alle merken overal beschikbaar, weg de topsport en zijn sponsors, feesten graag, maar zonder verplichte nummertjes, Kabila aan de galg, afschaffen van olieboringen onder zee, Hayward voor de rechters.

 Het klinkt hard en drastisch, maar vrijheid is een totaalbegrip en moet maximalistisch ingevuld worden, door zoveel mogelijk individuen. Vrijheid is totaal-distributief, of ze is niet, zo spreekt een rechtgeaarde libertariër. De aantasting van die vrijheidsmaxime door monopoolkapitalistische uitholling is de grootste bedreiging. Een hercollectivisering lijkt me dan ook de enige oplossing, zeker wat betreft publieke diensten, de openbare ruimte, de netwerken, verkeersinfrastructuur, maar zeker ook natuur, landschap en groene ruimte. Paradoxaal genoeg is die hercollectivisering de ultieme remedie om onze bewegingsvrijheid te waarborgen.

Er moet dus dringend uit andere vaatjes worden getapt. En jawel, met de herovering van de publieke sfeer zou ook de privésfeer, de coccon, opnieuw inhoud kunnen krijgen, en zou het mediatieke en digitale exhibitionisme, de manische drang om alles aan iedereen mee te delen en op het “net” te gooien, zijn glans kunnen verliezen. Een groot publiek debat dringt zich op rond deze kwesties. Buiten de grote media om natuurlijk, want die sponsoren lustig mee…

Johan Sanctorum