Maandelijks archief: januari 2011

Van sociale bescherming tot palettenkruisiging

Bedenkingen rond de (on)zin van het syndicalisme in de 21ste eeuw

De verontwaardigde reacties zinderen nog na in verband met de mishandeling op de Waalse Mactac-werkvloer van een arbeider door een kliek van collega’s, onder de bezielde leiding van een kiekjesmakende vakbondsman (!). Zowat alle psycho’s en moralisten strooiden de meest onnozele clichés in het rond over het wezen van de menselijke agressiviteit en de kuddegeest. Enkele malen viel het woord “beestachtig”, wat ik eigenlijk een belediging voor het dierenrijk vind, want dit soort taferelen heb ik nog nooit in enige natuurdocumentaire gezien. “Pesterijen” is hier dan ook een zwakke kwalificatie,- dit gaat over regelrechte foltering.

Na de verontwaardiging en het goedkoop moralisme is het weer tijd voor wat bezinning en diepgang. Want dit is natuurlijk een vakbondsverhaal, hoe men het ook draait of keert. Temeer omdat de door het bedrijf ontslagen delegué-met-de-camera ook nog eens door de vakbond een advocaat toegewezen kreeg, en allicht niet-de-eerste-de-beste: de man versierde uiteindelijk 250.000 Euro…. schadevergoeding. Euh…hoe zat dat ook weer met België en zijn rijke syndicale traditie? Een korte terugblik.

Misschien moet België als patchwork-kunstwerk wel op de werelderfgoedlijst geplaatst worden. Alleen jammer dat het ook een staat is.

De Belgische revolutie in 1830 was primair het resultaat van een duivelspact tussen ultramontane rooms-katholieken en francofiele liberalen, eendrachtig in het verzet tegen het protestantse Noorden van Willem I. Het delicate rooms-blauwe machtsevenwicht, gedragen door het complete burgerlijk establishment, associeerde zich diepgaand met de stabiliteit van het Belgische regime zelf. Met de opkomst van het socialisme, tweede helft van de 19de eeuw, werd dit status-quo zwaar op de proef gesteld, want aanvankelijk was het socialisme een subversieve beweging die de klassenloze maatschappij nastreefde, zoals de Marxistische doctrine het voorschreef. De stichting van de Christelijke arbeidersbeweging was dan ook een meesterzet, ook al zagen domoren als Charles Woeste dat niet in: hierdoor ontstond een syndicale as ABVV/FGTB-ACV.CSC die tot op vandaag bestaat, en die zich helemaal in het systeem incorporeerde.

Meteen ontstond de grote driehoek van het Belgische zuilenstelsel, zoals we dat tot de jaren ’70 van vorige eeuw kenden: katholiek, liberaal en socialistisch. De twee eersten als “fondateurs” van het regime, de twee laatsten als vrijzinnige as. Een school- en cultuurpact moest er tenslotte voor zorgen dat de katholieken en vrijzinnigen het netjes hielden. Alle drie gijzelen ze elkaar, én beseffen ze dat ze elkaar nodig hebben.

Het fameuze Belgische compromis is dus niet zomaar de kers op de taart van een onderhandelinglogica. Het is de lijm van de Belgische constructie zelf, die altijd weer op andere plaatsen barst en moet bijgevuld worden. Wat Vande Lanotte vandaag doet, ligt in wezen in het verlengde van dit status-quo denken: zolang chipoteren en marchanderen tot iedereen moe wordt, de stukjes in elkaar klikken en het machtsevenwicht hersteld is. Alle inhoudelijke of ideologische premissen moeten daar eigenlijk voor wijken: de consensus en de herstelde stabiliteit van het regime vormen de ultieme doeleinden, met als archetype dus dat monsterverbond uit 1830. België is een puzzel die zichzelf constant heruitvindt. Politiek-cultureel is dat een tamelijk uniek verschijnsel,- misschien moet België als patchwork-kunstwerk wel op de werelderfgoedlijst geplaatst worden. Alleen jammer dat het ook een staat is.

Graag gedaan!

Uit dit verhaal onthouden we vooral dat het syndicalisme België in de 19de eeuw heeft overeind gehouden. In de ijzersterke driehoek speelde de Christelijke zuil steeds weer de rol van verzoener en bemiddelaar,- vandaar de welbekende tsjevenmentaliteit, het sparen van de kool en de geit. Er zijn echter maar weinig wetenschappelijke studies die zich gefocust hebben op de inherente machtslogica: de Christelijke vakbond, met alle aanverwante organisaties, heeft dé sleutels in handen van het complexe Belgische status-quo. Het ABVV speelt uiteraard het spel mee. Alleen al daardoor is het vakbondswezen bij ons door-en-door conservatief en zelfs reactionair. De oprispingen van NMBS-topman De Scheemaeker (zelf overigens een politieke benoeming en een stukje van het ingewikkelde politieke machtsevenwicht), dat de vakbonden vooral met zichzelf bezig zijn en niet met de reiziger, de consument, de burger, is nog een understatement: de twee grote vakbonden vormen een staat-in-de staat.

Denken buiten de Belgische logica is geen optie, noch voor het christelijke, noch voor het socialistische syndicalisme, dat heeft het nabije verleden nog maar eens aangetoond. De monarchie en alle andere met het machtscomplex verweven ballast nemen ze er graag bij, als hun sociale en politieke sleutelpositie maar intact blijft. En het moet gezegd: ze hebben de ontzuiling vlekkeloos overleefd. De media, het middenveld, de politieke partijen zelf,- alle hebben ze zich moeten heroriënteren naar een vlottend publiek dat eieren voor zijn geld kiest, behalve de vakbonden: zij teren op stabiel lidmaatschap en levenslange trouw. Het feit dat ze ook als uitbetalingsinstellingen fungeren, voor werkloosheidsvergoeding bijvoorbeeld, geeft hen een permanente werfkracht, een enorme financiële cash-flow, en een aan chantage grenzend beschermingssysteem: werknemers of werklozen die niet ingesloten zijn, riskeren om zich te pletter te lopen in het doolhof van de overheidsbureaucratie.

De vakbonden hebben zichzelf overleefd en teren nu louter op sociale chantage: dat is hun eindspel.

In dat opzicht is de recente ACV-affichecampagne, waarbij de openbare diensten lof wordt toegezwaaid, omdat ze doen wat ze moeten doen, dubbelzinnig én veelzeggend. De jongeman die blij is dat zijn studielening “gefikst” wordt (met steun van de vakbond?), had dus ook pech kunnen hebben en zijn lening niet krijgen. Zich niet bewust van het perverse van die beeldvorming, benadrukt het ACV enerzijds de willekeur van een overheidsbureaucratie, en anderzijds de noodzaak om bescherming te zoeken bij een grote organisatie zoals, jawel, het syndicaat. Het aloude cliëntelisme duikt weer op. In een verder stadium –en hoever kan men hierin gaan?- kan men spreken van sociale terreur, afpersing en maffiose intimidatiepraktijken.

Zo kom ik terug op de Mactac-affaire, waar uitgerekend die “fiksende” christelijke vakbond onder vuur lag. Als men heel de geschiedenis van het Belgische vakbondswezen overloopt, dan is dit geen exces maar het topje van de ijsberg dat toevallig de media haalde. Ik zeg niet dat er in elke fabriek arbeiders op paletten worden vastgebonden, onder talkpoeder bedolven en met een hogedrukreiniger worden schoongespoten. En het zal allemaal ook wel met bedrijfscultuur te maken hebben. Toch is die folterscène, inclusief de sexuele vernedering, een soort icoon van de manier hoe het syndicalisme verworden is tot een instituut dat mensen veeleer gijzelt dan dat het voor hen opkomt, en dat vooral afhankelijkheid creëert. De melige ondertoon van de ACV-retoriek en de harde realiteit van de groepsdictatuur vormen twee kanten van één syndicale medaille.

De vakbonden hebben zichzelf overleefd en teren nu louter op sociale chantage: dat is hun eindspel. Het is uiteraard geen exclusief Belgisch probleem, maar historisch had dit land alles mee om een horrorscène zoals die van Mactac voort te brengen. Een brede maatschappelijke discussie ligt nu open. Voor mij ligt de oplossing evenwel niet in een vaag “solidaristisch” project,- de sociale vrede als verplicht nationalistisch eenheidsdenken, dat opnieuw de autoriteit van de staat en het systeem voorop stelt. Eerder kies ik dan voor de libertarische invalshoek: het opvoeden tot individuele mondigheid en weerbaarheid van de burger, zodat er geen Daniel M. meer zwijgt, zelfs tegenover zijn eigen vrouw en kinderen, om zijn job veilig te stellen.

Een opgestoken middenvinger tegen alle Kafkaiaanse uitwassen, de vakbonden inbegrepen, is de enige juiste attitude. Flexibiliteit, grote sociale mobiliteit, permanente herscholing, intense professionele migratie en zich zo onafhankelijk mogelijk opstellen in de socio-culturele netwerken en het arbeidscircuit, dat is het antwoord op de systeemterreur, waarvan het syndicalisme een exponent is geworden.  Als men dat als een vorm van postmoderne onbestendigheid wil zien, voor mij geen probleem. Onze emancipatie uit de status van kuddedier, niet terug naar het roofdier, maar eerder naar de status van nomade, functionerend in een betrekkelijk kleine groepsentiteit, dat is onze existentiële en sociale toekomst.

Johan Sanctorum