Maandelijks archief: augustus 2010

“En als we nu eens vergiffenis zouden schenken…”

Zijn Vangheluwe en Danneels de uitzondering of de norm?

Met de publicatie van de “Danneels-tapes” (een vertrouwelijk gesprek tussen gepensioneerd aartsbisschop Godfried Danneels, de Brugse ex-bisschop Roger Vangheluwe die zijn neef jarenlang sexueel misbruikte, en het slachtoffer zelf, aangeduid als S, die alles in het geheim opnam en naar De Standaard doorspeelde), is de Vlaams-katholieke pedofiliekwestie in een nieuwe fase getreden. De kardinaal blijkt namelijk te liegen, ook vandaag nog, en bevindt zich in staat van zonde. De vraag of de prelaat juridisch iets kan ten laste gelegd worden (waar hij met een batterij goede advocaten sowieso uitgeraakt), moet voor een gelovige toch veruit overstegen worden door de moreel-religieuze anomalie van een aartsbisschop die de tien geboden feestelijk aan zijn laars lapt. Of is dat toch niet zo abnormaal? Zijn Danneels en Vangheluwe rotte appels, of is heel de mand rot?

Ego te absolvo

Tot een jaar geleden gold kardinaal Godfried Danneels (en kranten als De Standaard hebben daar volop aan meegewerkt) als een model van deugdzaamheid, een haast onmenselijk prototype van modern pastoraat: minzaam, begrijpend, tolerant, relativerend, bereid tot een kwinkslag, maar toch vroom, rechtuit, principieel. Dit professioneel opgebouwd imago (want dat is het) was sowieso een opgetrokken façade, kaderend in het PR-verhaal van een leeglopende kerk die terrein tracht terug te winnen. Heel de Danneels-iconografie van de ideale dorpspastoor blijkt een maskerade geweest te zijn, een theatrale pose, ineengezet met behulp van professionele communicatiespecialisten. Onvermijdelijk roept dit reminiscenties op aan die andere periode waarin de katholieke kerk in het verweer was, en tot een uitzonderlijke face-lift-campagne overging: de 16de eeuwse contrareformatie en de propaganda fidei. De Lutheraanse dissidentie tegen de aflatenhandel en tegen de hypocrisie van de toenmalige clerus gaf namelijk aanleiding tot een nog veel grotere zwendel die onrechtstreeks tot onze moderne beeldcultuur, de “communicatiewetenschap” en de logica van de massamedia zou leiden: een barokke explosie van (beeld)verhalen waarin het effect primeerde. Niet de bezinning, bewustwording en de persoonlijke piëtiteit waren hoofdzaak, wel fascinatie en manipulatie vanuit het onmiddellijke en zichtbare icoon. De propaganda (van oorsprong dus een Jezuïtische term) hanteert de leugen als weg naar de waarheid en huldigt een Machiavellistische strategie van het doel dat de middelen heiligt. Deze ontdubbeling van de moraal is de ruggengraat van het machtsinstituut “Kerk”. Niet alleen de leugen is gepermitteerd voor het goede doel: alle 10 geboden krijgen kleine lettertjes met uitzonderingsregels. Het adagium “Gij zult niet doden” kon zo probleemloos omzeild worden in massaslachtingen als de kruisvaarten en in het verbranden van ketters en zogenaamde heksen.

In dat perspectief is een wereldlijke macht, die met harde hand dogmatisch regeert en de aardse tuin permanent uitwiedt, evident, tot en met het instellen van de staatsgodsdienst. De scheiding van kerk en staat is niet verenigbaar met combattieve religiositeit,- de verwantschap tussen christelijk fundamentalisme en de islam valt hier op (waar eveneens de leugen getolereerd wordt, indien nuttig voor de verbreiding van het Ware Geloof). Het persoonlijk geloof op zich is dus voor het katholicisme ontoereikend: het moet zich institutionaliseren, het moet begeleid, geïndoctrineerd en desnoods met dwang opgelegd worden, want Satan loert (Danneels, in een vroeger Humo-interview: “Satan, Diabolus, ik heb nooit aan hem getwijfeld…”). Van daaruit tenslotte is de Machiavellistische praxis van een sluwe en retorisch behendige clerus onvermijdelijk. Ook de leugen kan een middel zijn om de waarheid te verspreiden, zoals het geweld een middel is om de Vrede Gods te verwezenlijken: Satan moet als het ware met zijn eigen middelen bestreden worden.

Uiteraard opent dit de deur voor een Christendom van de haat, de dubbelzinnigheid, het geheim, de doofpot. Ooit las ik in diezelfde Standaard een vooraanstaand cultuurjournalist opperen dat heel de inquisitie en de heksenvervolging toch maar “spijtige” randfenomenen waren van het Westerse Christianisme. Natuurlijk is dat niet zo, anders zou men evengoed kunnen stellen dat de concentratiekampen maar een jammerlijke ontaarding van het originele nazisme betekenen. De Malleus Maleficarum (“Heksenhamer”, het middeleeuwse handboek voor de heksenjacht waarin de vrouw als instrument van Satan wordt beschreven, en waar zeer nauwgezet de folterprocedures worden aangegeven) is geen accident maar behoort tot de normale ontwikkeling van een neo-Platonische religie die het lichaam veracht en de natuur opvat als de voortuin van Satan (met de bijbelse appelscène als absoluut model).

Als De Da Vinci Code (Dan Brown, 2003) één onbetwistbaar historisch gegeven naar voor brengt, dan is het wel het vermogen van het Christelijk kerkinstituut, doorheen de eeuwen, om de waarheid naar zijn hand te zetten. Ergo: binnen zijn personage valt Godfried Danneels niets te verwijten. Hij doet wat zijn voorgangers al eeuwen lang deden.

“Laat de kleinen tot mij komen…”

Dat brengt ons tot een tweede bedenking rond de tapes: de virtuoze, rekkelijke omgang met begrippen als schuld, berouw en vergiffenis.  Andermaal is hier het onderscheid tussen de leer van Luther en het katholicisme van belang. Voor de eerste is schuld niet afkoopbaar, noch uitwisbaar door het sacrament van de biecht, door Luther terecht gebrandmerkt als retorische flauwekul. Het is al te gemakkelijk om eerst vijf moorden te plegen en dan even te biechten te gaan. Voor het protestantisme en het calvinisme moet de schuldvraag daarentegen steeds hernieuwd worden, in plaats van de witwassing tot dagelijks ritueel te banaliseren. Weliswaar kan een proces van diep berouw tot een loutering leiden, maar van een excuusformalisme is geen sprake. Complete genocides worden immers op die manier uit het collectief geheugen gewist, zoals de Australische regering zich op 13 februari 2008 “verontschuldigde” tegenover de aboriginals omwille van de begane moordpartijen door Britse kolonisten in de 18de en de 19de eeuw.

Het hedendaagse excuuscynisme, zeer verbreid in de politiek, volgt uit de katholieke opvatting van het biechtsacrament. Het ogenschijnlijk perverse voorstel van Godfried Danneels om “vergiffenis te schenken” is dus theologisch én politiek nog zo slecht niet bekeken. Want wat zegt het evangelie van Johannes? “Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven.” (Joh. 20, 23). Als er dus iemand gevonden wordt die de absolutie wil geven, dan is er de facto ook geen zonde meer. Het slachtoffer hoeft daar zelfs niet bij betrokken te worden. Nu gij.

Naadloos glijdt deze schuldflexibiliteit over in een broeierige sexuele moraal. Men kan heel zijn leven jongetjes verkrachten, zolang men maar op zijn sterfbed alles opbiecht. Kinderen verzinnebeelden daarenboven de onschuld van de engel, ze ontplooien dus een eigen attractiviteit, zoals het Evangelie volgens Markus 10, 13 – 16 aangeeft:

“Eens brachten de mensen hun kinderen bij Jezus, met de bedoeling dat hij ze aan zou raken. Maar de leerlingen stuurden ze terug. Toen Jezus  dat zag, zei Hij verontwaardigd: ‘Laat die kinderen toch bij Mij komen en houd ze niet tegen. Want het Rijk van God behoort aan hen die zijn zoals deze kinderen. Voorwaar, ik zeg u: Wie het Rijk van God niet aanneemt als een kind zal er zeker niet binnengaan.’ Toen omhelsde Hij hen en zegende hen en hij legde hun de handen op.”

Wat leert ons deze veel geciteerde passage? Dat het omhelzen van kinderen in se niet zondig is, en ons zelfs in de hemel brengt. Zij manifesteren zich als cherubijnen, en maken onszelf terug tot kind. Het aanraken van de kinderlijke onschuld doet ons delen in die onschuld. Maar dat is buiten Freud, de zwakte van het vlees en het celibaat gerekend (ingesteld in volle contrareformatie, op het Concilie van Trente in 1563). Want de sexuele opwinding die hiermee gepaard gaat, maakt de priester tot weerloze slaaf van zijn onderdrukte driften. Wie kan hier soelaas brengen? Inderdaad: de cherubijn zelf, die zich in de fantasie van de dader vrijwillig aanbiedt, tot en met fellatio en anale penetratie. Eén enkele keer levert het genietbare poëzie op, zoals “Dien Avond en die Rooze”, een liefdesdicht van priester-leraar Guido Gezelle aan zijn leerling Eugène Van Oye:

Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!

De Rooze moet dus gezocht, geplukt en gelezen worden; en gezien de duivelse status van de vrouw gaat het meestal om piemeltjes. Zo wordt de homo-erotische, rituele vereniging met de engel een apart, geheim en apocrief sacrament op zich, voorbehouden aan de clerus. Het kind en de jongeling moeten onschuld brengen maar creëren tegelijk nieuwe schuld. Veel sterker dan de biecht is de recidive dan een verslavende vorm van zelfterapie: het rijke Roomse leven is complex en gecompliceerd, niet toevallig was het celibaat een mikpunt van Lutheraans protest.

Ik vermoed dat psychiaters als Peter Adriaenssens nauwelijks beseffen hoe verwrongen de sexualiteit van katholieke geestelijken in elkaar steekt. Wie het zeker wél weet is Godfried Danneels, die zich in de tapes tegenover Roger Vangheluwe zeer begrijpend opstelt. De Cherubijnen zijn overigens welwillender dan velen van ons aannemen. Direct na de bekentenissen van bisschop Van Gheluwe vertrok een cohort Vlaamse misdienaars vrolijk op bedevaart naar Rome, om op de knie van de paus te gaan zitten.

Rond den Heerd

Tenslotte wil ik nog iets kwijt over de typisch Vlaamse context  van deze semi-religieuze zeepopera. De generatie die het in Vlaanderen nu voor het zeggen heeft –veertigers en vijftigers- is nog altijd door Jezuïeten gekneed, ik ken er haast geen andere. Dat weegt op onze intellectuele groeikansen, als volk, als gemeenschap. Het is veelzeggend dat slachtoffer “S” van de tapes tot in den treure heeft geprobeerd om de zaak te regelen met de clerus die hem dit gelapt heeft. De religieuze autoriteit blijft dus voor een hele hoop mensen het intellectuele referentiepunt, ook in de lekenstaat. Ze verklaart de schandaalsfeer die nu heerst, rond iets wat normaal gezien een gerechtelijke afwikkeling moet krijgen.

Het fenomeen van de kerkelijke macht die zich naast en boven de wereldlijke macht plaatst, was al het voorwerp van de middeleeuwse investituurstrijd, maar heeft in het Vlaanderen van de 19de en eerste helft 20ste eeuw een heel eigen, anti-emancipatorische rol gespeeld. Heel de Vlaamse beweging is van origine een pastoorsideologie, gecentreerd rond de kerktoren. Ik citeerde Gezelle, we kunnen er nog honderd anderen aanhalen, “priester-dichters” zoals Hugo Verriest, fanatieke ultramontanen zoals Albrecht Rodenbach, tot en met Cyriel Verschaeve, de man die vanop de kansel de katholieke plattelandsjeugd naar het oostfront joeg. Allen hebben ze geprobeerd om, rond de parochiekerk heen, een dam te leggen tegen het goddeloze verlichtingsdenken uit het Zuiden én tegen het protestantse criticisme uit het Noorden. De macht van deze dorpspotentaten in het verpauperde Vlaanderen van de 19de eeuw was vrijwel absoluut op politiek, sociaal en religieus vlak. Ik zeg niet dat er onder de soutane altijd wat bewoog. Het gaat, veel erger nog, om het conserveren van intellectuele duisternis, een geborneerd obscurantisme dat sinds 1830 door een deel van de lagere clerus werd beoefend. De Vlaming moest gelovig blijven, naar de aarde en het platteland gericht, en onderontwikkeld, “Rond den Heerd”, zoals het door G. Gezelle gestichte tijdschrift heette. Dat kwam het Belgische regime en het oer-katholieke Hof goed uit, daarom werden de flamingante pastoors gedoogd.

Godfried Danneels, niet toevallig in Laken zeer geliefd,  is een verre uitloper van dat verstikkend paternalisme, getuige daarvan de onvergetelijke openingszin op de tapes “Zeg ne keer…”. Auteurs zoals Hugo Claus hebben al in de late jaren ’50 van vorige eeuw deze tirannie van de dorpspastoor, met zijn leugenachtige retoriek, briljant geschilderd (“Omtrent Deedee”, “Het Sacrament”), maar voor de rest bleef heel de Mei ’68-beweging, die zogezegd komaf ging maken met de kerktorenmentaliteit, een tamelijk puberale opstand van misdienaars, met ex-seminarist en salonrebel Paul Goossens als absoluut prototype.

De Vlaamse kerktorenmentaliteit leeft en bloeit, samen met zijn schaduw, de links-vrijzinnige tegenkerk waarin het gros van de culturele sector is verzameld. Dat is veel verontrustender dan de Danneels-tapes op zich. We gaan mentaal niet vooruit, daarom mislukken we ook politiek, zoals vandaag overduidelijk blijkt.  Wat we nodig hebben is een verlicht heidendom, of desnoods een zelfbewust protestantisme, maar geen postmoderne kwezelarij à la Rik Torfs en evenmin een modieus-links laicisme dat elke zingevingsdiscussie uit de weg gaat.

Ondertussen doet Roger Van Gheluwe boete in de abdij van Westvleteren, of all places. Weer een straf die eindigt als genot. Als dat geen engelen doet zingen…

Johan Sanctorum

De Nachtwacht revisited

Op 11 augustus j.l. streek de internationale FIFA-delegatie in Amsterdam neer. De heren wilden nagaan in hoeverre het bod (“The Bid”) van België en Nederland om het WK voetbal 2018 te organiseren, au serieux mag genomen worden, en werden daartoe warm welkom geheten: een diner in het Rijksmuseum, onder het toeziend oog van Rembrandts Nachtwacht,- het was maar een van de incentives die het gezelschap te beurt vielen.

Ik weet niet of deze museale enscenering ironisch was bedoeld. Neen, wellicht niet, gezien de tomeloze ernst waarmee de FIFA-entourage zichzelf neemt, en de onderdanige blijken van respect waarmee ze wordt bejegend. Toch is dat Rembrandt-doek zelf in sarcasme gedrenkt, en portretteerde de schilder zijn opdrachtgevers in een zodanig protserige, zelfvoldane pose, met zoveel toeters en bellen, dat sommigen zich achteraf beledigd terug uit het doek lieten verwijderen. De Nachtwacht als schimpscheut naar het toenmalige establishment: Peter Greenaway heeft er in het Rembrandtjaar 2007 een complete video-installatie aan gewijd. Een hedendaags kunstenaar moet dat doek eens herschilderen en het “The Bid” dopen.

De foto van het banket in het Rijksmuseum levert ons meteen een boeiend perspectief om een en ander scherp te stellen, en om de ruis uit het FIFA-debat te filteren. Want ruis zit er zeker op, en dat is waarschijnlijk zelfs strategisch zo bedoeld. In het handboek van spindoctor en manipulatie-expert Noël Slangen kan men nalezen hoe “miststrategie” werkt: verdrink een fundamenteel debat in een zee van kleine discussies, tot iedereen het vermoeid opgeeft. Dat gebeurt vandaag ook met het WK Voetbal-verhaal in de media: krijgen de organisatoren nu aparte rijstroken of niet? Hoeveel? Hoe breed? Voor welke tijdsspanne? Leiden de nieuw te bouwen stadions tot overcapaciteit (de zgn. “witte olifanten”) of hadden we die toch sowieso nodig? Zullen er voldoende kaarten te krijgen zijn voor de gewone voetballiefhebber, of gaan de zitjes vooral naar de officiëlen allerhande (de zgn. bobo’s)?  Wat is de return inzake nationaal imago en toeristische uitstraling? Betaalt dit als “vzw” gecamoufleerd Zwitsers evenementenbedrijf zijn BTW? Belastingen? Zo ja, waar? En dan dé Byzantijnse discussie waar een falanx van denktanks en experten tot compleet tegenstrijdige conclusies komt: de eigenlijk onbecijferbare financiële eindbalans,- scheuren we er collectief onze broek aan of niet?

Allemaal interessante kroegdiscussies, die echter als een mistgordijn werken voor wat zich “achter het plaatje” bevindt. De kern van de zaak is, enerzijds, de toenemende greep van de private spektakelindustrie op de publieke ruimte. Dat fenomeen heb ik al in een eerdere column geanalyseerd. De Ronde van Frankrijk, Rock Werchter, de catastrofaal afgelopen Love Parade in Duisburg, tot zelfs onze Ronde van Vlaanderen (het privé-speeltje van Woestijnvisbaas Wauter Vandenhaute),- alle zijn het privé-ondernemingen die zich met massa-evenementen in de publieke ruimte nestelen en zich soms als een echte bezettingsmacht gedragen. De FIFA wil het monopolie voor zijn biersponsors in een wijde perimeter rond de stadions? De FIFA zal ze krijgen. De al sinds de jaren ’90 gedelegitimeerde politieke klasse wil immers koste wat kost het verloren, verzuurde volk terugwinnen, en zoekt die positieve, “warme” golfstroom in grootschalige massa-evenementen. Voetbal is leuk, volks, uitbundig, al wordt het supportersgeroep zorgvuldig gecheckt op zijn politieke correctheid. Waar het volk verschijnt, zie je ook de politicus. Ooit was dat omgekeerd en kwam de massa waar de leider verscheen. De mobilisatie van die massa is vandaag in handen van een bloeiende industrie waar de politiek zich aan onderwerpt (dat schijnt zich ook in Duisburg te hebben afgespeeld, in hoofde van de nu verguisde burgemeester Adolf Sauerland ). Het enige wat de politicus dan nog kan en wil, is een prominente, zichtbare plaats in de parade innemen. Pronken dus, zoals Rembrandt’s Nachtwacht.

Je krijgt dan een samenloop van twee nefaste verschijnselen: het terugwijken van de politieke, door de burger gemandateerde orde (premier Leterme kuste nog net niet de voeten van de FIFA-delegatieleider), en de evenredige groei van een puur marktmatig redenerende organisatorische machine die haar wil aan de overheid kan opleggen. Dat laatste is een opmerkelijke evolutie. Geen enkele politicus voelt zich blijkbaar nog geroepen om het voor de publieke ruimte op te nemen en het gemeenschapsgoed (res publica) als een kwaliteitsvol gegeven af te schermen tegen al te opdringerige marktmechanismen. De politiek is angstig en in het defensief, het populisme is de enige maatstaf. Zijdelings speelt dan ook nog de obsessie mee dat een stad, een regio of een land zich via dit soort evenementen “op de wereldkaart” kan zetten (City marketing heet dat). Elke negorij moet zijn rockfestival hebben,- dat genereert naambekendheid en een florerende middenstand, en dus populariteit voor de locale bewindvoerders, althans dat geloven ze zelf. Maar op het einde willen vooral de sponsors winstname voor hun investeringen, wie zal het hen kwalijk nemen. Dus gaat het meer om wat er rond de sport gebeurt, dan het ding zelf. Sowieso is voetbal, als mannensport, vooral een middel om meer bier te verkopen: in Zuid-Afrika was Inbev de dominerende sponsor, in België heet de 1ste klasse-afdeling officieel “Jupiler Leage”. Santé.

Voetbal maakt ons vriendelijk, open, Belgisch en… zwaarlijvig.

Brood-en-spelen dus, en hoe de handige jongens van de spektakelindustrie inspelen op de radeloosheid van de politieke klasse. Dat brengt ons nog op een andere dimensie van het FIFA-verhaal, meer specifiek op de Belgische context van toepassing: het mondiaal voetbalfeest moet vooral terug meer Belgen genereren. Het verschijnsel is bekend: er lijkt alleen nog Belgisch patriottisme te bestaan als de Rode Duivels spelen (hoe bekakt ze het er ook van af brengen). De monarchie hoopt op onze kampioenen en honoreert ze ook. Tia Hellebaut en Kim Gevaert, na hun dubbelzege triomfantelijk gehuld in een tricolore vlag: het moet Albert II in zijn oude dag zowat een orgasme bezorgd hebben.

Ook de Belgische voetbalbond is nog altijd een zeer unitair gebeuren, met goede connecties naar de Brussels-francofone salons en het koninklijk hof. Het is dus logisch dat dit (overigens, zoals alles in België, slecht beheerd en corrupt) instituut wordt ingezet om het sportnationalisme aan te zwengelen. En zo is de Belgische FIFA-lobby, waarin ook de Waalse tennisster Justine Henin mag opdraven, zonder twijfel Belgicistisch geïnspireerd. Bekijk gewoon de figuur van KBVB-voorman François De Keersmaecker, derde in een familiedynastie van bondsvoorzitters: het vleesgeworden compromis, alle kritiek druipt van deze man af als regenwater van een oliejekker. Hij is de Belgische hoop in bange dagen, nog meer dan de Rode Duivels. 2018 is opeens, als de FIFA wat meewil, terug een reële horizon voor het huidige regime, terwijl de politieke situatie vandaag iets helemaal anders voorspelt, namelijk een ontklede Belgische staat, of zelfs helemaal geen.

Ik denk dan ook dat het Belgische sportpatriottisme, zeker aan Vlaamse zijde, veeleer als compensatiegedrag moet beschouwd worden: de Vlaming is vandaag vaderlandloos, en wil wel graag eens af en toe, zoals Duitsers, Engelsen of Fransen, doen alsof hij tot een natie behoort. De hoop van de KBVB-clan en heel de FIFA-lobby is echter tamelijk ijdel: het voetbal zal België niet redden, daarvoor is de autonomistische grondstroom te diep. Ook al worden alle registers geopend om duidelijk te maken dat wij, Vlamingen, slechts mentaal voor vol kunnen worden aanzien als we ook goede Belgen zijn. Sportjournalist François Colin, die in De Standaard tegen onze FIFA-kritiek fulmineerde (pas nadien vernamen we dat Colin ook nog perswoordvoerder is van… The Bid), verwoordde het zeer treffend:

 “Hoe zien we de toekomst van onze landen? Als bange, bekrompen, in zichzelf gekeerde naties die langzaam verschrompelen? Of als blije, optimistische ondernemende landen die de deuren opengooien voor de wereld en daar de vruchten van plukken?”

Die retoriek komt ons bekend voor: het doet denken aan de stigmatiserende clichés omtrent het Vlaamse autonomisme, als zou het achterlijk, bekrompen en provincialistisch zijn. Van twee één: wie de 19de eeuwse Belgische staatsbureaucratie contesteert, en/of wie vraagtekens plaatst bij het nut en de zin van een megalomaan spektakel als het WK voetbal, is “bang, bekrompen, en in zichzelf gekeerd”. Het slecht begrepen kosmopolitisme van de Belgicistisch-gezinde cultuursector herhaalt zich dus ook in de demagogie van de sportpatriotten. Geen van beide deugt, om een identieke reden: een socio-culturele opwaardering in Vlaanderen zal maar plaats grijpen als we de context van het Belgische koninkrijk achter ons kunnen laten. België is het verleden en voetbal is het nostalgisch argument. Het is niet bekrompen om zich als republikein op te stellen, integendeel zelfs, en het is ook niet achterlijk om het voetbalcircus te relativeren.

Meteen hoop ik ook dat het Vlaamse beleid accenten zal leggen die veel meer op actieve sportbeoefening aan de basis gericht zijn, dan op topsport of passieve consumptie van massa-evenementen. Er is immers ook nog deze realiteit: in onze hooggeïndustrialiseerde landen nemen overgewicht en obesitas steeds meer toe, ook bij kinderen en jongeren. De cijfers zijn alarmerend: één kind op vijf mag bij ons als zwaarlijvig beschouwd worden. Het oorzakelijk verband met o.m. suikerziekte is medisch bewezen. Veranderen van voedingsgewoonten is één remedie, lichaamsbeweging is er een ander. Maar de topsportcultus schijnt de massasport niet te bevorderen, integendeel. Het wordt vooral een kwestie van chips knabbelen en bier slurpen voor de buis, ook en vooral bij supergemediatiseerde evenementen zoals het WK voetbal (dat naar het schijnt ook een enorme boost geeft aan de verkoop van TV-toestellen).

  Groot was dan ook mijn verbazing toen ik Roger Vercarre, voorzitter van Tempo Overijse, parmantig op zijn grasmat zag paraderen, geflankeerd door de FIFA-inspecteurs. Het stadion van deze vierdeklasser (ik woon er op een boogscheut vandaan) zou m.n. uitstekend geschikt zijn als oefenplek voor een van de nationale ploegen in 2018. Het toerisme van de Druivenstreek zou er naar verluidt enorm mee gediend zijn. Of hoe een plek, waar amateurs zoals u en ik hun vet kunnen verbranden, wordt ingepalmd door een spektakelkaravaan die ons vooral een bierbuik bezorgt. Topsport op de grasmat, vetkussentjes errond: als boodschap kan dat tellen.

Afgezien dan nog van de heikele kwestie, hoe dit land er in 2018 institutioneel zal uitzien, is elk ernstig maatschappelijk debat nefast voor de kansen van The Bid. Misschien is het witboek daarom alleen in te kijken op een obscure plek, ergens in Eindhoven. Consensus creëren, een minimum aan debat uitlokken, in kleine cenakels de open democratie passeren,- ja, daarin lijken beide koninkrijkjes aan de Noordzee toch wel wat op elkaar…

Johan Sanctorum

De FIFA kan de pot op.

De kandidatuur van België en Nederland voor het WK voetbal in 2018 loopt uit op een knieval voor de FIFA. Deze bijzonder winstgevende “vzw”, made in Switzerland, eist een nultarief inzake belastingen, strijkt de winsten van het evenement op (televisierechten, de sponsoring en de merchandising) en laat het organiserende land opdraaien voor alle onkosten. De overlast is enorm, het economisch voordeel nihil. Bovendien stelt de organisatie buitenissige eisen inzake sponsor-exclusiviteit (o.m. alleen reclame voor het officiële WK-bier in de wijde omtrek) en bedingt zelfs aanpassingen in de wetgeving (snelrecht voor eventuele overtreders van het FIFA-dictaat).
Wij pikken deze bezettingsmacht niet. Voetbal kan een feest zijn, maar dit is arrogante business. Nu al is duidelijk dat Zuid-Afrika aan het WK een slechte zaak heeft gedaan. De modale burger is er alleen maar armer van geworden. Dat de FIFA maar in een of andere bananenrepubliek haar ding doet en de bevolking pluimt.
Wij, Nederlanders en Vlamingen, eisen een kritische en openbare lezing van het “bidbook”, en een politiek debat over de zin en onzin van dit soort postmoderne kolonisatieprojecten.

Meer achtergrond en duiding:

https://visionairbelgie.wordpress.com/2010/07/08/fifaetcetera/

Sluit aan bij de facebookgroep “De FIFA kan de pot op”:

http://nl-nl.facebook.com/group.php?gid=141847719179735

De kwaliteitsparadox, en waarom de mens dommer wordt

Door Polanski, Cliquet en Sanctorum

Onlangs kon men in de krant het bericht lezen dat filmregisseur Roman Polanski (andermaal) beschuldigd wordt van verkrachting. De feiten dateren al wel van een tijdje geleden. De nu 57-jarige Edith Vogelhut (what ’s in a name) zou als 21-jarig model door hem tot sex gedwongen zijn geweest, in het huis van Jack Nicholson nog wel. Een echte Hollywoodstory dus. Haar uitleg is wel tamelijk bizar. Ze zou in principe wel zin gehad hebben in een wip, maar het ging haar te snel, het voorspel mankeerde (“Er was geen voorspel, geen gezoen, geen tederheid, helemaal niets. Ik dacht: zo doen ze dat in Hollywood”). Roman ging daarentegen vrij drastisch tot de actie over, deed haar de handboeien en blinddoek om (hij was in zijn jonge tijd al geen schoonheid) en liet zijn broek zakken. Help.

Wat gastheer Jack Nicholson ondertussen deed, vertelt ze er niet bij. Polanski heeft alleszins een memorabele staat van dienst en leeft nu in Zwitserland half ondergedoken, want in de VS wacht hem nog een nieuw proces wegens… verkrachting. 

We blijven hier echter met een aantal vragen zitten. Eerst en vooral, ging het bij madame Edith wel om een aanranding pur sang? Mij lijkt dit toch eerder een botsing van smaken en zelfs van wetenschappelijke visies,  want over het aantal minuten obligaat voorspel, het hoe en wat, blijven sexuologen tot in den treure discussiëren, lees maar eens de boekjes van Goedele Liekens. Snelheid en doortastendheid kan toch geen misdaad zijn? Veel fundamenteler is de vraag, waarom zo’n  gevierd regisseur als Polanski, waar de vrouwen in bosjes zouden moeten voor vallen, zich aan de eerste-de-beste bimbo vergrijpt. Wat is dat toch met die intelligente mannen en hun voorkeur voor slechte sex?

Een ander komkommerverhaal geeft ons mogelijk een antwoord. In de Knack van 28/7/2010 komt sociaal bioloog professor Robert Cliquet aan het woord, en die man slaat spijkers met koppen. Onder de hoofding “Slimme mensen krijgen gemiddeld minder kinderen”  wordt gesteld dat sinds het verschijnen van de homo sapiens, zo’n miljoen jaar geleden, de man zich “feminiseerde” en zorgzaam werd, zich als een goede huisvader ging gedragen. De reden is de toename van de hersenen, het opgezwollen kinderhoofdje dat amper nog door de opening geraakte, en dus de noodzaak om de zwangerschap tot 9 maanden te beperken, waardoor de baby als een soort onvolgroeide foetus ter wereld moest komen. Dat vergde een intens gezinsleven en een trouw partnerschap. De “nieuwe man” is dus al een miljoen jaar oud: hij is het gevolg van een fysiologische evolutie én een mentale revolutie. Zijn genen zijn door vrouwen zeer gegeerd (want daar gaat het uiteindelijk om: het overerven van de juiste genen, waardoor de soort succesrijk blijft), hij kan luiers verversen, koken, een intelligent gesprek voeren, een DVD-recorder programmeren, weet iets van voorspel af, enz. Anders gezegd: het zaad van de slimme man is voor vrouwen vloeibaar goud en voor de menselijke soort een zegen.

Er schuilt hier echter in biologisch opzicht een enorme adder onder het gras : het Platonisme. Ik verklaar me nader. Naarmate de normen van de perfecte man gerelateerd werden aan zijn IQ, bestond er bij de vrouwelijke helft de neiging om de relatie te idealiseren. Steeds meer blabla, steeds minder boemboem dus, het vanavond-niet-schat-syndroom, om het in verstaanbare taal uit te drukken. Cultureel-antropologisch is deze sublimatie-tendens onmiskenbaar, en ze gaat beslist van de vrouw zelf uit: ze wil wel met die briljante artiest op café, maar niet naar bed. Tevens wordt door al het praten het libido van de man afgeleid en verliest hij zijn sexueel kompas. Hij wordt zo in de rol gemanoeuvreerd van semi-Platonische minnaar, het type van de romantische komedies op TV-5, dat eindeloos met de ogen knippert, zachte woordjes prevelt met violen op de achtergrond, maar niet meer tot de daad komt (of mag komen). Het is een archetype van het sentiment dat ons via de hoofse literatuur uit de middeleeuwen is overgeleverd, de troubadourslyriek, de wachterliederen, en zo tot in de operaromantiek, met Wagners Tristan und Isolde als absoluut hoogtepunt. Wat die twee gedurende vijf uur aan een stuk doen, grenst aan het ongelooflijke: het uitschreeuwen van verlangens, smachten, omarmen, extatisch stamelen, heel de wereldliteratuur citeren… maar geen gram sex. Heel de opera is dan ook een doorwerking van de sublieme inleiding (Vorspiel), die maar niet ophoudt.

Deze opera ergert én fascineert mijn mannelijk instinct tegelijk. De fakkel wordt door Isolde gedoofd in het IIde bedrijf (symbool voor de “Nacht der Liebe”, maar ook voor de verzaking van het lichamelijke). De zanger die op de première de Tristan-rol zong, Ludwig Schnorr von Carolsfeld, is er dan ook letterlijk aan kapot gegaan. Wagner moet die frustratie zelf heel goed ondervonden hebben, in zijn relatie met Mathilde Wesendonck (zijn muze tijdens het schrijven van die opera), die het ook strikt Platonisch wou houden, wellicht ook al door zijn fysieke lelijkheid. Daar sta je dan met je uitmuntend genetisch materiaal: als nieuwe man opdraven, opera’s schrijven, maar niet mogen ejaculeren in de daartoe geëigende plaats. Biologisch klopt dit natuurlijk niet: de eigenlijke voortplanting zal dan immers verzekerd worden met inferieure exemplaren, terwijl de alfa-dieren, kunstenaars en genieën, zich al sublimerend, voorspelend en masturberend op het pantheon hijsen. Geestelijk onsterfelijk, maar biologisch zo dood als wat.

En het zit nog complexer in elkaar: het Goedeliaanse Grote Handboek van de Lichamelijke Liefde, zelfs dat, is gericht op biologisch-absurde toestanden, alle mogelijke houdingen en fysieke constructies die wel entertainen en het genot bevorderen, maar niet de bevruchting, waar het in de natuur toch om te doen is. Mannen sloven zich uit om hun partner te verwennen, maar ondertussen wordt er niet doeltreffend gesemineerd. Even grasduinen door de Kama Sutra overtuigt ons van deze paradox: quality time leidt hier niet tot kwaliteitsproductie, integendeel. Ik ga niet in detail, maar bijvoorbeeld anale sex, waar een vrouw pas aan toe is na zééér veel voorspel, is toch niet echt de aangewezen methode om genetisch materiaal door te geven, om nog maar te zwijgen van homofilie, of posities met de vrouw vanboven, of de idealisering van het vrouwelijk lichaam via onaanraakbare icoon-modellen à la Claudia Schiffer (geen enkele potente man kan zich ook maar voorstellen om met zoiets sex te hebben). Of denken we aan het nieuwe motto van Veronique De Kock: “Ik wil serieus genomen worden”, wat, naargelang de klemtoon, toch voor verschillende betekenissen vatbaar is.

Het feminisme koppelt genetische kwaliteit los van de copulatiedrang, en dat is ongezond. Het sexisme en het zgn. machogedrag worden als politiek-incorrect en sociaal onaanvaardbaar voorgesteld. De intelligente man wordt een eunuch. Ook het demoniseren van de pornografie (waar de penetratie en de ejaculatie prominent aanwezig zijn, en het gaat daar doorgaans ook goed vooruit) ten voordele van mistige Hamilton-toestanden en zgn. “erotische cinema”, waar eigenlijk niets gebeurt, helpt deze biologische ongerijmdheid in stand houden.

De oude man is terug

De muze is een spook, en ze is een creatie van een vrouw met verstand, misschien zelfs haar dubbel,- ziedaar het biodrama. Maar de muze wil nog amper gedekt worden door haar uitverkorene. Men ziet het bij koppels van kunstenaars, wetenschappers, etc.: dikwijls blijven ze kinderloos of blijft het bij hooguit één Viagra-kindje. Slimme mensen krijgen dus gemiddeld minder kinderen,- exact de kop van het interview met professor Cliquet, zelf een nieuwe man die de prijzen van de diesel onder controle hield en zo de kwaliteit van het gezinsleven opwaarts stuwde. Zijn verklaring (“het zijn de hogere sociale klassen die het meest de pil gebruiken”) is evenwel absoluut ontoereikend: dat pilgebruik is de essentie niet, het gaat om een antropologische devolutie waarbij intelligentie en rechttoe-rechtaan-sexualiteit tegenpolen worden, in plaats van elkaar-versterkende factoren. Slimme mensen hebben dus het voortplanten verleerd, en de cultus van de erotiek is daar mede schuldig aan.

De eugenetica, zeer door de nazistische teeltprogramma’s gecompromitteerd, wil dat defect verhelpen, maar de moraal countert hier weerom de biologische evidentie: er mag geen enkele selectie aan te pas komen. Vrouwen kunnen zich wel laten bevruchten met donorsperma, maar de genetische kwaliteit daarvan is op geen enkele manier verzekerd. Er is dus voor het intellect, en zijn inherente wens tot procreatie, maar één tegenstrategie aangewezen: de gedwongen inseminatie,- of, in juridische termen: de verkrachting. Uitgerekend intelligente én amorele mannen zullen dan heel het handboek van de Ars Amatoria in de vuilbak kieperen en op zoek gaan naar baarmoeders waarin ze snel en doeltreffend hun sperma kunnen lozen, inclusief hun exquisite genetisch materiaal, eventueel met geweld. Een lange geschiedenis van zgn. sexueel-delinquenten –meestal als zeer intelligent beschreven- gaat hieraan vooraf. Van Blauwbaard, Gilles de Rais, Marquis de Sade  tot Dutroux, merken we een tendens van protest tegen het ideaalbeeld van de “nieuwe man”, dat uitdraaide op een karikatuur van de penisloze man.

Maar ook knappe koppen en cultuurhelden, tegelijk notoire vrouwenhaters zoals Friedrich Nietzsche (“Gehst du zu Frauen, vergiss die Peitsche nicht!”) hadden door dat, wilden ze hun formidabele genen doorgeven, er niet teveel moest gediscussieerd worden. De uiteindelijke verwerping van Wagner door Nietzsche, met Parsifal als argument, begint m.i. dus al bij de problematiek van Tristan en de verzaking. Wotan is nog een echte man, maar Siegfried weet bij Brunnhilde echt niet waar beginnen, en Tristan blijft braaf op zijn krukje zitten. Deze “nieuwe mannen” doen het menselijk ras geen eer aan.

Schopenhauer en Nietzsche luiden een anti-romantische tendens van misogynie en anti-sublimatie in, die onder onze cultuur van het raffinement en het sentiment doorloopt, en ze zal zich nog versterken. Het is hier de natuur die beveelt, tegen de ethische en esthetische criteria in. “Hoe groter geest, hoe groter beest”, zegt de volkswijsheid.  Wanneer Roman Polanski de zweep en de handboeien bovenhaalt voor een stevige ongecensureerde tankbeurt, hebben we hier dus in de limiet te maken met een list van de natuur, die recent in de genetische biologie werd geherformuleerd als DNA-strategie: we zijn eigenlijk maar werktuigen van het DNA, dat op een zeer “slimme” wijze zijn eigen kwaliteitscontrole verzekert, met sexuele partnerkeuze als hoofdfacet. Mogelijk is een van de immanente perspectieven van het DNA zelfs om deze planeet te verlaten, die toch tot sterven gedoemd is. Vast staat dat het op lange termijn “plant”, zelfs buiten de grenzen van de menselijke soort, en dat een paar milieurampen meer of minder, tot en met de totale verwoestijning van deze planeet, zijn ingecalculeerd.

Zo wordt de nieuwe man terug een oude man: weg met de erotiek en het uitgesteld orgasme, leve de daad. De verwerping van het sublieme, als noodzakelijke correctie van een fout in de evolutie van de homo sapiens, zal uiteraard met de nodige spanningen gepaard gaan, want de muze zal zich niet zomaar laten naaien, zoals een blik op de programmatie van TV-5 mag blijken. Slimme sletten als la Cicciolina zijn in dat opzicht eerder uitzonderlijk. Toch is cultuur van langsom minder een argument: intelligentie is een reële maatstaf, maar niet de zgn. goede smaak en de bereidheid tot lange voorspelen. We zijn agenten van de natuur, en moeten doen wat ons te doen staat. Zelfs de genieën bezitten hun intelligentie niet, ze geven ze alleen door. En niet via de culturele centra, de boeken en Canvas-TV, maar blindweg, tja, via het bespringen van vruchtbare wijfjes. Het is niet gezegd dat deze strategie het zal halen. De bewegingsruimte van alfadieren is uiterst beperkt, kijk naar de diabolisering van Dutroux en de verbanning van Polanski. Wel denk ik dat deze clash veel fundamenteler is dan alle “cultuurclashes” samen. Allerlei satanische bewegingen, naast new-age-utopieën zoals de Luciferiaanse illuminati, spelen met het niet al te vrouwvriendelijke idee om het (mannelijk) intellect een absolute vrijheid van procreatie toe te kennen.

Alleszins is de sociale biologie, als tak van de antropologie, een boeiende wetenschap, we gaan hier nog plezier aan beleven. Ze kan zonder problemen alle andere disciplines, zeker ook de filosofie, vervangen en absorberen. Het idee dat ons bewustzijn ook maar in de minste mate de geschiedenis bepaalt, is lachwekkend en absurd.

Het kan natuurlijk ook zijn dat het DNA de vrouwelijke kaart trekt, die van de muze dus, en dan is heel de theorie van Polanski, Cliquet en Sanctorum voor de prullenmand. We testen het verder uit, en houden u op de hoogte.

Johan Sanctorum