Maandelijks archief: december 2011

Grootvader heeft het gedaan

De oorlog tegen Freud is zelf voer voor psychoanalyse

Het is oorlog in het land van de shrinks. Niemand minder dan Sigmund Freud, vader van de psychoanalyse, en diens voornaamste adept, de Franse psychiater Jacques Lacan, worden van hun sokkel gehaald: “in onverstaanbare abrakadabra verpakte nonsens, criminele kwakzalverij”, zo luidt het verdict over Freud en de school die hij voortbracht. De discussie wordt vooral op de Franse intellectuele scène gevoerd, maar als het in Parijs regent, druppelt het in Brussel (of in dit geval: vooral in Gent),- dus bekogelen pro en contra elkaar ook bij ons met krantencolumns.

Vanop enige afstand lijkt het een discussie over het geslacht der engelen, waar gewone mensen, die zich afvragen of ze volgend jaar nog een inkomen zullen hebben, met enige verbijstering op staan te kijken. Een platvloers standpunt dat ik geneigd ben om te delen: dit hemelbestormend “debat” smeekt om vulgarisatie en een terugkeer op de begane grond.

Als all-round-filosoof heb ik dan ook geen zin om me in de discussie onder vakbroeders te mengen. Wel roepen de stijl en de toon van de beeldenstormers grote vragen op, die zelf aanleiding geven tot een Freudige greep in het kruis. Wat drijft hen? Waarom doen zij het? Vanwaar dat chagrijn?

Exorcisme

Zonder al te technisch te worden, en voor absolute leken: Freud is de man die aan het begin van de 20ste eeuw heel de klassieke zielkunde overhoop haalde, door de mens op te vatten als een vat vol driften, het onbewuste genoemd, met de seksuele appetijt als de voornaamste drijfveer. Door cultuur en opvoeding proberen we die wilde energie onder controle te houden, anders zou het sociaal nogal een zootje worden. Die zelfcontrole lukt echter maar half, want ze levert maagzweren op of, erger, muizenissen en depressies, tot en met stoppen die compleet doorslaan. Gelukkig zoekt het onbewuste ook uitlaatkleppen waar de censuur niet geldt (eens goed uittieren rond het voetbalveld kan al veel oplossen, al worden ook daar tegenwoordig de spreekkoren op hun poco-gehalte gecheckt), en laat het zich o.a. in onze dromen gelden. Dat is ook de essentie van de therapie op de welbekende sofa: een goed gesprek, opdiepen wat in ons achterhoofd zit en er niet uit kan, doet al wonderen.

Maar een clubje gelijkhebbers aan de Gentse univ heeft beslist dat het nu maar eens gedaan moet zijn met dat Weense wufte sofa-gedoe. Onder de veelzeggende titels “De val van de psychoanalyse”, “Proefvlucht in het luchtledige” en “De helse zielenknijper” wordt er een hallucinant stukje schijnboksen tegen Freud opgevoerd, met een fanatisme dat, jawel, aan de meest donkere periodes van de kerkgeschiedenis herinnert. Vade retro, Satanas…

Het blijft bij bashen, verdachtmakingen, en demoniseren van een figuur die al meer dan zeventig jaar dood is, en waarvan de kritikasters, laten we eerlijk wezen, intellectueel nog niet tot aan zijn enkels reiken.

Tot de rechters van deze inquisitie behoren: de professoren Johan Braeckman en Filip Buekens, journalist Joël De Ceulaer, en vooral de door de media als wonderkind opgevoerde Maarten Boudry, pupil van Braeckman. Wat opvalt in al hun artikels en essays is, dat ze eigenlijk maar weinig constructiefs in te brengen hebben, laat staan dat ze een volwaardig alternatief paradigma zouden ontwikkelen. Het blijft bij bashen, verdachtmakingen, en demoniseren van een figuur die al meer dan zeventig jaar dood en begraven is, en waarvan de kritikasters, laten we eerlijk wezen, intellectueel nog niet tot aan zijn enkels reiken.

Boudry gaat de discussie ten gronde dan ook zorgvuldig uit de weg. Veeleer gebruikt hij een afrekeningsvocabularium dat bol staat van de bezweringsformules. Vreemd voor een wetenschapsfilosoof, dat doordrammerig gebrek aan empathie. Dit is geen gezonde invraagstelling meer, maar een ziekelijk exorcisme, vanwege mensen die van zichzelf ongetwijfeld vinden dat ze het religieuze denken ver achter zich hebben gelaten, maar waar Freud een hele kluif aan zou gehad hebben. Andermaal: wat is het probleem van Maarten Boudry? Op de sofa ermee…

Minder Freud, meer pillen

Uiteraard zijn de heren beeldenstormers ook allemaal grote fans van SKEPP (Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale), een gezelschap dat uitblinkt in zelfgenoegzaamheid, en dat de banvloek uitspreekt tegen alles waar de actuele Wetenschap (met hoofdletter) niet goed raad mee weet: telepatie, UFO’s, graancirkels, onschuldig volksvermaak zoals astrologie en handlezen, maar ook acupunctuur, homeopathie, kruidengeneeskunde en alternatieve kankertherapieën. Straks wordt ook het Higgs-boson naar het rijk der fabelen verwezen, als zijnde een “pseudowetenschappelijke” hersenschim. Wie zal SKEPP durven tegenspreken?

Vooral een zekere Dr. Willem Betz laat zich hier opmerken als verdediger van de klassieke Ars Medica én de bijbehorende pillendraaierij: als de farmaceutische industrie zich een ideaal lobby-instrument droomt, dan zou het SKEPP moeten heten. (→ lees ook: “Van heksenjacht tot pharma.be”).

Want wat deze club van rabiate ratio-puristen ook moge beweren,- hun argumentatie is iets té corporatistisch, gericht tegen de concurrentie van niet-gehomologeerde therapeuten, die uiteraard als “kwakzalvers” worden betiteld. Terwijl men, puur vanuit intellectueel standpunt, een brede diversiteit zou moeten voorstaan van ideeën, theorieën, therapeutische visies. 

In dat perspectief is en blijft de sofamethode van Freud een interessant nichegebeuren voor believers. Geloof je het niet, blijf er dan weg.

Aan de patiëntzijde (want die patiënt is men wel even vergeten in heel de hetze) valt anderzijds het eclectische shoppingmodel te verdedigen: indien de ene therapie niet helpt, probeer dan een andere. Als ergens de vrije markt een zin heeft, dan is het wel in de geneeskunde: weg met de Orde en de therapeutische monocultuur.

In dat perspectief is en blijft de sofamethode van Freud (vertellen, herhalen, herinneren, en vooral: een therapeut die luistert) een interessant nichegebeuren voor believers. Geloof je het niet, blijf er dan weg. Maar bij SKEPP wordt, onder het waakzaam oog van peetvader Etienne Vermeersch, elke vorm van heterodoxie en alternatief denken gebrandmerkt als “boerenbedrog” en “charlatanisme”. Een verregaande vorm van onverdraagzaamheid als u het mij vraagt,- om niet de meer beladen term “wetenschappelijk racisme” te gebruiken. Of is het toch de farma-lobby die hier in de coulissen dicteert? Minder Freud, meer pillen?

Parodische valstrikken

Het nemen van intellectuele risico’s is de essentie van de wetenschappelijke praxis. Soms blijven ze marginaal, soms groeien ze uit tot holistische systemen, die de spiegel vormen van ons eigen mentaal labyrinth. De psychoanalyse is en blijft een formidabele poging van het brein om zichzelf te denken,- een onderneming die per definitie tot mislukken gedoemd is, want we kunnen nu eenmaal niet slimmer zijn dan onze eigen hersenen. Net daarom, omwille van die stoutmoedigheid, verdient dit alomvattende antropologische perspectief, met zijn filosofische, literaire én wetenschappelijke lagen, euh… respect. Het koor van brullende muizen overtuigt mij anderzijds niet. Het is kleingeestig en rancuneus. Ik zou zeggen: doe zelf eens een poging om een alomvattende theorie uit te bouwen, in plaats van te zaniken. Als de psychoanalyse “gedoemd is om te verdwijnen”, dan zullen we dat wel zien. Maar dan zal het zijn omdat de patiënt daarvoor kiest, en niet via kinderachtig ressentiment, dat bijvoorbeeld ook spreekt uit tendentieuze documentaires zoals Le Mur (Fr.), waar de visie van de psychoanalyse op autisme wordt verhaspeld via een weinig bonafide montagetechniek.

Ook de valstrikken à la Sokal (naar een vaktijdschrift een nonsensikale pastiche insturen en dan eens goed lachen als de redactie erin tuint) behoren tot het register van de parodische grapjasserij. Vermakelijk, maar voor de rest: passons. Voor mij ontmaskeren ze niets, tenzij de vervalsing zelf, want er zijn ook schilders die perfect Van Gogh kunnen imiteren en respectabele veilinghuizen om de tuin leiden. Maar zegt dit iets over Van Gogh?

Het koor van brullende muizen overtuigt niet. Ik zou zeggen: doe zelf eens een poging om een alomvattende theorie uit te bouwen, in plaats van te zaniken.

Het is dus het een of het ander: voortbouwen, ofwel van nul beginnen. Men kan de relativiteitstheorie corrigeren, ofwel vervangen door straffer spul. Maar in de scepsis blijven hangen is tamelijk nihilistisch en wordt op het einde lachwekkend.

Idem voor Freud’s theorie. Ofwel zoekt men naar missing links, ofwel begint men van nul. In het eerste heeft iemand als Maarten Boudry geen zin, voor het tweede is zijn intellectuele slagkracht gewoon niet toereikend. Of is er nog meer aan de hand? Is de theorie van het “onbewuste” gevaarlijk drijfzand voor wie van vastigheid houdt? Komaan zeg, hoe zit dat daar in Gent?

Neopositivisme

Dat brengt ons op de politieke agenda van de nieuwe gedachtepolitie. Boudry en konsoorten zijn de apostelen van het neopositivisme, dit zowel in de wetenschappelijke als in de politieke betekenis. Heel hun zogenaamd scepticisme is reactionair, en vooral gericht tegen theorieën en attitudes die onze cultuur en samenleving op losse schroeven zetten.

Er moet orde in het denken zijn, klaarheid in de taal, en speculeren is des duivels. De ééndimensionele SKEPP-algoritmen tonen ook hier de weg: onder het mom van strenge verificatiecriteria worden nogal wat systeembedreigende inzichten en vermoedens onder de mat geveegd. Zo zijn ook complottheorieën niet meer toegestaan: we beelden ons maar wat in. Neen, U wordt niet belazerd, neen, er was niets aan de hand met de Irak-oorlog, Julian Assange lijdt aan paranoia, en neen, de media maken ons niet dom. De kruistocht tegen Freud, maar ook tegen Hegel, Marx, Deleuze, Lacan (uiteraard), en heel de kritische filosofie tout-court, draait rond een postmoderne afwijzing van denkmethodes en analyses die de socio-politieke constructies zouden kunnen ondergraven.

De politieke koffiedikkijkers zouden bijvoorbeeld gerust wat méér aan psychoanalyse kunnen doen, om aan te tonen wat voor een gekkenhuis de Belgische politiek wel is…

Want, weliswaar heeft de psychoanalytische school een stevige traditie opgebouwd, en gedraagt ze zich als een autoriteit, toch blijft ze subversief, omdat ze de vettige onderlagen van het menselijk theater exploreert en de schone schijn ontmaskert. De politieke koffiedikkijkers zouden bijvoorbeeld gerust wat méér aan psychoanalyse kunnen doen, om aan te tonen wat voor een gekkenhuis de Belgische politiek wel is, hoezeer macht op haantjesgedrag berust, en op welke sofa bij ons het concubinaat van politiek en media wordt beoefend, ook wel bekend als de Wetstraatmatras.  

Incestueuze kermis

De stinkende potjes moeten dus gedekt blijven, business as usual. De haat tegen de psychoanalyse loopt parallel met een schrik om zelf geanalyseerd te worden. Voor de rest gaat dit natuurlijk vooral over carrières en academische erfopvolging, wellicht is dat zelfs de essentie. Johan Braeckman is namelijk de opvolger van Etienne Vermeersch, en houdt zelf de stoel warm voor zijn poulain Maarten Boudry. Alle drie kloppen ze op dezelfde nagel, met dezelfde hardnekkigheid, en met evenveel arrogantie, elkaar wederzijds bejubelend.

Traditie dus, in de slechtste zin van het woord: drie generaties wetenschapsfilosofen die elkaar het gen van de domheid doorgeven. Waarom wordt hier eens geen vadermoord gepleegd? Wie doorbreekt de hiërarchie? Niemand dus. De media spelen er onbeschaamd op in en breien verlengstukken aan deze incestueuze kermis der ijdelheid. Zo bestond De Standaard het, om een recensie van het meesterwerk van de tandem Braeckman-Boudry, “De ongelovige Thomas heeft een punt”, uit te besteden aan Geerdt Magiels, een amicale collega van beiden, tevens zelf een notoire Freudbasher. Het kon niet op met de superlatieven. Van kritisch denken gesproken.

Academische loopbanen worden nu eenmaal niet gemaakt via het schoppen tegen de schenen van een promotor. Veel gemakkelijker is het om eendrachtig tegen een standbeeld te plassen.

Het lijkt dus allemaal weinig meer dan een afleidingsmanoeuvre. De oorlog tegen Freud –of beter: tegen diens spook- is een opportunistische karaktermoord van mensen die de moed niet hebben om binnen hun eigen omgeving en vakgebied autoriteit in vraag te stellen. Om het in het jargon te zeggen: een geval van overcompensatie, en een verschuiving van inwendige agressie (zelfcensuur) naar een externe pispaal. Vader is immuun, maar grootvader is de pineut,- een Oedipale poespas voorwaar, die per ongeluk in de vaderlandse media is opgespetterd. Academische loopbanen worden nu eenmaal niet gemaakt via het schoppen tegen de schenen van een promotor. Veel gemakkelijker is het om eendrachtig tegen een standbeeld te plassen. Het puberachtig iconoklasme van Boudry en konsorten, dat zichzelf verschrikkelijk ernstig neemt, is dan ook grotendeels te herleiden tot de retoriek van een academische generatiewissel. Het voorstel is daarbij, om de Gentse vakgroep Psychoanalyse gewoon op te doeken: weer een paar plaatsen die vrijkomen in de universitaire krabbenmand. Jammer dat een monument als Freud hiervoor moet sneuvelen.

Dan getuigt het idee van Abu Amrin om het Atomium af te breken toch van meer gevoel voor humor. Salamaleikum.

 

Johan Sanctorum

De kunstenaar als huisdier

Het beste cultuurbeleid is helemaal géén cultuurbeleid

Zopas werd het boek “Niet de kers op de taart” van Bart Caron, Vlaams parlementslid (Groen!), cultuurminnaar en amateur-contrabassist, boven de doopvont gehouden. Als gewezen kabinetchef van Bert Anciaux is hij het brein achter diens idee van cultuurparticipatie, verbreding, drempelverlaging, democratisering, enz. Dat blijkt ook duidelijk uit het boek, waarin ronduit het bestaande model van subsidiëring wordt verdedigd: de overheid moet in zijn visie een zo breed mogelijk veld patroneren, gaande van “Cultuur met grote c” (theater, opera, literatuur), over de amateurkunsten, tot en met het vormingswerk en de zgn. socio-culturele sector, zeg maar de kookcursussen van de boerinnenbond.

Achter dat paternalisme van de “flankerende en stimulerende maatregelen” (het sectorjargon is bijwijlen hilarisch) schuilt een maakbaarheidsideaal met totalitaire trekjes: de staat vormt de mens, met een intermediaire cultuurbureaucratie als buffer, want voor alles moeten we toelating vragen en overal komt er paperasserij bij kijken. Goed voor de terwerkstelling in de zachte sector, dat wel. Let u alleen al op de kaft: ze toont ons een kers die aan obesitas lijkt te lijden, en die ei zo na de taart verplettert.

Bart Caron zweert namelijk bij de bovenbouw en het bestaande systeem,- in die zin is zijn visie zelfs ronduit conservatief. Nergens lees ik iets wat lijkt op een invraagstelling ten gronde. Bijvoorbeeld: moet elke artistieke hond met een hoed op langs de subsidiekassa passeren? Wordt radicale, compromisloze kunst beter van dat pampersysteem? Valt het begrip “kwaliteit” niet terug te voeren tot de smaak van een aantal zogenaamde deskundigen, die dikwijls zelf banden hebben met het kunstenmilieu? Moeten mensen niet vooral, net op cultureel vlak, zelfredzaam leren worden? Is de scheiding tussen “serieuze” Cultuur met hoofdletter en de zgn. populaire cultuur houdbaar? Socioloog Gust De Meyer heeft de kat al een tijd geleden de bel aangebonden met provocerende teksten zoals “Waarom cultuur niet belangrijk is en cultuursubsidie nog minder”. Ik wil die kritische tegenvisie even kort uitdiepen, en dan net niét in de geijkte populistische terminologie van nieuw rechts en Geert Wilders, die het heeft over verspild geld voor “linkse hobby’s”.

Crisis en revolutie

De reële situatie is veel extremer en conflictvoller,- het sluit aan bij de recente lezing die de filosoof Slavoj Žižek onlangs in Brussel gaf. De 21ste eeuw kondigt zich aan als een tijdperk van grote veranderingen. Met tussenpozen van zo’n 200 à 250 jaar kraken de breukzones in onze Westerse wereld: 1300 (begin van de renaissance), 1500 (uitvinding van de boekdrukkunst, begin van de reformatie), 1700 (verlichting, uitmondend in de Franse revolutie), 1900 (industriële revolutie), en dus nu op naar het breekpunt 2100. Het gaat niet zomaar om revoluties maar om echte paradigmaverschuivingen, nieuwe wereldbeelden die ver buiten wetenschap en kunst ook het dagelijks leven beïnvloeden, de economie, de machtsverhoudingen, de sociale omgang, cultuur, in de breedste zin van het woord.

Politiek, sociaal, economisch, cultureel, beeft de wereldorde vandaag op haar grondvesten, en het feest is pas begonnen.  We gaan naar een gezagscrisis zonder weerga, culminerend in een enorme opstoot van burgerlijk autonomisme. Staten en federaties zullen uiteenvallen, systemen imploderen, nieuwe republieken zullen het levenslicht zien, andere samenlevingsvormen ontkiemen.

De vraag is, of in die prerevolutionaire context een door het establishment doodgepamperde kunstenaar nog enige relevantie heeft. Wat moeten we met een marktconforme en/of systeembestendigende “actuele kunst” van Wim Delvoye, Tuymans, Borremans, Toneelhuis, Rosas? Natuurlijk is dat soort franje- en decorcultuur pure luxe: het gaat om een cultuurnijverheid die uitsluitend haar eigen voortbestaan nastreeft, en daarbij strategisch tot elk compromis bereid is. De gespletenheid van zogenaamde “progressieve” artiesten zoals Jan Fabre enAnne Teresa De Keersmaeker, die maar wat graag met een adellijke titel pronken en zich als lakeien van het regime opwerpen, is symptomatisch.

In een gesprek op Radio Klara met Werner Trio en Bart Caron himself sprak ik over de kunstenaar als huisdier: overvoede hamsters en cavia’s waggelen doorheen het kartonnen decor,- terwijl het ons om de wolven en vossen in de wildernis gaat. Sinds midden vorige eeuw is de inbedding van cultuur in het complex van macht en media een prioriteit voor elk zogenaamd democratisch regime. Het panisch gekakel van de Animal Farm, telkens er over besparingen wordt gesproken,- inclusief moraliserende jeremiades dat “de democratie in gevaar is”-, bewijst alleen maar de ernst van die domesticatie. Voor meer over het cynisme van de moderne intelligentsia kan ik de lectuur van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Sloterdijk aanbevelen.

Gezelligheidsfascisme

Met de opeenvolgende bankencrisissen en de Occupy-beweging die de economische wereldorde van onderuit zullen aantasten, is een nieuwe periode van instabiliteit ingezet. Kunnen kunstenaars en intellectuelen hier business as usual bedrijven en aan het grote potverteren blijven deelnemen? Ja natuurlijk kunnen ze dat,- het boek van Bart Caron verschaft hen daartoe het perfecte alibi en de nodige gemoedsrust. Maar daarmee wordt wel heel het intellectueel potentiaal, waartoe bijvoorbeeld Rousseau en Voltaire behoorden, als wegbereiders van de Franse revolutie, onschadelijk gemaakt. Het is dus reikhalzend uitkijken naar een tegencultuur van de kunstenaar als buitenstaander, een alien die het spel niét meespeelt en buiten het systeem gaat staan. Terugkeer naar de romantische zwarte sneeuw, zoals Caron het smalend uitdrukt? Neen, want die tegencultuur zal zich organiseren tot een universum, een tijdelijke en ruimtelijke enclave, waardoor er terug echte conflicten mogelijk zijn, een ideologische confrontatie en cultuurstrijd die door de predikers van het globalisme voor dood werd verklaard.

Heel het subsidiesysteem, de bijbehorende bureaucratie, de decreten, de experten, steunpunten, commissies, adviesraden, het abrakadabra waarin deze mensen zich uitdrukken, enz.: het zijn niets meer dan achterhoedegevechten. Macht heeft in wezen schrik van cultuur, daarom moest deze gerecupereerd worden. In het verlengde van die Sirenenzang ligt ook de architecturale inkapseling, die cultuur wil lokaliseren en zo controleren. Daarbij komt dat politici graag lintjes doorknippen, en daar leent prestige-architectuur zich uitstekend toe, zie ook de opgepepte hoerasfeer rond het Antwerpse MAS.

De fluwelen greep van de overheid op onze vrijetijdsbesteding, via het subsidiesysteem en de gratiscultuur à la Stevaert, staat echter haaks op de toenemende druk van de burger zelf om zich aan die controle te onttrekken. Heel de idee van “participatie”,bij ons ontwikkeld in de jaren ’90, valt nu als een mislukte soufflé in elkaar: participeren waaraan, waartoe? We hoeven geen gratis museumkaartjes, geen gesubsidieerde barbecues, en de grote “sociale cohesie” waar Bert Anciaux (maar merkwaardig genoeg nu ook Bart De Wever) naar streeft, blijkt toch maar een voorwendsel om mensen vrolijk, braaf en onkritisch te houden (Erwin Mortier spreekt in dat verband van “gezelligheidsfascisme”).

Nieuwe underground

Sorry dus voor de “sector” en haar administratie, maar de toekomst is aan de kunstenaars die géén projectvoorstellen indienen, aan de graffiti (maar dan niet op de daartoe voorbestemde panelen), aan het (niet- voorgeprogrammeerde) straattheater, én aan de nieuwe buitenkringen die zich rond die subversieve geluiden vormen. De toekomst is aan spotters zoals David Cerny (“Entropa”), die inbreken en dan weer uitbreken. Aan clowns en stand-up-comedians zonder vergunning. Aan nomaden die komen en even snel weer verdwenen zijn, polymorf, ontraceerbaar, zoals het leven zelf. Aan amateurs die vehikels, behuizingen, sculpturen, teksten verzinnen buiten elk protocol.

favella

Jammer dat ze ook weer in zo’n pakje worden gestoken. Maar het geluid is revolutionair… en dus gewoon Beethoven.

De staat is dood, maar er is een regimecultuur die teert op pure nostalgie en een schijn van continuïteit ophoudt. Die nostalgische toon vind ik ook heel de tijd terug in het kalligrafisch boekje van de estheet Bart Caron, die gelooft dat kunst de zeden verzacht en het volk naar de Hemelse Vrede moet begeleiden. Terwijl Beethovens 9de symfonie, kapotgespeeld omwille van de door Europa geënterde “Ode an die Freude”, toch veel duistere en boosaardige geluiden bevat die in een Paleis van Schone Kunsten amper hoorbaar zijn. Dat weet ik zeker, sinds ik Beethovens derde eens heb horen spelen door het Orquestra Crianca Cidada, een orkest bestaande uit straatboefjes, geplukt uit de Braziliaanse favela’s. Om kippenvel van te krijgen.

Wel of niet de kers op de taart? Het is een futiele discussie, nu een aantal boosdoeners besloten heeft om met taarten te gaan gooien, en misschien met nog explosievere projectielen. Ik steun ze, ik wil ze zien en horen, net omdat ze lichtjaren ver van het sectorieel geroezemoes staan, en zich in een sociaal-existentieel avontuur van de nieuwe underground begeven.

Tot slot nog dit: als tiener moest ik een half jaar sparen om een operaticket te kunnen betalen. Het heeft me geleerd om de waarde van kunst te smaken en de zin van offers in te zien. Gratis cultuur is waardeloos, kunst moet een prijs hebben. Hoge drempels, toegangsvoorwaarden, discriminatie, ze mogen en moeten er zijn, want niets is zo saai als een opendeurdag met luchtkasteel en trampolines.

De kaasschaaf van Schauvliege: ik blijf het een formidabel stuk keukengerei vinden.

Johan Sanctorum