Maandelijks archief: september 2010

Het Verdriet van Vlaanderen

Over collaboratie, repressie, en de noodzaak tot wedersamenstelling van een collectief geheugen

De nieuwe diffamatiecampagne vanuit de francofone hoek tegen Bart De Wever, over wiens familiale stamboom een bruinzwarte geur zou hangen, brengt, tussen het uitzichtloze gehakketak van de preformatie, nog eens het collaboratiethema onder de aandacht. En dan lopen de emoties hoog op, wat goed is voor de politieke temperatuur in een klimaat waar doorgaans alleen nog over punten en komma’s wordt gediscussieerd.

De feiten: grootvader De Wever was lid geweest van het Vlaams Nationaal Verbond (kortweg VNV), een Vlaams-nationalistische partij die tijdens het interbellum was ontstaan, en die vogels van nogal uiteenlopende politieke pluimage onderdak bood: activisten (ex-collaborateurs uit WO-I), separatisten, cultuurflaminganten, tot en met zeer gematigde flamo-belgicisten. Vast staat dat de partij al in de late jaren ’30 in het geheim financieel door nazi-Duitsland werd gesteund, en nadien voluit voor de collaboratie ging, vooral onder impuls van den Leider Staf de Clercq. Voor hem stond het vast dat samenwerking met de bezetter, inclusief het leveren van een Vlaams Legioen voor het Oostfront, zou leiden naar een onafhankelijk Vlaanderen, in een naoorlogs Europa waar België van de kaart zou verdwijnen. De Duitsers zouden ahw het vehikel leveren voor onze onafhankelijkheid, maar het omgekeerde gebeurde natuurlijk: het VNV was voor hen gewoon een instrument om de bezetting in goede banen te leiden. Op het einde van de oorlog zouden ze het trouwens genadeloos aan de kant schuiven. Ondertussen had de partij niet alleen de militaristische stijl en retoriek van de nazi’s overgenomen, maar ook het ideeëngoed van raszuiverheid en jodenhaat. Daar kan Bart De Wever natuurlijk niets aan doen, maar voor de journalisten van Le Soir valt de appel nooit ver van de boom.

Over de francofone strategie achter deze stigmatisering kan dan ook niet de minste twijfel bestaan: het is nu kwestie de N-VA politiek te isoleren en de “staatsdragende” partijen te verenigen in een soort noodkabinet van Nationale Eenheid. Alle beetjes helpen: zelfs de afwezigheid van senaatsvoorzitter Danny Pieters op een Breendonkherdenking wordt in La Libre Belgique als een neonazistisch statement uitgelegd. In de hoop dat de N-VA vervolgens het Vlaams Belang achterna gaat en mee in een supercordon terecht komt van vvz’s, vieze Vlaamse zwartzakken waar niet mee samen te werken valt.

Bart De Wever reageerde voor één keer niet tactisch maar tamelijk emotioneel en principieel, en dan wordt het natuurlijk interessant. De N-VA voorzitter mag weer tweewekelijks een column voor De Standaard volschrijven (iets wat geen enkele andere Vlaamse politicus gegund is, en waar ik me dus als democraat vragen bij stel, maar soit), en greep die kans aan om de Walen hun eigen collaboratieverleden onder de neus te duwen. Een verleden dat zij, in tegenstelling tot Vlaanderen, absoluut niet zouden verwerkt hebben en tot op vandaag stelselmatig minimaliseren. Zo passeren in het stukje van de gebelgde De Wever Hergé, diens extreem-rechtse mentor pater Norbert Wallez, en de onvermijdelijke Rex-leider Léon Degrelle de revue. Hetgeen Franstalig België en Le Soir (in de column foutief als een “collaboratiekrant” betiteld) dan weer deed steigeren en de auteur ervan beschuldigde om met extremistische praat de gemeenschappen tegen elkaar te willen opzetten. Quod erat demonstrandum: Bart De Wever is een fascist.

Niet echt slim van hem dus om in deze logica van de self-fulfilling prophecy mee te gaan. Afgezien van de voor een historicus onvergeeflijke uitschuiver (de “collaboratiekrant” Le Soir), bevat het stukje van De Wever ook een paar foute accenten, die ik als amateur-historicus én ervaringsdeskundige hier graag wil rechtzetten.

Kanonnenvlees: van de IJzer tot de Dnjepr

In de eerste plaats lijkt het me een zwaktebod om de bal gewoon terug te kaatsen en te beweren dat Franstalig België al evenzeer in zwart uniform rondliep: de collaboratie in WO II (in WO I trouwens ook) is wel degelijk een typisch Vlaams verhaal, en moet bekeken worden in het licht van een radicalisering van de Vlaamse beweging tijdens het interbellum, tegen de Belgische staat in, die steeds meer als een bezettingsmacht werd ervaren. De Walen zijn misschien parasieten en profiteurs, maar ten gronde geen collaborateurs. Waarom zouden de Walen en de Brusselaars ook gecollaboreerd hebben? Wat hadden ze te winnen? Afgezien van een aantal economische opportunisten, mensen die het echt om den brode moesten doen, jonge avonturiers (goed voor het Waals Legioen), en welsprekende paradehelden (waarvan le beau Léon Degrelle als absolute topklasse mag beschouwd worden), was er in Zuid-België geen enkele politieke reden om met de bezetter mee te heulen. In Vlaanderen dus des te meer.

Ik hoef daarvoor niet ver in de archieven te duiken, onze familiegeschiedenis spreekt voor zich. Mijn grootvader was als WO-I-veteraan actief in de Frontpartij, de eerste Vlaams-nationalistische partij in België. Het desem van deze oudstrijdersformatie werd zonder twijfel gevormd door het misnoegen over de abominabele taaltoestanden binnen het Belgisch leger, met een eentalig Frans kader dat bevelen gaf aan het Vlaams (en grotendeels Frans-onkundig) kanonnenvlees. In wezen ging het hier nochtans om een minimalistische underdog-attitude, die zich als een eis tot wederkerigheid uitdrukte: “we hebben voor België gevochten, geef ons nu het recht op eigen taal en cultuurgebied” (“Hier ons bloed, wanneer ons recht?”, slogan van de IJzertoren). Hoewel de door de repressie opgejaagde activisten er een onderdak hadden gevonden, was die burgerrechtenbeweging dus niet echt anti-Belgisch, althans niet in oorsprong. Maar naarmate de beloftes van “koning-ridder” Albert-I omtrent de vernederlandsing van Vlaanderen dode letter bleken en door het franco-belgisch establishment werden weggelachen, radicaliseerde de Frontpartij tot een onafhankelijkheidsbeweging, om in 1933 op te gaan in, jawel, het VNV waar we ook grootvader De Wever tegenkomen.

De collaboratie in WO II is wel degelijk een typisch Vlaams verhaal, en moet bekeken worden in het licht van een radicalisering van de Vlaamse beweging tijdens het interbellum, tegen de Belgische staat in, die steeds meer als een bezettingsmacht werd ervaren.

Ik sla hier nu een aantal stappen over, zoals de fameuze verkiezing van de gevangen ex-activist August Borms in 1928. Vaststaat, dat vanaf dan de collaboratie met nazi-Duitsland in de  sterren geschreven stond. Politiek-historisch en psychologisch is radicalisme altijd het gevolg van een vernedering. Zoals het Versailles-dictaat de weg vrij maakte voor extreem-rechts in Duitsland, en zoals Hamas bemand wordt met mensen die altijd al in vluchtelingenkampen hebben gewoond. De generatietransitie is daarin cruciaal: de mislukking van de vaders confronteert de zonen met een rehabilitatie-opdracht, waarin een dosis ressentiment en revanchisme onvermijdelijk is.

Zo voegen de microgeschiedenissen, de “kleine verhalen”, zich naadloos in de macrohistorie, dé geschiedenis. Op dat punt van convergentie worden beslissingen genomen die alleen veel later hun draagwijdte zullen prijsgeven. Mijn vader behoorde tot die verloren generatie van zonen-van-puinruimers (letterlijk te nemen: het puinruimen was jaren na de eerste wereldoorlog nog altijd het enige werkperspectief voor vele oudstrijders). Als 17-jarige snaak tekende hij in 1942 voor het Oostfront. Het was niet mijnheer pastoor die hem had geronseld: het ging wel degelijk om een politiek, anti-Belgisch engagement dat hem met de paplepel was meegegeven. Wat hij en zijn maten toen niet doorhadden, is dat geen haar op de Duitse hoofden eraan dacht om na de overwinning Vlaanderen zijn onafhankelijkheid te gunnen. Hooguit een status van Reichsgau zat erin, een provincie. Zo werd het verhaal van het kanonnenvlees herhaald: voor de Duitsers waren deze vrijwilligers weinig meer dan nuttige idioten, identiek aan de boerenpummels die in het IJzerslijk verdronken. De veldtocht eindigde tenslotte in 1945 in een Russisch krijgsgevangenkamp, een uitlevering aan de Amerikanen, en tenslotte de repatriëring, een proces wegens landverraad, en drie jaar “bak”.

Er werd bij ons thuis weinig gesproken over dat Russisch avontuur. De details zal mijn vader allicht in zijn graf meenemen, en ik wil er ook verder geen familiesaga van maken. Het was een gegeven dat je nu niet bepaald in je cv opnam. Wel viel me dra op dat ons geheimpje helemaal niet uitzonderlijk was: van zodra je met iemand vertrouwelijk werd, bleek er in elke Vlaamse familie wel zo’n verhaal rond collaboratie en repressie te sudderen.

Ontkenning en verdringing: het Verdriet van Vlaanderen

Sudderen? Jawel. Dit bleek tot een verzwegen geschiedenis te behoren, een “zwarte bladzijde” die moest omgeslagen worden, maar die anderzijds ook door de politiek-correcte goegemeente werd gebruikt  en gerecycleerd om tegenstanders te marginaliseren. Met een “zwarte” ging je niet om, dat was zoals een pestlijder. Enerzijds was dit een haast genetische kwestie (eens zwart, altijd zwart), maar anderzijds kwam men ook zeer snel in dat verdomhoekje terecht. De links-progressieve elites hebben dat systeem rigoureus en met succes toegepast, ik merk het tot op vandaag in de stukjes van Marc Reynebeau: er bestaat bij ons nu eenmaal een slag van ‘foute’ lieden die gemakshalve ook een fascistisch ideeëngoed wordt toegedicht, of op zijn minst een ranzig onderbuikdenken. Het foute oorlogsverleden van onze voorvaderen wordt op die manier geëxorciseerd, maar tegelijk onbeschikbaar gemaakt voor een meer serene en empathische benadering. Zo kwam intellectueel Vlaanderen in een luslogica terecht, waar het tot op vandaag in verkeert: de onbespreekbaarheid van ons collectief collaboratieverleden leidde tot een maatschappelijke tweedeling, waaruit opnieuw een verkrampte attitude tegenover het verleden resulteerde.

Na meer dan vijftig jaar bestaat er dus nog altijd zoiets als een sociologische barrière tussen een politiek-correcte, “witte” helft van Vlaanderen, warm en solidair, mensen die het goed menen met hun omgeving, de maatschappij, het milieu, de wereld, -… en een bruine, zure laag van bad guys, kritikasters, negativisten, egoisten, caracteriels. Die clichés leven niet alleen in de francofone perceptie op de Vlamingen, maar ook in Vlaanderen zelf. De hutu tegen de tutsi dus, het is een karikatuur, maar het bestaat echt. In wezen is dit een substraat van de repressietijd, waarop zich, merkwaardig genoeg, een nieuwe polarisering heeft geënt die we vandaag kennen, tussen links/progressief/open/Belgicistisch enerzijds, en rechts/conservatief/gesloten/flamingant anderzijds. Om tot de eerste groep te behoren moet je van onberispelijke komaf zijn. In de tweede kom je als vanzelf terecht als je niet braaf genoeg bent. Ik geef maar één voorbeeld: oud GvA-journalist Roger Van Houtte, die door Steve Stevaert als subversief werd geklasseerd (hij weigerde naar de pijpen te dansen van Concentra/Stevaert), kreeg meteen een Vlaams-Blok-etiket op zich gekleefd, waarna vanzelfsprekend het ontslag volgde (voor meer details: zie ons boek “Media en journalistiek in Vlaanderen”). Zo werkt het heksenjachtsysteem. Dit gaat over etiketten, verdachtmakingen, stigma’s, sociale isolering en tenslotte broodroof,- een fenomeen dat alle VB-politici én Bart De Wever ondertussen zeer vertrouwd moet zijn. De werkloze Van Houtte, van huis uit wellicht zelfs geen flamingant, werd vervolgens opgevist door… de N-VA. Quod erat demonstrandum: Roger Van Houtte is een nazi.

Tweede punt van discussie geldt dus de vraag of Vlaanderen dat collaboratieverleden echt historisch én emotioneel verwerkt. Bart De Wever beweert van wel, maar dat is een optimistisch understatement. Het is niet omdat een aantal academici het fenomeen besnuffeld en vertikaal geklasseerd heeft (zoals Bruno De Wever, die het politiek met zijn bekende broer overigens helemaal oneens is), dat het in het collectief geheugen een plaats heeft gekregen.

We zijn dus een volk van collaborateurs, maar het verlichte, deugdzame (en uiteraard ook de Belgisch eendracht toegenegen) Vlaanderen is aan dit inzicht nog lang niet toe. Laten we dit, met een knipoog naar Hugo Claus, “Het verdriet van Vlaanderen” noemen: een ingenieus spel van ontkenning en verdringing, waarbij het cultureel establishment en de media steeds opnieuw imaginaire scheidingslijnen trekken tussen goed en kwaad. Deze politiek-correcte terreur is een echo van het repressiemechanisme. Ze leidt tot maatschappelijke segregatie en culturele ghettovorming die zich o.m. uit in het koesteren van aftandse symbolen en rituelen, het frekwenteren van halfgeheime genootschappen, het flirten met –jawel- mystiek-fascistoide ceremonieën (genre Zangfeest, IJzerbedevaart, IJzerwake).  De politieke partijen die de “zwarten” aantrekken zijn tot op vandaag sterfputten, ze hebben geen enkele toekomst. Het gold voor de Volksunie, nadien voor het Vlaams Blok, en De Wever is als de dood voor het idee dat dit ook de N-VA te wachten staat. Tussen zwart en wit hangt trouwens een brede “grijze zone” vol lieden die spartelen om aan de stigmatisering en de sociale uitsluiting te ontsnappen. Mensen die zich om een of andere reden een beetje verbrand hebben en zich proberen wit te wassen, eventueel zelfs uit schaamte of schuldgevoel.  Journalist Piet Piryns en Groen-politica Freya Piryns, resp. zoon en kleindochter van Remi Piryns, sinds 1941 lid van de nazi-georiënteerde knokploeg NSJV, doen al heel hun leven aan dit soort Wiedergutmachung.

En zo blijft de Vlaamse intellectuele bovenlaag hangen in een pro-Belgische en zelfs monarchistische poco-kramp, want alleen België kan Vlaanderen verschonen…: dit is het kunstmatig, schijnvroom universum van Suske en Wiske

Terugkerend naar de familieverhalen, is het dus niet zo verwonderlijk dat “foute” oorlogsverledens nog steeds geen publiek-maatschappelijk issue zijn, maar eerder een onderwerp van gefluister  in de achterkamertjes. Het is dan ook tamelijk hypocriet van een historicus als  Rudi Van Doorslaer, directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (Soma), om zich over deze omerta te verwonderen:

‘Alleen al de Vlamingen die in Duitse dienst naar het Oostfront trokken, zijn met de twee generaties nakomelingen die ze nu hebben, samen goed voor de bevolking van een middelgroot stadje. Waar kan je hun familieverhalen horen, die je toch allesbehalve alledaags kunt noemen? Nergens.’

Wel beste Rudi, ik zal je een simpele reden geven waarom die familieverhalen niet naar buiten komen: omdat weldenkend Vlaanderen er niet mee omkan, en iedereen zich dus gedeisd houdt. Als bewoner van jouw “middelgroot stadje” kan ik alleen maar bevestigen dat de negatie- en verdringingscultuur, ondanks het gebulder van Maurice De Wilde, mensen om sociale en professionele redenen sterk aanzet om te zwijgen. Het kringvormig denken van het intellectuele establishment, inbegrepen heel de cultuursector en de grote media, zet mensen ertoe aan om hun geheimen te bewaren of ze enkel in een krans van gelijkgezinden te delen.

Inzake Willy Vandersteen, alias Kaproen, ergert me dus niet zozeer het feit dat hij antisemitische spotprenten tekende voor een nazikrant, maar wel dat hij dat al die jaren angstvallig verborgen hield,- moest houden-, ook als de repressie allang achter de rug was. Idem dito voor al die schrijvers, vooral juist van links-progressieve signatuur, die in de leugen leefden en het verleden uit schaamte wegmoffelden. Ik denk aan Hugo Claus, wiens biograaf Piet Piryns (jawel, dezelfde) met een brede boog om het oorlogsverleden van vader Jozef Claus heen loopt, zoals hij in een DS-interview toegeeft. Of, buiten onze grenzen, aan Günter Grass, hét geweten van de naoorlogse Duitse natie, die tot zijn 80ste levensjaar zorgvuldig zijn lidmaatschap als SS-vrijwilliger voor het publiek had verborgen gehouden.

Zo’n ontkenningsgedrag valt alleen te verklaren vanuit een klimaat van taboes en (zelf)censuur,-  het kunstmatig, schijnvroom universum van Sukse en Wiske. En zo blijft de Vlaamse intellectuele bovenlaag ook hangen in een pro-Belgische en zelfs monarchistische kramp, want alleen België kan Vlaanderen verschonen. Een eeuwigdurend proces. Dat zal ook het ultiem argument zijn waarmee de republikeinse ambities van NVA én VB onder tafel zullen worden geveegd. Le Soir en de Libre hebben de toon al gezet.

Her-innering

Welke lering kunnen we nu trekken uit dit beknopt Heimat-script?

Ten eerste zouden we na een halve eeuw moeten erkennen dat de collaboratie in Vlaanderen een historische fataliteit  was en de resultante van een brede incivieke, anti-Belgische beweging,- geen accident de parcours dus. Dat aantonen is werk voor historici, vorsers, studenten, voor zover ze daar de intellectuele speelruimte voor krijgen van de instituten waarin ze functioneren. Een wetenschappelijk-historische herlezing is alleszins noodzakelijk: een vrijmoedig en gedurfd historisch revisionisme (de wil om de geschiedenis met een onbevangen blik te her-lezen en her-interpreteren, buiten de clichés). Misschien mag er wel eens een “Vlaams Studiecentrum over Collaboratie en Repressie” uit de grond rijzen.

Ten tweede – en dat is meer een opdracht voor de media, de intellectuele bovenlaag, het maatschappelijk middenveld en de kunstensector- is Vlaanderen dringend toe aan zelfopvoeding en sociale therapie. Centraal staat hierin de vraag, hoe de Vlamingen hun donker verleden kunnen omhelzen en verinnerlijken, juist via de verlichtingsprincipes van kritiek, zelfkritiek en vrij onderzoek. Dit gaat over de noodzaak tot wedersamenstelling van een collectief geheugen, met bovenstaande wetenschappelijke revisie als basis. Het doorsijpelen daarvan in de publieke opinie zou dan moeten leiden naar het dichten van de sociologische kloof tussen goed en fout, wit en zwart,- de kloof  die vandaag tot een steriel links/rechts-antagonisme is gescleroseerd. Het collaboratieverhaal mag geen fetisj blijven van rechts en extreemrechts, het zou daarentegen een plaats moeten vinden in de geschiedenisboekjes, als pedagogische conclusie van een collectieve zelfbevraging. Niet verheerlijkend, maar ook niet stigmatiserend of zelfbeschuldigend. Een her-innering, met de rijke, meervoudige betekenis, eigen aan dit woord.

Deze bevraging heeft uiteraard een ethische draagwijdte. De link met bv. de holocaust is essentieel, we moeten niet zelf aan autocensuur gaan doen en het negationisme gaan beoefenen: het VNV eindigde als waterdragers van de nazi’s en hielp actief aan de deportatie van Joden. Ook die ontsporing moet een plaats krijgen in het collectief geheugen, dat hier als collectief geweten mag optreden, zonder in een gemakkelijke excuuscultuur te ontaarden,- een val waar uitgerekend Bart De Wever al eens is ingetrapt. (In oktober 2007 hekelde hij terecht de excuusvertoning van Patrick Janssens ivm de deportaties van Antwerpse Joden, maar mocht zich vervolgens zelf gaan excuseren bij de Joodse gemeenschap voor deze “misstap”…)

Het Vlaamse Prinsenvolk, zoals Remi Piryns het bezong. heeft nooit bestaan. We zijn varkensboeren, waarvan er hier en daar eentje zich met succes heeft omgeschoold tot tatoueerder van varkens…

Uiteindelijk,- en dat is nog de grootste uitdaging, moet deze sociale therapie gekoppeld worden aan een grootse identitaire bevraging in de Vlaamse cultuurruimte: wie zijn we, wat is er gebeurd, waarom is het zo gelopen. En vooral: hoe kunnen we vermijden dat de verhalen van het kanonnenvlees zich nog eens herhalen. Dat vind ik, als filosoof, verlichtingsflamingant, én zoon/kleinzoon van, nog de meest boeiende oefening. Elke ontkenning of zelfvervreemding is hier uit den boze. Het is niet genoeg om, met François Mitterrand, te zeggen dat mensen en tijden veranderen, zo komt men altijd gemakkelijk weg. Men moet ook durven zeggen dat sommige dingen niet veranderen en tot de essentie van een identiteit behoren. Zijn we zwart? Het zij zo. Ruiken we naar stront, zijn we mestkevers (“sales boches”), zoals Brueghel, Hugo Claus, Dimitri Verhulst, Wim Delvoye en Karel De Gucht ons voorhouden? Laten we dan ophouden met dit te ontkennen en ons als propere Belgen te gedragen. Ik wil hier helemaal niet de woorden “fierheid” of “trots” gebruiken, eigen aan het romantisch nationalisme zoals Conscience ons dat inlepelde. Wel lijkt me “zwart” of “bruin” haast een geuzentitel in een maatschappij die alles witter-dan-wit wil wassen. Alleszins gaat het om een complex introspectieproces dat artistiek en literair zijn beslag moet krijgen, maar ook moet geëxpliciteerd worden, eventueel dus zelfs naar een politiek-maatschappelijk vertoog. De IJzertoren staat slechts in de marge van dit bewustwordingsproces.

Het Vlaamse Prinsenvolk, zoals Remi Piryns (zie hoger) het bezong, heeft nooit bestaan. We zijn varkensboeren, waarvan er hier en daar eentje zich met succes heeft omgeschoold tot tatoueerder van varkens. Veeleer zouden we  dus Indépéndance cha-cha-cha moeten zingen, of een Menapische variant erop. De identificatie van de Vlaming als een ongeneeslijke en onafwasbare “zwarte”, in zijn status van Germaanse neger binnen het Latijns-Belgisch verlichtingssuprematisme, is een van mijn favoriete onderwerpen als essayist. Ik ontwikkelde het, steeds vanuit een andere invalshoek, in een aantal teksten, zoals “Al wie dit leest is een racist” (juli 2006), “Berichten uit la Flandre profonde” (september 2007), en niet te vergeten de satire “Ceci n”est pas un poisson” (november 2008). Het is een vorm van sociografie die zich op de tangens bevindt van existentieel-familiale, historische, en levensbeschouwelijk-filosofische krachtlijnen.

De vraag hoe een Vlaamse identiteit kan geparafraseerd worden, buiten de flamingant-romantische clichés, heb ik tenslotte –als repliek op Verhofstadt én De Wever- ontwikkeld in “Op zoek naar een huid”. Het zijn maar aanzetten, haast lapidaire beschouwingen. Toch tekent zich voor mij, met de dag duidelijker, een beeld af van een weerbarstig, plooibaar maar niet breekbaar, tamelijk individualistisch volkje met een neus voor tegencultuur. Soms naïef, soms neigend naar extremistische remedies voor aanslepende ziektes. Een ambivalente levenshouding van Uilenspiegel en Lamme Goedzak. Met denkschema’s die vooral vanuit de buik en onderbuik opborrelen, en een taal die oscilleert tussen het barok-sublieme en het plat-obscene. Daarmee heb ik een grondtrek geraakt van de hedendaagse Vlaamse literatuur die extreem flamingant is, op een infra-nationalistische manier, alleen weet ze het (nog) niet of wil ze het niet weten. En daarmee is ook duidelijk dat de “communautaire dialoog” in België ten dode is opgeschreven: we hoeven elkaar niet naar het leven te slaan, maar we zijn ten gronde verschillend.

Het is nu uitkijken naar een literaire generatie die ook de politiek-maatschappelijke conclusies aandurft van haar eigen artistieke drive. De identitaire bevraging, met zijn artistieke en literaire uitlopers, wordt dan de culturele motor van een republikeins emancipatieproces, weg uit de Belgische constructie. Steeds weer komt me dan de historische onafhankelijkheidspeech van Patrice Lumumba voor de geest, 30 juni 1960, die Koning Boudewijn zowat van zijn stoel blies. Een duurzaam voorbeeld voor ons, zwarten. Al eindigde hij voor het executiepeleton en vervolgens in een oplossing van zwavelzuur, mede dankzij diezelfde Koning Boudewijn. Ook dat verhaal in herinnering houden, is bijzonder nuttig.

Johan Sanctorum

Advertenties

De knuffelrobot als metafoor

    

 Het stond gisteren in De Standaard, dus moet het waar zijn: de knuffelrobot Probo, ontwikkeld aan de VUB, gaat door met onze harten te veroveren, en wordt nu naar de wereldtentoonstelling van Sjanghai gestuurd, in het kader van de Brusselse week. De Chinezen gaan omver vallen van dit technologisch hoogstandje. Het betreft een bewegende en op menselijke signalen reagerende pop die “probleemgroepen” zoals langdurig gehospitaliseerde patiënten, autistische kinderen en demente bejaarden affectie moet bezorgen. Visueel oogt de dummy als een licht plagiaat van Kermit, de populaire groene kikker uit de Muppets Show, maar dan met de slurf van het Disney-olifantje Dumbo. Origineel aan het project is anderzijds de ingenieus opgezette PR-mix: het gerucht van een wetenschappelijke innovatie, een emo-verhaal rond het goede doel, en dan nog eens een Belgisch-Brussels tintje. Genoeg voor Vlaamse kranten en weekbladen om zich blindelings op dit goed nieuws te storten. Stel u voor, al die ongelukkige kindjes getroost met een ingepluchte robot die de zorgsector het nakijken geeft, niet staakt, nooit nukkig of oververmoeid is. Achter het initiatief van de vzw Anty Foundation zit dan ook een goed-draaiende lobbymachine, in 2002 opgestart door ene Ivan Hermans, –niet te verwarren met zijn naamgenoot en studiegenoot van mij aan de VUB, momenteel UNAIDS medewerker.

Van een zelfverklaarde kwaliteitskrant zoals DS zou men alleszins mogen verwachten dat het hoera-geroep rond de gelukspop wat getemperd wordt, en men eens kritisch wat achtergronden gaat uitpluizen. Niets daarvan, het getoeter kan niet op. In “Media en Journalistiek in Vlaanderen”, – u weet wel, dat boek dat dankzij de Vlaamse media alleen onder de toonbank wordt verkocht, waardoor het echt een hebbeding werd-  ontmaskerde Frank Thevissen het Probo-verhaal al als één langgerekte PR-stunt van een project dat uitsluitend tot doel heeft om zijn eigen kas te spijzen (en uiteraard de portefeuille van de betrokken “wetenschappers”). Het vindt daarbij blijkbaar alle Vlaamse “kwaliteitskranten”, magazines en natuurlijk de boekskens bereid om de lezer als informatie verpakte reclame op te lepelen.  

“In zeven jaar tijd heeft geen enkel medium ook maar één inspanning geleverd om de communicatie van de vzw Anty Foundation te toetsen aan de concrete realisaties op het terrein, laat staan het ‘goede doel’ te doorprikken als een pretext om fondsen in te zamelen. Integendeel, letterlijk alle media, zowel televisie, radio als print media, nemen sinds 2002, jaren aan een stuk, dezelfde fantaisistische pr-boodschap over, vaak met vermelding van contactgegevens van de initiatiefnemer”, aldus Thevissen.  

De Standaard produceert overigens dat soort brandend content (als nieuws vermomde publiciteit) met de regelmaat van een klok. In diezelfde editie van 16 september 2010 vinden we een 16 blz tellend redactioneel katern “Vlaming en Europeaan”,  bij nader toezien een reclameboodschap van de Vlaamse overheid, en mede gesponsord door de EU. Maar wel, blijkens de colofon, helemaal op muziek gezet door DS-redacteuren, en in een redactionele opmaak die de verwisseling compleet moet maken.  

De Brusselse knuffelrobot is de perfecte metafoor voor politiek die alleen nog (slecht) theater produceert, en media die de gebakken lucht heropwarmen.

Onverantwoord interessant, zeg dat wel. Maar de Probo-stunt brengt ons nog op andere dan mediakritische overwegingen. Het is namelijk een pseudo-wetenschappelijke draak die academici van andere universiteiten laat schudden van het lachen. Dat de VUB zich hiertoe leent, is hoogst bedenkelijk, en moet gezien worden als een wanhoopspoging om wetenschappelijke credibiliteit te verwerven. Andere universiteiten creëren spin-offs op gebied van biogenetica (zoals Leuven en Gent, de twee Vlaamse universiteiten die in de wereldtop-200 voorkomen), de VUB doet het met een automaat die in de 18de eeuw verbazing kon wekken. Als ik rector van de VUB was, ik wees dit staaltje van nep-wetenschappelijke innovatie onmiddellijk de deur. Quod non: de blijde academische tijding rond Probo blijft maar komen, al acht jaar lang.  

Failliete stad vindt waardige masquotte  

J. Ensor: "Maskers rondom een skelet"

Interessanter nog, en daarnaar verwijst de titel van dit stukje, is het politieke piepschuim in  de knuffelrobot. De bedenkers wisten namelijk ook een kransje Brusselse politici, zoals Guy Vanhengel en Benoît Cerexhe, bevoegd voor respectievelijk informatica en wetenschappelijk onderzoek, warm te maken voor Probo en van de onnoemelijke imago-waarde te overtuigen. 600.000 Euro had dit armlastig Brussels gewest over voor de gemotoriseerde teddybeer. Tja, dat vraagt natuurlijk om milde spot en enig sarcasme. Een door een operetteregering geleid gewest dat van geen kanten werkt, dat qua administratie, mobiliteit, criminaliteitsbeheersing,… eeuwen achterop loopt, en waar politici uitsluitend met zichzelf en hun goedbetaalde baan bezig zijn,- ja, die kunnen zo’n homunculus wel gebruiken. Een stad waar achter de hoge, blitse EU-buildings een allochtone subcultuur gist die aan een sneltempo radicaliseert: stuur er Probo op af, en alles is opgelost. Een paar dagen geleden nog werd een jongeman in een Brussels metrostation door twintig “jongeren” (zo worden ze in de pers neutraal aangeduid) in elkaar geslagen en voor dood achtergelaten. Zo iemand verdient toch een knuffelpop aan zijn ziekenbed, met de warme groeten van minister-president Charles Picqué.  

Kortom: de Brusselse knuffelautomaat is de perfecte metafoor voor politiek die alleen nog (slecht) theater produceert, en media die de gebakken lucht heropwarmen. Probo is de postmoderne versie van Manneken Pis: een ludiek embleem dat de tragikomische toestand van een cultuur-in-ontbinding moet verbergen. Meer nog: deze emo-pop is de ultieme, allerlaatste uitloper van het Brussels-Belgisch surrealisme, dat de schijn tot werkelijkheid promoveert, en puur teert op beeldretoriek, het welbekende façadisme, de Ensoriaanse maskers die zich rondom een skelet scharen. Probo is zo dood als dit land, maar gelukkig lopen er een aantal buiksprekers rond en worden de batterijtjes nog vervangen. Politici die steeds maar weer over “de mensen” lullen, solidariteit en sociale cohesie, maar uiteindelijk hun toevlucht nemen tot een robot om de geluksvraag op te lossen. Pathetisch en hilarisch tegelijk.  

Dat brengt ons op de derde en laatste bedenking: waarom gedoogt een maatschappij, die zichzelf tot “solidaire samenleving” uitroept, dit soort piepschuim-empathie? Is het wel gezond dat wij emoties uitbesteden aan poppen, om ze zelf niet te hoeven investeren in onze omgeving? Het ligt natuurlijk in de lijn van de sociale rationalisering en het wegvallen van familiale banden: kinderen in de crèche, bejaarden in het gesticht, zodat alle fitten zich de naad uit de broek kunnen werken om die uitbesteding te kunnen betalen.  

Probo is dus ook zelf een symptoom, veeleer dan een remedie: hij staat voor een verlies aan intermenselijk contact, de verdere virtualisering, en een groeiende dominantie van het instrumentele, objectivistische denken in een prestatiemaatschappij.  

Men zou kunnen zeggen dat kinderen graag met poppen spelen en levenloze objecten een “leven” toekennen, maar in het geval van de knuffelrobot gaat het louter om een prothese, een surrogaat voor echte, uitwisselbare emoties. Een hoop draden, radertjes en electronica die een enorm sociaal deficit moeten compenseren.  

Ondanks de mateloze media-belangstelling die de knuffelrobot geniet, heb ik nog niemand uit de politieke wereld of de sociale sector, noch van links noch of rechts, horen protesteren tegen deze robotisering van de affectie. Groenen, linksen, de kampioenen van de “warme samenleving”, maar ook de rechts-conservatieve pleitbezorgers van de “gezinswaarden”: je hoort ze niet. Zelfs de witte sector, de verplegers en verpleegsters, thuishelpers, etc.: niemand maakt zich druk over de vervanging van mensen door poppen, op een plek waar menselijk contact als cruciaal wordt gezien.  

Het moet dus zijn dat mythes echt werken, ook vandaag nog. In dat opzicht is Probo zeker nog een toekomst weggelegd, en mogen we zelfs aannemen dat dit koninkrijk met zijn marionettentheater het nog wel even volhoudt.  

Het simulacre regeert, om nog maar eens Jean Baudrillard aan te halen. Alleen een gezonde dosis kwaadwilligheid en onwil om mee te lopen in de parade kan ons hier redden. De knuffelpop doodknuffelen, letterlijk, ofwel in de fik ermee, het moeten niet altijd boeken of kranten zijn. Genoeg techno-euforie en zeemzoete PR-praat. Leer uw kinderen terug neen zeggen aan de nep en de pep. Of zoals ze in Shanghai zeggen: met alle Chinezen, maar niet met den dezen.  

Johan Sanctorum  

 

Epifanie

Pleidooi voor een cultuur van uitschrijven en ont-lezen

Als een windhoos raasde expert Jan Hoet door het Paleis van Schone Kunsten. De Standaard had hem dit voorjaar uitgenodigd om de inzendingen te inspecteren van “De Canvascollectie”, een door de VRT georganiseerde talentenjacht die vooral naar het “innerlijke, verbazende, en weerbarstige” op zoek was,- dixit de jury. Op een zondagavond werden alle inzendingen nog eens op TV getoond, aan de snelheid van één beeld per seconde. De hyperkinetische Jan Hoet had voordien al in een halve minuut alles bekeken en 90% platgetrapt, zo lees ik toch in De Standaard van 12/5/2010:
 “‘Allee, wat hangt hier nu? Die tenten, wat is dat voor iets? Je kunt ook caravans schilderen. Maar kunst is het niet. Het is zelfs niet echt goed gedaan. Zie, hier, die rode tent, dat is een dood stuk. Rood en toch dood!’”
 Moest ik in die tent gezeten hebben, ik was eruit gekomen en had de eminente curator een pak slaag verkocht, en daarmee en nieuwe uiting van action-painting toegevoegd aan de collectie. Jan Hoet doet zich voor als een speurder naar het excentrieke en onverwachtse, maar eigenlijk hanteert hij de strenge, haast dogmatische regels van zijn eigen modernistische tabulatuur.
 “Slecht, tot zeer slecht” zuchtte de kunstpaus, “Mama mia, wat is dat hier, die kent er helemaal niks van”.
 Uiteindelijk waren het toch weer echte profs die wonnen. Geen onbekend talent, geen verrassing, geen eigenzinnigheid, maar een koppel fotografen dat al dertig jaar meedraait in het circuit. Ingewijden dus…

In dit essay wil ik het niet over Jan Hoet hebben, zelfs niet over kunst, het is maar een binnenkomer. Het gaat over machten die ons beheersen, ons leven bepalen, en die –misschien- kunnen ontweken worden, met als hamvraag: Hoe de collecties ontlopen?

Lees meer