Van Herenclub tot Vampierenbal

Mulischiaanse bedenkingen bij dood van een groot schrijver

Het was me toch weer een zootje, die begrafenis van Harry Mulisch. Niet dat ik erbij was, ik ga nog niet naar begrafenissen van eigen vrienden of niet al te naaste familie, maar bestudeer met des te meer ijver de foto’s en filmpjes. Grote woorden, holle redes, gemaakt-trieste mimiek, rechtstreeks uitgezonden op de NOS. Veel schoon volk, weinig echt verdriet, behalve dan bij de snotterende Frieda, zijn dochter, die stokte in haar toespraak en hardop begon te schreien. Een uniek moment van echte smart, middenin een onvoorstelbare vanity fair waar zelfs een soort onderdrukte euforie heerste. Want is Mulisch dood? Neen, natuurlijk niet, hij is springlevend, zegt iedereen. Alleen gewone stervelingen gaan dood. “Non omnis moriar, multaque pars mei vitabit Libitinam”, schreef de Romeinse dichter Horatius. “Ik zal niet helemaal sterven,- een groot stuk van me zal de dood overleven”. Schrijven dus, om te blijven. De literatuur, en bij uitbreiding kunst, en eigenlijke heel de Cultuur met grote C, als de ultieme overlevingstruc.

Er zit dus veel ironie in die “eenvoudige houten kist”, waarin de diepbetreurde literator werd rondgedragen. Want de kist –onderdeel van het joodse begrafenisritueel- bevat maar het lichaam,- de geest van het genie fladdert vrijuit rond. De fysieke dood was voor Mulisch maar een laatste opstapje naar de eeuwige roem,- dat wisten alle grafredenaars met stellige zekerheid. “Zijn oeuvre is zijn nieuwe lichaam”, aldus Robert Ammerlaan van de Bezige Bij, die ongetwijfeld de kassa hoorde rinkelen. “Mulisch is als standbeeld geboren” sprak Marcel van Dam dan weer namens de exclusieve Herenclub, waar de schrijver lid van was.

Opmerkelijke uitspraken, en de nagel van de kist op de kop: zou het kunnen dat beroemde schrijvers ook al bij leven een beetje de dood in zich dragen, een lichte, geparfumeerde lijkengeur, als pose, en als voorspel op hun literaire heiligverklaring?

Ik heb die Mulisch altijd al een bizar figuur gevonden, geen mens van vlees-en-bloed maar eerder een verschijning, een halfdode die ongenaakbaar evolueert naar zijn ultieme mummificatie. Het griezelige is, dat ook andere jonge en oudere goden zich in het zog van het absoluut genie trachten op te werken tot de status van halfdode, via de vlucht uit het biologisch lichaam en de organische existentie. De literatuur is een spookbedrijf. Dat leidt tot extreme tegennatuurlijke attitudes. Dimitri Verhulst bijvoorbeeld haat zijn eigen kind, zo las ik in Humo, hij weet er geen weg mee. Dat is logisch: wie wil overleven als beroemdheid, in het perspectief van Horatius, ziet de voortplanting alleen maar als een obstakel, en het eigen nakomelingschap als een bedreiging. Grote Schrijvers leven eigenlijk amper, in de biologische zin van het woord. We zien ze op TV en lezen ze, of niet, het zijn geruchten, simulacres, zombie-achtige fantasmen die zich opmaken voor de eeuwigheid. Tom Lanoye en David Van Reybrouck bijvoorbeeld, de gelukzalige winnaar van de AKO literatuurprijs. Prijzen en proclamaties zijn een essentieel onderdeel van die ont-biologisering: schrijvers worden, naarmate hun ster stijgt, minder lichaam en méér naam, meer beeld, dat is ook hun obsessie, men ziet het in al hun publiek optredens. De media spelen in deze verschimming uiteraard een sleutelrol.

“Ik heb die Mulisch altijd al een bizar figuur gevonden, geen mens van vlees-en-bloed, maar eerder een verschijning, een halfdode die ongenaakbaar evolueert naar zijn ultieme mummificatie.”

Het vergrijzen, ook wel de senescentie genoemd, is het zichtbare, “biologische” aspect van de culturele mummificatie. Het is daarom misleidend om onze tijd te kwalificeren als deze van jeugdverheerlijking en “jeunisme”. De jeugd is een verkoopsargument, een markt, vooral gefocust op de popcultuur, maar daar houdt het ook mee op. Hoogcultuur is grijs en oud. De jonge schrijver wil rijpen en denatureren. Bij uitbreiding geldt dat voor alle elites: het zijn wel degelijk nog altijd de ouden die de macht naar zich toe halen, politiek, sociaal, cultureel. De combinatie van status en ouderdom leidt tot een gerontocratie, waarin de fysieke dood maar een overgangsfenomeen is naar de eeuwige roem, het mausoleum. Het leven nà de dood, daarvoor doen ze het, al de rest is voorwendsel. Bekijk iemand als Herman Van Rompuy, EU-voorzitter. Men gelooft amper dat hij nog leeft, als men hem ziet, zo ver is de man al in zijn mummificatieproces. Klaar voor een eerste-klas-uitvaart als een soort ultieme prijsuitreiking, goed voor een definitieve plek in de geschiedenis. Daarom ook is de marcia funebra, de trage treurmars in de klassieke muziek, helemaal niet treurig. Beluister bijvoorbeeld deze van Chopin (2de pianosonate) en Beethoven (IIIde symfonie, aan Napoleon opgedragen). Klinken ze smartvol? Neen, natuurlijk niet. Eerder groots en verheven, de intrede in het pantheon- geen muziek voor een soldatenkerkhof of een massagraf. Natuurlijk was Harry Mulisch door die transgressie-idee bezeten, zie de titel van zijn ultiem meesterwerk, “De ontdekking van de hemel”. Essentieel echter gaat het hier om een engelenverhaal, niet zozeer dat van God. Engelen, getransfigureerde genieën dus die, zo blijkt, heel hun aardse leven gewijd hebben aan het opbouwen van onsterfelijkheid, ten koste van dat leven zelf.

Het bombast in een grote, publieke begrafenisceremonie confronteert ons dus met een pervers trekje van onze westerse vedettencultuur en zijn herenclubs: ze holt de dood, als existentieel zwaartepunt, als moment van afscheid, uit tot iets abstract, zelfs transcendent. Het verdriet wordt verdrongen door een verrijzeniseuforie. De dood van de vedette, de held, het genie is de bezegeling van zijn onsterfelijkheid, in een cultuur die het leven zelf eigenlijk veracht, zoals Friedrich Nietzsche steeds weer beklemtoonde.

Want dat is de keerzijde van de Mulisch-apotheose: ze toont de kloof tussen de geroepenen en de naamlozen, de genieën en het plebs, de kunstenaar en het publiek, het mausoleum en het massagraf. Onze dood is banaal, zelfs geen miniem krantenbericht waard. Als de lijkwagen passeert voor een doordeweeks sterfgeval, kijkt nauwelijks iemand om. Een kind dat overreden wordt, het is een fait-divers. Soms sterft de naamloze ook echt anoniem, alleen, zoals de man wiens lichaam men onlangs, na twee jaar (!) ontbinding, in een goor appartement op het Antwerpse Kiel vond. Of zoals de duizenden soldaten die in het Ieperse onder de akkers liggen. In de dood is dus niét iedereen gelijk, allerminst.

Cultuur en vampirisme: de schrijver als bloedzuiger

In een volgend stadium kan men zich de vraag stellen, of de ene ook niet teert op de andere: bestaan de genieën bij gratie van de massa naamlozen? Is het literaire proces, dat het leven be-schrijft maar het tegelijk abstraheert, inwikkelt, geen grootscheepse diefstal, een vorm van vampirisme zelfs?

Niet alleen de massa als puur publiek, maar ook als organisch materiaal, “verhaalstof”. Het makabere van de Mulischiaanse staatsbegrafenis is daarin gelegen: de stoet van beroemdheden, van wie een deel op ook al op de short list der onsterfelijkheid staat, gedraagt zich als een kannibalistisch complot. De menselijke werkelijkheid opzuigen en weer uitzweten in een roman, dé roman: het is de natte droom van elke auteur, maar omnivoor Harry Mulisch realiseerde die droom.

Wij zijn het voedsel van de literatuur, en consumeren deze in het beste geval opnieuw als braakbal. De schrijver parasiteert op de mensen, het leven, de natuur, de wereld,- en wat geeft hij terug? Een boek, een hoop ingebonden papier. Boerenbedrog, zoveel is zeker. Net in de verhalen over “gewone mensen” toont de literatuur zich van zijn meest kannibalistische kant. In de trechter van het literair-artistieke proces gaan de geschiedenislozen, diegenen bij wie de biologische dood een simpele schrapping uit het bevolkingsregister betekent: ze vormen pure grondstof, “inspiratie” voor de schrijvers zelf (het Congo-opus van David Van Reybrouck is daar een treffend voorbeeld van: het zijn de negers die zijn boek letterlijk vullen). Het verdriet van kleine mensen krijgt dan iets onbenulligs, ook al beweren de schrijvers het tegendeel en betrekken ze hen in een literair product, waarmee ze weer prijzen kunnen winnen, hetgeen de kleine mensen nog kleiner maakt, enz.

“Met de slag krijgt de Amsterdamse Mulisch-apotheose het aspect van een horrorscène: de samenkomst van de club der bloedzuigers rond de transfiguratie van de Meestervampier.”

In de limiet zou men zelfs kunnen stellen dat de schrijver de lezer leegzuigt via het boek, daar waar die lezer denkt dat hij iets “krijgt”, of “verrijkt” wordt vanwege de schriftsteller. Het cultuurbedrijf als vampirisme: met de slag krijgt de Amsterdamse Mulisch-apotheose het aspect van een horror-scène: de samenkomst van de club der bloedzuigers rond de transfiguratie van de Meestervampier. Opmerkelijk is, dat een auteur als Lodewijk Van Deyssel (1864-1952) dit griezelmoment van het schrijversschap zelf ook besefte, en zich als een bloedzuiger beschouwde. In zijn testament van 27 oktober 1892 staat dan ook te lezen: “Vóór mijn kist wordt gesloten, verzoek ik dat mijn hart doorstoken wordt”,- in de beste Dracula-traditie dus.

Het spreekt vanzelf dat deze op een primaire ongelijkheid gebaseerde uitbuiting een geweldig complex oproept van schuld, wraak en gerechtigheid. Het testament van Lodewijk Van Deyssel wijst de weg: vroeg of laat zullen de naamlozen zelf de houten pin ter hand nemen en de harten doorboren van de levende lijken die hen leegzuigen en op de boekenbeurs staan te signeren. Nu nog nemen we genoegen met bollen knoflook om de schrijversgeur te verdrijven, maar drastischere maatregelen dringen zich op. Dat moment zit er nu aan te komen: een ontladingsmoment van opgekropte agressie tegen de staatsbegrafenissen der genieën, tegen het Groot Vampierenbal. Wie daarvan gewag maakt, wordt voor “populist” versleten, vooral natuurlijk door dat cultureel establishment zelf. Maar de bestorming van de Bastille is onafwendbaar: in plaats van handtekeningen te vragen, zal men de vedette terecht stellen.  Deze executie van de performer-demagoog-kunstenaar, als wraakoefening van de uitgebuite en bedrogen massa, beschrijf ik uitvoerig in het essay “De engel, de maagd en de koorddanser”.

De facebook-wraak

De engelen moeten dus vallen. In dat opzicht is de hetze tegen de gevierde show-advocaat, auteur en TV-vedette Jef Vermassen van een bijzondere betekenis. Zijn vampirisch gehalte is onmiskenbaar: hij leeft van de dood van anderen, verdient er literair nog eens aan, en duwt zijn slachtoffers in een vergeetput, waar ze, zoals Els Clottemans, tot het einde van hun dagen zullen rotten.

De facebook-wraak op Meester Vermassen, die zich aanstelt als superadvocaat maar ook als woordkunstenaar en zelfs als filosoof, is dan ook een volksopstand met een anti-cultureel tintje. De pleiter, die handtekeningen uitdeelt na het proces, verabsoluteert zijn eigen existentie –daarin is hij een zwakke Mulisch-kloon- en parasiteert op de dood van de anderen, zowel de slachtoffers als de daders in het crimi-dossier. Hij wint altijd. Maar zijn vampirisme wordt steeds meer als de ultieme onrechtvaardigheid aangevoeld,- fataal stigma voor een advocaat…

“De mediaster en showadvocaat lokt zijn einde uit, en weet het wellicht zelfs: als poseur en geboren manipulator is hij voorbestemd om een taart in zijn gezicht te krijgen, of een steen, een boemerang, of nog iets met een grotere impact.”

De facebookmoord is dan de logische conclusie. Het digitale moordcomplot van de naamlozen tegen de misleider en woordengoochelaar baseert zich op een oervorm van rechtvaardigheid, waar Grootmeester Vermassen al lang geen voeling meer mee heeft. Hij is schuldig, maar geen enkel gerecht zal hem schuldig verklaren, want hij is het gerecht. Het enige alternatief is het moordcomplot, het volk zal zelf oordelen, via het enige medium dat vandaag het volk toebehoort: het web. De mediaster  en showadvocaat lokt zijn einde uit, en weet het wellicht zelfs: als poseur en geboren manipulator is hij voorbestemd om een taart in zijn gezicht te krijgen, of een steen, een boemerang, of nog iets met een grotere impact.

Ik heb ze dus ook getekend, die facebook-petitie. En nu moet ik oppassen wat ik schrijf over zo’n machtsbeluste ster-advocaat: misschien ervaren we zijn dood inderdaad wel als een opluchting, geschiede gerechtigheid. Niet zozeer zijn fysieke dood, maar vooral het ontnemen van zijn onsterfelijkheidsclaim, zijn desacralisatie dus. Hem nu doden zou er een martelaar van maken. Het komt er daarentegen op aan, het mummificatieproces te stoppen en hem te ontmaskeren als een bedrieger en parasiet, in het proces Vermassen. Alle processen dienen heropend, waarbij ditmaal de rechters en advocaten terecht staan.

Van daaruit is heel de culturele en politieke sector, met al zijn mummies, een constante schietschijf: Piet Huysentruyt, Herman Van Rompuy, Clouseau, en noem maar op. De doodsbedreigingen t.a.v. maatschappelijk vooraanstaande personaliteiten zijn niets meer dan pogingen om het vampirisme een halt toe te roepen. Het zijn sluitstukken en uitersten van een ontluisteringsproces waar we absoluut door moeten, en waarin de literatuur zelf wellicht zal sneuvelen.

Besluit: De mortibus nihil nisi bene?

Ach, het respect voor de doden is problematisch. Het verdriet om een persoonlijk verlies is ontroostbaar, en heeft geen uitstaans met het protocol, de ceremonieën, de lijkredes. Moest iemand sterven die me echt dierbaar is, ik zou niet in staat zijn om doodsbrieven te schrijven of een begrafenis te regelen. Een veel meer autentieke relatie met de afgestorvenen vindt men in de animistische religiositeit, de reïncarnatieleer en het spiritisme, waar de doden de levenden gidsen, als goede geesten, statusloos en zonder monumentale grafretoriek. Het westers-moderne cultuurmonumentalisme laat deze horizontale verhouding tussen levenden en doden niet toe,- een idee die ik uitwerkte in “Cum mortuis in lingua mortua”.

Het “respect” betreft dus vooral het kannibalisme, het vampirisme en het funeraal theater, het is gespeeld en dwangmatig. De booswicht Don Juan ontheiligt het en gaat als het ware pissen op het graf van de Commandeur. Daarmee zijn alle gesacraliseerde on-doden terug kwetsbaar en onderhevig aan ontbinding. Het tijdperk van de herenclubs en het cultuurvampirisme loopt op zijn einde. Een houten pin in hun hart moet die parasitaire verhouding tot het leven definitief opheffen, waardoor we ze kunnen vergeten. De schrijver moet-ontlezen worden, zijn gestolen inspiratie teruggevorderd. Het komt er nu op aan, de meestervampier Harry Mulisch uit het geheugen te wissen en zijn bestaan te herleiden tot wat zich in die “eenvoudige houten kist” bevindt: een ontbindend lijk, en een paar persoonlijke herinneringen, strikt voorbehouden aan zijn nabestaanden.

“De Ontdekking van de Hemel” wordt daarmee, volkomen parallel, eveneens herleid tot zijn fysieke existentie: een hoopje papier, dat in het toilet een waardige uitvaart ondergaat. Zo zou het grootse treurfeest aan de Amsterdamse Stadsschouwburg toch nog kunnen herlezen worden als een uitscheidingsgebeuren, eindigend in het doorspoelen van een hele hoop letters, stijlfiguren, verwijzingen, en heel de literaire reutemeut. Een onherroepelijk exit.

Dan pas kan Frieda echt beginnen wenen. Gun het haar.

Johan Sanctorum, 11/11/10

Advertenties

11 Reacties op “Van Herenclub tot Vampierenbal

  1. Mag ik bij dit gedoe over Mulisch van mijn stoel vallen? Natuurlijk hoeft niet iedereen van Mulisch te houden, van zijn werken dus. Net omdat de media de auteur als persoon steeds vaker en steeds meer op de voorgrond halen, ten koste van het werk, kan men inderdaad hopen dat de naamlozen zich aan het lijk vergrijpen, Sloterdijk zou hier met plezier zijn denken in “Zorn und Zeit” op toepassen. Te veel interesse voor de persoon van de schrijver, die van vroeger en nu, schaadt het genieten zelf. Beethoven, dat is zijn muziek, Elsschot, in A’pen de afgelopen lijkenschennerig boven water gehaald, terwijl van de werken slechts de karikatuur overbleef, dat zou de wraak van het gemene volk zijn.
    Over het werk van Mulisch, van de compositie van de wereld, twee vrouwen, de Hoogste tijd, de procedure, valt veel te vertellen, maar ik denk dat pijnlijk is dat we niet eens de moeite nemen over die werken te schrijven, te spreken. Maar ja, op Klara hoorde ik niet zo lang geleden iemand Thomas Mann een oude zeur noemen. Waarom? Waartoe? En over Buysse, over Teirlinck, over Clem Schouwenaers spreekt men nauwelijks nog. Wie één auteur, componist, schilder boven alles verheerlijkt of verguist, mag dat gerust doen, met cultuur heeft het niets te maken, slechts een weemakend consumentisme.

  2. Johan Gerber

    Briljante Sanctorum. Erg goed op dreef de laatste tijd….
    En wat Clem Schouwenaers betreft, die was zichzelf al vergeten ergens in de Veurnse polders toen hij nog leefde….houden zo !

  3. Yves Beaumont

    Weerom een mooi en boeiend stuk.

  4. Wederom zullen velen vinden dat dit sterk geschreven is. Dat is niet hetzelfde als goed, maar gaat er wel mee samen. Met andere woorden, Sanctorum schrijft ook maar op de rug van een ander, in casu Mulisch en Vermassen. Moeten we nu blij zijn hier te mogen vernemen dat Dimitri Verhulst vader is geworden? Blijkbaar niet.
    Edoch, het is niet alleen in de letterkunde dat het vampierendom hoogtij viert. Ook in de jouw geliefde opera bestaat dit.
    Ik heb me echter aan het werk van Mulisch bezondigd, dus sta ik hier, in het krijt, krijtbleek en wat uitgezogen. Gelukkig ben ik dan ook zelf weer schrijven en doe ik me te goed aan leven en bloed van anderen. Edoch, ik ben net begonnen aan dat van mezelf, terwijl ik het al zo lang niet wou doen. Want dat schijn je te vergeten, Johan, vaak putten schrijvers tegenwoordig uit zichzelf… tot ze uitgeput of zo?

    • Ik ben volledig akkoord met de uitbreiding van het reductionistische (en deterministische) literaire vampirisme naar de opera, en voor mijzelf verder naar religie, politiek, economie, wetenschap, spiritualiteit en kunst in het algemeen. Tenminste als het beperkt blijft tot de verbeelding (en dat heeft zijn waarde). Gelukkig is de realiteit anders, althans dat denk ik ervan. Fundamenteler voel ik alleszins niets voor een vampiristische ontologie die de skeletontologie in de hedendaagse filosofie moet vervangen. Teveel dood. Ik hou teveel van het leven daarvoor.

      JB

  5. Ik vond dit opnieuw een zeer extreem essay, – wééral “niet voor (on)gevoelige kijkers” veronderstel ik -, dat naast het schenken van buitengewoon interessante inzichten, opnieuw zichzelf al dan niet opzettelijk, eindeloos moet tegenspreken. [Dit essay behoort ook tot de literatuur als iemand dat wil, en reacties (op reacties op reacties op … ad infinitum) daarop ook].

    De reductie van de hele literatuur tot vampirisme lijkt mij duidelijk te eenvoudig. Het zijn niet alleen de iconen, maar dikwijls ook net de kleine en onbekende, onbetekenende en onderdrukte figuren onder ons die soms eerst wereldliteratuur creëerden en pas daarna beroemd werden, en die met hun werken wantoestanden aan het licht brachten die de wereld fundamenteel in een andere richting stuurden – zeker niet richting vampieren, in tegendeel. Hoeveel schrijvers van wereldfaam waren al een icoon vóór ze beroemd werden ? Ik vrees niet veel. Daarom zou ik eerder zeggen dat vampieren uit (een groep) vampieren geboren worden, de traditie van het vampirisme verder zetten, en overal alleen maar bloed willen zien omdat ze niets anders kennen. In hun verbeelding.

    Met andere woorden, hier zou sprake kunnen zijn van de spiraal van (on)gevoeligheid, die op een bepaald moment wel moet rood kleuren.

    JB

    Ik kan mij vergissen, maar ik meen te voelen dat Johan af en toe niet gevoelig genoeg is voor additie. Maar goed, wie is dat altijd ?

  6. Heer Sanctorum,
    Zo had ik het nog niet bekeken. Ik zal nooit meer in staat zijn de begrafenis van ‘een groot man/vrouw’ met dezelfde naïveteit en ontzag te aanschouwen, zoals ik dat tot nog toe – ik geef het toe – deed.
    Maar anderzijds blijf ik ook achter in verwarring. Mogen wij een groot schrijver, een groot kunstenaar na zijn dood dan niet meer bewonderen? Als ik uw uiteenzetting goed heb begrepen, dan is het zo dat hoe meer ik een schrijver bewonder, hoe meer ik mezelf tekortdoe.
    Hoe moet ik nu verder?
    Beteuterde groeten,
    De Drs.

    • Johan Praats

      Gewoon genieten van het gelezene en dan vergeten, zoals Johan zelf voorstelt, en verder bewonderen als u dat lief is…… ;=))

  7. Raoul De Smet

    Leuk griezelig, maar onwaarschijnlijk betoog! Heel geschikt voor de nieuwe bloedloze liturgie van Haloween.Doe nog maar een schepje bovenop de verwaterde waarden uit het verleden. Op die manier geraken we vlugger aan de “Rebelión de las masas” en het lonkende nihilisme.

  8. Inderdaad een briljant geschreven én problematisch stuk. Het Vermassen-luik is discutabel, gelinkt aan dat van Mulisch. Het ressentiment van de massa tegen de coryfee klopt wat Vermassen betreft, maar geldt niet voor Mulisch, want het “gepeupel” leest diens boeken niet.
    Els Clottemans als martelares en icoon van de onderdrukte onderlaag, ja, daar kan ik wel inkomen. Sanctorums kritiek op het boek, als marktobject en cultuurfetisj, is eveneens plausibel. Hij behandelde dat, als ik me goed herinner, ook al exact een jaar geleden, nav de Antwerpse Boekenbeurs (“De bomen en het bos”).
    Een idée-fixe zonder twijfel, van de schrijver die de schriftuur wil afschaffen. Een van de vele paradoxen in de bizarre persoonlijkheid van JS…

  9. Bizar, iemand laat de naam Schouwenaers vallen en onmiddellijk meent iemand te weten dat de man al lang onwetend van zijn eigen voortijdig verscheiden toch nog een paar boeken heeft geschreven. Dat Vermassen enigszins ter discussie staat, ligt voor de hand, dat we zelf zo onze reserves hebben bij de roman de aanslag behoedt ons (niet helemaal) voor helden verering, maar wel voor een verguizing van wat waardevol mag heten. Een gefundeerde kritiek van literair werk is in deze contreien al lang niet meer te zien, geschreeuw des te meer, kreten voor of tegen. Het meest bizarre is dan ook dat nogal wat volgers JS zonder meer volgen. Maar wat vermassen aangaat, valt niet zijn verdediging van de burgerlijke partijen te laken, dat is wat een advocaat hoort te doen, maar dat hij, als advocaat lastens de burgerlijke partij de jury tot de sublieme gedachte verleiden kan dat bewijslast voor de rechtsprekende instantie niet per se van materiële aard hoeft te zijn, roept vragen op. Echter, een oordeel is geveld en als cassatie het verbreekt, zal blijken hoe het verder moet. Bewijslast negeren is een belangrijk element van justie, toch?