Maandelijks archief: februari 2011

Een snoepje voor de professor

Prof. Em. Etienne Vermeersch gehuldigd door het Humanistisch Verbond

Zopas maakte de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging bekend dat ze haar tweejaarlijkse prijs uitreikt aan moraalfilosoof Etienne Vermeersch. Dat kan nauwelijks een verrassing genoemd worden: de professor-op-emeritaat (zoals het luxepensioen genoemd wordt, voorbehouden aan hoogleraren) is al decennia lang een boegbeeld van de Vlaamse vrijzinnigheid. In 2008 organiseerde Knack een poll onder “honderd prominente Vlamingen”, die Etienne Vermeersch tot “de meest invloedrijke Vlaamse intellectueel” uitriepen. Dat kan kloppen, het wijst er vooral op dat de professor veel vrienden heeft, maar voor een filosoof is het misschien wel een bedenkelijke onderscheiding: het zou Voltaire wel nooit overkomen zijn. Voor mij blijft Vermeersch dan ook vooral de intellectueel die zich koestert in de warmte van de schijnwerpers, en steeds weer bereid was om als excuusmoralist de politiek te depanneren en het maatschappelijk debat te draineren naar schimmige, besloten commissies. Euthanasie, abortus, hoofddoeken van moslima’s, hoeveel geweld er mag gebruikt worden tijdens een repatriëring,- dus hoe lang een rijkswachter zo’n kussen in iemands gezicht mag duwen voor hij/zij stikt: de expert-ethicus, stevig geruggesteund door een krans van vakgenoten, wist het allemaal en leverde ijverig adviezen af.

In menig opzicht is zo’n moralist in de schaduw van de macht een anachronisme. Wij hebben vandaag intellectuelen nodig die zich uiterst kritisch en met afstand opstellen tegenover de bovenbouw, het Belgische regime, maar ook de nieuwe Vlaamse zelfgenoegzaamheid, de media, het politiek en cultureel establishment. De generatie van Etienne Vermeersch mankeert dit Diogenisch instinct compleet. Hij is als filosoof gedateerd, hoewel hij, juist daardoor, als opiniemaker en staatsintellectueel, zichzelf overleeft en schittert. Zelfs zijn islamcriticisme is salonfähig, zijn flamingantisme (als lid van de Gravensteengroep) soft en academisch-abstract. Wim Van Rooy, zelf in ongenade gevallen bij de Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging wegens te radicaal, karakteriseert hem daarom als “gematigd en braaf”, een toonbeeld van politieke correctheid in een middelmatig cultureel landschap.
Een ander interessant dissident geluid i.v.m. prof. Vermeersch kwam overgewaaid uit Nederland, via de blog www.catholica.nl van Erik Van Goor. In de tekst “De genade van Etienne en zijn vrienden” linkt hij het rabiate atheïsme van de ex-Jezuïet Etienne Vermeersch aan het recent weer opgedoken DeMorgen-artikel uit 1979, waarin de professor zich zeer welwillend uitlaat over pedofilie, “als er geen dwang bij is”. In datzelfde jaar was Etienne Vermeersch betrokken bij de organisatie van de pedomusical “Snoepjes” van het gezelschap “de Rooie Vlinder”.
Etienne Vermeersch, SKEPP en C° bedrijven het atheïsme als een omgekeerde religie, met een bezetenheid en geborneerdheid die veeleer doet denken aan, jawel, een religieuze sekte.

Zelf een rechts-katholieke fundamentalist, gaat Van Goor er dan in galop vandoor om het atheïsme van Vermeersch als decadent en immoreel te kwalificeren,- t.t.z. gericht tegen de ethische normen van de Joods-Christelijke cultuur die kindermisbruik niet gedoogt. Die normen hebben onze katholieke pastores in het nabije verleden dan wel feestelijk aan hun laars gelapt,- dacht ik zo bij me zelf.

Toch wil ik even op dit spoor verder gaan, maar dan meer in psychoanalytische zin. De hyperrationalistische papenvreterij van de ex-Jezuïet Etienne Vermeersch is namelijk zo extreem dat men hier een permanente afrekening met het verleden,- zijn eigen (katholiek) verleden, vermoedt.

Dat werpt dan een enigszins ander licht op de zo zelfzekere en zijn tegenstanders immer overbulderende professor: de vrijzinnige humanist gaat op een neurotische manier om met zijn voorgeschiedenis. Hij lijkt me een typisch voorbeeld van het Paulus-syndroom, genoemd naar de vervolger van Jezus die op weg naar Damascus door een bliksem werd getroffen en meteen de strafste apostel werd: wat men eerst hevig aanhing, wordt nadien even extreem en met even weinig zin voor nuance verguisd. En omgekeerd. De bekering gaat gepaard met een streven naar macht en status (op de univ was Vermeersch’ bijnaam ‘de dictator’). Het syndroom is kenschetsend voor een zwakke persoonlijkheid die, dikwijls onder een autoritaire ‘schelp’, het ene fanatisme door het andere vervangt, wanhopig op zoek naar zekerheid. We kennen zo een aantal gevallen: extreem-linksen die bij extreem-rechts belanden zoals N-SA voorman Eddy Hermy, ooit begonnen als  Amada-militant; of het geval van de Trotzkistische atheïst prof. Herman De Ley die nu de sharia in België wil invoeren; of die andere seminarist, Paul Goossens, die in 1968 ineens als “linkse studentenleider” opduikt.

Mei ’68, of het sexfeest na de vadermoord
De bekeerling overdrijft altijd, hij zet zijn fanatisme voort in het andere kamp en wil het verleden uitwissen. Zo komt prof. Vermeersch ertoe, in zijn boek “Atheïsme” (2010)  een aantal godsbewijzen uit de middeleeuwen te weerleggen. Maar wie zit daar nu in de 21ste eeuw op te wachten? Iedereen die ook maar enigszins bekend is met de scholastieke filosofie, weet dat die godsbewijzen met veel kunst- en vliegwerk in elkaar geschoten prietpraat zijn, daterend uit de tijd dat men ezels voor de rechtbank daagde omdat ze met de duivel zouden complotteren. In dezelfde zin is Etienne Vermeersch ook een militant lid en onvermoeibare tekstenleverancier van SKEPP (Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale), een genootschap van vrijzinnige duiveluitdrijvers die een permanente klopjacht beoefenen op gelovigen van allerlei strekking, creationisten, telepatici, astrologen, mediums, kaartlezers, de homeopathie, en verder alles wat niet strookt met het enge wetenschappelijk positivisme, dat ook al uit de 19 de eeuw dateert. Vermeersch, SKEPP en C° bedrijven het atheïsme als een omgekeerde religie, met een bezetenheid en geborneerdheid die veeleer doet denken aan, jawel, een religieuze sekte.

Maar hoe houdt dat Paulussyndroom van de overijverige bekeerling verband met die vrolijke “Snoepjes”-musical en de pedofiele gedoogmoraal van onze expert-ethicus? Daartoe dienen we het betekenisvolle jaartal 1968 in herinnering brengen, en verwijs ik naar mijn lezing uit het jubileumjaar 2008 over deze beweging. De sterke libertijnse en erotomane ondertoon van de anti-autoritaire vloedgolf in Mei ’68 zou namelijk in een Freudiaanse zin kunnen verklaard worden, als een zelfbeloning voor de vadermoord. Het Alziend Oog is verdwenen, de seminaristen met kriebels in hun broek vieren de dood van God met een potje rampetampen. Voor meer details over deze link tussen vadermoord en groepssex, zie het baanbrekende werk van Siegmund Freud ““Totem und Tabu” (1913).

Het machtsvacuüm dat na de vadermoord ontstaat wordt inderdaad niet onmiddellijk ingenomen (dat gebeurt pas later, in de “mars door de instellingen”), maar gaat in eerste instantie gepaard met een sterke hedonistische consumptiedrang, wetenschappelijk vermomd als een wat-niet-weet-niet-deert-rationalisme. De wereld als snoepwinkel, alles is toegelaten, zolang het maar geen ongemak veroorzaakt. Als een kind van vijf niets voelt tijdens de penetratie, bv. door het te verdoven, is er niets aan de hand (zie hiervoor ook: “De betwistbare moraal van Etienne Vermeersch” van Herman De Dijn). Vanzelfsprekend gaf de sexuele frustratie, voortkomend uit de worsteling met het celibaat, voor mensen als Etienne Vermeersch en Paul Goossens een extra impuls aan deze libertijnse zelfbedieningscultuur.

Zo blijkt dat pedofiele nevenverhaal toch verband te houden met een geforceerd en dwangmatig instrumentalisme, volgend uit de leegte na de dood van God. Ik zeg het, zelf als ongelovige heiden: het atheïsme van de georganiseerde vrijzinnigheid deugt niet,- het ruikt teveel naar ressentiment en overcompensatie. Het wordt puur beleefd als feest-na-de-vadermoord, dat nu steeds meer uitdraait op een enorme kater. Elke moraal is hier voorwaardelijk en utilitair, on-Kantiaans. Uiteindelijk is er enkel de ontnuchtering, de tristitia post coitu, en een grijnzende professor die prijzen in ontvangst neemt. Zijn Jezuïtische bochtenwerk, om zijn zogenaamd gewijzigde visie op pedofilie vast te haken aan “nieuwe wetenschappelijke bevindingen”, is des te pijnlijker en ongeloofwaardiger.
De Mei’68-mythe is ondertussen al lang ontmaskerd door denkers als Michel Houellebecq en Bernard-Henri Lévy. De uitwegloosheid van de consumptiemaatschappij en de begeertecultus moet leiden tot een nieuw ascetisme van de rebellerende outsider. Maar professor Vermeersch is, zoals Paul Goossens overigens, op zijn élan doorgegaan, blijft onze meest invloedrijke intellectueel, en krijgt uit de handen van de paars gekleurde jury, met o.m. Eddy Boutmans (Groen!), Leona Detiège (SP.A) en Dirk Verhofstadt (Open-VLD), dus nu weer die fijne Prijs van het Vrijzinnig Humanisme. De plechtigheid gaat door in de Aula van de Gentse Univ op 21 juni. Dat is op een boogscheut van de plek waar de professor als toenmalig decaan “Snoepjes” liet opvoeren. Helemaal toevallig.

Advertenties

Het nut en vermaak van een kaasschaaf

Averechtse overwegingen rond cultuursubsidies en kunstenbeleid

Het protest tegen de besparingsplannen van cultuurminister Joke Schauvliege is lang nog niet geluwd. Nu pas drong het tot me door hoeveel organisaties, verenigingen, elke mogelijke kaartersclub, jeugdafdelingen van politieke partijen, maar ook tijdschriften, weblogs, enz. uit de ruif van overheidssubisides eten. Naast uiteraard de artistieke projecten, kunstencentra, de gezelschappen en… zowaar ook kunstenaars. De beslissing om het Ballet van Vlaanderen te laten samenwerken met de Vlaamse Opera leidde alvast tot de banbliksems en het ontslag vanwege directrice Kathryn Bennetts die (uitsluitend in het Engels overigens, ze spreekt nog altijd geen woord Nederlands) haar gram uitte over de Vlaamse boerenmentaliteit.
Het woord kaasschaaf is een sleutelrol gaan spelen in de discussie: het is overal bezuinigen geblazen, en dus kan cultuur het ook wel met wat minder stellen.
Moet de overheid zich echt met cultuur, inclusief heel het sociocultureel universum, bezig houden? Is kunst iets dat zich met staatstoelagen in leven moet houden? En… welke gehalte aan subversiviteit kan een kunstenaar nog hebben, in zijn status van steuntrekker of, erger nog, ambtenaar?