Maandelijks archief: september 2011

Ronald Janssen en de klassieke retorica

Van alle geschriften uit de klassieke oudheid is er één die nog als een dagdagelijks handboek overleeft, en dat is de Retorica van Aristoteles, ondertussen al meer dan twee millenia oud,- over “de kunst van het overtuigen”.

Had zijn leermeester Plato vooral aandacht voor de manier hoe de werkelijkheid in elkaar zat (de ontologie) en hoe we daar kennis van konden nemen via het voor en tegen in de dialoog (de dialektiek), dan gaat Aristoteles voor de psychologie: wie zegt wat en waarom. En vooral: hoe het gehoor laten geloven dat je de waarheid spreekt.

De Sofisten hadden het pad al geëffend, met Gorgias en Protagoras als haantje-de-voorsten. Zij hebben de filosofie van haar maagdelijkheid beroofd,- de eeuwige maagd Plato haatte hen. Maar de retorica van Aristoteles volgt discreet datzelfde spoor van de verloren onschuld. Veel later zou ene Niccolo Machiavelli de draad terug opnemen, om uiteindelijk op te lossen in een aantal vuistregels voor de politieke demagogie en de reclamepsychologie.

Zeventien was ik, het laatste jaar middelbaar (vroeger toepasselijk Retorica genoemd), toen de wiskundelerares me tijdens een bijles inwijdde in heel andere geheimen dan die van differentialen en integralen. Het was een fantastische ervaring, ik ben er haar eeuwig dankbaar voor, maar meteen was de wiskunde (letterlijk: “leer van het ware”) definitief van haar sokkel gevallen. Vanaf dan werd de wereld een wervelend spel van krachten en tegenkrachten, een dynamica, waarin de moraal met wisselend succes poogt mee te spelen als superkracht en alziend oog. Vanaf dan ook werd de taal een instrument van de overtuiging en de verleiding. En van het uitvlucht, de ontkenning. Retorica dus.

Het proces

Na Dutroux in 2004 loopt er momenteel weer zo’n “proces van de eeuw”, ditmaal tegen de seriemoordenaar en seksuele delinquent Ronald Janssen. Lustmoordenaars hebben me altijd geïntrigeerd, vooral door hun dubbelheid van het zogenaamd pathologische en het rationele. Inwendig kolkende vulkanen die naar buiten uit kalm, beheerst en koelbloedig functioneren. Dikwijls hebben ze een hoog IQ en beheersen ze de kunst van het liegen, tot en met het handhaven van een dubbele persoonlijkheid, de huisvader en de killer, de engel en het monster in één lichaam, het welbekende Dr. Jekyll and Mr. Hyde-fenomeen.

Maar net hier doet zich het ontstellende feit van herkenbaarheid voor: Ronald Janssen is een uitvergroting van de menselijke psyche. We hebben allemaal een lichte en een donkere kant, we zijn hem allemaal, daarom intrigeert het proces ons zo. En vooral: we liegen constant “om bestwil”. De manier hoe hij zijn verdediging opbouwt is, hoe ondraaglijk ook voor de nabestaanden, een voortreffelijk staaltje van sofistische retorica,- zeg maar: van de manier hoe we ons uit een genante situatie proberen te praten. Van het kind dat betrapt wordt op het jatten van snoep, tot het assisenproces. Maar ook het sollicitatiegesprek, het examen, de uitleg aan de agent die ons een PV probeert aan te smeren: telkens zijn het de woorden die ons moeten redden, niet dé waarheid. Het alibi, het excuus, de smoes: dat is het wat de taal virtuoos maakt.

Janssen spreekt dubbel, maar naarmate de debatten vorderen, schijnt de waarheid zelf “op te lossen” als een bruistablet: ze is niet meer monoliet en enkelvoudig, maar gespleten en poreus.

De Atheners wisten al van wanten: het proces is een pure woordenstrijd die niets met “rechtvaardigheid” te maken heeft, maar alles met het resultaat. In die zin kan ik zelfs begrijpen dat Ronald Janssen zou proberen te ontsnappen –inclusief gijzeling-, juryleden zou hypnotiseren of omkopen. Zogenaamde perfide en immorele advocaten à la Hans Riedel (“Ik geloof niet in ethiek”) begrijpen dat zeer goed. Ze zijn eerlijker dan iemand als Jef Vermassen, die zich aanstelt als een witte ridder, terwijl dat toch ook maar een theatrale pose is in dienst van een tactisch spel. Ik wil hier nogmaals wijzen op een gevoel van herkenning: moest ik daar op het beklaagdenbankje zitten, ik deed net hetzelfde, namelijk de jury laten horen wat ze wil horen. Iemand die gemarteld wordt, weet dat er geen waarheid bestaat, tenzij deze die hem van de pijn verlost.

Logisch valt er op de verdediging van Janssen dan ook niets aan te merken. Hij is een gevangene die moet werken met de wapens die hij heeft, en dat is zijn verstand en acteertalent. Vanuit een vaststaande schuld (over de feiten) zaait hij verwarring over het motief en over zichzelf, herroept eerdere verklaringen en onthult zichzelf nu als een… dubbele persoonlijkheid. Het ultieme alibi: niet ik was het, maar mijn alter ego. Dit ongetwijfeld op advies van zijn advocaat (internering is beter dan gevangenisstraf), maar dat is de kwestie niet: dit proces, zoals alle andere, brengt niet de waarheid aan het licht, maar zet waarheden tegenover elkaar… tot er geen waarheid meer is. Heel het kluwen van magistraten, advocaten, gerechtsdeskundigen, speurders, psychiaters etc. voert onder elkaar verbale oorlogjes waar de jury –belichaming van het gezond verstand- tureluut van wordt. Dat speelt in het voordeel van de verdediging: hoe meer voor en tegens, hoe meer twijfel.

Het merkwaardige is echter dat, naarmate de debatten vorderen, de waarheid zelf “oplost” als een bruistablet: ze is niet meer monoliet en enkelvoudig, maar dubbel, gespleten en poreus. Het is zowel A als B, al naargelang men het bekijkt. De retorica begint als een woordenspel, en eindigt als een splijtzwam.

De strategie van de verwarring en het mistgordijn gaat dus over in een echte paradox. De Sofisten maakten er in hun tijd al een spelletje van: het achtereenvolgens verdedigen van twee krek tegengestelde thesen ( van het genre “Morgen staat de zon op” en “Morgen staat de zon niét op”),- een oefening die ook hoorde bij de scholastieke training aan de middeleeuwse universiteiten (“in utramque partem disputare”).

Tja, het is dus waar en niet waar. Ik was daar en niet daar. Ik herinner het me niet zo goed, ik was dronken. Zelf probeer ik als schrijver nog regelmatig stelling A en een maand later een diametraal tegenovergestelde these B te verdedigen, tot wanhoop van mijn lezers. Bij agressieve reacties wend ik dronkenschap voor, of verwijs naar de kwantummechanica waar een deeltje eveneens tegelijk ergens én elders kan zijn. Retorica dus.

Het compromis

Het is geen toeval dat onze rechtspraak én de politieke democratie in dezelfde Atheense cultuur wortelen waar de sofisten en Aristoteles de retorica beoefenden, en waar de kunst van het overtuigen uiteindelijk elk criterium van objectiviteit zou overschaduwen

Nemen we even het grote Belgische compromis onder de loep, dat zich deze dagen weer aarzelend maar onontkoombaar aftekent. Elk akkoord blijkt twee interpretaties te hebben: een Nederlandstalige en een Franstalige. Men zou denken dat de teksten dubbelzinnig of onvertaalbaar zijn, maar dat is zelfs niet zo: ook een klaar, duidelijk protocol levert twee contradictorische interpretaties op. Dat is boeiend én verontrustend. In het Zuiden gaan we naar collectivisering en de versterking van de federale staat, in het Noorden naar responsabilisering en regionale autonomie, nota bene via hetzelfde akkoord.

Er is dus geen waarheid in België. Elders ook niet, maar bij ons is het flagrant: het compromis blijkt een these die zich vertakt tot twee lecturen, die op hun beurt wellicht nog eens uitflodderen tot deel-interpretaties tussen rivaliserende fracties, enzoverder. De politicus “liegt” dus, niet in een morele maar een retorische zin van het woord: hij hanteert de democratie als een middel om de waarheid te deconstrueren en daar zijn persoonlijk voordeel mee te doen, als de duivel in het spreekwoordelijke wijwatervat. Niet toevallig is advocaat het dominerende beroep bij de politieke klasse.

…Zo blijken het proces Janssen en onze Belgische democratie elkaars evenknie. Beide zijn universa van de gespleten waarheid, en van de retorica als kunst om zichzelf “eruit te praten”.

De behendigste, de aspirant-premier die het aan beide kanten moet gaan uitleggen, in casu Elio Di Rupo, moet zelfs de scholastieke kunst beheersen en afwisselend de twee tegengestelde “waarheden” bewijzen. Bij dit alles valt niet te vergeten dat ook politici maar mensen zijn, en er een persoonlijke agenda op nahouden die rond hun eigen succes en overleving  draait (namelijk: herkozen worden),- wat hen dan weer ergens op het niveau van de lustcrimineel brengt. De politicus zoekt zelfbevestiging, macht, roem, rijkdom, en vooral: seksuele beschikbaarheid,- de Wetstraatmatras is in dat opzicht legendarisch. Ik weiger daar een moreel oordeel over uit te spreken: het is aan de burger om zijn eigen agenda te creëren, en zich strategisch te bezinnen over zijn dubbelrol als roofdier en prooi.

Zo blijken het proces Janssen en onze Belgische democratie elkaars evenknie. Beide zijn universa van de gespleten waarheid en van de retorica als kunst om zichzelf eruit te praten. Zonder twijfel had Ronald Janssen, mits een kleine verlegging van zijn biografisch parcours, een uitstekend politicus geweest. Geen premier, maar toch een partijvoorzitter.

Octopus

Wat valt hieruit te besluiten? Dankzij de Sofisten en Aristoteles beseffen we dat de mens een politiek dier is (zoon politikon), maar dan met nadruk op “dier”. We zijn biologische wezens met een overlevingsdrang en een libido, het is crimineel om dat te ontkennen. Het is misschien de enige waarheid die geen illusie is, namelijk de waarheid van de natuur zelf.

Ooit heb ik in een natuurdocumentaire een inktvis een krab zien vangen. Zijn strategie? Geen fysiek geweld, maar de verwarring: een dans-der-acht-armen (Octopus) uitvoeren, tot de krab compleet het noorden kwijt is. De hermelijn voert een gelijkaardig soort hypnotisch ballet uit tegenover zijn prooi. Ik zie dit als een oervorm van de retorica, waarbij de waarheid eigenlijk herleid wordt tot de biologische realiteit van twee wezens. Een dubbele waarheid van roofdier en prooi, man en vrouw, rechter en beklaagde, professor en examinandus,- al naargelang de context.

Vanuit deze biologische realiteit –die onze menselijke conditie bepaalt-, lijken zowel moraal als rede belachelijke bedenksels van een verstedelijkte civilisatie die de band met de natuur helemaal kwijt is. De seksuele impulsen, samen met andere behoeftes omtrent overleven, eten, drinken, geborgenheid, status en macht (die ook weer gelegenheden tot copuleren opleveren), zijn de echte bronnen van ons discours. Retorica dus.

Het feit dat iemand als Ronald Janssen als een vijand-des-volks en een verpersoonlijking van het kwaad wordt berecht (zoals eertijds Dutroux), en iemand als Bart De Wever quasi wordt vergoddelijkt tot politiek topicoon, heeft puur te maken met de manier hoe ze zich konden vermommen (of al dan niet door de mand vielen) en hoe ze hun instinct strategisch weten te exploiteren. Het Machiavellisme dat ze delen is eigenlijk een pure biologische wetmatigheid van het dier dat succesvol probeert te overleven, volgens zijn eigen constitutie.

En dan de brokstukken die achterblijven na de lustmoord. Rechtvaardigt de dood van Annick Van Uytsel de dood van Ronald Janssen? Vanuit de emoties van de nabestaanden zeker wel, want ook zij hebben hun waarheid. Dat die wraakmoord dan ook weer tot een nieuw proces zou leiden, met de dader als slachtoffer, is het beste bewijs dat zowel het recht als de politiek maar randfenomenen en humane bezigheidsterapieën zijn, die nooit greep krijgen op de natuur van het menselijk dier.

Johan Sanctorum

Advertenties

Wordt de jeugd echt dommer? Of hebben wij haar niets meer te bieden?

Telkenmale het schooljaar in september een aanvang neemt, is dit een gelegenheid voor allerlei zelfverklaarde experts om de maat te nemen van het Vlaamse onderwijs, en, meer nog, van de schoolgaande jeugd zelf. Deze zou een schrikbarend gebrek aan eruditie vertonen en de “klassieke cultuur” links laten liggen om zich al rappend en SMS-end door het leven te begeven. De klaagzang begint met een verwijzing naar het hoge aantal spelfouten waaraan tieners zich bezondigen, inclusief een sneer naar het internet, schakelt dan een versnelling hoger via de teloorgang van het Latijn, Grieks, en uiteraard alle schrijvers die zich in die taal uitdrukten, om te eindigen bij een algemene vaststelling dat het met onze beschaving steil bergaf gaat.

Fijn Latijn

Dat laatste is waar. Alleen,- wie zijn wij om de jeugd verantwoordelijk te stellen voor de rotzooi waarin ze terechtkwam? Eerder zou men kunnen opperen dat een land waar alles vierkant draait, op een planeet die ecologisch naar de haaien gaat, dankzij een menselijk vernunft dat straks wel naar Mars vliegt maar een lek in een kerncentrale met krantenpapier probeert dicht te stoppen, alleen maar een opgestoken middenvinger verdient.

Het latente cultuurpessimisme is dus misplaatst, het classicistisch gedram al evenzeer. Dat gezellig-verwaand geneuzel van een klassieke zender als Radio Klara bijvoorbeeld, alsof het allemaal nog een eeuwigheid kan meegaan (elke namiddag: “Op de koffie bij Bach, Beethoven en Brahms”),- ik krijg het ervan. Wat voor een cultuur willen we onze pupillen eigenlijk verkopen? Onze Europese beschaving heeft Rembrandt, Shakespeare en Beethoven opgeleverd, maar ook de heksenvervolgingen, Auschwitz en het Eurovisie-songfestival. Het gruwelijke, het obscene en het wansmakelijke zijn geen antipode van die klassieke hoogcultuur, ze lijken er veeleer deel van uit te maken, ze vormen er één geheel mee. Sterker nog: misschien heeft de ene wel het andere voortgebracht. Ik denk aan de raakzone tussen de romantisch-decadente sfeer van de Donaumonarchie (het Wenen van vóór 1914, waar de genieën elkaar voor de voeten liepen) en de daarop volgende slachtpartijen van de eerste wereldoorlog waarin de Europese jeugd probleemloos werd opgeofferd. Of de spirituele band tussen Wagner en Hitler. Of, sterker eigenlijk nog, de geniale armoezaaier Van Gogh, wiens Zonnebloemen vandaag een ideale belegging vormen voor speculanten die tussendoor ook suiker en rijst opkopen om de wereldprijs hoog te houden. Natuurlijk hebben Wagner en Van Gogh dat niet gewusst, maar moeders van massamoordenaars zijn er ook met de beste bedoelingen aan begonnen. Zo is ook al dat gezeur over de klassieke talen en de teloorgang van het fijn Latijn in de humaniora (nog zo’n beladen woord) van de pot gerukt. Het Latijn is natuurlijk de taal van Horatius en Ovidius, maar de barbaarsheid van de Romeinse cultuur was grenzeloos, en dan beledig ik nog de oorspronkelijke barbaren,  waarmee “primitieve” volkeren werden aangeduid die geen mensen voor de leeuwen gooiden. Plaatsvervangende schaamte voor deze klassieke “beschaving” ware misschien een meer gepaste attitude.

Conservatieve doemdenkers zoals Roger Scruton en Theodore Dalrymple kunnen dan wel het spijbelen, de agressie op school en de Londense brandhaarden aanhalen als bewijs van een falend onderwijssysteem,- maar misschien maken we wel een zodanige draai in de geschiedenis mee, dat “traditie” (letterlijk: de overlevering van normen, waarden, smaken) van geen tel meer is. Het pedagogisch project, het doorgeefluik voor heel dat pakket, implodeert dan helemaal. Fuck Auschwitz, fuck Beethoven. Cultuur wordt dan kultuur, de bagage wordt ballast, geen enkele zekerheid blijft overeind.

En nu keer ik even terug naar de zogezegde oppervlakkigheid van de hedendaagse schoolgaande jeugd en haar onverschilligheid voor “schoonheid” (een term waar Scruton steeds opnieuw mee komt aandraven). Het idee dat uitgerekend in onze Europese cultuur de schoonheid de verschrikking voortbracht, is misschien wel een goede reden om beide af te stoten, als iets van een voorbije wereld, iets dat we achter ons moeten laten. De goedbedoelde uitstappen naar het museum en het concert staan bol van hypocriet paternalisme en ontkenningslogica, daarom slaan ze niet aan bij de jeugd. Het revolutionair karakter van de zogenaamde domheid ligt in haar vermogen om existentieel te breken met die hypocrisie. De slechte leerling, de spijbelaar, de zittenblijver,- of we ze nu benaderen met klassieke strengheid of moderne welwillendheid,- we kunnen hen als leraar niet begrijpen, omdat er niets meer te leren valt wat de moeite waard is. Het leeg, wit blad wenkt. Tabula rasa, om het nog eens in het Latijn te zeggen, als konden we de leegte daarmee bezweren.

Het Kronos-complex

We zitten dus middenin een breukzone. Cultuur, onderwijs, kennis: niets is nog wat het was. Het bankroet van een beschaving maakt alle leermeesters werkloos. Wat wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn vaststelde, namelijk dat kennis alleen evolueert binnen een bepaald paradigma (een stelsel van aanvaarde waarheden, een “geloof” dus), geldt eigenlijk voor de cultuurgeschiedenis tout-court: het liedje is gewoon uit. De wijsheid is een slechte raadgever in tijden van catastrofe, waar alleen een breuk met oude waarheden ons kan redden. De eerste mensaap die probeerde rechtop te lopen had lak aan tradities en oude waarheden, wellicht was hij binnen zijn universum ook “dom”. Het idee dat we met overgeleverde kennis en klassieke belezenheid eeuwig het licht aan kunnen blijven houden, is volstrekt achterhaald, integendeel: een groot deel van de huidige kennis is destructief en catastrofaal.

Daarom doen jongeren exact wat hen eigenlijk te doen staat: de school negeren, de zelfstudie aanvatten en de brokstukken verder fijnmalen, waaruit dan misschien wel iets nieuws kan groeien. De mallemolen die maalt, heet het internet. Het is geen geordende encyclopedie, zelfs geen web of netwerk, maar een machine van de deconstructie, een verbrijzelaar. Via het “oppervlakkige” surfen, verkeerdelijk voor een uiting van luiheid gehouden, kan dan misschien vanuit het gruis een nieuw, autodidactisch weten ontstaan dat al de ruïnes van de oude cultuur, van Hiroshima tot Fukushima, écht kan opruimen.

Ondertussen zal het gemopper van de oude garde die zweert bij de klassieken nog wel even voortduren. Hoor ik daar ook niet voortdurend puristen schamperen op de taalverloedering, de chatcultuur, alweer te wijten aan dat demonische internet en het SMS-en?

Dat is natuurlijk weer een kwestie van smaak. Voor mij zit er een nieuw soort poëzie in dat chattaaltje,- een fonetische synthese van schrijf- en spreektaal die, vreemd genoeg, nogal wat gelijkenis vertoont met de experimenten van Paul Van Ostajen, nog zo’n slechte leerling. Het standaard-Nederlands, dat overigens elke vijf jaar van spelling verandert en zelf elke continuïteit mist, moet men niet koesteren als een fetisj, maar als iets dat doorlopend verandert, en af en toe zelfs desintegreert. In die laatste fase zitten we nu: een taalkundige revolutie die een afspiegeling is van een sociale, politieke en culturele omwenteling,- het zal het generatieconflict alleen maar groter maken. De panische kinderhaat en hysterische aversie tegen de jeugdcultuur schijnt alsmaar toe te nemen,- zie bijvoorbeeld de processen tegen kinderdagverblijven wegens “overlast”. Sommigen hebben zo’n schrik voor de toekomst dat ze tekenen van een Kronos-complex beginnen te vertonen (volgens de mythe at Kronos zijn eigen kinderen op,- ziet u: nu begin ik zelf te doceren).

Ik stel dus voor dat wij, ouden, de jongen laten zingen, en enige distantie houden. Minder paternalistisch, minder klassiekerig, minder belerend. Weg die Latijnse spreuken, Bart, dat is zo aanstellerig. Ook al ben ik zelf een operaliefhebber, wil ik dat de Ronde van Vlaanderen in Meerbeke aankomt, en kan ik kwartieren lang voor een Kandinsky staan gapen: laat het gebeuren in het besef dat onze kinderen dit niet hoeven te zien,- dat dit na ons eindigt en moét eindigen. Naar de geest van Herakleitos en Nietzsche, de twee filosofen die nooit een leerling hebben gehad, in het besef dat ze die toch alleen maar konden versodemieteren. Dat vind ik écht groots.

 

Johan Sanctorum

Kunst en cultuur: business as usual?

Een warme groet aan onze jongens op de boekenbeurs van Peking

De recente rel rond de Nederlandse en Vlaamse delegaties op de internationale boekenbeurs van Peking stelt de relatie tussen cultuur (in dit geval letterkunde), politiek en marketing weer op scherp. Op die discussie zat wat sleet, omdat de vierde speler in dit verhaal, de media, liever hypes creëren en surfen op dingen die goed verkopen, dan een paar vervelende vragen te stellen.
Er vielen dus zaken te doen in Peking, in weerwil van het pretbedervend geneuzel over mensenrechten en beknotting van de vrijemeningsuiting aldaar. Dat het regime nog steeds korte metten maakt met dissidente schrijvers, hen sociaal uitrangeert of gewoon achter de tralies zet, mocht voor de handelreizigers geen beletsel zijn: het heette dat hun aanwezigheid een positief effect zou kunnen hebben, “dingen in beweging zou kunnen zetten”, enzoverder.
Het Vlaams Fonds voor de Letteren, druk doende met Sukse en Wiske en Dimitri Verhulst, zat op dezelfde mercantiele golflengte: niet flauw doen hé jongens, we spreken hier over dé groeimarkt van het moment. Zo gezegd, zo gedaan…

Lees het essay