Maandelijks archief: augustus 2012

Michèle Martin en het eindpunt van de Witte Mars

Zopas kwam Guillaume Van der Stighelen nog eens op de radio, om zijn voltijdse carrière van schrijver en columnist aan te kondigen. Dat is uiteraard goed nieuws, ik wens het iedereen toe om van zijn pen te kunnen leven en tussendoor nog te gaan zeilen.

De man heeft zowat anderhalf jaar geleden door een ongeval een volwassen zoon verloren. Nu zijn er wel meer mensen die op een dramatische manier (bestaat er een andere?) een kind verliezen. Maar Van der Stighelen, mede-oprichter van het reclamebureau Duval Guillaume, had de luxe om maanden lang thuis zijn verdriet te kunnen verwerken. Een modale werknemer krijgt hiervoor drie dagen “klein verlet”, zo heet dat.

Mijnheer Van der Stighelen had, mede dankzij zijn enorm sociaal en professioneel netwerk, de gelegenheid om in De Standaard en De Morgen uitvoerig zijn verwerkingsproces publiek te maken, columns te schrijven, mensen te bedanken voor het medeleven,- het helpt natuurlijk allemaal, al is ook dat niet iedereen gegund. Langzamerhand profileerde de man zich als een “opinion leader”, met een overvloedig geciteerde mening over van alles en nog wat.

Nu zijn er allerlei manieren om “opiniemaker” te worden, het is uiteraard geen geboorterecht. Sommigen worden het omdat ze iets te zeggen hebben, anderen door wat ze zijn. Maar intellectuele autoriteit die gebaseerd is op publiek medelijden, dat lijkt toch het gevolg van overmediatisering. Het is een spin-off-effect van de emojournalistiek die vandaag zo overvloedig bedreven wordt. Hoe lang kan men teren op empathie? Eens moet Guillaume Van der Stighelen terug in het gewone leven stappen en zijn in publieke optredens gesublimeerde zelfmedelijden van zich afschudden als een verouderde huid.

Hetzelfde zou men kunnen zeggen van Paul Marchal, vader van de door Marc Dutroux vermoorde An, boegbeeld van de Witte beweging, en nu dus de spilfiguur in het verzet tegen de voorwaardelijke vrijlating van Michèle Martin. Een uitzichtloze strijd, zo blijkt.

 

Complotten en netwerken

Ongetwijfeld heeft Paul Marchal een verdienste als slachtoffer én klokkenluider, in de nasleep van de Dutroux-affaire. Door het politioneel geklungel na de vermissing van An en Eefje, én de rare bokkensprongen van het gerecht na de arrestatie van Dutroux (o.m. het fameuze spaghetti-arrest dat de gedreven onderzoeksrechter Connerotte van de zaak haalde), kon Marchal op 20 oktober 1996 te Brussel 300.000 mensen op de been brengen

Deze “witte” volkswoede was voor alle sociologen en politologen een raadsel, omdat men haar politiek probeerde te lezen. Onterecht: ze was niets meer dan de empathische echo van het persoonlijk rouwproces in hoofde van vader Marchal, die verkoos om dat proces publiek aan te gaan, gekoppeld aan een strijd tegen… tja, tegen wie of wat?

Naar mijn aanvoelen (en nu krijg ik vast weer heel de goegemeente tegen) zat vader Marchal in de knoop met een eigen verdrongen schuldcomplex omtrent de gruwelijke dood van zijn dochter. Had hij de toen 18-jarige An (in het gezelschap van het minderjarige Eefje) wel op vakantie naar zee mogen sturen? Was hij niet op de verkeerde plaats toen de twee meisjes vergeefs op de laatste tram zaten te wachten? Met dit gevoel valt niet te leven, dus wordt de schuld naar buiten geprojecteerd, ver voorbij de daders, in de omtrekken van een vage, demonische machine die het vooral op kinderen gemunt heeft.

De voorlopige vrijlating van Michèle Martin zou een louteringsmoment kunnen betekenen voor vader Marchal, en een ontlasting van het al te lang door de witte waan geplaagde collectief bewustzijn.

In dit wereldbeeld van de gekwelde Marchal was de dood van An het product van een wijd vertakt “pedofiel netwerk” waar Dutroux maar een radertje van was, evenals hypnotiseur Rasti Rostelli, van wie An en Eefje een voorstelling bijwoonden op de avond van hun verdwijning (en die vader Marchal ook voor assisen trachtte te krijgen). Tot in de hoogste kringen werden ontvoerde kinderen en tieners geconsumeerd door machtige perverten, die tussendoor ook allerlei zaakjes regelden. Even kwam zelfs het koninklijk hof in beeld. Deze complottheorie kon echter nooit hard gemaakt worden: ordinaire seksfeestjes à la DSK daargelaten, bleven de “Roze Balletten”, de zwarte missen en de satanische kinderoffers een loos gerucht, het spoor Nihoul bleek een dwaalspoor. 

Het complotdenken dus, als deel van het verwerkingsproces. De confrontatie met het feit dat Dutroux alleen handelde (althans niet binnen een groot netwerk) moet voor Paul Marchal pijnlijk geweest zijn. Vanaf dan richtte hij noodgedwongen zijn pijlen op justitie en het schromelijk in gebreke gebleven politie-apparaat. Maar daar wringt een schoentje. Systeemkritiek is voor de brave, extreem koningsgezinde onderwijzer uit Hasselt een brug te ver. Veeleer klinken vanaf dan restauratieve geluiden door in zijn discours, tegen de corruptie en de verloedering, maar niet tegen de structuren en de macht zelf. Anders gezegd: het optreden van Paul Marchal –en van heel de Witte beweging- is wezenlijk apolitiek, ook al richtte hij op een blauwe maandag de PNPb op, de “Belgische partij voor Nieuwe Politiek”. 

 

Don Quichotte

De strijd van Pol Marchal was en is in hoge mate een strijd met zichzelf. Ze kan alleen psychoanalytisch begrepen worden. Ze is niet toekomstgericht, “progressief”, laat staan revolutionair, maar, integendeel, retrograde en nostalgisch. Ergens was er iets fundamenteel misgelopen en is de wereld krom gaan draaien, en dat moet rechtgezet worden: al het goede ligt in het verleden. Kordate individuen, gelouterd door het lijden, moeten deze gehypnotiseerde samenleving terug op de sporen krijgen en de demonen bannen. Zo wordt de tragische zoektocht van vader Marchal naar zijn verloren dochter, de wens om haar de onschuld terug te schenken die Dutroux haar ontnam, én de poging om in het reine te komen met een persoonlijk schuldbesef, geprojecteerd in een zoektocht naar een verloren wereld van de zuiverheid.

De Dexia-affaire toonde ons de failed state België in een veel onthutsendere vorm, maar ik heb nergens een betoging gezien tegen Mariani, Dehaene, en heel het achterliggende politieke kluwen van belangenvermenging, de frappante vormen van nalatigheid en onkunde, enz.

Half spottend werd hem dan de titel van “witte ridder” toegekend. Het aureool van Paul Marchal was oprecht, strijdvaardig, vertederend, maar ook impulsief, manisch en hyperactief. Een onvoorwaardelijke trouw aan de koning en de monarchie, een grenzeloze goedgelovigheid, en dus een gebrek aan kritisch-analytisch vermogen, kenmerken dit witte idealisme.

Daar zijn tal van voorbeelden van. Toen Albert II hem in 1996 tijdens een persoonlijk onderhoud zei “bel me gerust als er iets is”, nam Marchal dat ook letterlijk en greep verbijsterd naar de telefoon op de dag dat Dutroux ontsnapte. De koning gaf niet thuis, wat dacht u. Recent meende hij na een gesprek met de Clarissen in Malonne begrepen te hebben dat de zusters “de zaak opnieuw zouden gaan bekijken”. Wat de overste nadien in alle toonaarden ontkende: ze hadden hem gewoon met een kluitje in het riet gestuurd. Hilarisch en pijnlijk. En ook de woorden van justitieminister Turtelboom die de slachtoffers meer inspraak beloofde na de protestmars in Brussel (Marchal: Ik heb een positief gevoel, ik denk dat ze eerlijk is en iets zal veranderen”) bleken gebakken lucht, puur bedoeld als ontmijningstaktiek twee maanden voor de lokale verkiezingen.

 

Surrealisme

 De commotie rond Michèle Martin, die de toepassing van de wet Lejeune eist en die vanzelfsprekend ook krijgt, is de epiloog van een veldtocht die steeds meer een impertinent, Don Quichotte-achtige dimensie kreeg. Dat het gros der Belgen hierin mee stapte zegt veel over België als hopeloos tragi-komisch, repetitief psychodrama. Achteraf bekeken heeft die fameuze massabetoging van 1996 meer weg van een groteske Ensoriaanse optocht, ik denk bijvoorbeeld aan “De Intrede van Christus te Brussel”. Het Belgisch surrealisme ten top dus, maar niet de antithese ervan.

Zo is de beweging rond vader Marchal gedoemd om terapeutisch op te lossen. De Witte Mars is op zijn terminus beland. Er schort van alles aan deze samenleving, de socio-politieke orde, het bestuursapparaat en aan het Belgische regime. Maar verdwenen kinderen vormen, hoe tragisch ook, niet de essentie van het probleem. Zelfs een klungelende justitie niet. De Witte Beweging heeft, als spontane emanatie van het Volksempfinden, veeleer een domper gelegd op het politiek-kritische bewustwordingsproces, en de reële mechanismen van een failed state versluierd.

De Dexia-affaire, bijvoorbeeld, was in dat opzicht  veel onthutsender, maar ik heb nergens een betoging gezien tegen Mariani, Dehaene en heel het achterliggende politieke kluwen van belangenvermenging, de frappante vormen van nalatigheid en onkunde, enz. Dexia alias Belfius heeft zelfs nauwelijks klanten verloren aan dit fiasco, waar onze kinderen en kleinkinderen nog voor zullen opdraaien: de Belg denkt en voelt al te wit.

Terug naar de realiteit dus, weg van de hysterie. Ga eindelijk slapen, Paul. De voorlopige vrijlating van Michèle Martin zou een louteringsmoment kunnen betekenen voor vader Marchal (hij kan hier een voorbeeld nemen aan de verklaring van de moeder van Eefje Lambrecks), en een ontlasting van het al te lang door de witte waan geplaagde collectief bewustzijn. Al had ik een levenslange verbanning van Martin naar Oost-Congo of Zuid-Soedan juridisch en menselijk een elegantere oplossing gevonden. In die contreien kan berouw, als het er is, alleszins in daden worden omgezet.

Moge Paul Marchal eindelijk rust vinden, en moge het spook Michèle Martin oplossen achter de muren van Malonne. En moge de complotemoties plaats maken voor echte, kritische radicaliteit die jammer genoeg (en soms opzettelijk) met extremisme wordt verward. Er is ander werk aan de winkel.

Johan Sanctorum

 

Waarom de Nationale (k)loterij altijd wint

Onlangs bereikte ons via de pers het bericht dat de goeie oude Nationale Loterij, die krantenboeren undercover controleert of ze geen krasbiljetten aan minderjarigen verkopen, dat onlangs zelf deed tijdens een muziekfestival in Leuven. Publicitair hoogst vervelend voor deze naamloze vennootschap van publiek recht en ressorterend onder de bevoegdheid van de Minister van Financiën Steven Vanackere. Maar de vraag is natuurlijk of in het feest van seks, drugs en rock ’n roll een krasbiljetje bij onze tieners nog het verschil maakt. Veel interessanter is het fenomeen van de staatsloterij op zich, als een door de overheid uitgebaat gokinstituut en populair massaspel.

De machine van Pascal

Zo’n twee weken geleden hield ik in deze kolommen de Olympische gedachte tegen het licht, en haar bekende dubbelzinnige motto “deelnemen is belangrijker dan winnen”, waarmee de massa in haar verliezersrol wordt geconsolideerd. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. Welnu, het loterijwezen vertrekt van dezelfde gedachte, maar dan uitgepuurd tot een mathematisch systeem waarin alleen de spelmaker zelf (hier dus: de staat) altijd wint.

Het was de beroepsgokker Chevalier de Méré die in het midden van de 17de eeuw de wiskundige Blaise Pascal inspireerde tot het begin van wat we vandaag kansberekening en statistiek noemen. Van de diep-religieuze Pascal is het ultieme geloofsargument bekend, gebaseerd op de waarschijnlijkheidsleer: niet geloven in God geeft u 50% kans op de hel, door wel te geloven riskeert u niets. Dus…

God als spelverdeler en teerlingenwerper in het heelal: van daar was het maar een kleine sprong naar de ontwikkeling van een sluitend kansspelsysteem dat altijd overeind blijft, sub specie aeternitatis. Zonder kansberekening geen loterij, om de eenvoudige reden dat het systeem anders over kop zou gaan: de prijzenpot mag nooit groter zijn dan de netto-winst, en liefst kleiner. Via deze rekenkunde verliezen de spelers, als groep, altijd, terwijl tegelijk de illusie van de vrijheid overeind blijft, want U koopt het lotje, U vult het lottoformulier in, U krast, of net niet, geheel naar keuze, het maakt toch niets uit: de staatsloterij wint altijd.

De wiskunde van Pascal leidde zo tot een aleatorisch apparaat dat de Raison d’Etat in een hogere vorm representeert. Een perfecte apologie voor het regime. Geen dictaat meer van een tiran, geen repressie, zelfs nauwelijks nog een reglement, maar simpelweg een volautomatisch spelconcept met balletjes die blindweg springen en een willekeurige combinatie opleveren, maar toch altijd de “juiste”. De ultieme erfenis van de Zonnekoning, die stierf in het geboortejaar van Pascal?

“Immanente rechtvaardigheid”

Het immorele karakter van de staatsloterij en haar afstompende werking is zo frappant, dat het me verbaast dat er nooit enige filosoof-ethicus, politicus of een van de duizenden opiniemakers in Vlaanderen zich kritisch heeft over uitgelaten. Vooral vanuit libertarische hoek, maar ook vanwege gauchistische moraalridders, de zogenaamde verdedigers van de kleine man, of de eeuwige zeurpieten van SKEPP zou men iets meer mogen verwachten bij dit frappant geval van volksverlakkerij.

Immers, door zich als institutionele gokmachine te presenteren, ontmoedigt het systeem reflexen van zelfredzaamheid, vertrouwen in eigen kunnen, mondigheid en kritisch burgerschap, kortom: “het lot in eigen handen nemen”. De loterij leert ons hopen, wachten, berusten. De uitslag is definitief, beroep is niet mogelijk. De herhaling is belangrijk: niet winnen mag niet leiden tot afhaken, maar moet, integendeel, aansporen tot verder krassen, wekelijks, een leven lang, tot in het graf.

In een tijd waar men de mond vol heeft over empowerment van het individu, is dit door de overheid georganiseerd gokspel een permanente opvoeding tot fatalisme.

De Nationale Loterij staat hierbij boven elke verdenking. Haar bij wet vastgelegd monopolie geeft haar ook een status van immuniteit. De immanente rechtvaardigheid (“iedereen gelijke kansen”) van het spel belet elke vorm van opstandigheid: nooit wordt de machine zelf gecontesteerd. Daarom is er ook altijd een deurwaarder in de buurt van de trekking, er mag niet de minste schijn van vervalsing zijn. Een “onschuldige kinderhand” trekt het papiertje of duwt op de knop. Lang geleden waren het gekke, geüniformeerde ballenrapers die als marionetten volmaakt synchroon het nummer uit de cloaca van de machine opvisten en aan het publiek toonden. Nu ziet men alleen nog de ballenmixer draaien. Rechtstreeks op TV, het kan tellen als boodschap: blijven hopen, vooral niet ingrijpen. Het geluk en het toeval staan altijd aan de kant van het instituut, zonder dat dit ooit verontrust kan worden.

De (machinale) mystificatie van het lot, en de (aleatorische) mystificatie van de macht brengen op die manier een manisch-depressieve game society voort van krassende en gissende kansspelers die alleen ten koste van elkaar kunnen winnen maar die het spel niet in vraag te stellen. De bedoeling is dat de totale populatie meespeelt: iedereen inbegrepen. Dat vergroot de prijzenpot en dus de zuigkracht van het spel, maar belet vooral dat niet-deelnemers zich vragen zouden stellen over de Pascaliaanse machine.

Dus wordt er zwaar geïnvesteerd in publieksbewerking. Met allerlei nevenproducten zoals Lotto, Joker en Keno wordt een heel gamma gepresenteerd van fatalistische teasers, smaakmakers van de verzaking en het apolitisme. De veelheid van producten is slim bekeken: het maskeert het monopolie, introduceert schijnkeuzes (ook waspoedergigant Procter & Gamble heeft zo’n tien merken in de rekken staan), en geeft het gokken een aureool van leut en postmoderne lichtheid. In de lijn van de wet van 19 april 2002 legt het beheerscontract tussen de Belgische Staat en de Nationale Loterij, onder andere, de gedragslijnen vast die deze laatste moet naleven om haar taak uit te voeren als “sociaal verantwoordelijke en professionele aanbieder van spelplezier”.

Verdoken belasting

De realiteit is, dat het, behalve om dwangmatig onderwerpingsgedrag aan het (nood)lot, om een verdoken belastingsysteem gaat, een vrijwillige afdracht die vooral sociaal kwetsbare groepen en lage inkomens wordt aangepraat. Ik ken mensen met een vervangingsinkomen die al tien jaar elke week trouw hun lottoformulier invullen. Het is een automatisme van geleidelijke verarming: geheel volgens de wetten van Pascal winnen ze af en toe een klein bedrag, maar ze zijn in totaal het tienvoudige al kwijt.  Armoede is de drijfveer om te spelen, en armoede is meestal ook het resultaat. De Nationale Loterij werd opgericht in volle crisistijd (1934), als een instrument om politiek onbehagen en burgerlijk ongenoegen te kanaliseren, én om het aanzwellende leger werklozen het Rad van Fortuin voor de ogen te draaien. Het Belgische staatsfascisme dus, om het nu eens niet over de extreem-rechtse flaminganten van de jaren ’30 te hebben. Vandaag is de loterij vooral in derde-wereld-landen razend populair, omdat de kadukke, van corruptie vergeven economie mensen toch niet toelaat om zich met hard werken uit de miserie te hijsen. Men koopt met zijn laatste geld liever een lotje dan een brood,- een corrupt gebaar op zich.

Voor de rest niets dan lof voor de gulheid van onze Nationale Loterij. Via een zogenaamde filantropische missie spijst ze een flink aantal goede doelen, of komt tussen bij ramp en onheil,- dat is goed voor het imago. Ooit heette ze trouwens Koloniale Loterij, en werd het steunfonds voor een deel gebruikt om krukken te kopen voor negers die een voet waren afgehakt.

Besluit: zo snel mogelijk afschaffen die handel. De Loterij (waar vooraan nog één letter mankeert) als verslavend gokinstituut, als demoraliserend machtsorgaan, én als belastingsstelsel op de armoede. In een tijd waar men de mond vol heeft over empowerment van het individu, is dit door de overheid georganiseerd gokspel een permanente opvoeding tot fatalisme. Bestormen die ballenmachine, de beuk erin!