De Engelse pitbull en de Vlaamse underdog

Gisteren, op 3 mei, werd aan Theodore Dalrymple alias Anthony M. Daniels (op zich een vreemd feit dat een criticus van het politiek-correcte denken zich van een pseudoniem bedient, maar soit) de Prijs van de Vrijheid uitgereikt. Plaats van actie: de grote Aula van het Leuvense Maria-Theresa-college. Een verschrikkelijke plek die meer doet denken aan een anatomisch theater (zoals er zich een in Leuven bevindt), met neonlicht en een erbarmelijke akoestiek. De zaal (voor zo’n 500 toehoorders bedoeld) zat nog niet voor de helft vol, verwonderlijk eigenlijk, wanneer Bart De Wever himself als hulderedenaar was aangekondigd. Onderaan het amfitheater, dus waar de lijken normaal worden opengesneden, verzamelden zich de m’as-tu-vu-gasten van voornamelijk N-VA-makelij: Liesbeth Homans, Jan Jambon, Siegfried Bracke, en meer schoon volk, naast uiteraard de kernleden van Libera! (met uitroepteken, alsof de naam zelf niet volstaat, zie ook Groen! e.d.), de organiserende “klassiek-liberale” denktank onder de bezielende leiding van Boudewijn Bouckaert, tot nader order LDD.

Traditioneel zijn die Libera-prijsuitreikingen qua organisatie een echte ramp, en gisteren was het niet anders: speeches die met een uur vertraging beginnen, geknoei met micro’s, bloemen voor de spreker die niet afgegeven worden, een coördinator (Kristof Van der Cruysse) die op cruciale momenten in de natuur verdwijnt, en gelukkig géén receptie waardoor er ook geen lauwe schuimwijn werd geserveerd. Maar daarover wil ik het verder niet hebben, over naar de laudatio en de laureaatstoespraak, die in een boekje werden gebundeld en die ik ondertussen kon doornemen.

Tegenstellingen, paradoxen en versprekingen

Van Bart De Wever had ik meer verwacht dan het droog aflezen van een Engelse tekst, vrijwel zonder intonatie, maar ik veronderstel dat dit evenement voor de N-VA-voorzitter dan ook niet meer was dan een korte doortocht in een overgevuld dagprogramma. Wat boeiend was en is in deze enscenering, is de confrontatie tussen het universum van de cynisch geworden volksdokter Theodore Dalrymple en dat van de conservatieve Vlaams-nationalist Bart De Wever. Het uitgangspunt waarop Dalrymple steeds weer hamert, dat de pampercultuur alleen maar leidt tot meer afhankelijkheid, en uiteindelijk vooral de welzijnsbureaucratie ten goede komt, betwijfelt geen zinnig mens. En dat de schoelies, die de dagjesmensen in Hofstade intimideerden, niet moeten verontschuldigd worden met praatjes over het warme weer, schoolvacantie en toeslaande verveling,- daarover zijn we het allemaal eens.

Toch moet ik Dalrymple erop wijzen dat die verzorgingsstaat een uitvloeisel is van de christelijk-humanistische traditie, waarover de zgn. klassieke liberalen altijd zeer dubbelzinnig doen. Zelf gebruiken ze de termen “liberaal”, “libertariër” en “conservatief” door elkaar, waardoor ik in het verleden van een ideologische hutsepot sprak. Het is een paradox die ik ook bij de vorige editie in 2010, toen Bolkestein de Prijs van de Vrijheid kreeg, behandelde, en ik heb er nog altijd geen afdoend antwoord op gekregen. Zijn ze nu voor of tegen die culturele onderlaag, die ontegensprekelijk sociale klemtonen legt, en die door De Wever als het “kostbare weefsel” wordt omschreven? Concreet: moet ik medelijden hebben met het gezin dat de electriciteitsfactuur niet meer kan betalen –en misschien zelfs kwaad worden op Electrabel en Eandis die als echte liberalen vooral winst willen maken-, of moet ik zeggen zeggen: “vrienden, help u zelf, brand een kaars, want Theodore Dalrymple is tegen de pampercultuur”?

Medelijden, empathie: het zijn gevaarlijke woorden, want Dalrymple kadert alles in een sentimentaliteitscultus, daarover straks meer. Feit blijft dat het discours van onze gepensioneerde psychiater bijwijlen klinkt als een slang die in haar eigen staart bijt: het gedram over de Europese culturele traditie, de collectieve identiteit en de waarden van de Res Publica, als pseudo-argumentatie voor een ontmanteling van sociale voorzieningen,- brei het maar eens aan elkaar. Het is volstrekt onduidelijk waar bij Dalrymple de sociale solidariteit begint of ophoudt. De verzorgingsstaat is overigens eerder Christelijk-caritatief dan socialistisch-collectivistisch, evenals het belastingsysteem als middel tot herverdeling. Het is hoe-dan-ook hypocriet om de sociale vangnetten te willen opdoeken, terwijl men zich beroept op een identitaire cultuur die het individu overstijgt.

Dalrymple hekelt het hedonisme van de consumptiemaatschappij, maar het is juist de vrijemarkteconomie die de mens tot consumptie aanzet en hem gadgets probeert te verkopen die hij niet nodig heeft.

Ook in een ander aspect rammelt het liberaal-libertaire discours. Dalrymple hekelt het hedonisme van de consumptiemaatschappij, maar het is juist de vrijemarkteconomie die de mens tot consumptie aanzet en hem prullen probeert te verkopen die hij niet nodig heeft. Er bestaan nu eenmaal systemen, mechanica’s, raderwerken, die de menselijke vrijheid trachten te usurperen. Het liberalisme kan bv. niet anders dan reclame toejuichen tijdens kinderprogramma’s –in naam van de “vrijheid”-, maar daarmee wordt natuurlijk wel een verslavend consumentisme geprepareerd. Hoe dat dan weer gerijmd kan worden met ethische principes rond de leugen, manipulatie en verlakkerij, en het recht om te revolteren tegen dit systeem (Jezus die de marchands de tempel uitjaagt?), daar vind ik ook niets over terug in de teksten van Dalrymple. Theorievorming is duidelijk zijn zwakke plek.

Tenslotte heeft Dalrymple de neiging om zich te keren tegen de “linkse” systeemkritiek, die het individu zou deculpabiliseren, maar hij doet natuurlijk – op zijn anekdotische, particularistische manier- wel doorlopend zélf aan systeemkritiek, en dat kan ook niet anders. Het individu bevrijden zonder het systeem te herzien, waarin dat individu functioneert, is een illusie. We hebben dus de politieke plicht om ons te moeien met de maatschappelijke structuren en eventueel alternatieve modellen te ontwikkelen. Anders evolueren we zeer snel naar een cryptofascistische kortsluiting tussen extreem vrijemarktdenken en individuele repressie. Jaja, ik lees wel dat Dalrymple als de dood is voor onderdrukking van het individu, maar ik lees hier en daar tussen de regels toch wel dat een sterke staat, wat meer gevangenissen en wat meer politie hem ook niet ongenegen is. Zeer snel wordt het rechts-conservatieve liberalisme, via het alibi van de waarden-en-normen, toch weer een embryo van de censuurmaatschappij. Kan hier een libertariër eens recht staan?

Meester Pennewip

Over dan naar de boeiende persoonlijke connectie Dalrymple-De Wever. En hier komen we in een psychologisch register omtrent de wezenskenmerken van de Vlaamse underdog. Wie die typologie nog eens in detail wil nalezen, verwijs ik naar mijn essay “Berichten uit la Flandre profonde”, gepubliceerd in “De Vlaamse Republiek: van utopie tot project” (Leuven, Van Halewyck, 2009). Slechts één gedachte hieruit: de Vlaamse underdog vertoont alle kenmerken van de huisdierneurose,- namelijk blaffen én de hand likken die hem slaat. Hij is af en toe opstandig, maar nooit opstandig genoeg om de ketting door te bijten waaraan hij ligt. Ten gronde is de Vlaming nooit aan het Christelijk-parochiaal universum ontsnapt, waarbinnen zonde, leut,  zurigheid (tegen het “establishment”) en gehoorzaamheid de vier Clausiaanse hoekdelen vormen. De zaak Vangheluwe is er een verre uitloper van.

Wanneer ik nu de passages lees in Dalrymples tekst, over de “sentimentaliteitscultuur”, dan krijg ik toch wel de behoefte om dat op de persoon, de leefwereld én de ideologie van Bart De Wever te projecteren. Hierin staan benadrukking van mannelijke deugden, onderdrukking van gevoelens, en zelfcensuur centraal. Dalrymple ontpopt zich als anti-romanticus en geeft een aantal voorbeelden van “belachelijke” collectieve emoties, zoals het leggen van bloemen op plekken waar verkeersslachtoffers om het leven kwamen. Dat het ook hier om oeroude sociale rituelen gaat, traditie dus, zij het niet-geïnstitutionaliseerd, ontgaat Dalrymple blijkbaar compleet. De sentimentaliteitscultus bestaat wel degelijk, daarvoor hebben we de boekskens. Maar dat het collectief rouwen om een dood kind ook al tot het sentimentalisme moet gerekend worden, dat kan alleen uit de mond komen van een gedegouteerde zielenknijper. Ook hier zie ik weer rare breukvlakken met de Christelijke waarden van empathie. Maar, fundamenteler nog, is de afwijzing van de filosofie van J.J. Rousseau – voor wie het gevoel en het natuurlijk instinct primeerde- een Freudiaanse verspreking van de man die schrik heeft van zijn eigen gevoelens.

Dalrymple schijnt hier, meer dan een overtuigend discours tegen het sentiment, vooral een stukje van De Wevers ziel te hebben blootgelegd, en meteen deze van de Vlaamse schuld- en verdringingscultuur.

Persoonlijkheid en ideologie interfereren hier op een curieuze manier met elkaar. De algemeen bekende sociale handicap van De Wever (elke keer dat ik de man sprak, keek hij alleen naar de grond), waardoor hij alleen als demagoog functioneert, én als model-huisvader, rationaliseert zich in een anti-romantisch discours tegen de liefde, de revolutie, de radicaliteit. In essentie gaat het erom dat mensen hun gevoelens vooral moeten controleren en zich gedragen. Er is vrijheid van spreken, maar het moet “beschaafd” gebeuren, en men dient zich te excuseren als men over de schreef gaat.

Dalrymple schijnt hier, meer dan een overtuigend discours tegen het sentiment (dat inderdaad bestaat, maar dan ook weer meer als marktgestuurd fenomeen, vooral via de media), een stukje van De Wevers ziel te hebben blootgelegd, en meteen deze van de Vlaamse schuld- en verdringingscultuur. In wezen is dit het universum van geblokkeerde mannen die met hun gevoelens niet omkunnen, noch met de bochtigheid van het leven. Ik ga me niet wagen aan speculaties over het sexleven van Dalrymple of De Wever, maar ik houd het bij één vermoeden: Geeeuw.

Naadloos gaat het mannelijk-ascetisch discours tegen de emoties over in een zurig, kleinburgerlijk conformisme, dat dan toch weer de sterke staat vooropstelt die, eerder dan brutale censuur, vooral mechanismen van zelfcensuur inlepelt. Beheersing dus. En zo komen we weer uit op de Vlaamse underdog: de Engelse pitbull heeft er, onbewust, een perfect model voor geleverd. Zelden uitgelaten, zelden ook echt kwaad; meestal in de pas lopend, en af en toe de katjes in het donker knijpend. 19de eeuwse preutsheid en misogynie, een Victoriaans universum zoals Tom Lanoye het beschreef? Misschien wel. Ik houd het eerder bij Freud en diens verdringingstheorie. Mannen die emoties verbanvloeken, zitten met een probleem. De politieke revolte, maar ook alle poëtische momenten zijn dan flauwekul (men leze de columns van De Wever erop na), en kunst is, in haar hevige, temperamentvolle vorm, alleen maar ordeverstorend en dus nefast.

Ik moest bij de lectuur van Dalrymple’s speech heel de tijd denken aan Meester Pennewip van Multatuli: een schoolmeester-droogstoppel die de gedichten van zijn pupillen taxeert op hun gehalte aan godvrucht, vaderlandsliefde, gezagstrouw, en, jawel, zelfbeheersing. Andermaal: kan hier een libertariër….

Herderlijk

Ik heb het boekje nu weggelegd en zal het nooit meer lezen. De twee gabbers en boezemvrienden, Bart en Anthony, hebben, behalve hun hopeloze gevoelsarmoede en gespeelde mannelijke stoerheid, ook de kortademigheid gemeen van de columnist. Het zijn meer versierde bedenkinkjes, of, met iets minder respect gesteld: toogpraat. En ook hier herkennen we weer iets oer-Vlaams: het café als parochieparlement, als spiegelbeeld van de biechtstoel in de dorpskerk. De Engelse pub en de Vlaamse herberg ontmoeten elkaar hier als twee archaische fora, waar simpele waarheden vermengd worden met lachsalvo’s en schimpscheuten, en dat alles doorgespoeld met liters slecht bier.

Blijft dan natuurlijk nog de grote autoriteit in Vlaanderen van untouchable Bart De Wever, waartegen elke vrijheidsstrijder zich met hart en nieren zou moeten verzetten. Zijn dubbele reïncarnatie van de dorpspastoor en de schoolmeester uit la Flandre profonde, die zijn waarheden drenkt in een sopje van Latijnse spreuken,- het bevestigt mijn vooroordeel dat Vlamingen nog altijd op zoek zijn naar een herder. Een woord dat Dalrymple als een scheldwoord gebruikt. Ik vrees dus dat de vrijheid weer elders ligt. Altijd elders. Maar is dat niet eigen aan de vrijheid? Hoe zou men haar dan kunnen lauweren? Waarom is “vrijheid” in alle talen eigenlijk vrouwelijk? Kan hier een libertariër…., neen, laat maar zitten.

Johan Sanctorum

Lees ook: John De Wit/“Dalrymple kritiseert de sentimentele samenleving”

Advertenties

9 Reacties op “De Engelse pitbull en de Vlaamse underdog

  1. Als niet andere, familiale engagementen, gelinkt aan wetenschappelijke nieuwsgierigheid me hadden weerhouden, was ik ook wel naar Leuven afgezakt, althans, dat was mijn opzet. Maar ik weet het niet meer zeker. Zoals JS zegt, het bijna boven twijfel verheven aansluiting zoeken en vinden bij Dalrymple of een andere leidspersoon botst inderdaad al te vaak met mijn inborst waar minstens twee zielen huizen.
    Als aansluiting bij de psychanalytische verklaringen van Sanctorum kan dat wel tellen, maar het is ons er vooral om te doen, dat we als conservatieve denker, zoals ik mezelf wel percipieer de vernieuwende inzichten niet afwijs, tenzij na grondige reflectie. Heb ik een paar boeken van Dalrymple gelezen, dan verdwijnt hij allengs weer op de achtergrond, omdat andere elementen mijn aandacht vragen, bijvoorbeeld de herinneringsindustrie die Pierre Nora mee op gang heeft gebracht. Nu goed, zo min als Jan Hoet, Etienne Vermeersch of Reynebeau voor mij leidende cultuur- of andere pausen kunnen zijn, zal ik ook van Dalrymple wel enkele ideeën bij de hand houden, kijken of ze valabel zijn, maar zonder de man, tja, zalig te verklaren. Nigel Williams heeft ook zo zijn kritiek op het UK zoals Tatcher en Blair het hem hebben nagelaten en erg ver loopt dat niet weg van wat Dalrymple vertelt. De vrijheid waar Boudewijn Bouckaert voor staat, kan wel eens schraal ogen, maar blijft natuurlijk een hoog goed. Zomaar dicta van anderen overnemen heeft dan ook geen zin, er zinvol mee omgaan is nog iets anders. En hier schiet naar mijn oordeel ook JS wat tekort, want een goede leraar of parochieherder kan inspirerend werken, vaak blijft het evenwel vrijblijvend. Aan de stamtafel kan veel geneuzeld worden, maar soms ook eens per toeval of, in het betere geval, regelmatig een goed gesprek ontstaan. Het zijn die apodictische uitspraken dat het a priori niet zou deugen, dat mij ergert. Of Bart de Wever meer is dan de demagoog, zoals JS hem afschildert, kan noch wil ik onderschrijven net omdat de man momenteel precies die rol te spelen heeft en die ook met verve heeft opgenomen. Zijn vermeende volgelingen zijn echt geen blinde mollen – maar het is niet het moment om te doen alsof men afstand neemt van de nodige hervormingen in dit land. Iets anders is het de invulling van het beleid in Vlaanderen, c.q. het hervormingsprogramma in het algemeen onderwijs of van het DKO onder de loep te nemen en er zich een oordeel van te vormen. Die benadering van de actualiteit ontbreekt wel vaker bij SJ omdat hij het algemene plaatje te zeer belicht. In die zin heb ik het lastig want zo is er geen discussie mogelijk over beleid in de pijplijn of besloten beleid, wat voor Vlaanderen erg is. Een goede stamtafel zou in die zin wel eens van nut kunnen zijn. Concreet, hoe gaan we een aantal jongeren, die voor zichzelf geen toekomst weten te verzinnen toch op weg helpen, daar richten noch Dalrymple, noch Sanctorum hun blik op, terwijl N-VA en De Wever in het Vlaams Parlement daar net wel een aanzet toe geven.

  2. Annick christiaens

    Bangelijk dat zelfs intelligente mensen (schijnt Bart de Wever toch te zijn) niet eerst proberen zichzelf “te bevrijden” (van zo’n gevoelsarmoede en primus willen en moeten zijn daardoor) vooraleer ze een “vrije gemeenschap” wensen te maken door de tucht en orde waar ze zelf onder gebukt gingen als leidraad te nemen.

  3. Ludwina Verdonck

    Hmmm, het is bangelijk stil vanuit de N-VA hoek bij deze (schrijnend juiste) vitrioolanalyse. De cynisch geworden dokter Dalrymple deugt inderdaad niet als inspiratiebron voor de Vlaamse republikeinen.
    Wel vraag ik me af of we lang moeten stilstaan bij het schrale sexleven van Bart De Wever. Dat lijkt me een puur academische gimmick. Veeleer moet er een nieuwe, frisse wind waaien door Vlaanderen, die het kleinburgerlijk-verbitterd geneuzel opruimt. JS heeft al voorzetten gegeven. Ik kijk uit naar een politiek antwoord…

  4. Parce que – comme un etranger qui ne connait tres bien le problemes internes de chez vous – je me contente de faire seulement une remarques generales.
    Il me semble que tres frequent dans nos jours les mots deviennent polisemantiques. Ca peut-etre a cause de l’extraordinaire agression mediatique a laquelle nous sommes des sujets. La seule solution nous a ete donne par Confucius et elle consiste dans la “rectification des nommes [mots]”. La differance entre l’homme superieur et l’autre reside dans le fait que le premier observe avec obstination que ses mots ne soient jamais incorects. Il n’est pas possible la moralle meme sans une permanente et soutenue correction qui peut se porter aussi par le biais de la communication.
    Monsieur Johan, a decrit la situation avec beaucoup de l’humour et a fait aussi des observations profondes et aigues. J’ai bien ri.
    Tous les hommes des nos jours recherchent un berger. Mais peut etre ils vont sur une chemin cachee a la recherche des mots perdus. Pourquoi avons-nous perdu les mots, le language des oiseaux?

  5. Hans Becu

    De essentie van het verhaal is, en ik citeer JS :
    “Het uitgangspunt waarop Dalrymple steeds weer hamert, dat de pampercultuur alleen maar leidt tot meer afhankelijkheid, en uiteindelijk vooral de welzijnsbureaucratie ten goede komt, betwijfelt geen zinnig mens. En dat de schoelies, die de dagjesmensen in Hofstade intimideerden, niet moeten verontschuldigd worden met praatjes over het warme weer, schoolvacantie en toeslaande verveling,- daarover zijn we het allemaal eens.”
    Dat is ook de essentie van het verhaal en de fundamentele kritiek op de sociaaldemocratie.
    De rest is bijzaak. Ik ben niet geïnteresseerd in de psychologie van Dewever of Dalrymple, net zomin als ik geïnteresseerd ben in speculaties rond die van Rudi De Leeuw of Elio Di Rupo. Ik heb ook geen last van Vlaamse Hondgevoelens. Ik zou alleen graag zien dat verstandige mensen op een verantwoorde manier de nodige correcties aanbrengen aan ons sociaal economisch systeem in functie van gewijzigde omstandigheden en nieuwe inzichten. Iedereen heeft in dat proces het recht om naar de grond te kijken en frieten te eten, of een designsocialist te zijn die in een loft woont of ooit eens een dikke bonus heeft getrokken ams bankmanager. Who cares.

  6. Herman Verbeke

    Het is duidelijk dat JS zijn lezers weer even op het verkeerde been heeft gezet. Zo interpreteer ik de reacties. Hij begint inderdaad met het beamen van de stelling van Dalrymple over de pampercultuur. Maar niemand verwacht toch dat JS op dat cliché doorgaat?
    Wat volgt, is dan een deconstructie van dat liberaal-conservatief complex, dat JS als mannelijke toogpraat kwalificeert. Daar hoeft niemand mee akkoord te gaan, maar het is wel raak getypeerd. Ik was daar in Leuven, die avond van 3 mei, en ik kan u verzekeren: Dalrymple en De Wever zaten daar echt als die twee oude mannetjes uit de Mupett Show.
    Het sfeerbeeld en de karakterschets die JS neerzet, moet ik beamen: de N-VA begint steeds meer te gelijken op de Amerikaanse tea-party, een schaduworganisatie van de republikeinen, waarvan karikaturen als Donald Rumsfeld in de vorige legislatuur de dienst uitmaakten. Een club van zielige, oude macho’s. Horresco referens…

  7. Nemo Xeno

    Het is steeds leuk om JS’s teksten te lezen. Grappig en sfeervol gevatte cartoonbeeldjes…

    Met prijsuitreikingen zetten de prijsuitreikers vooral zichzelf in de bloemetjes… Maar die werden finaal niet afgegeven, heb ik begrepen…
    Bloemen met of zonder potten… pampercultuur, de oude mannetjes van de Muppet Show… het anatomisch theater… de Vlaamse pittbull… katjes in het donker knijpen maar dan in het volle licht algemeen braaf en onderdanig… en de cafépraat met liters slecht bier doorspoelen… Tja, in een Engelse of ierse of waalse pub is het overal net het eendert…

    De Vlaming als “Germaanse neger” vind ik nog steeds één van de meeste gevatte ‘pictures’… als hoogstens tot tatoueur van varkens gepromoveerde…

    JS kan Franstaligen aan het lachen brengen maar dat BDW ook…

    Ik begrijp maar half van wat JS allemaal schrijf… Ik heb geen TV en lees zelden de krant… vandaar misschien…

  8. Annick Verbauwen

    Een van de beste kritische analyses rond het Dalrymple-fenomeen die ik de laatste tijd gelezen heb.
    Alleen de passage over de sentimentaliteitscultus overtuigt me niet helemaal. Ook met die in Italië verongelukte wielrenner zie je toch dat de media alle registers opentrekken, tot op het wansmakelijke af. Daar heeft Dalrymple wellicht een punt. De sentimentaliteit ent zich als een parasiet op de echte emotie (i.e. het verdriet van de nabestaanden, die volgens mij geen boodschap hebben aan dat mediagelul).
    Maar volgens mij compromitteert De Wever (daarin heeft JS dan weer wel gelijk) zich enorm door Dalrymple voor zijn kar te spannen (of is het omgekeerd). Het Vlaams-nationalisme heeft niets aan deze veredelde toogpraat. Ze is waardeloos als denkpiste in de richting van een Vlaamse republiek.
    Er zit inderdaad een aspect van macho-achtige gevoelsarmoede achter die (zeker in het geval van De Wever) ook leidt tot het afwijzen van politieke radicaliteit.

  9. Nemo Xeno

    @ Annick

    Ja, Vlaanderen heeft nood aan transparantie, oprechtheid, sereen-kordaat humane aanpak van vele problemen, aan een gepast “redemption-schuldbesef” daar waar het moet en op zijn plaats is (i.v.m. WO II collaboratie) maar niet op zo’n wijze dat het daarmee constant gechanteerd/gemanipuleerd blijft worden en waarbij Vlaanderen met al haar “meervoudige persoonlijkheids”-syndromatische alters warm en koud tegelijk blazen en knievallen doen naar de PS en intussen met een pers opgescheept wordt die intussen een soort ideologische – de democratie buiten spel zettend – staatsgreep pleegt én dan zichzelf boven de inwoners van dit land stelt en hierbij stelt dat 6.000.000 domme Vlamingen die toch niets begrijpen van ‘hogere politiek’ het best steeds verder gaande compromissen moet slikken… hierbij het echte en enig deugdzame compromis wat dit land rijk is t.w. het ‘compromis der Belgen’ inslikkend…

    Wat een land! Vertel dat allemaal eens in het buitenland… tjonge, nog an toe…

    Persoonlijk weet ik echt niet wat er in het hart en het hoofd van Bart De Wever omgaat… Hij belichaamt zelf een soort politiek-meervoudige persoonlijkheid – wat mezelf ook niet totaal vreemd is – en dat hem allianties doet sluiten die hij sluit…

    Persoonlijk opteer ik ook voor een kordate menswaardige ‘radicaliteit’, d.w.z. alles vanuit de ‘radix’ (= wortel)herbekijken én heropbouwen… ‘from scratch’… vanaf de (onder)grond… én dit met een open kijk, een open vizier, ruime horizonten, met een programma die wars is van duistere afspraken of verborgen agenda’s maar – integendeel – heel openlijk zegt voor wat het staat en gaat…

    Ik mis op deze website – en ook op de website van de Res Publica-denkgroep – een opbouwende aanpak want – ofschoon ik alle bijdragen van JS ontzettend gevat een ‘geestig’ vindt – met allemaal kritiek bouw je niet zomaar in én doorheen haar ‘ergens geimpliceerde’ de samenleving uit die je écht wél wenst, die verdedigbaar is, haalbaar, menswaardig is…

    Persoonlijk vind ik elke aanval op een concrete persoon steeds ergens wat misplaatst in die zin dat je die mens dan zaken toedicht die hij/zij vanuit zijn/haar levensgegeven totaal anders beleeft en ziet en invult…

    Ik weet niet wat de achterliggende reden is van een bondgenootschap met Dalrymple (die ken ik ook onvoldoende om hierover al een ‘oordeel’ te gaan vellen)…

    Ik werk al heel lang aan een begeesterende maquette, een blauwdruk… iets dat Vlaanderen, Brussel, Wallonie (en de Oostkantons) nodig hebben… en dat duidelijkheid verschaft over een vizie, een toekomstbeeld want finaal wordt het huis maar ongeveer datgene wat er op het plan van de architect te zien staat…

    De rest is allemaal ‘zout op de staart leggen’ van voorbijgaande gebeurtenissen… of modder smijten op een huis dat je niet wilt hebben…

    “Negeer het” én werk aan een vruchtbaar alternatief….

    Hoewel – dit heb ik ook reeds gezegd – is het nodig dat de oude rotzooi wordt opgeruimd om dan het nieuwe te kunnen gaan bouwen…

    Misschien schrijf ik al mijn bijdragen op een ‘verkeerde’ website…

    Doe me dan een suggestie.

    mvg

    Nemo