Maandelijks archief: februari 2012

An-Sofie Dewinter poseert

Nikab en bikini: een explosief duo

Iedereen dacht dat de kaarten voor de Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen al op tafel lagen: het Janssens-kartel CD&V/SP.A als “zittende coalitie”, versus Bart De Wever als uitdager, en Filip Dewinter als outsider. Maar laatstgenoemde heeft nu voor dé verrassing van de campagne gezorgd, door zijn bevallige dochter An-Sofie met nikab én bikini publiek te portretteren, onder het motto: “durven kiezen”. Gedurfd, gewaagd, provocerend. Alhoewel. Slogans en beelden zijn per definitie niet bedoeld om bij na te denken, maar ik doe het toch even voor u. Een poging tot deconstructie.

Vermits An-Sofie beide kledingstukken draagt en geen ervan reeds heeft gedeponeerd, heeft ze duidelijk nog niet gekozen. Misschien houdt ze haar keuze nog in beraad, maar haar ogen verraden dat er geen haast bij is. De NEE-campagne uit 2007 van Tania Derveaux die, in navolging van Verhofstadt, 40.000 blowjobs beloofde, ligt elke Antwerpenaar immers nog vers in het geheugen. Belofte maakt schuld, en Tania heeft nog steeds de handen vol. De vraag is anderzijds, of An-Sofie wel moét kiezen tussen de nikab en de bikini, bien etonnés de se trouver ensemble.

Duizend-en-één nacht

Ahum, de Islam en erotiek dus. Twee tegenpolen dacht u? Al in de negende eeuw schreven Arabische artsen handleidingen voor goede seks. Daarmee zetten ze een antieke traditie voort, die pas door de opkomst van het Christendom was doorbroken. In de sprookjes van “Duizend-en-één nacht” (een stuk wereldliteratuur dat nu in de meeste islamitische landen op de index staat) komt eveneens een heel andere Arabische cultuur naar voor, waarin seks en erotisch raffinement zeer vrijmoedig aan de orde zijn. De sluier is daar met name meer een strip-tease attribuut, hetgeen dan eigenlijk naadloos aansluit bij, jawel, het zuinige badtextiel van An-Sofie.

In zijn boek ‘Die Kultur der Ambiguität. Eine andere Geschichte des Islams’  zet de Duitse arabist Thomas J. Bauer (1961) dan ook een en ander recht. Hij poneert namelijk dat de islamitische cultuur tot aan de 19de eeuw helemaal niet preuts of intolerant was. Wij waren toen namelijk de preutse kwezels. Het Victoriaanse tijdperk gebruikte de Arabische cultuur net als een afschrikmiddel: een wereld van verdorven zwoelheid waartegen het Westen zich moest afzetten. Het bizarre is dan, dat de Islam zich vanaf de 19de eeuw aan die Westerse bronnen heeft gelaafd en dat puritanisme is gaan importeren. Vanaf dan was het gedaan met de wilde haremverhalen en de erotische handboeken. Vanaf dan ook duikt, vreemd genoeg, de Islam als totalitaire ideologie op, tot en met Al Qaida. Seksuele onthouding leidt namelijk tot sublimatie (Alah Akbar!) of agressie (de Jihad), of een cocktail van beide. Meteen kwam ook het hiernamaals in beeld, als een harem die enkel voor kuise martelaren was voorbehouden.

Politiek dynamiet?

Terug naar An-Sofie en haar ambivalente dress code. We zien dat de bedenkers van de affiche nikab en bikini als een ensemble hebben uitgewerkt, een zwart-witte fantasie. En let u vooral op de roodgelakte teennagels. Niets vloekt hier, alles is perfect assorti, zoals de dames zeggen. Zou het kunnen dat er zelfs een polyculturele boodschap in zit,- m.n. een aansporing om beide kledingstukken te bezigen, samengetrokken tot nikabikini (eerder was het neologisme burkini al ingeburgerd), en dan vooral in de sfeer van de pikante lingerie en de nachtelijke ontspanningsmomenten?

Het hangt dan helemaal van de omstandigheden af, of prinses Sheherazade eerst de bh, het broekje, dan wel de nikab aflegt. In alle gevallen is het einddoel hetzelfde, en zou er een soort fusionisme plaats grijpen op vestimentair en mode-vlak, een beetje zoals de fusion-keuken in de gastronomie. Meer en meer merkt men in het straatbeeld trouwens, vanuit religieus standpunt absurde combinaties op van gesluierde moslima’s in minirok en op hoge hakken: symbolen verliezen hun kracht en krijgen een nieuwe beeldwaarde in een hybride context.

U begrijpt: dit is politiek dynamiet. Ofwel leverde de Spielerei van de familie Dewinter de slechtste verkiezingsaffiche aller tijden op, ofwel de beste. In het laatste geval verwerft het Vlaams Belang in oktober de absolute meerderheid, want alle vrouwen willen dit ensemble dragen en alle mannen willen ernaar kijken, in afwachting dat de sluiers vallen. Het is gewoon des Menschen. De finale erotisering van de politiek is dan een feit, en misschien zelfs de politisering van de erotiek. Het feit dat alle Antwerpenaren het sprookje van duizend-en-één nacht willen beleven, zou dan de Janssens en De Wevers naar het dinosaurussentijdperk katapulteren: zowel de klassieke linksgroene multicul, met zijn politiek-correcte hypocrisie, als het zure gezeur van de rechtsconservatieve kleinburgerij worden dan met de slag gedateerd.

De vraag “Vrijheid of islam?” is zeker pertinent, gelet op bijvoorbeeld de hysterie rond de Mohammed-cartoons. Maar tegelijk moeten we ons de vraag stellen of de seculiere Vlaamse samenleving niet moet afrekenen met àlle religieuze dogma’s en fatwa’s, van welke kant ook. Het zijn de imams (rechtstreekse import uit Saudi-Arabië), en in hun zog de fundamentalistische zeloten van het slag Abu Imran, die de boel verzieken. En achter hen lopen dan de allochtone straatbendes die homo’s schofferen en kortgerokte meisjes (al dan niet gesluierd) voor hoer uitschelden.

Eén ding staat vast. De Antwerpse verkiezingen van oktober worden de spannendste, opwindendste, grappigste, ernstigste, interessantste, meest modebewuste en meest geërotiseerde –en welke superlatieven zou ik nog kunnen bedenken- stembusslag. En dan heb ik nog niet over hét zwart konijn gesproken, met name Jean-Pierre Van Rossem (“Alle godsdiensten zijn vergif, maar de islam is de ergste van allemaal”), van wie we o.m. het hartverwarmende “Hoe kom ik van de grond? : Van Rossems Sex- en Bordelengids” (1993) kunnen aanbevelen.

Wanneer vallen de sluiers en wie komt er van de grond: dé hamvraag anno2012 in de Sinjorenstad.

Johan Sanctorum

Tonio, of het boek als kwelling

Het ligt al weer een paar dagen achter ons, maar filosofen houden zich per definitie niet met de waan van de dag bezig, dus liet ik het nieuws wat besterven: dat van de gedreven Dendermondse politierechter Peter D’hondt, die een verkeerszondaar veroordeelde tot het lezen van het boek Tonio van A.F.Th.van der Heijden. Geeft de 30-jarige dader daar geen gevolg aan, dan is hij zijn rijbewijs voor drie jaar kwijt.

Een gamma van meningen hierover vulde zoals steeds de opiniebladzijden: goedkeurend geknor viel te noteren bij de bibliofielen (“Eindelijk wordt de opvoedkundige waarde van literatuur erkend!”), terwijl sceptische geluiden weerklonken bij… andere bibliofielen (“Een boek moet een geschenk zijn, geen straf!). De schrijver zelf etaleerde een gepaste trots, en dacht misschien vooral aan de meerverkoop dankzij het vonnis.

De uitspraak van Peter D’Hondt raakt hoe-dan-ook een cultuurthema aan van de eerste orde: moeder, waarom lezen wij? Maakt het boek ons vrij, of is het een instrument van verknechting, manipulatie, indoctrinatie? Zijn boeken niet altijd al objecten geweest die ons tamelijk dwingend tot de orde roepen en bij de les houden? Van de bijbel, over het wetboek, tot het kookboek. O ja, op school heb ik nog, bij wijze van straf, met een encyclopedie op mijn hoofd een uur stil moeten staan: dat dit mij verstandiger zou maken, bleek ijdele hoop.

De uitspraak van Peter D’Hondt raakt hoe-dan-ook een cultuurthema aan van de eerste orde: moeder, waarom lezen wij?

En hebben we niet allemaal die vervloekte “schoolauteurs” tot ons genomen, verplichte literatuur die we trachtten te ontlopen via geleende samenvattingen? En, algemener nog, lezen wij niet vooral omdat we moéten lezen,- de krant (om bij te blijven), reglementen (om boetes te ontlopen), handleidingen (om apparaten te doen werken), facturen (om deurwaarders buiten te houden),… boeken (om verstandig te lijken)? Overal waar het boek verschijnt, wenkt ook de sanctie.

Het Boek der Boeken

Politierechter Peter D’Hondt keerde dus, wellicht zonder het te beseffen, terug naar de oorspronkelijke missie van het boek,- een missie die door de roman en de poëzie werd verdoezeld: het gaat om gebods- en verbodstekens, die omslaan in straf en kwelling als ze overtreden worden. We vergeten al te licht dat Johannes Gutenberg omstreeks 1450, na een paar opwarmoefeningen (zoals het drukken van aflaten voor de Kerk), de lettergieterij op punt stelde om de Bijbel beter te verspreiden. Ondanks alle euforische beschouwingen rond de Europese boekdrukkunst, als “hoogtepunt van de renaissance”, “aanloop naar de Verlichting”, “absoluut beginpunt van de moderniteit”, en dies meer, gaat het dus eigenlijk om de technische perfectionering van een religieuze marketing.

De Thora, de Bijbel, de Koran: verschrikkelijke teksten zijn het, waarachter een monarch schuilgaat die zich alleen in schaduwen toont, om ons beter te terroriseren.

De drie zogenaamde” boekgodsdiensten” (Jodendom, Christendom en Islam) zijn historisch en inhoudelijk met elkaar verbonden. Ze onderscheiden zich van alle andere religiën door hun onderwerping aan één oppergezag (het monotheïsme) en een tekstuele obsessie (het Boek bevat alle waarheid én alle voorschriften). Dat is een enorme last die we nog steeds met ons meesleuren, en die aan elk boek kleeft, fictie of non-fictie: we lezen om te leren, te onthouden, en te gehoorzamen. De Thora, de Bijbel, de Koran: verschrikkelijke teksten zijn het, waarachter een monarch schuilgaat die zich alleen in schaduwen toont, om ons beter te terroriseren. Een van die schaduwen is het Boek der Boeken.

Het boek als depressivum

Nooit heeft het boek zich van die oorsprong kunnen ontdoen: de gedrukte tekst is in se prescriptief, elk boek is, ongeacht de inhoud, een handboek voor de lezer én een inprentingsmachine. Het laat zich niet zomaar doorbladeren,- het bevat integendeel instructies, een exegese, een complete gebruiksaanwijzing die ons moet beletten om de tekst te mislezen. Recensenten en zogenaamde critici spellen het ons voor. Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren, al was het maar over de manier om een soufflé te maken, en dat vergt een lecturale onderwerping, een lees-discipline die ons vanaf het eerste studiejaar wordt ingelepeld.

Ik ben in de helft gestopt, ik kon het niet meer aan, het deprimeerde me. Tonio is een marteltuig.

Daarbij horen sancties. De nagel van onze scherprechter snijdt hout: wie niet horen wil, moet voelen. Wie niet lezen wil, zal het toch doen, en dan liefst zo pijnlijk mogelijk. Tonio is dan ook helemaal geen aangenaam boek, integendeel. Het is een depressivum, een rouwdagboek van een man die door schuldgevoelens wordt verteerd: het is een kwellend relaas van een zelfkweller. Het gaat ook niet over het verkeer of verkeersslachtoffers, noch over snelheidsduivels. Het is veeleer de zelfbeschrijving van een tristesse die besmettelijk blijkt. Ik ben in de helft gestopt, ik kon het niet meer aan, het deprimeerde me. Tonio is een marteltuig. Zwevend tussen fictie en non-fictie (zoals de Bijbel trouwens), ervoer ik het steeds meer als een virale aanval op mijn mentale integriteit.

Met Tonio heeft A.F.Th.van der Heijden trouwens zijn critici definitief de adem afgesneden: niemand kon of durfde iets onheus zeggen over deze requiemroman, uit respect en piëteit. Noemen we dit emotionele chantage? Een ultieme psychologische usurpatie van de lezer?

En… is er een boek denkbaar dat de status van dwangmatig depressivum en marteltuig overstijgt?

Het boek-van-plezier

In 1973 publiceerde Franse filosoof Roland Barthes zijn essay “Le plaisir du texte”, waarin de genotsfactor van schrijven én lezen wordt  gereleveerd. Barthes verwerpt het academisme en elke leerstelligheid, en pleit voor een autonome tekst die zweeft, connecties maakt met andere teksten (tot een “intertekst”), ruimte laat voor dubbelzinnigheid, verdraaiingen, verdichtingen, variaties. Dat is pure poëzie, hoor ik u zeggen. Juist: zijn teksthedonisme voert ons naar een anti-bijbel die niet meer dient om gelezen of begrepen te worden, maar om rechtstreeks de G-zone in de hypofyse aan te spreken, het hersendeel waar endorfine wordt aangemaakt, alias het gelukshormoon.

Al bij al is het boek slechts een versneden Buche, namelijk een stuk brandbaar beukenhout, bestemd om zich aan te verwarmen.

Op dat moment verliest het boek elke symbolische waarde van bijsluiter, het wordt puur genotsmiddel. Als we de lijn van Barthes doortrekken zou een boek best van speculoos en marsepein kunnen gemaakt worden. We zouden het dan letterlijk kunnen verslinden, in plaats van metaforisch. Ook allerlei zogenaamde tekenen van barbarij, zoals de boekenverbranding, vallen dan onder dat streven naar onmiddellijke consumptie: een verbrand boek geeft warmte, en dat komt ons in koude tijden goed van pas. Al bij al is het boek slechts een versneden Buche, namelijk een stuk brandbaar beukenhout.

Het boek-van-plezier is uiteindelijk ontploft –al zal dat nooit de bedoeling van Barthes geweest zijn- in de pornografie, een lelijk woord voor een anti-genre dat enkel en alleen nog genot wil opwekken. Gezonder dan drugs, verteerbaarder dan Prozac,- wie kan er tegen zijn, behalve uiteraard de verspreiders van het Boek der Boeken?

De rotonde van Zele

Wie nog verder wil gaan dan de pornografische gelukslectuur, en zou opperen dat ook dit een vorm van manipulatie is, kan ik enkel nog de ont-lezing aanbevelen. Het boek weigeren in al zijn vormen: wetboek, handboek, krant, kookboek, boekske, zelfs aftrekboek.

Het eeuwige gezeur over de jeugd die “niet meer leest” of “niet zonder fouten kan schrijven”, gaat misschien wel over een ontlettering die ons losmaakt van een eeuwenoude tekstfixatie met een religieuze achtergrond. Een heidens-orale cultuur zou veel zuurstof brengen in deze verstikkende boekenmaatschappij. Het internet kan ons losmaken van het boek als object, maar de ontlezing gaat veel verder: teksten zijn op zich maar dwaaltekens die ons van het leven afleiden, ook als ze op een computerscherm staan.

De straf is pervers, niet de zonde. De rotonde is waanzinnig, niet de rondjesrijder.

In die zin zie ik de zondaar, berecht door Peter D’Hondt, meer als een slachtoffer dan als een dader. Meer als een gemartelde dan als beul. Meer als een symptoom van een ontregeld, neurotisch convivium van dwangarbeiders, dan als een verbreker. Want wat was nu eigenlijk het misdrijf van die onbenoemde verkeerscrimineel? Heeft hij een kind doodgereden, pleegde hij vluchtmisdrijf? Neen, hij reed rondjes op de rotonde van Zele! Iets tussen joy-riding en de gekke sprongen van een kat in een kooi.  Zo iemand een treurdicht van 632 bladzijden laten lezen, dat is als een drenkeling een handboek zwemmen toegooien. Een zinloze kwelling.

De straf is pervers, niet de zonde. De rotonde is waanzinnig, niet de rondjesrijder. Zij is een metafoor van de helse carrousel waar we nooit uit geraken, de chaotische orde die van bovenaf is opgelegd. De verkeerscode is een verre afgeleide van de Goddelijke wet, dus is het aan de libertijn om hem te ontlezen. Over die clash/crash zal het gaan, de komende decennia. Een bewering die ik geef voor wat ze waard is, want ook bovenstaande tekst dient ont-lezen.

Johan Sanctorum