Maandelijks archief: mei 2011

Van heksenjacht tot pharma.be

De hetze tegen kruidengeneeskunde en homeopathie heeft een lange voorgeschiedenis.

Zoals bekend stelde het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg (KCE) een rapport op, waarin het adviseert om homeopathie te schrappen uit de ziekteverzekering, omdat “niets bewijst dat het werkt”. Opmerkelijk genoeg raadt het centrum tegelijk aan om enkel artsen homeopathie te laten beoefenen. Hoezo? Werkt het dan ineens weer wel? Of gaat het om een usurpatie?

Dat “Kenniscentrum” is een opmerkelijk ding, een typisch Belgisch monster met acht koppen. Het lijkt meer op een door de overheid geïnstalleerd netwerkplatform waarin de administratie van het RIZIV, de universiteiten, de Orde der Geneesheren, de mutualiteiten, maar ook de farmaceutische industrie met elkaar palaberen en beleidsaansturende adviezen geven, zoals dat heet. Het curriculum van de bemanning is rijk en gevarieerd. In de raad van bestuur komen we o.m. Olivier de Stexhe tegen, een cabinetard van CDH-makelij maar ook jarenlang adviseur bij pharma.be, de lobby van de farmaceutische industrie in België.

Dat de kruidengeneeskunde een doorn in het oog is van deze bloeiende en winstgevende industrietak, is evident. Kruidendeskundigen maken hun mengsels zelf. Dikwijls gaat het nota bene over dezelfde kruiden en plantenextracten als in de klassieke farmacie, maar dingen die je in je tuin kweekt, daar heeft pharma.be natuurlijk niets aan.

De lobby werkt overigens ook succesvol op Europees niveau: vanaf 1 mei van dit jaar mogen geneeskrachtige kruiden niet meer verkocht worden zonder EU-label,- een criterium dat netjes op maat is gemaakt van de industriële bereidingswijze. De farma-lobby, aangevoerd door de sluwe zakenadvocaat Leo Neels, loopt dus niet alleen de deuren plat van de huisartsen die met een paar flessen wijn worden bedacht: ze is vandaag vooral actief op politiek niveau, via allerlei commissies, stuurgroepen en zogenaamd wetenschappelijke adviesorganen. Deze institutionele netwerking verloopt via een hele reeks omkoopbare tussenpersonen en topambtenaren, genre Olivier de Stexhe. Ze harkt vlijtig wetenschappelijke publicaties bij elkaar die de superioriteit van de klassieke farmaceutica ondersteunen. Op die tendentieuze manier is ook dat fameuze rapport van het KCE ontstaan.

Kan men dat onzindelijk lobbyisme nog begrijpen vanuit het standpunt van die sector zelf, dan zijn er blijkbaar toch nog nuttige idioten die helemaal vrijblijvend lippendienst bewijzen aan datzelfde pharma.be. Al jarenlang organiseert SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”) een soort heksenjacht tegen alle mogelijke alternatieve vormen van geneeskunde: kruidengeneeskunde, acupunctuur, osteopathie, homeopathie e.d. worden op één hoopje gegooid met astrologie, handlezen en meer van die amusante maar in se onschuldige hobby’s. Spilfiguur en voorzitter van SKEPP, Prof. Em. Dr. Willem Betz (ex-VUB) is zonder meer een fanaticus met een Paulussyndroom: ooit beoefende hij zelf de homeopathie, maar een soort goddelijke bliksemslag op weg naar Damascus deed hem de dwaling daarvan inzien. Sinds die bekering zal heel de wereld van de alternatieve geneeskunde het geweten hebben, en schiet hij  op alles wat daar beweegt. Van zo iemand straalt de bevooroordeeldheid zo af. SKEPP moet zelf als een sekte beschouwd worden, met een uitgesproken onverdraagzaamheid naar andersdenkenden toe.

Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat iedereen zijn eigen geneeskunde moet zoeken. Hegemonieën en zelfverklaarde monopolies zijn nooit goed. Er bestaan niet één geneeskunde, al zouden de Orde en pharma.be natuurlijk willen van wel. Ik ben absoluut ongelovig, maar acht het bijvoorbeeld mogelijk dat zieken in Lourdes genezen, vanwege de religieuze affiniteit met die plek. Ik denk niet dat alle homeopathische middelen werken, maar dat doen de allopathische (dus klassieke) pillen ook niet altijd. Veelal beperken ze zich tot symptoombestrijding, leiden tot overmedicatie, of veroorzaken als pijnstillers dikwijls zelfs zware vormen van verslaving. De medische flaters zijn legio, ook in het universum van de witte schorten. Recent nog kwam aan het licht dat een twintigtal kankerpatiënten in het UZ van Gent met peperdure apparatuur verkeerd bestraald werden, waardoor een fatale tumor zich juist kon ontwikkelen.

De erfenis van Vesalius

De poging  van de farma-lobby om via het KCE de alternatieve geneeskunde de pas af te snijden, past in een commercieel geïnspireerde uitsluitingstrategie, maar is tegelijk een cultuurverschijnsel. Primair is dit namelijk de zoveelste episode in de eeuwenoude afrekening tussen een “mannelijke”, analytische, Cartesiaanse geneeskunde en de “vrouwelijke”, holistische benadering van het menselijk organisme. De mannelijke visie op het lichaam is doelgericht, bakent af, isoleert, maar doodt bij manier van spreken soms een mug met een kanonbal.

Invoeling is niet aan de orde. Het atelier van Vesalius, waarin die moderne geneeskunde geboren werd, sneed lijken open, maar deed ook aan vivisectie, zogezegd omdat dieren toch niets voelen. De anatomie leidt tot een sterke focus op het lichaam als mechanische entiteit, als machine, maar mist alle empathie en zin voor het geheel. De stukken blijven letterlijk liggen.

De vrouwelijke benadering is net andersom: niet inzoomend op een beperkte zone, maar het deel beschouwend vanuit het geheel. Vrouwen kunnen beter om met pijn, maar begrijpen tegelijk beter de pijn van de andere. Deze geneeskunde is kleinschalig en autonomistisch georganiseerd, en werkt vanuit de overlevering, meer dan vanuit institutionele onderwijsvormen en diploma’s. Dat laatste wordt vandaag tegen haar uitgespeeld: ze zou onprofessioneel zijn, ondeskundig en dus gevaarlijk voor de volksgezondheid.

Ik weet dat die sexuele connotaties betrekkelijk zijn en stereotiep lijken, maar ze hebben een geschiedenis en zelfs een antropologische achtergrond. Door de archaische combinatie van vruchtenplukster én moeder, staat de vrouw dichter bij de natuur, als iets dat leeft en gedijt, en waarvan de mens een onderdeel is. De kruidenkennis, het onderscheid tussen giftig en voedzaam of geneeskrachtig, de geheimen van dosering en het belang van de context,- het heeft zich ontwikkeld als vrouwelijke zorgcultuur, die in de late middeleeuwen in conflict kwam met de opkomende moderne geneeskunde. De beruchte heksenprocessen worden door bepaalde historici gezien als tekenen van een grote afrekening met die “vrouwelijke” concurrentie. Ook de vroedvrouwen moesten gediskwalificeerd worden: vandaag is een geboorte een uitermate klinisch gebeuren waar sowieso een dokter moet aan te pas komen, en als het even kan op een operatietafel met veel assisterend volk er rond. Iets normaals als een kind ter wereld brengen is een omslachtige operatie geworden. De natuur is vies, oncontroleerbaar, en moet zoveel mogelijk gesubstitueerd worden door industriële preparaten. De Zwitserse firma Nestlé is marktleider in melkpoeder die de moedermelk moet vervangen.

De oude mannelijke afgunst t.o.v. de barende vrouw leidde tot datgene wat we vandaag kennen als de machocultuur, zichtbaar in de disjunctieve rivaliteitslogica (of/of, nooit en/en), de prestatiesporten en het autoverkeer, naast alle mogelijke sublimaties van “scheppingsdrang”, fantasie, artistieke en wetenschappelijke productiviteit, de geniecultus, enz. Cultureel is het mannelijk kolonialisme in tal van “vrouwelijke” domeinen gepenetreerd,- dit woord gebruik ik bewust. Denken we maar aan de meesterkok, de keukenpiet van op TV die tegen de sterren op kokkerelt: vrouwen krijgen het kookboek cadeau voor Moederdag, terwijl ze zelf levende, ongeschreven kookboeken zijn. Idem dito voor de geneeskunde: het kruidenmengen zit als het ware in hun genen, maar Dr. Betz, pharma.be en de EU willen er niet meer van weten en geven de pillendraaiers het monopolie. Als troostprijs mogen meisjes natuurlijk wel geneeskunde studeren –er zijn de dag van vandaag zoveel vrouwelijke als mannelijke artsen-, zonder dat ze zich realiseren dat hun witte schort een uniform is, toebehorend aan een patriarchaat dat, ondanks alle positieve discriminatie, sterker is dan ooit.

Aristoteles, Vesalius en Descartes zetten de toon in dit verhaal. Ze blijven de maatschappelijke logica’s beheersen: agressief, expansionistisch, discriminerend, isolerend. Een moderne wetenschapper is een institutioneel ingekapselde vakidioot die zich een miniem stukje intellectueel territorium toeëigent. Het klinisch-analytisch denken gaat naadloos over in een gefractioneerd wereldbeeld met een globalistische waas over. Het wetenschappelijk-technologisch universum is niet in staat om het geheel te overzien, maar ontwikkelde wel een planetaire impact die fataal ontspoort.

Fukushima is er het voorlopig dieptepunt van.

De zesde extinctie


 Over de charme van de mislukkingen de schoonheid van de catastrofe

PisaIn het Canvas-Terzake-programma van 7 maart j.l. deelde Prof. Etienne Vermeersch ons mee dat de bevolkingsexplosie op deze planeet schier onbeheersbaar is. Straks zijn we met 9 miljard, en het absoluut armste land ter wereld –Niger- heeft het hoogste vruchtbaarheidscijfer. Op geen enkele manier staat de bevolkingstoename nog in verhouding tot de beschikbare woonruimte, landbouwoppervlakte, grondstoffen, energie. De roofbouw is dusdanig, dat de uitputting van de planeet nabij is, en dan is het gewoon gedaan. Niet alleen met de menselijke soort, maar mogelijk met alle leven op aarde, bijvoorbeeld door een wereldwijde kernramp.
Ik begrijp wel niet waarom de alarmkreet van Vermeersch zoveel ophef maakte. De these dat de (hooguit lineair groeiende) voedselproductie de exponentiële bevolkingstoename nooit kan volgen, werd al ontwikkeld door de Britse econoom Thomas Malthus (1766-1834), die grote hongersnood, epidemieën en oorlogen als fatale maar noodzakelijke correcties zag op dat onevenwicht. Wat Malthus niet voorzag is dat, dankzij de industriële revolutie, die collaps een technologisch karakter zal krijgen, een totale ineenstorting van het aardse ecosysteem die mogelijk een einde zal stellen aan alle leven.
Zo’n uitdoving is zelfs geen uniek feit, zo wist de professor ons nog te melden: ze behoort tot een natuurlijk geologisch ritme. Sinds het Cambriumtijdperk (circa 500 miljoen jaar geleden, waar vermoedelijk de eerste levende organismen ontstonden) zijn er al vijf totale extincties geweest. Momenten dus waar alle leven op aarde verdween en er terug van vooraf aan te beginnen viel. Vermoedelijk zijn we weer zo ver, en is het vooral het ontaarde dier aan de top van de evolutiepyramide, dat deze catastrofe zou bewerkstelligen: de homo sapiens. Men spreekt nu van het antropoceen, als een nieuw geologisch tijdperk waarin die voetafdruk van de mens alles domineert: het zal ongetwijfeld het kortste van alle tijdperken zijn.
De vaststelling van de professor is boeiend, maar de wanhoop zat diep. Uit zijn woordgebruik en lichaamstaal sprak een soort angst, zelfs paniek,- begrijpelijk: als men de zesde extinctie als een natuurlijk gegeven aanvaardt, waarover moet men zich als ethicus en humanist dan nog druk maken? Als dit een antropologisch en zelfs een geologisch voldongen feit is, wat doen wij hier dan nog?
Voor ons, amorele misantropen, is dit anderzijds een opportuniteit. Nu de ethische druk wegvalt om zoveel mogelijk menselijke biomassa te conserveren, zou men eindelijk de schoonheid kunnen inzien van een orde die ook de homo sapiens op zijn plaats zet, en tot een tamelijk onbenullig-komisch intermezzo herleidt. Niet eens een voetnoot in de geschiedenis van de kosmos.
Het zou tot een esthetica van de vergankelijkheid kunnen inspireren, die wetenschappers en kunstenaars op een ander spoor zet, maar ook de economie, het politieke bedrijf, en uiteindelijk het dagelijkse leven ont-stresst. Leren omgaan met het einde, als keerpunt van een cyclus: misschien maakt dat het leven, zolang het nog duurt, zelfs veel opwindender. Ik ontgin een paar pistes.

Lees het volledige essay

De Engelse pitbull en de Vlaamse underdog

Gisteren, op 3 mei, werd aan Theodore Dalrymple alias Anthony M. Daniels (op zich een vreemd feit dat een criticus van het politiek-correcte denken zich van een pseudoniem bedient, maar soit) de Prijs van de Vrijheid uitgereikt. Plaats van actie: de grote Aula van het Leuvense Maria-Theresa-college. Een verschrikkelijke plek die meer doet denken aan een anatomisch theater (zoals er zich een in Leuven bevindt), met neonlicht en een erbarmelijke akoestiek. De zaal (voor zo’n 500 toehoorders bedoeld) zat nog niet voor de helft vol, verwonderlijk eigenlijk, wanneer Bart De Wever himself als hulderedenaar was aangekondigd. Onderaan het amfitheater, dus waar de lijken normaal worden opengesneden, verzamelden zich de m’as-tu-vu-gasten van voornamelijk N-VA-makelij: Liesbeth Homans, Jan Jambon, Siegfried Bracke, en meer schoon volk, naast uiteraard de kernleden van Libera! (met uitroepteken, alsof de naam zelf niet volstaat, zie ook Groen! e.d.), de organiserende “klassiek-liberale” denktank onder de bezielende leiding van Boudewijn Bouckaert, tot nader order LDD.

Traditioneel zijn die Libera-prijsuitreikingen qua organisatie een echte ramp, en gisteren was het niet anders: speeches die met een uur vertraging beginnen, geknoei met micro’s, bloemen voor de spreker die niet afgegeven worden, een coördinator (Kristof Van der Cruysse) die op cruciale momenten in de natuur verdwijnt, en gelukkig géén receptie waardoor er ook geen lauwe schuimwijn werd geserveerd. Maar daarover wil ik het verder niet hebben, over naar de laudatio en de laureaatstoespraak, die in een boekje werden gebundeld en die ik ondertussen kon doornemen.

Tegenstellingen, paradoxen en versprekingen

Van Bart De Wever had ik meer verwacht dan het droog aflezen van een Engelse tekst, vrijwel zonder intonatie, maar ik veronderstel dat dit evenement voor de N-VA-voorzitter dan ook niet meer was dan een korte doortocht in een overgevuld dagprogramma. Wat boeiend was en is in deze enscenering, is de confrontatie tussen het universum van de cynisch geworden volksdokter Theodore Dalrymple en dat van de conservatieve Vlaams-nationalist Bart De Wever. Het uitgangspunt waarop Dalrymple steeds weer hamert, dat de pampercultuur alleen maar leidt tot meer afhankelijkheid, en uiteindelijk vooral de welzijnsbureaucratie ten goede komt, betwijfelt geen zinnig mens. En dat de schoelies, die de dagjesmensen in Hofstade intimideerden, niet moeten verontschuldigd worden met praatjes over het warme weer, schoolvacantie en toeslaande verveling,- daarover zijn we het allemaal eens.

Toch moet ik Dalrymple erop wijzen dat die verzorgingsstaat een uitvloeisel is van de christelijk-humanistische traditie, waarover de zgn. klassieke liberalen altijd zeer dubbelzinnig doen. Zelf gebruiken ze de termen “liberaal”, “libertariër” en “conservatief” door elkaar, waardoor ik in het verleden van een ideologische hutsepot sprak. Het is een paradox die ik ook bij de vorige editie in 2010, toen Bolkestein de Prijs van de Vrijheid kreeg, behandelde, en ik heb er nog altijd geen afdoend antwoord op gekregen. Zijn ze nu voor of tegen die culturele onderlaag, die ontegensprekelijk sociale klemtonen legt, en die door De Wever als het “kostbare weefsel” wordt omschreven? Concreet: moet ik medelijden hebben met het gezin dat de electriciteitsfactuur niet meer kan betalen –en misschien zelfs kwaad worden op Electrabel en Eandis die als echte liberalen vooral winst willen maken-, of moet ik zeggen zeggen: “vrienden, help u zelf, brand een kaars, want Theodore Dalrymple is tegen de pampercultuur”?

Medelijden, empathie: het zijn gevaarlijke woorden, want Dalrymple kadert alles in een sentimentaliteitscultus, daarover straks meer. Feit blijft dat het discours van onze gepensioneerde psychiater bijwijlen klinkt als een slang die in haar eigen staart bijt: het gedram over de Europese culturele traditie, de collectieve identiteit en de waarden van de Res Publica, als pseudo-argumentatie voor een ontmanteling van sociale voorzieningen,- brei het maar eens aan elkaar. Het is volstrekt onduidelijk waar bij Dalrymple de sociale solidariteit begint of ophoudt. De verzorgingsstaat is overigens eerder Christelijk-caritatief dan socialistisch-collectivistisch, evenals het belastingsysteem als middel tot herverdeling. Het is hoe-dan-ook hypocriet om de sociale vangnetten te willen opdoeken, terwijl men zich beroept op een identitaire cultuur die het individu overstijgt.

Dalrymple hekelt het hedonisme van de consumptiemaatschappij, maar het is juist de vrijemarkteconomie die de mens tot consumptie aanzet en hem gadgets probeert te verkopen die hij niet nodig heeft.

Ook in een ander aspect rammelt het liberaal-libertaire discours. Dalrymple hekelt het hedonisme van de consumptiemaatschappij, maar het is juist de vrijemarkteconomie die de mens tot consumptie aanzet en hem prullen probeert te verkopen die hij niet nodig heeft. Er bestaan nu eenmaal systemen, mechanica’s, raderwerken, die de menselijke vrijheid trachten te usurperen. Het liberalisme kan bv. niet anders dan reclame toejuichen tijdens kinderprogramma’s –in naam van de “vrijheid”-, maar daarmee wordt natuurlijk wel een verslavend consumentisme geprepareerd. Hoe dat dan weer gerijmd kan worden met ethische principes rond de leugen, manipulatie en verlakkerij, en het recht om te revolteren tegen dit systeem (Jezus die de marchands de tempel uitjaagt?), daar vind ik ook niets over terug in de teksten van Dalrymple. Theorievorming is duidelijk zijn zwakke plek.

Tenslotte heeft Dalrymple de neiging om zich te keren tegen de “linkse” systeemkritiek, die het individu zou deculpabiliseren, maar hij doet natuurlijk – op zijn anekdotische, particularistische manier- wel doorlopend zélf aan systeemkritiek, en dat kan ook niet anders. Het individu bevrijden zonder het systeem te herzien, waarin dat individu functioneert, is een illusie. We hebben dus de politieke plicht om ons te moeien met de maatschappelijke structuren en eventueel alternatieve modellen te ontwikkelen. Anders evolueren we zeer snel naar een cryptofascistische kortsluiting tussen extreem vrijemarktdenken en individuele repressie. Jaja, ik lees wel dat Dalrymple als de dood is voor onderdrukking van het individu, maar ik lees hier en daar tussen de regels toch wel dat een sterke staat, wat meer gevangenissen en wat meer politie hem ook niet ongenegen is. Zeer snel wordt het rechts-conservatieve liberalisme, via het alibi van de waarden-en-normen, toch weer een embryo van de censuurmaatschappij. Kan hier een libertariër eens recht staan?

Meester Pennewip

Over dan naar de boeiende persoonlijke connectie Dalrymple-De Wever. En hier komen we in een psychologisch register omtrent de wezenskenmerken van de Vlaamse underdog. Wie die typologie nog eens in detail wil nalezen, verwijs ik naar mijn essay “Berichten uit la Flandre profonde”, gepubliceerd in “De Vlaamse Republiek: van utopie tot project” (Leuven, Van Halewyck, 2009). Slechts één gedachte hieruit: de Vlaamse underdog vertoont alle kenmerken van de huisdierneurose,- namelijk blaffen én de hand likken die hem slaat. Hij is af en toe opstandig, maar nooit opstandig genoeg om de ketting door te bijten waaraan hij ligt. Ten gronde is de Vlaming nooit aan het Christelijk-parochiaal universum ontsnapt, waarbinnen zonde, leut,  zurigheid (tegen het “establishment”) en gehoorzaamheid de vier Clausiaanse hoekdelen vormen. De zaak Vangheluwe is er een verre uitloper van.

Wanneer ik nu de passages lees in Dalrymples tekst, over de “sentimentaliteitscultuur”, dan krijg ik toch wel de behoefte om dat op de persoon, de leefwereld én de ideologie van Bart De Wever te projecteren. Hierin staan benadrukking van mannelijke deugden, onderdrukking van gevoelens, en zelfcensuur centraal. Dalrymple ontpopt zich als anti-romanticus en geeft een aantal voorbeelden van “belachelijke” collectieve emoties, zoals het leggen van bloemen op plekken waar verkeersslachtoffers om het leven kwamen. Dat het ook hier om oeroude sociale rituelen gaat, traditie dus, zij het niet-geïnstitutionaliseerd, ontgaat Dalrymple blijkbaar compleet. De sentimentaliteitscultus bestaat wel degelijk, daarvoor hebben we de boekskens. Maar dat het collectief rouwen om een dood kind ook al tot het sentimentalisme moet gerekend worden, dat kan alleen uit de mond komen van een gedegouteerde zielenknijper. Ook hier zie ik weer rare breukvlakken met de Christelijke waarden van empathie. Maar, fundamenteler nog, is de afwijzing van de filosofie van J.J. Rousseau – voor wie het gevoel en het natuurlijk instinct primeerde- een Freudiaanse verspreking van de man die schrik heeft van zijn eigen gevoelens.

Dalrymple schijnt hier, meer dan een overtuigend discours tegen het sentiment, vooral een stukje van De Wevers ziel te hebben blootgelegd, en meteen deze van de Vlaamse schuld- en verdringingscultuur.

Persoonlijkheid en ideologie interfereren hier op een curieuze manier met elkaar. De algemeen bekende sociale handicap van De Wever (elke keer dat ik de man sprak, keek hij alleen naar de grond), waardoor hij alleen als demagoog functioneert, én als model-huisvader, rationaliseert zich in een anti-romantisch discours tegen de liefde, de revolutie, de radicaliteit. In essentie gaat het erom dat mensen hun gevoelens vooral moeten controleren en zich gedragen. Er is vrijheid van spreken, maar het moet “beschaafd” gebeuren, en men dient zich te excuseren als men over de schreef gaat.

Dalrymple schijnt hier, meer dan een overtuigend discours tegen het sentiment (dat inderdaad bestaat, maar dan ook weer meer als marktgestuurd fenomeen, vooral via de media), een stukje van De Wevers ziel te hebben blootgelegd, en meteen deze van de Vlaamse schuld- en verdringingscultuur. In wezen is dit het universum van geblokkeerde mannen die met hun gevoelens niet omkunnen, noch met de bochtigheid van het leven. Ik ga me niet wagen aan speculaties over het sexleven van Dalrymple of De Wever, maar ik houd het bij één vermoeden: Geeeuw.

Naadloos gaat het mannelijk-ascetisch discours tegen de emoties over in een zurig, kleinburgerlijk conformisme, dat dan toch weer de sterke staat vooropstelt die, eerder dan brutale censuur, vooral mechanismen van zelfcensuur inlepelt. Beheersing dus. En zo komen we weer uit op de Vlaamse underdog: de Engelse pitbull heeft er, onbewust, een perfect model voor geleverd. Zelden uitgelaten, zelden ook echt kwaad; meestal in de pas lopend, en af en toe de katjes in het donker knijpend. 19de eeuwse preutsheid en misogynie, een Victoriaans universum zoals Tom Lanoye het beschreef? Misschien wel. Ik houd het eerder bij Freud en diens verdringingstheorie. Mannen die emoties verbanvloeken, zitten met een probleem. De politieke revolte, maar ook alle poëtische momenten zijn dan flauwekul (men leze de columns van De Wever erop na), en kunst is, in haar hevige, temperamentvolle vorm, alleen maar ordeverstorend en dus nefast.

Ik moest bij de lectuur van Dalrymple’s speech heel de tijd denken aan Meester Pennewip van Multatuli: een schoolmeester-droogstoppel die de gedichten van zijn pupillen taxeert op hun gehalte aan godvrucht, vaderlandsliefde, gezagstrouw, en, jawel, zelfbeheersing. Andermaal: kan hier een libertariër….

Herderlijk

Ik heb het boekje nu weggelegd en zal het nooit meer lezen. De twee gabbers en boezemvrienden, Bart en Anthony, hebben, behalve hun hopeloze gevoelsarmoede en gespeelde mannelijke stoerheid, ook de kortademigheid gemeen van de columnist. Het zijn meer versierde bedenkinkjes, of, met iets minder respect gesteld: toogpraat. En ook hier herkennen we weer iets oer-Vlaams: het café als parochieparlement, als spiegelbeeld van de biechtstoel in de dorpskerk. De Engelse pub en de Vlaamse herberg ontmoeten elkaar hier als twee archaische fora, waar simpele waarheden vermengd worden met lachsalvo’s en schimpscheuten, en dat alles doorgespoeld met liters slecht bier.

Blijft dan natuurlijk nog de grote autoriteit in Vlaanderen van untouchable Bart De Wever, waartegen elke vrijheidsstrijder zich met hart en nieren zou moeten verzetten. Zijn dubbele reïncarnatie van de dorpspastoor en de schoolmeester uit la Flandre profonde, die zijn waarheden drenkt in een sopje van Latijnse spreuken,- het bevestigt mijn vooroordeel dat Vlamingen nog altijd op zoek zijn naar een herder. Een woord dat Dalrymple als een scheldwoord gebruikt. Ik vrees dus dat de vrijheid weer elders ligt. Altijd elders. Maar is dat niet eigen aan de vrijheid? Hoe zou men haar dan kunnen lauweren? Waarom is “vrijheid” in alle talen eigenlijk vrouwelijk? Kan hier een libertariër…., neen, laat maar zitten.

Johan Sanctorum

Lees ook: John De Wit/“Dalrymple kritiseert de sentimentele samenleving”