De eudaemonen van morgen

Slecht nieuws voor critici, kritikasters en wereldverbeteraars: het optimisme zit in de lift. Het gaat namelijk helemaal niet zo slecht met deze wereld, we staan er zelfs goed voor, als we Matt Ridley (“The rational optimist”, 2010) mogen geloven. Het vermoeden groeit dat pessimisten en azijnzeikers de wereld en de toekomst niet alleen als slecht en donker zien, maar hem ook slecht maken, ze vormen een hinderpaal voor de vooruitgang. Omgekeerd werkt ook het optimisme als een soort self-fullfilling prophecy: wie gelooft in de vooruitgang maakt de wereld ook beter,- zoals goede beursberichten ook de economie écht een duwtje geven,- niet voor niets was Ridley zelf bankdirecteur.
 Uiteraard gaat dit allemaal slechts over percepties en attitudes. Er schuilt veel fluiten-in-het-donker in dat optimisme, een politiek-correcte vorm van hysterie die eigenlijk veeleer een angst voor de toekomst verbergt. Het optimisme is een zakformaat-religie van manische politici à la Verhofstadt. Ik wil het hier dan ook uit zijn status van wishfull thinking halen, en de toekomst denken, écht doordenken, als een technische, Prometheïsche projectie,- een futurologie. Niet aldoor lullen dat de beste der mogelijke werelden binnen handbereik ligt, maar hem ook haarfijn uittekenen in een gedachtenexperiment en intellectuele stijloefening. Dat betekent het einde van alle wensvoorstellingen, idylles, ideologieën, burgermanifesten en utopische fantasieën. Het is dus vooral een ontnuchterend discours, waarin tegelijk de wetenschap zich ontvouwt als de enige, autentieke zoektocht naar het geluk. Konden de denkers en de dichters dromen, dan is het pas de techniek die het lijden écht uit de wereld kan helpen. Dat heeft verstrekkende gevolgen voor de politiek en de ethiek, zo zal blijken…

Lees het essay

Advertenties

9 Reacties op “De eudaemonen van morgen

  1. Herbert Elias

    Natuurlijk is het helemaal geen “optimistische tekst”, maar in veel zwarte humor verpakt cynisme.
    Meesterlijk geschreven, dat wel… maar sinds het lezen van dit essay heb ik eigenlijk pas echt schrik gekregen.

    H.E.

  2. Ik heb het essay gelezen en het eerste wat ik dacht was ‘waarom kan ik dat niet?’
    Waarom kan ik niet schrijven zoals J.S.?
    Mocht je onverhoopt eerder sterven dan ik wil je me dan je brein nalaten?
    Jij kunt denken én schrijven!
    Net alsof ik nog geen complexen genoeg heb, gaat Johan daar een meesterlijk essay schrijven, dat is niet eerlijk, wacht maar…

  3. Jan Braeken

    Ik stel voor dat we minstens 18.269.128 genen van de mens in een miljoen stukken knippen, tegen een muur smijten, en dan een mesthoopmens maken. Die mesthoopmens eet alleen maar afval van vuilnisbelten met als dessert een paar rotsblokjes, drinkt louter toxische rode modder van fantastische, euforiserende aluminiumreservoirs, kan zich honderden meters uitleuren, en brult zichzelf te pletter van genot als hij in 700 meter diepe kokers van mijnschachten de laatste restjes rots kan opknabbelen. De mesthoopmens moet niet meer lezen, niet meer schrijven, niets meer denken en niets meer voelen. Hij is alleen nog gelukkig, en hij weet dat zelfs niet meer. Dat is tenminste een fatsoenlijke aanpassing ! Mesthoop !

  4. Lou Salomé

    Lijden (ook het Griekse woord “pathos” en het werkwoord “paschoo”) betekenen eindelijk “gaan en dus iets tegenkomen (een tegenslag krijgen)”. Vandaar het woord “leiden” (met de gewone klankverschuiving” = (anderen) doen (vooruit)gaan (in fysieke zin, niet in de zin “van politiek progressief zijn).

    Voor de rest, denk ik dat J.S. het volgens het zich onder ons ontvouwende perspectief ziet. Uiteraard is hier en daar een detail en soms zelfs meer dan dat heel “anno 2010” bepaald, maar de teneur: daar gaat het om. Alleen dat “consortium” is nog een restant van theologisch en teleologisch denken. Op dit punt moet Ockham’s scheermes ingezet worden.

  5. Samengevat: conformisme en situationele ethiek bepalen de uitslag van de stoelendans voor geluk.
    Pessimistisch cultuurrelativisme ten top.

    Denkende (als het ff mag) dat de perceptie van dit essay moreel toch niet helemaal je van het is, geef ons dan nu allemaal maar liever dos cervezas por favor.
    En een grote met mayo en een cervela met andalous.

  6. Ronald Vereecken

    Er zijn hier twee soorten reacties: instemmende (zoals die van mijnheer/mevrouw Lou Salomé), of moreel-verontwaardigde (zoals Lucky en Jan Braeken).
    Ik zelf twijfel nog, ik heb het essay nu al zeker vijf of zes keer herlezen en ontdek steeds weer nieuwe dubbele bodems.
    En het gaat heel gradueel. In het eerste deel zou ik kunnen meegaan. Het tweede deel is echte science-fiction, op het randje. Het derde is een ronduit waanzinnige, postmodern-totalitaire conclusie. Waar moet de lezer stoppen? Troont JS ons hier subtiel mee in een reductio-ad-absurdum?

    • Jan Braeken

      Dag Ronald,

      Ik vond uw reactie prima. Daarnet vroeg ik mij af wat ik eigenlijk nog op dit forum doe. Allerlei gedachten schoten door mijn hoofd. Diegenen die een voorstander zijn van ‘close description’ bijvoorbeeld, (en daarmee zelf niet noodzakelijk automatisch aan ‘close reading’ doen), zouden dit stuk waarschijnlijk radicaal afwijzen. ‘Social engineering’ was nog zo’n gedachte, met dank aan L. Appignanesi, hoewel het niet duidelijk is waar Johan naar toe wil – de vele dubbele bodems zorgen daar voor, zoals jij correct aangaf. Verder dacht ik ook aan het woord ‘bodemloos’ (o.a. verwijzend de zogenaamde ‘bodemloze kinderen’, met dank aan Kristien Gerber).

      Voorts dacht ik aan de morele verantwoordelijkheid die ambivalentie impliciet kan omzeilen, of die Johan misschien ook juist niet omzeilt omdat hij misschien juist alle mogelijke taalgrenzen, grenzen van de waarheid en grenzen van kennis of inzicht wil doorbreken. Hij kan het veld van de oneindige mogelijkheden willen openen, en in dat geval zou ik niets liever hebben (hoewel de manier waarop dit hier gebeurt vele vragen oproept). Ik weet het niet. Ik zal dit artikel ook maar eens opnieuw moeten lezen. Oef ! Heeft het zin ?
      JB

  7. Het is inderdaad een meesterlijk gecomponeerd essay. Sanctorum beheerst dit genre inhoudelijk en stilistisch compleet.
    Het laat de lezer echter in opperste verwarring achter, door de groteske uitwerking van het begrip “de maakbare mens”, dat zo tegelijk gedeconstrueerd wordt.
    Eigenlijk heeft dit essay de complexiteit van een boek.
    Eén opmerking: spionnen die getraind zijn op het ondergaan van foltering, én kankerlijders, zullen kunnen bevestigen dat pijn wel degelijk beheersbaar is. Zonder drugs of pijnstillers. Soms werken die niet eens meer. Toevallig kan ik daar van meespreken.