Maandelijks archief: juli 2012

Olympia en haar nevengedachten

Meer dan enige wielerronde of voetbalkampioenschap zijn de Olympische Spelen voor ons, onsportieve kritikasters, telkens weer een gelegenheid om het hektische gehuppeldepuppel van al die mooie jongens en meisjes, de mega-choreografie, de bijbehorende ceremonieën en de opstoten van patriottisme te deconstrueren. De bizarre figuur van Franse Baron Pierre de Coubertin (1863-1937) is daar een dankbare kapstok toe. Hij was de man die in het Frankrijk van de IIIde republiek onverdroten ijverde voor meer gymnastiek op school. Pas toen dat niet aansloeg probeerde hij de Olympische gedachte uit de Griekse oudheid nieuw leven in te blazen, wat leidde tot de eerste moderne Spelen in Athene anno 1892.

Maar euh… welke gedachte? Alle Griekse ontstaansmythen rond de Olympiade draaien rond oorlog, de voorbereiding daartoe, en het gunstig stemmen van oppergod Zeus in deze. Bij de Coubertin was het eigenlijk niet anders, zo leren ons de achtergrondverhalen.

Van de turnzaal naar het slagveld

Zoals alle bekende citaten, wordt ook het auteurschap van het aan hem toegeschreven motto “deelnemen is belangrijker dan winnen” betwist. Veeleer schijnt hij iets georakeld te hebben in de zin van: “L’important dans la vie ce n’est point le triomphe, mais le combat. L’essentiel ce n’est pas d’avoir vaincu mais de s’être bien battu.” De moed erin houden dus, ook als men slaag heeft gekregen.

Nu moet u weten dat Frankrijk, toen de Coubertin met zijn Olympische plannen rondliep, al een tijdje geen oorlog meer gewonnen had. De desastreuze afloop van het Frans-Pruisisch conflict in 1870 leidde tot een herbewapening én de invoering van de algemene dienstplicht: de vernederende Duitse triomfmars op de Champs Élysées moest gewroken worden. Bij deze massamobilisatie hoorde uiteraard de nodige nationalistische peptalk, maar ook –en dat was nieuw- een sportieve schaduwideologie die de strijd als een eigen waarde propageerde, le combat.

Men kan het optreden van onze Olympische baron niet los zien van deze gesublimeerde verliezersmoraal, die de revanche en de herovering van de Elzas en het Rijnland in het vooruitzicht stelde,- een obsessie voor het toenmalige Frankrijk. Het propageren van een verbeterde fysieke conditie bij de massa, waarbij de atleet als rolmodel fungeert, én het aanmoedigen van strijdlust en zin voor het gevecht-om-het-gevecht, vormden een perfect programma om kanonnenvlees te kweken.

“De interessantste Olympische Spelen waren die van 1914-1918 en 1939-1945, waarin de normale sportmeetings werden opgeschort te voordele van het echte werk…”

Aan de Duitse kant was overigens zo’n eeuw eerder hetzelfde gebeurd, na de nederlaag van Pruisen tegen Napoleon. Toen kwam ene Friedrich Ludwig Jahn, beter bekend als Turnvater Jahn, met het idee op de proppen om de moraal én de fysieke conditie des volks op te krikken via een landelijk netwerk van turnclubs, het prototype van onze huidige fitness-centra.

Hop-één-twee: moeiteloos transformeerde de gymnastenparade in een krijgskadans. Een gezonde geest in een gezond lichaam, als het ware: de sportcultus uit de eerste helft van de 20ste eeuw wortelt in een militaristisch programma van Totale Mobilmachung, die uiteraard moest eindigen in dood en vernieling.

De Olympische gedachte als aanloop naar de slag om Verdun in 1916? Alleszins was in dit soort slachtpartijen deelnemen belangrijker dan winnen. Balans: zo’n 300.000 doden, 500.000 gewonden, en voor geen van beide kanten één millimeter terreinwinst. Beiden hebben verloren en dus gewonnen in de geest van de Coubertin. Op de propere soldatenkerkhoven zindert de sportieve sfeer nog na.

De interessantste Olympische Spelen waren hoe-dan-ook die van 1914-1918 en 1939-1945. De periodes dus waarin de “normale” meetings waren opgeschort ten voordele van datgene waar sport in de waanzinnige 20ste eeuw écht naar toe leefde: naar de Grote Oorlog, als massaspel.

Bovenmenselijke schoonheid

Na 1918 is het weer aan Duitsland om zich moreel te herbewapenen, en weer komt Olympia te hulp als oorlogsengel. Uiteraard zijn er dan dé Spelen van alle Spelen, namelijk die van Berlijn in 1936, opgeluisterd door de Ode an die Freude van Schiller/Beethoven, en nadien in een meesterlijk cinemadocument ingeblikt door nazi-propagandiste Leni Riefenstahl (“Olympia”, 1938). In de omgeving van Hitler vinden we, jawel, de stokoude Baron de Coubertin terug, die zijn bewondering voor het nazi-regime niet onder stoelen of banken steekt

Het nationaalsocialisme greep de (uiteraard Arische) atleet aan als een verdubbeling van de modelsoldaat, die een onderkomen vond in het SS-elitecorps. De Olympische esthetiek convergeert nu helemaal met de übermensch-gedachte en zelfs de eugenetica: de staat moet planmatig en wetenschappelijk zijn sporters selecteren en opkweken voor de internationale confrontatie,- een gedachte die de latere DDR in de koude oorlog zou voortzetten. De sportieve Olympiade is daarbij altijd maar een voorspel, een opwarmoefening tot het echte werk.

Tot op vandaag schemert de Ubermensch-retoriek door in de sportverslagen: de bovenmenselijke schoonheid van de atleet moet ons tot imitatie, samenhorigheid en actief patriottisme aansporen. Bij wijze van politiek-correcte charade worden er anderzijds aparte Spelen georganiseerd voor kreupelen, slechtzienden en mentaal onvermogenden, de zgn. Paralympics waarin de Untermenschen even mogen doen alsof.

Het geflirt van de Coubertin met het fascisme was alleszins niet vrijblijvend. Ook Juan Antonio Samaranch, de latere baas van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), was een fervent aanhanger van dictator-generaal Franco en lid van diens Falange Española.

Mr. Colgate

Toch wijst de visionaire cineaste, die Riefenstahl was, vooruit naar iets nieuws, voorbij de Totale Mobilmachung: namelijk naar de verrijzenis van het ongenaakbare, haast mystieke atletische lichaam, als pure beeltenis en fascinans. In de late twintigste eeuw overstijgt de atleet zijn status van voor-beeld en rolmodel, om de simpele redenen dat de massa niet meer hoeft gemobiliseerd te worden, doch veeleer gede- of ge-immobiliseerd.

In een recent interview drukt huidig IOC-baas Jacques Rogge zijn spijt en verwondering uit dat de jeugd alsmaar dikker en onsportiever wordt, terwijl de superatleten toch doorgaan met het verbeteren van elkaars record (zij het met steeds kleinere verschillen). De reden voor deze discrepantie is nochtans simpel: de staat heeft de volkssport niet meer nodig als premilitaire dressuur. Kleine, goed-geoefende beroepslegers en elite-commando’s zijn de nieuwe tactische operanten voor binnenlandse ordehandhaving en buitenlandse missies. In die optiek zijn de massasport en de globale fysieke conditie niet meer nodig en zelfs ongewenst (het gevaar voor volksopstanden!).

“Ondanks de korte rokjes van de tenissters en de spannende pakjes van de zwemstertjes worden wij niét opgewonden: we beseffen dat ze van een andere, hogere orde zijn, immaterieel en puur.”

Het omgekeerde van de fascistische mobilisatie doet zich nu voor: het systeem wil de niet-krijgers onschadelijk maken door ze vet te mesten. Er tekent zich dan een nieuwe constellatie af van aseksuele sportidolen die alles overhebben voor hun carrière en zich ook doperen, versus de bierdrinkende en worstvretende supportersmassa.

De atleet als ascetische heilige, energieke held, en lijdende martelaar, wordt steeds meer de exponent van een beeldcultuur die mensen achter hun TV kluistert, wat, bizar genoeg, overeenkomt met het Griekse (eveneens aseksuele) lichaamsidealisme waar ook geen gewone, levende Griek in de verste verte aan kon voldoen.

Zo wordt de afstand tussen sportidool en sportconsument elke dag wat groter. Ondanks de korte rokjes van de tenissters en de spannende pakjes van de zwemstertjes worden wij niét opgewonden: we beseffen dat ze van een andere, hogere orde zijn, immaterieel en puur. We consumeren ze enkel als beeld. De persfoto van kunstduiker Tom Daley, bijgenaamd Mr. Colgate, is dan ook iconisch, en een perfect verlengstuk van de Riefenstahl-esthetiek: omgeven door twee kiekjesmakende Olympische nimfjes verschijnt de onmenselijk-schone atleet hier als een sublimatie, een etherische luchtspiegeling die ons, het gepeupel, compleet verbauwereert en naar een zakje chips doet grijpen. Ook dat is fascisme, maar dan van het postmoderne soort.

Spelconsole

En dan zijn er tenslotte de lege stoeltjes: atleten die zich afjakkeren voor tribunes, met voor de helft onbezette plaatsen, terwijl u en ik nooit aan tickets geraken. Consternatie. Scotland Yard gaat er zich mee bezig houden, vergeefs: onder de auspiciën van Coca-Cola en McDonalds is de virtualisering van de sport al volop bezig. De zalen lopen leeg, de atleten verdampen verder tot simulacres. In de nabije toekomst is sport zelfs geen gelocaliseerd evenement meer maar een gedigitaliseerd cybergebeuren dat alle ruimte biedt voor manipulatie en interactiviteit.

De toekomst van de Olympiade ligt in de spelconsole. De atleet is dan maar een technisch zetstuk om afstandgestuurd elkeen zijn Spelen aan te bieden in de huiskamer, waarbij u met knoppen en hendels zelf het wedstrijdverloop en de winnaar bepaalt, zolang u maar genoeg Coca-Cola drinkt. Dàt is pas autonomie. Goebbels had het niet beter kunnen bedenken.

Johan Sanctorum

Advertenties

Over heksen, zondebokken en dulle Grieten

Het voorbije weekend naar de tweejaarlijkse heksenfeesten geweest in Nieuwpoort. Deze stad heeft zich in het verleden namelijk onderscheiden in het verbranden van vrouwelijk afval van allerlei aard. Alleen komen te staan, met kruiden bezig zijn, een kwade buur, een jaloerse minnaar, er wat raar uitzien: het volstond allemaal om van hekserij beschuldigd te worden. Of hoe een gemeenschap, in plaats van te revolteren, een zondebok voor haar miserie uitkiest en het systeem in stand houdt. Komt daarbij dat de Kerk tussen 1250 en 1750 dat zondebokmechanisme in een theologisch kader plaatste van de duiveluitdrijving en de strijd tegen ketterij en zogenaamde zwarte magie. Vooral de Dominicanen en de Jezuïeten blonken uit in deze parallelle kerkelijke “rechtspraak”, waarin de schuld op voorhand vast stond, beter bekend als inquisitie.

Men schat dat er in Europa zo’n 50.000 vrouwen (het aantal mannelijke “heksen” is miniem, er bestaat niet eens een woord voor) op gruwelijke wijze werden geëxecuteerd, als straf voor het heulen met Satan. Dat zoiets moet gevierd worden, wekt bij een buitenstaander enige verwondering. Wat valt er eigenlijk te vieren in Nieuwpoort? Men zou zo ook Jodenfeesten in Auschwitz kunnen organiseren, met nagespeelde terechtstellingen, de verkoop van lampenkappen (vervaardigd uit echt mensenhuid) en de finale verkiezing van de opperbeul.

Zich wellicht bewust van deze dubieuze folklore, waar heksen in kooien worden rondgevoerd naar hun nepverbranding, ging burgemeester Roland Crabbe (CD&V) de voorbije weken over tot een geniale verkiezingsstunt die zijn stad én het bijbehorende festival meteen op de wereldkaart zette: een grote akte van berouw met verontschuldigingen. Dat “eerherstel” werd eerder ook al door de stad Keulen gedecreteerd, eveneens bekend van zijn middeleeuwse heksenprocessen.

Anderzijds hield burgemeester Crabbe,- en dat tekent toch de echte katholiek-, een slag om de arm: aan het eerherstel is een grondig onderzoek vooraf gegaan, “om er zeker van te zijn dat die mensen hun straf niet terecht hadden gekregen.” Qué

Politieke correctheid

De lapsus van Crabbe is voor velerlei interpretaties vatbaar, we zijn er hem dankbaar voor. Er mogen dan in de beschaafde wereld wel geen heksen meer verbrand worden, het zondebokmechanisme is anderzijds springlevend. Net in het collectief bewustzijn waar tolerantie, anti-discriminatie en diversiteit dé mediagestuurde stoplappen zijn, is de dictatuur van het mainstream-denken prangend. Er mag variatie zijn, zelfs een onschadelijk soort dissidentie, maar wie echt buiten de lijntjes kleurt valt in het luchtledige. Het anders-zijn is toegelaten en wordt zelfs aanbevolen, maar dan enkel als een soort capriool, een gedragsvariabele die met modes, hypes en trends verbonden is.

Via facebook en de beruchte zeven-stappen-wet die iedereen met iedereen op deze planeet verbindt, is de inclusie quasi-totaal, meedoen is de boodschap. Maar net in dit verstikkend “iedereen inbegrepen”-verhaal moet de ingehouden agressie van de kudde zich op een fatale uitzondering kunnen richten, die dan met alle zonden van Israël wordt beladen.

Een instelling als het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding beantwoordt perfect aan die dubbelheid: onder het voorwendsel van de democratie te beschermen en de diversiteit te waarborgen, heeft het zich ontwikkeld tot een echt inquisitie-orgaan waar de Jezuïeten van eertijds een punt hadden kunnen aan zuigen. Alle schijnargumenten, cirkelredeneringen, verklikkingsmechanismen, ontmaskeringstrucs en self-fulfilling prophecies van de middeleeuwse bloedrechtbanken keren hier terug.

Deze paradox van de “verdraagzame samenleving” die zichzelf doorlopende censureert, staat beter bekend als politieke correctheid. Ze zet een dwingende norm uit van de breeddenkende Gutmensch, en roept tevens de antipode op van de onopvoedbare, Satanische onmens of anti-mens, die aan de norm niet beantwoordt en wordt verbrand op de Nieuwpoortse feesten, om te lachen uiteraard. Maar toch. Het volk wil verstrooiing. In wezen leven we nog steeds middeleeuws.

God en zijn apparaat

Essentiëler nog is de vaststelling dat de middeleeuwse heksenvervolging maar een symptoom is van een diepe vrouwenhaat, die inherent lijkt aan onze Westerse beschaving, ondanks alle politiek-correcte schaamlappen. We hoeven zelfs op de zgn. vrouwonvriendelijke islam niet te sakkeren: ook en vooral de Westerse moderniteit is nog steeds mannelijk-fallokratisch, tot in de diepste vezels. Heel het wetenschappelijk-industrieel complex, de manier hoe de grootschalige staatsbureaucratie (nu in Europese vorm) ons bestaan usurpeert, werkt top-down, vanuit een discrete patriarchale beheersingsdrang. Maar ook het abstracte denken, de ratio, het miskennen van intuïtie en gezond verstand, de dominantie van het boek en geschreven teksten, het overwicht van de productiviteitsnorm en het profijt tegenover duurzaamheid en zorg, wijzen op die doorgeërfde macht van de oervader, waaraan alle zonen min of meer participeren.

Antropologen nemen aan dat de overgang van polytheïsme en natuurreligie naar monotheïsme een beslissende rol heeft gespeeld in het ontstaan van dat mannelijk machtsdenken, dat in de middeleeuwen zijn terreur kon botvieren, maar dat vandaag in een meer gesofistikeerde vorm vrolijk doorsuddert.

Heel het wetenschappelijk paradigma is op-en-top monotheïstisch en zoekt obsessioneel naar hét principe, dé verklaring, dé waarheid,- terwijl er misschien wel vijf of tien of honderd ultieme principes naast elkaar bestaan en elkaar affecteren. Een “vrouwelijk” denkbeeld dat absoluut taboe blijft.  Filosoof-moralist Marc Schoeters maakte me er attent op dat het recente hoera-geroep rond het ontdekte Higgs-boson als een mannelijk orgasme klinkt, na een geslaagde penetratie in de materie, inclusief het “bombarderen” van deeltjes met een reusachtig apparaat. Het is een benadering van de natuur die wel veel lawaai veroorzaakt en spectaculair oogt, maar die tegelijk rücksichtlos en obsessioneel op haar doel afgaat dat ze op voorhand heeft gedetermineerd. Een vorm van inquisitorisch denken en handelen dus: quod erat demonstrandum,- zo luidde de afsluiting van de middeleeuwse bewijsvoering die behalve heksen ook schapen en ezels betichtte van pomperijen met de duivel.

Terwijl net het fallokratische principe van de natuurbeheersing ons naar de ontregeling en de catastrofe leidt, zie Fukushima en alle vuurwerken die ons nog te wachten staan.

De moderne vrouw

Wat me uiteindelijk nog het meest verbaast, is dat vrouwen vandaag deze mannelijke waan overnemen om op de sociale ladder te klimmen. Ik zie nergens een vaginaal sabbat-discours, een vorm van “vrouwelijke ratio ” die zich daar tegenover zou stellen en tot andere benaderingen, methodes, strategieën, inzichten zou leiden. In wetenschap, zakenwereld, politiek en cultuur wordt het mannelijk theater gaandeweg aangevuld met manwijven die leuke dingen doen met hun kunstpenis, maar die eigenlijk maar een mistgordijn en alibi vormen om de oude, patriarchale denkpatronen te laten overleven.

De brandstapels hebben wel degelijk geholpen: de moderne vrouw is transsexueel en vuurvast. Ze wil carrière maken, autorijden, voetbal spelen, oorlog voeren, en alle andere vunzige geplogenheden die het leven op deze planeet vergallen. Slechts hier en daar is er nog een glimp van echte hekserij. Zoals dierenrechtenactiviste Anja Hermans die ooit een McDonalds in de fik stak, en gedurende jaren aan de psychiatrie werd overgeleverd. Ze is de Dulle Griet, zo weggelopen uit Brueghels schilderij. Of Alexandra Vercammen, -neen, u kent haar niet- die samenwoonde met Flurk, een hangbuikzwijn, en door buren werd aangeklaagd wegens “overlast”. Zonder twijfel waren deze vrouwen een paar honderd jaar geleden op de brandstapel geëindigd, zeker als ze in Nieuwpoort woonden, het gezellig stadje aan de monding van de IJzer.

Dit maar om te zeggen dat ik uitgeregend en met zeer gemengde gevoelens terug thuis ben gekomen. Hoe komt het toch dat volksfeesten, the day after, ons zo bedrukt en balorig maken. Het kan aan de Rodenbach liggen,maar toch.

Johan Sanctorum

Veel drukte om niets

Inconveniente bedenkingen bij de ontdekking van het Higgs-boson

De ontdekking (die eigenlijk meer een statistische conclusie is) van het zogenaamde Higgs-boson, “het laatste ontbrekende puzzelstukje van de theoretische fysica”, leidt tot euforische toestanden onder natuurkundigen. Door het feit dat twee ULB-proffen daarbij een vinger in de pap hebben gehad, betrekken onze media er zelfs enig Belgisch chauvinisme bij. Ik probeer dit verschijnsel als compleet ondeskundige niet-fysicus even dissonant te becommentariëren, al was het maar om het academisch gezelschap in de zaal wat meer massa te geven.

 Vooreerst is er de politieke achtergrond: Europa en de VS, die, respectievelijk met het CERN en het Fermilab, een in economische termen absurd soort wedren aangingen. Vraag die vanuit het gezond verstand opborrelt: konden die twee nu echt niet de krachten bundelen en er een gezamenlijke deeltjesversneller op nahouden? Kostenbesparing van zo’n 10 miljard dollar? Neen dus: het Fermilab is vooral een symbool van de Amerikaanse hegemonie inzake wetenschappelijke research, die zich vertaalt in internationaal prestige van de grootmacht. Dat mag dus iets kosten. Het wetenschappelijk doeleinde is dan maar een afgeleide, een alibi. Heimelijk speelt daarbij natuurlijk wel het idee dat zelfs zoiets onwezenlijk als het Higgs-boson op een of andere manier toch een militaire spin-off zal krijgen. Het creëren van een zwart gat bijvoorbeeld dat heel Noord-Korea kan opslokken, ik zeg maar wat.

Men kan het vergelijken met die andere “mijlpaal” in de geschiedenis van de wetenschap, namelijk de eerste maanlanding in 1969, als apotheose van een space race tussen twee grootmachten in koude oorlogstijd, de VS en de Sovjet-Unie. Ook hier werd een duizelingwekkend budget gespendeerd (critici zeggen: verspild) om een puur symbolisch evenement te creëren, namelijk het planten van de Amerikaanse vlag op de maanbodem. Heeft die muggensprong, maanlanding genoemd, onze kennis over het heelal vergroot? Bijlange niet, voor geen milligram. Wel zijn de militaire toepassingen van de ruimtevaart legio, en zijn de banden tussen de NASA en het VS-ministerie van defensie altijd zeer nauw geweest.

Liturgische plek

De convergentie tussen macht en kennis is een van de wezenskenmerken van de moderniteit. Het nationale en supranationale beheer van fundamentele wetenschappelijke research, via megalomane instituten zoals CERN en Fermilab, heeft dan ook een symbolisch en ritueel karakter. De deeltjesversnellers zijn de tempels van deze tijd. Ze zijn het Stonehenge van de 21ste eeuw, waar men in een verre toekomst ooit met verbazing en ongeloof zal tegen aan kijken. Men kan ze enkel begrijpen als ceremoniële, haast liturgische plekken, waar duizenden medewerkers als monniken op een haast autistische manier elk aan een minuscuul onderdeel van een immens programma werken. De ultieme doelstelling mag dan verheven zijn, het werk zelf in zo’n laboratorium is saai en monotoon. Niemand heeft het overzicht, het is absoluut niet de bedoeling dat iemand gaat improviseren, de Einstein gaat uithangen en zelf een theorietje zou gaan bedenken: alles staat in dienst van het wijdlopig lange-termijn-programma met uitzicht op de eeuwigheid.

Op die manier wordt het hoogtechnologische superlabo een metafoor voor de postindustriële samenleving zelf, waarin, alleen al om veiligheidsredenen, niemand inzage heeft in het complete programma en alle toegangen beperkt zijn. Het is een cellulaire, zacht zoemende samenleving van witte schorten, badges en strikt afgebakende competenties.

De deeltjesfysica blijkt zo zelfs een metafoor voor een nieuw soort totalitarisme: de postmoderne burger is een partikel in een experimentele, maar zorgvuldig onder controle gehouden ruimte. Zijn onvoorspelbaarheid wordt opgeheven door statistische modellen die de klassieke theorie/ideologie steeds meer vervangen. Dit is waarlijk visionair. De kostprijs van de  Large Hadron Collider, de nieuwe deeltjesversneller van het CERN waarmee het Higgs-boson werd opgejaagd, bedraagt zowat 7,5 miljard euro, uiteraard los van de loonkost. De geruisloze manier hoe dit megalomane superbudget, waaraan wij allemaal mee betalen, tot stand kwam, mag een voorafbeelding zijn van het postnationale Europa dat de klassieke democratie, zoals wij ze ons voorstellen, heeft opgeheven ten gunste van een zelfsturend systeem, immuun voor elke kritiek.

Hybris

Tenslotte is er de kennistheoretische kwestie. De euforische vaststelling dat met dat Higgs-deeltje en het bijbehorende veld nu werkelijk heel onze kijk op de materie definitief geconfirmeerd is en in een volledig consistent kader is gegoten, verontrust me danig. Het probleem is namelijk dat in de geschiedenis van de wetenschap zelfs de grootste zekerheden van krakkemikkige vooronderstellingen uitgingen. En dat “in elkaar passende stukjes” vooral op wishfull thinking bleken te berusten. Men viert vandaag dus eerder de bevestiging/dogmatisering van een bestaande kennisarchitectuur, -het zogenaamde “standaardmodel”,- dan de ontdekking van iets nieuws. Sommige wetenschappers delen blijkbaar die onrust, en hopen heimelijk dat het fameuze deeltje niét zal doen wat ervan verwacht wordt: echte wetenschap is gefundeerd op verlichte onwetendheid en het besef van de beperking van het menselijk intellect.

Zo bekeken getuigt de actuele Higgs-euforie zelfs van een zekere hybris, een door hoogmoed gekenmerkte vorm van menselijke domheid. Bescheidenheid is ver weg in en rond Genève. De ongemakkelijke waarheid is, met dank aan pretbedervers zoals Immanuel Kant en Ludwig Wittgenstein, dat alle kennis begint en eindigt bij de structuur van onze hersenen. Objectief weten we niets, nada, nul. Ook het Higgs-boson is een schaduw van het menselijk brein, en dus veeleer literatuur, poëzie, een vrijblijvend hersenspinsel. Een tamelijk hilarisch en vrijblijvend artefact, zoals die Beaufort-zetstukjes die onze stranden ontsieren. We zijn gewoon belachelijke prutsers, de risée van het heelal. Hoe de wereld er echt uit ziet zullen we nooit weten, misschien bestaat hij zelfs niet eens buiten de status van hologram.

Dat hoeft uiteraard onze nieuwsgierigheid niet te hinderen. Zolang we maar beseffen dat wetenschap (én kunst, en overigens elke vorm van cultuur) nooit veel meer kan zijn dan bezigheidstherapie, in afwachting van het verdwijnen van deze soort. Much ado about nothing, vrij naar Shakespeare.

Johan Sanctorum