Maandelijks archief: november 2010

De dakloosheid van Gaia

Ook dit jaar waren de protesten tegen de barbarij op het islamitische offerfeest miniem.

Milieubewustzijn en dierenwelzijn: het blijft iets oneigenlijks en marginaals in ons dagdagelijks universum. Interesseert het de doorsnee Vlaming niet dat een dier afziet? Toch wel, we hebben huisdieren, troetelbeesten, de hond mag nog eerder op de sofa dan oma, en vele oudjes sparen zich het eten uit de mond om de poes met Sheba-blikjes te verwennen. Er is anderzijds natuurlijk wel het algemene slachthuizennegationisme: we willen niet weten waar die kippenbout op ons bord vandaan komt. En wie het wel al gezien heeft, maakt veel kans om zich tot het vegetarisme te bekeren. Walgelijke praktijken, kalveren in kisten, legkippen die leven op de ruimte van een A4-velletje. De sensibilisering rond dierenwelzijn, als universele empathie en respect voor het leven, komt in elk geval niet op gang. En daarvoor mogen, vreemd genoeg, de Vlaamse Groenen met de vinger gewezen worden: in het huidige politieke landschap worden zij gepercipieerd als wereldvreemde Al Gore-adepten die voortdurend met het kijvend vingertje klaar staan, terwijl ze zelf meestal uit een sociaal-geprivilegieerde omgeving komen.  Echte bobo’s dus. Dat straalt negatief af op het ecologisch bewustwordingsproces (“klimaatverandering? Larie!”) en dus ook op de daaraan verwante thema’s zoals dierenwelzijn. Ik spreek met opzet niet over dierenrechten, want rechten worden aan mensen toegekend. Je leert kinderen om spinnen niét dood te trappen, niet omdat die beesten “rechten” hebben, maar gewoonweg omdat dieren ook pijn voelen, en er zoiets als een verbondenheid bestaat met alle levende wezens, buiten de utilitaire horizon van de vleeseter. Dat inzicht hebben we o.m. te danken aan de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832).

In het essay “Kreeft op zijn Japanees”, geschreven na een etentje bij de Japanner waar ze levende kreeften middendoor sneden en op een gloeiende plaat gooiden terwijl de beesten nog minuten lang kronkelden, tot groot plezier van de gasten, heb ik dat gebrek aan fundamenteel mede-lijden vastgesteld en antropologisch omkaderd. De vleeseter wil macht demonstreren en zijn heerschappij over de natuur ritueel bezegelen. Terwijl tal van grote sportlui nauwelijks vlees eten, fysiek hebben we het niet nodig. Maar goed, de Groene beweging, en zeker de partijpolitieke fractie ervan, is veeleer spelbreker dan katalysator geweest in dat bewustwordingsproces.  Het Agalev van Pater Versteylen, ontstaan in de laten jaren ’70 van vorige eeuw, was nog  een echte activistische formatie met een Christelijk-fundamentalistische inspiratie. Maar onder impuls van Mieke Vogels en Jos Geysels werd die spirituele dimensie afgedempt. De partij werd een strak geleide machine die weinig tendensrecht, laat staan dissidentie, gedoogde. De sympathiek-alternatieve, enigszins anarchistische anti-establishmentkantjes werden er afgevijld. Voor ideologische zijsprongen naar meer enthousiasmerende verhalen rond levenskwaliteit, gezondheid, onthaasting, harmonie met de natuur, collectief identiteitsbesef, was geen plaats meer: allemaal te veel buik en onderbuik.

“De sensibilisering rond dierenwelzijn, als universele empathie en respect voor het leven, komt in elk geval niet op gang. En daarvoor mogen we de Vlaamse Groenen met de vinger wijzen…”

Vooral Jos Geysels was en is een extreme ideeënagent, op het Stalinistische af. Hij is de bedenker van het cordon sanitaire, waarmee het politieke establishment zich van een lastige outsider probeerde te ontdoen,- een aanfluiting van elk elementair democratisch fatsoen. Hij was ook jarenlang voorzitter van boek.be, organisator van de Antwerpse Boekenbeurs waar bepaalde uitgeverijen van rechtse signatuur nog altijd geweerd worden. Waarom? Omdat ze incompatibel zijn met de kijk-op-de-wereld van Jos? Binnen het toenmalige Agalev was Geysels een fervent tegenstander van de zgn. basisdemocratie, veegde het cumulverbod aan zijn laars, en duwde hij er een strakke, verticale partijhiërarchie door. Opgeruimd staat netjes.

Geysels is de belichaming van een kil, bureaucratisch ecologisme dat zich vooral op de bovenbouw toelegt, de wetgeving, de regels, en niet op het Volksempfinden, zeg maar het gevoel van de dame met haar 19 katten. De partij hield zich voor de rest strikt aan de normen van de modieus-linkse political correctness, verdedigde bovendien een neo-Belgicistisch discours, kreeg het etiket van regelnevenpartij, en miste zo de Vlaamse grondstroom compleet. Groen! Is vandaag, met zijn schamele 7%, een echte establishmentpartij.

It ’s monotheism, you stupid

Gaia

Het is dan ook niet te verwonderen dat de relatie tussen politiek-groen en Gaia (Global Action in the Interest of Animals) op zijn zachtst gezegd nogal dubbelzinnig is. De Groenen lusten filosoof Michel Vandenbosch niet. Zijn visie is veel te radicaal en anti-establishment. Enkele jaren geleden kreeg hij een pak rammel van veehandelaars op de markt van Anderlecht, terwijl rijkswachters er lachend stonden op te kijken. De NMBS en de Brusselse Metro weigeren zijn (betaalde) affichecampagnes rond de productie van foie gras, omdat de beelden te choquerend zijn: het politieke establishment en de marketeers willen geen onrust rond dierenleed, zeker niet met Kerstmis.

Evenmin is hij voor het klassieke links-progressieve gat te vangen, het paarse gezemel dat we zo beu waren: in tegenstelling tot de Groenen zit er in zijn missie wél een buikgevoel. De naam van zijn organisatie verwijst namelijk ook naar de Griekse oermoeder Gaia, de aardegodin die eigenlijk veel ouder is dan de klassiek-Griekse mythologie, en die vrijwel in alle culturen onder allerlei benamingen voorkomt. Isis is het Egyptische equivalent. Vóór Mohammed in Mekka toesloeg was ze trouwens ook aanwezig om en rond de Ka’ba, en gedenatureerd en ontsexualiseerd komt ze zelfs terug in de Christelijke Maria-figuur. Zij is de vergoddelijking van alle empathische en natuurreligieuze waarden die we vandaag seculier vermommen als mensen- of dierenrechten.

In de jaren ’60 van vorige eeuw introduceerde ene James Lovelock  (en niet Lovecock, zoals hij door zijn critici spottend wordt genoemd) zelfs de Gaia-hypothese, een wetenschappelijk model dat de wisselwerking tussen alle elementen in de biosfeer en de aarde zelf als één groot vitaal-zelfregelend gebeuren beschouwt. In dat perspectief is de mens één deeltje van dat groot lichaam, dat vandaag de dag evenwel de neiging heeft om zich cancerogeen te gedragen, gericht op de vernietiging van het weefsel. We moeten dus terug landen, aarde worden. In wezen is deze Gaia-revival schatplichtig aan filosofen zoals Friedrich Nietzsche, wiens Zarathustra eveneens de ultieme bestemming van de mens in organische relatie met de aarde en het hier-en-nu zag (“Bleibt der Erde treu!”). Voor Lovelock, door de Flower Power beïnvloed, liep het eerder op een madeliefjesdans uit (Daisyworld),- een overigens correcte theorie die vaststelt dat lichtgekleurde madeliefjes vooral in de zomer voorkomen om meer zonnelicht en warmte terug te kaatsen, en de donkergekleurde in voor- en najaar om meer licht vast te houden. Zo zouden zij helpen om de atmosferische temperatuur te stabiliseren en de aarde tegen opwarming te behoeden: alles werkt met alles samen in één grote keten van het behoud. Immanente rechtvaardigheid, om het met André Léonard te zeggen…

“De Moslimexecutieve, die meer en meer de allures krijgt van een parallel overheidsorganisme, levert ook de slagers… die alleen maar enkele koranverzen hoeven van buiten te kennen. Er wordt dus nogal wat op los gekerfd door deze dilletanten.”

Dit aards-sacrale karakter van het ecologisme is voor de groenen een taboe, want de aarde ruikt voor hen naar stront,  carnaval, en het fascisme, en het zou maar eens de monotheïstische gevoeligheden van de geïnstitutionaliseerde godsdiensten (jodendom, christendom én islam) kunnen verstoren. Bovendien is Gaia in wezen een conservatief concept, gericht op behoud, evenwicht en zelfregulering, niet op expansie en maakbaarheid. Ook over dat monotheïsme in onze geïnstitutionaliseerd-bureaucratische brave new world heb ik al grote bomen opgezet. In wezen gaat het terug op de oertiran Mozes, die met de veelgoderij en de natuurreligie korte metten maakte, omdat het zijn politieke beheersingsstrategie in de weg stond. Vandaar de stenen tafelen, de oervorm van het politiek-correcte denken. Het brein van Jos Geysels is monotheïstisch, vertikaal en exclusief.  Mozaïsch zelfs. Het “offert” dingen en mensen op aan de Goede Zaak, het elimineert, verdringt, purifieert. Het ideologiseert en transcendeert, op zo’n manier dat de essentie van het leven zelf verloren gaat. In mijn ogen is het zelf een soort fascisme (men spreekt dan van “eco-fascisme”) al zal Jos daar niet mee akkoord gaan.

Het mag ons dus niet verwonderen dat groen-links geen kik gaf n.a.v. het jaarlijkse Offerfeest van de moslims, gisteren, 16 november: het multiculturele dogma is blijkbaar belangrijker dan het protest tegen deze barbarij, die overigens voor heel de groeiende halal-markt van toepassing is. Het gaat er nochtans bloederig aan toe. De keel van het onverdoofde schaap wordt overgesneden, waarna men het spartelende dier laat leegbloeden op de grond. De Moslimexecutieve, die meer en meer de allures krijgt van een parallel overheidsorganisme (dat in een later stadium ook de sharia mag toepassen?) levert ook de slagers… die alleen maar enkele koranverzen hoeven van buiten te kennen. Er wordt dus nogal wat op los gekerfd door deze dilletanten. De joodse lobby is trouwens achter de schermen actief om een verbod tegen het onverdoofd slachten tegen te houden, omdat zij net hetzelfde doen, zij het met minder poeha. De regels voor kosher en halal lijken als twee druppels op elkaar…

Het is de erfvijand van Groen, het Vlaams Belang, dat actie voert tegen de onverdoofde slachtingen, maar dan wel alleen als het over moslims gaat, want de barbarij bestaat ook in onze “Christelijke” slachthuizen. Ook de zgn. rechterzijde, waar zelfs de anti-abortus-beweging nog actief is in naam van het “respect voor het leven”, deelt in de onverschilligheid als het over andere levende wezens gaat. Terwijl nu juist dat heidens naturalisme, met een lichte matriarchale toets, gefundenes Fressen zou kunnen zijn voor een partij die zich rechts-conservatief opstelt.

Moeten we nu in sneltempo tempels oprichten voor Gaia of Isis? Neen, natuurlijk niet. Wel laat de ontkerstening van het Avondland een lacune, en hebben we nood aan nieuwe vormen van spiritualiteit en zingeving. Anders staan we binnen de kortste keren zelf schapen te kelen in naam van Allah.   Er is beslist zelfs een electorale markt voor een groen-rechtse gelukspartij, gefocust op levenskwaliteit, natuurlijk evenwicht en spiritualiteit, maar men gaat er achteloos aan voorbij. In Nederland bestaat er wel een Partij voor de Dieren (PvdD) onder leiding van de schone Marianne Louise Thieme, maar zo’n one-issue-partij doet geen recht aan de veel bredere Gaia-onderstroom. Een groot deel van de publieke afkeer tegen politici, techneuten, overgesubsidieerde cultuur, bureaucratie, platte commerce, volksverlakkerij allerhande, valt nochtans in die bedding: een zoektocht naar zuiverheid en autenticiteit, het helende, een rechtzetting van wat krom is, terug naar “the real thing”. Geert Wilders zit er iets dichter op, en wil dierenwelzijn in de grondwet opnemen, maar zijn roep naar meer autowegen en de opheffing van het rookverbod in de horeca is dan weer wansmakelijk.

Gaia blijft dus politiek dakloos en maatschappelijk eenzaam, en Vandenbosch krijgt alleen maar muilperen op zijn toch al scheve smoel. Misschien moet hij wat harder worden, militanter, semi-illegaal, meer Greenpeace. Daar ligt, ben ik zeker van, de toekomst van het nieuwe burgerverzet. Een Gaea met de deegrol dus, een Dulle Griet misschien zelfs. Daar hebben we zelfs meteen een oer-Vlaams ikoon, een vrouw met meer ballen dan Neleke op de schoorsteen.

Van Herenclub tot Vampierenbal

Mulischiaanse bedenkingen bij dood van een groot schrijver

Het was me toch weer een zootje, die begrafenis van Harry Mulisch. Niet dat ik erbij was, ik ga nog niet naar begrafenissen van eigen vrienden of niet al te naaste familie, maar bestudeer met des te meer ijver de foto’s en filmpjes. Grote woorden, holle redes, gemaakt-trieste mimiek, rechtstreeks uitgezonden op de NOS. Veel schoon volk, weinig echt verdriet, behalve dan bij de snotterende Frieda, zijn dochter, die stokte in haar toespraak en hardop begon te schreien. Een uniek moment van echte smart, middenin een onvoorstelbare vanity fair waar zelfs een soort onderdrukte euforie heerste. Want is Mulisch dood? Neen, natuurlijk niet, hij is springlevend, zegt iedereen. Alleen gewone stervelingen gaan dood. “Non omnis moriar, multaque pars mei vitabit Libitinam”, schreef de Romeinse dichter Horatius. “Ik zal niet helemaal sterven,- een groot stuk van me zal de dood overleven”. Schrijven dus, om te blijven. De literatuur, en bij uitbreiding kunst, en eigenlijke heel de Cultuur met grote C, als de ultieme overlevingstruc.

Er zit dus veel ironie in die “eenvoudige houten kist”, waarin de diepbetreurde literator werd rondgedragen. Want de kist –onderdeel van het joodse begrafenisritueel- bevat maar het lichaam,- de geest van het genie fladdert vrijuit rond. De fysieke dood was voor Mulisch maar een laatste opstapje naar de eeuwige roem,- dat wisten alle grafredenaars met stellige zekerheid. “Zijn oeuvre is zijn nieuwe lichaam”, aldus Robert Ammerlaan van de Bezige Bij, die ongetwijfeld de kassa hoorde rinkelen. “Mulisch is als standbeeld geboren” sprak Marcel van Dam dan weer namens de exclusieve Herenclub, waar de schrijver lid van was.

Opmerkelijke uitspraken, en de nagel van de kist op de kop: zou het kunnen dat beroemde schrijvers ook al bij leven een beetje de dood in zich dragen, een lichte, geparfumeerde lijkengeur, als pose, en als voorspel op hun literaire heiligverklaring?

Ik heb die Mulisch altijd al een bizar figuur gevonden, geen mens van vlees-en-bloed maar eerder een verschijning, een halfdode die ongenaakbaar evolueert naar zijn ultieme mummificatie. Het griezelige is, dat ook andere jonge en oudere goden zich in het zog van het absoluut genie trachten op te werken tot de status van halfdode, via de vlucht uit het biologisch lichaam en de organische existentie. De literatuur is een spookbedrijf. Dat leidt tot extreme tegennatuurlijke attitudes. Dimitri Verhulst bijvoorbeeld haat zijn eigen kind, zo las ik in Humo, hij weet er geen weg mee. Dat is logisch: wie wil overleven als beroemdheid, in het perspectief van Horatius, ziet de voortplanting alleen maar als een obstakel, en het eigen nakomelingschap als een bedreiging. Grote Schrijvers leven eigenlijk amper, in de biologische zin van het woord. We zien ze op TV en lezen ze, of niet, het zijn geruchten, simulacres, zombie-achtige fantasmen die zich opmaken voor de eeuwigheid. Tom Lanoye en David Van Reybrouck bijvoorbeeld, de gelukzalige winnaar van de AKO literatuurprijs. Prijzen en proclamaties zijn een essentieel onderdeel van die ont-biologisering: schrijvers worden, naarmate hun ster stijgt, minder lichaam en méér naam, meer beeld, dat is ook hun obsessie, men ziet het in al hun publiek optredens. De media spelen in deze verschimming uiteraard een sleutelrol.

“Ik heb die Mulisch altijd al een bizar figuur gevonden, geen mens van vlees-en-bloed, maar eerder een verschijning, een halfdode die ongenaakbaar evolueert naar zijn ultieme mummificatie.”

Het vergrijzen, ook wel de senescentie genoemd, is het zichtbare, “biologische” aspect van de culturele mummificatie. Het is daarom misleidend om onze tijd te kwalificeren als deze van jeugdverheerlijking en “jeunisme”. De jeugd is een verkoopsargument, een markt, vooral gefocust op de popcultuur, maar daar houdt het ook mee op. Hoogcultuur is grijs en oud. De jonge schrijver wil rijpen en denatureren. Bij uitbreiding geldt dat voor alle elites: het zijn wel degelijk nog altijd de ouden die de macht naar zich toe halen, politiek, sociaal, cultureel. De combinatie van status en ouderdom leidt tot een gerontocratie, waarin de fysieke dood maar een overgangsfenomeen is naar de eeuwige roem, het mausoleum. Het leven nà de dood, daarvoor doen ze het, al de rest is voorwendsel. Bekijk iemand als Herman Van Rompuy, EU-voorzitter. Men gelooft amper dat hij nog leeft, als men hem ziet, zo ver is de man al in zijn mummificatieproces. Klaar voor een eerste-klas-uitvaart als een soort ultieme prijsuitreiking, goed voor een definitieve plek in de geschiedenis. Daarom ook is de marcia funebra, de trage treurmars in de klassieke muziek, helemaal niet treurig. Beluister bijvoorbeeld deze van Chopin (2de pianosonate) en Beethoven (IIIde symfonie, aan Napoleon opgedragen). Klinken ze smartvol? Neen, natuurlijk niet. Eerder groots en verheven, de intrede in het pantheon- geen muziek voor een soldatenkerkhof of een massagraf. Natuurlijk was Harry Mulisch door die transgressie-idee bezeten, zie de titel van zijn ultiem meesterwerk, “De ontdekking van de hemel”. Essentieel echter gaat het hier om een engelenverhaal, niet zozeer dat van God. Engelen, getransfigureerde genieën dus die, zo blijkt, heel hun aardse leven gewijd hebben aan het opbouwen van onsterfelijkheid, ten koste van dat leven zelf.

Het bombast in een grote, publieke begrafenisceremonie confronteert ons dus met een pervers trekje van onze westerse vedettencultuur en zijn herenclubs: ze holt de dood, als existentieel zwaartepunt, als moment van afscheid, uit tot iets abstract, zelfs transcendent. Het verdriet wordt verdrongen door een verrijzeniseuforie. De dood van de vedette, de held, het genie is de bezegeling van zijn onsterfelijkheid, in een cultuur die het leven zelf eigenlijk veracht, zoals Friedrich Nietzsche steeds weer beklemtoonde.

Want dat is de keerzijde van de Mulisch-apotheose: ze toont de kloof tussen de geroepenen en de naamlozen, de genieën en het plebs, de kunstenaar en het publiek, het mausoleum en het massagraf. Onze dood is banaal, zelfs geen miniem krantenbericht waard. Als de lijkwagen passeert voor een doordeweeks sterfgeval, kijkt nauwelijks iemand om. Een kind dat overreden wordt, het is een fait-divers. Soms sterft de naamloze ook echt anoniem, alleen, zoals de man wiens lichaam men onlangs, na twee jaar (!) ontbinding, in een goor appartement op het Antwerpse Kiel vond. Of zoals de duizenden soldaten die in het Ieperse onder de akkers liggen. In de dood is dus niét iedereen gelijk, allerminst.

Cultuur en vampirisme: de schrijver als bloedzuiger

In een volgend stadium kan men zich de vraag stellen, of de ene ook niet teert op de andere: bestaan de genieën bij gratie van de massa naamlozen? Is het literaire proces, dat het leven be-schrijft maar het tegelijk abstraheert, inwikkelt, geen grootscheepse diefstal, een vorm van vampirisme zelfs?

Niet alleen de massa als puur publiek, maar ook als organisch materiaal, “verhaalstof”. Het makabere van de Mulischiaanse staatsbegrafenis is daarin gelegen: de stoet van beroemdheden, van wie een deel op ook al op de short list der onsterfelijkheid staat, gedraagt zich als een kannibalistisch complot. De menselijke werkelijkheid opzuigen en weer uitzweten in een roman, dé roman: het is de natte droom van elke auteur, maar omnivoor Harry Mulisch realiseerde die droom.

Wij zijn het voedsel van de literatuur, en consumeren deze in het beste geval opnieuw als braakbal. De schrijver parasiteert op de mensen, het leven, de natuur, de wereld,- en wat geeft hij terug? Een boek, een hoop ingebonden papier. Boerenbedrog, zoveel is zeker. Net in de verhalen over “gewone mensen” toont de literatuur zich van zijn meest kannibalistische kant. In de trechter van het literair-artistieke proces gaan de geschiedenislozen, diegenen bij wie de biologische dood een simpele schrapping uit het bevolkingsregister betekent: ze vormen pure grondstof, “inspiratie” voor de schrijvers zelf (het Congo-opus van David Van Reybrouck is daar een treffend voorbeeld van: het zijn de negers die zijn boek letterlijk vullen). Het verdriet van kleine mensen krijgt dan iets onbenulligs, ook al beweren de schrijvers het tegendeel en betrekken ze hen in een literair product, waarmee ze weer prijzen kunnen winnen, hetgeen de kleine mensen nog kleiner maakt, enz.

“Met de slag krijgt de Amsterdamse Mulisch-apotheose het aspect van een horrorscène: de samenkomst van de club der bloedzuigers rond de transfiguratie van de Meestervampier.”

In de limiet zou men zelfs kunnen stellen dat de schrijver de lezer leegzuigt via het boek, daar waar die lezer denkt dat hij iets “krijgt”, of “verrijkt” wordt vanwege de schriftsteller. Het cultuurbedrijf als vampirisme: met de slag krijgt de Amsterdamse Mulisch-apotheose het aspect van een horror-scène: de samenkomst van de club der bloedzuigers rond de transfiguratie van de Meestervampier. Opmerkelijk is, dat een auteur als Lodewijk Van Deyssel (1864-1952) dit griezelmoment van het schrijversschap zelf ook besefte, en zich als een bloedzuiger beschouwde. In zijn testament van 27 oktober 1892 staat dan ook te lezen: “Vóór mijn kist wordt gesloten, verzoek ik dat mijn hart doorstoken wordt”,- in de beste Dracula-traditie dus.

Het spreekt vanzelf dat deze op een primaire ongelijkheid gebaseerde uitbuiting een geweldig complex oproept van schuld, wraak en gerechtigheid. Het testament van Lodewijk Van Deyssel wijst de weg: vroeg of laat zullen de naamlozen zelf de houten pin ter hand nemen en de harten doorboren van de levende lijken die hen leegzuigen en op de boekenbeurs staan te signeren. Nu nog nemen we genoegen met bollen knoflook om de schrijversgeur te verdrijven, maar drastischere maatregelen dringen zich op. Dat moment zit er nu aan te komen: een ontladingsmoment van opgekropte agressie tegen de staatsbegrafenissen der genieën, tegen het Groot Vampierenbal. Wie daarvan gewag maakt, wordt voor “populist” versleten, vooral natuurlijk door dat cultureel establishment zelf. Maar de bestorming van de Bastille is onafwendbaar: in plaats van handtekeningen te vragen, zal men de vedette terecht stellen.  Deze executie van de performer-demagoog-kunstenaar, als wraakoefening van de uitgebuite en bedrogen massa, beschrijf ik uitvoerig in het essay “De engel, de maagd en de koorddanser”.

De facebook-wraak

De engelen moeten dus vallen. In dat opzicht is de hetze tegen de gevierde show-advocaat, auteur en TV-vedette Jef Vermassen van een bijzondere betekenis. Zijn vampirisch gehalte is onmiskenbaar: hij leeft van de dood van anderen, verdient er literair nog eens aan, en duwt zijn slachtoffers in een vergeetput, waar ze, zoals Els Clottemans, tot het einde van hun dagen zullen rotten.

De facebook-wraak op Meester Vermassen, die zich aanstelt als superadvocaat maar ook als woordkunstenaar en zelfs als filosoof, is dan ook een volksopstand met een anti-cultureel tintje. De pleiter, die handtekeningen uitdeelt na het proces, verabsoluteert zijn eigen existentie –daarin is hij een zwakke Mulisch-kloon- en parasiteert op de dood van de anderen, zowel de slachtoffers als de daders in het crimi-dossier. Hij wint altijd. Maar zijn vampirisme wordt steeds meer als de ultieme onrechtvaardigheid aangevoeld,- fataal stigma voor een advocaat…

“De mediaster en showadvocaat lokt zijn einde uit, en weet het wellicht zelfs: als poseur en geboren manipulator is hij voorbestemd om een taart in zijn gezicht te krijgen, of een steen, een boemerang, of nog iets met een grotere impact.”

De facebookmoord is dan de logische conclusie. Het digitale moordcomplot van de naamlozen tegen de misleider en woordengoochelaar baseert zich op een oervorm van rechtvaardigheid, waar Grootmeester Vermassen al lang geen voeling meer mee heeft. Hij is schuldig, maar geen enkel gerecht zal hem schuldig verklaren, want hij is het gerecht. Het enige alternatief is het moordcomplot, het volk zal zelf oordelen, via het enige medium dat vandaag het volk toebehoort: het web. De mediaster  en showadvocaat lokt zijn einde uit, en weet het wellicht zelfs: als poseur en geboren manipulator is hij voorbestemd om een taart in zijn gezicht te krijgen, of een steen, een boemerang, of nog iets met een grotere impact.

Ik heb ze dus ook getekend, die facebook-petitie. En nu moet ik oppassen wat ik schrijf over zo’n machtsbeluste ster-advocaat: misschien ervaren we zijn dood inderdaad wel als een opluchting, geschiede gerechtigheid. Niet zozeer zijn fysieke dood, maar vooral het ontnemen van zijn onsterfelijkheidsclaim, zijn desacralisatie dus. Hem nu doden zou er een martelaar van maken. Het komt er daarentegen op aan, het mummificatieproces te stoppen en hem te ontmaskeren als een bedrieger en parasiet, in het proces Vermassen. Alle processen dienen heropend, waarbij ditmaal de rechters en advocaten terecht staan.

Van daaruit is heel de culturele en politieke sector, met al zijn mummies, een constante schietschijf: Piet Huysentruyt, Herman Van Rompuy, Clouseau, en noem maar op. De doodsbedreigingen t.a.v. maatschappelijk vooraanstaande personaliteiten zijn niets meer dan pogingen om het vampirisme een halt toe te roepen. Het zijn sluitstukken en uitersten van een ontluisteringsproces waar we absoluut door moeten, en waarin de literatuur zelf wellicht zal sneuvelen.

Besluit: De mortibus nihil nisi bene?

Ach, het respect voor de doden is problematisch. Het verdriet om een persoonlijk verlies is ontroostbaar, en heeft geen uitstaans met het protocol, de ceremonieën, de lijkredes. Moest iemand sterven die me echt dierbaar is, ik zou niet in staat zijn om doodsbrieven te schrijven of een begrafenis te regelen. Een veel meer autentieke relatie met de afgestorvenen vindt men in de animistische religiositeit, de reïncarnatieleer en het spiritisme, waar de doden de levenden gidsen, als goede geesten, statusloos en zonder monumentale grafretoriek. Het westers-moderne cultuurmonumentalisme laat deze horizontale verhouding tussen levenden en doden niet toe,- een idee die ik uitwerkte in “Cum mortuis in lingua mortua”.

Het “respect” betreft dus vooral het kannibalisme, het vampirisme en het funeraal theater, het is gespeeld en dwangmatig. De booswicht Don Juan ontheiligt het en gaat als het ware pissen op het graf van de Commandeur. Daarmee zijn alle gesacraliseerde on-doden terug kwetsbaar en onderhevig aan ontbinding. Het tijdperk van de herenclubs en het cultuurvampirisme loopt op zijn einde. Een houten pin in hun hart moet die parasitaire verhouding tot het leven definitief opheffen, waardoor we ze kunnen vergeten. De schrijver moet-ontlezen worden, zijn gestolen inspiratie teruggevorderd. Het komt er nu op aan, de meestervampier Harry Mulisch uit het geheugen te wissen en zijn bestaan te herleiden tot wat zich in die “eenvoudige houten kist” bevindt: een ontbindend lijk, en een paar persoonlijke herinneringen, strikt voorbehouden aan zijn nabestaanden.

“De Ontdekking van de Hemel” wordt daarmee, volkomen parallel, eveneens herleid tot zijn fysieke existentie: een hoopje papier, dat in het toilet een waardige uitvaart ondergaat. Zo zou het grootse treurfeest aan de Amsterdamse Stadsschouwburg toch nog kunnen herlezen worden als een uitscheidingsgebeuren, eindigend in het doorspoelen van een hele hoop letters, stijlfiguren, verwijzingen, en heel de literaire reutemeut. Een onherroepelijk exit.

Dan pas kan Frieda echt beginnen wenen. Gun het haar.

Johan Sanctorum, 11/11/10

Het geheim van de vunzige krapunzel

Hulderede voor Erwin Vanmol, ex-chocolatier, cartoonist en fucking genius

Bibliotheek Vilvoorde – 5 november 2010

Ik zou de tekenaar Erwin Vanmol onrecht aandoen, mocht ik hem hier inleiden via reguliere lofzangen en obligate gelukwensen. Kan men een spotter, criticus en aanhanger van extreem-niks, zoals hij zichzelf noemt, zomaar aaien en te kijk stellen als een goed mens, een nuttig element in de samenleving, een schitterende ster aan het Vlaamse culturele firmament? Ik denk het niet. Veeleer leek het me een goed idee, om, in de geest van zijn cartoons, de buitengrens van het politiek-correcte af te tasten, en u een paar doordenkers te serveren die de goed geordende laden van ons brein wat door elkaar halen.Ik haal daarbij mijn inspiratie precies daar waar Erwin ze haalt: uit de dagelijkse actualiteit. Het nieuws, de kranten, ze vormen een onuitputtelijke bron van verbazing en ergernis. Ergernis en woede, die dan weerom uitbarst in Homerisch gelach. Het Nederlandse woord “spotprent” dekt in dat opzicht veel beter de lading dan het woord “cartoon”: het gaat om lachen, de machthebbers uitlachen, soms om niet te moeten wenen, of de boel kort en klein te slaan…

Lees de tekst