De ondraaglijke lichtheid van excuses

Afgelopen zondag vond de jaarlijkse herdenking plaats van de Jodendeportaties tijdens de tweede wereldoorlog aan de Dossin-kazerne in Mechelen. Premier di Rupo sprak er excuses uit omwille van het aandeel dat de Belgische overheden daarin zouden gehad hebben, gaande van verplichte registratie tot het organiseren van razzia’s.

Uiteraard heeft de historische waarheid haar rechten, ondergetekende is voor een constante revisie van de geschiedenis. Maar net daarom valt over het concept van het gloednieuwe Mechelse Holocaustmuseum, dat wellicht in december zijn deuren opent, heel wat te zeggen. Het focust namelijk uitsluitend op de Jodenvervolging door de nazi’s, en bijvoorbeeld veel minder op de deportatie van politieke gevangenen. Historici zoals Gie Van den Berghe wezen daarbij al op de grote betrokkenheid van Joodse drukkingsgroepen in de opbouw van het Memoriaal, waardoor bv. een actualisering naar hedendaagse pijnpunten zoals de Palestijnse kwestie onmogelijk was. Een actualisering en verbreding die absoluut nodig is. Ook de referentie die in het “mission statement” van het museum gemaakt wordt naar zogenaamd extreem-rechts in Vlaanderen, ruikt naar partijpolitieke recuperatie, want daarmee wordt het Memoriaal ook een wapen tegen een bestaande politieke partij, het Vlaams Belang (dat, merkwaardig genoeg, overigens eerder pro-Israël georiënteerd is).

 

Aboriginals

Jammer dus dat ook dit cruciaal project, met zijn grote pedagogische draagwijdte, weerom door de politieke rekenkunde geüsurpeerd wordt. Wat me echter vooral dwars zit zijn de excuses zelf, en hun halfslachtige retoriek. Wat betekenen ze, en wat is hun morele draagwijdte? Het is opvallend hoe snel hedendaagse politici met dat woord “sorry” uitpakken, en dan liefst in een ceremoniële omgeving met de nodige camera’s op hen gericht. Daar zijn notoire voorbeelden van.

Op 13 februari 2008 “verontschuldigde” de Australische regering zich plechtig tegenover de Aboriginals omwille van de begane moordpartijen door Britse kolonisten in de 18de en de 19de eeuw. De toon in de media was vrij unaniem, dat hiermee “een tijdperk was afgesloten” en “Australië met zijn verleden in het reine was gekomen”. Inderdaad waren de massamoorden van Pinjarra (1834), Myall Creek (1838), Battle Mountain (1884) en Coniston (1928) lang onder de mat geveegd, maar de laatste tien jaar groeide de wetenschappelijke belangstelling voor deze donkere bladzijden van de Australische vaderlandse geschiedenis. De nazaten zouden maar eens kunnen gaan processen en een schadevergoeding eisen. Dus moest er geëxcuseerd worden, letterlijk “verontschuldigd”, waardoor die donkere bladzijden eigenlijk uit het collectief geheugen konden verdwijnen, en de Aboriginals in alle vrolijkheid verder de openingsplechtigheden van grote sportevenementen mochten opluisteren. Case closed.

We herinneren ons zeker ook het moment in oktober 2007, toen de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens plots de tijd rijp vond om zich te “verontschuldigen”, tegenover het Forum van Joodse Organisaties, voor de deportaties van Antwerpse Joden tijdens de 2de wereldoorlog. Bart De Wever had helemaal gelijk toen hij stelde dat dit soort excuusgebaren lachwekkend en vrijblijvend was, maar verontschuldigde zich vervolgens zelf voor die opwelling van politiek-incorrecte eerlijkheid, nadat de “Joodse Gemeenschap” hem op de vingers had getikt.

Sorry-cultuur

De ondraaglijke lichtheid van dit soort door politiek opportunisme geïnspireerde excuses, die een serene en intellectueel eerlijke geschiedschrijving juist hypothekeren, doet ons nadenken over de essentie van schuld, (individueel of collectief) schuldbesef, wroeging, en de wens om iets te herstellen.

De kredieteconomie waar we vandaag in leven -alles wordt op de poef gekocht, ook door wie het geld niet heeft-, bevestigt ritueel de gemakzucht waarmee morele schuld wordt ontkend. Natuurlijk komt die deurwaarder op het einde toch, tenzij het OCMW een “schuldbemiddeling” uitwerkt. Wat de zaken op hun kop zet: men moet het kredietsysteem zelf aanpakken, en mensen opnieuw wijzen op de implicaties van het kopen op afbetaling. In dezelfde zin is de Duitse afkeer van het Griekse pathos perfect begrijpelijk in de E.U.-crisis: een kwijtschelding van overheidsschulden -overigens helemaal te wijten aan wanbeheer- maakt de weg vrij voor een veralgemeend kredietcynisme en een hedonistische bewustzijnsvernauwing.

We leven in een kredieteconomie (“alles op de poef”) én in een maatschappij van de schuldontkenning. Alles is afwasbaar en uitwisbaar, niets plakt nog. We geven iemand een elleboogstoot, en mompelen nadien “sorry”, waarmee de zaak geklaard is.

Schuldbesef is iets dat je meedraagt en probeert te verwerken,- in die zin zijn er parallellen met het rouwproces (de vandaag verguisde Sigmund Freud vatte trouwens het rouwen op als een soort schuldgevoel, tegenover de overledene dan). In het gereformeerde Christendom, het calvinisme en protestantisme, leeft dat veel sterker dan in het katholicisme, waar het sacrament van de biecht een toch wel elegante oplossing biedt voor mensen met gewetensproblemen en schrik voor de hel.

Ik heb de indruk dat die katholieke tactiek om het op een akkoordje te gooien met God en de schuldeisers, en om de uitstaande schuld naar een soort restbank te draineren, aan de grondslag ligt van de huidige crisis van het kapitalisme en de immoraliteit van het bankwezen, maar dus ook van de alomtegenwoordige sorry-cultuur. We kunnen niet meer om met schuld, omdat het verleden niet meer tot het heden wordt toegelaten, als iets dat ons bewustzijn bepaalt, iets dat moet “gedragen” worden. Alles is afwasbaar en uitwisbaar, niets plakt nog. We geven iemand een elleboogstoot, en mompelen nadien “sorry”, waarmee de zaak geklaard is. Van Michèle Martin en Ronald Janssen wordt verwacht dat ze eindelijk eens hun excuses zouden formuleren aan de nabestaanden, wat uiteraard compleet belachelijk is: ze moeten dat net niét doen, maar met een onaflosbare schuld leren leven.

De zaak Lumumba

In die zin is zelfs elke strafmaat een maat voor niets, en is elke poging om eigenmachtig de omvang van het herstel af te bakenen, een Machiavellistische poging tot omkoop en aflaat. Ook daar zijn sterke staaltjes van. De moord op Lumumba, de eerste premier van het onafhankelijke Congo in 1961, die koning Boudewijn tijdens zijn historische onafhankelijkheidsspeech de mantel had uitgeveegd, behoort tot een van de meest onzindelijke pagina’s van onze vaderlandse geschiedenis. Socioloog Ludo De Witte heeft in 1999 onweerlegbaar de betrokkenheid aangetoond van de toenmalige regering Eyskens én van het Koninklijk Hof. Door de deining die de studie veroorzaakte, zag de regering Verhofstadt zich in 2002 verplicht om haar excuses aan te bieden aan de familie Lumumba, en daar bovenop een ,,Stichting Patrice Lumumba”  te financieren, die moest bijdragen tot de “democratische ontwikkeling” van Congo.

Oordeel zelf of het hier gaat om oprechte spijtbetuigingen, dan wel om het cynisme van de macht, en manoeuvres om zich op een gemakkelijke manier van een ongemakkelijk verleden te ontdoen. Terecht eisen de zonen van de doodgemartelde en in zwavelzuur opgeloste Lumumba een proces tegen de Belgische staat. Maar ook z’n juridische afwikkeling is op zijn best niet meer dan een gemediatiseerd biechtverhaal en een schuldbekentenis, gevolgd door een penitentie. Case closed.

 

Opheldering

Schuld is een juridisch begrip, maar schuldbewustzijn is bij uitstek een morele categorie die elk individu afzonderlijk aangaat. Met de notie “collectieve schuld” moet met zorg omgesprongen worden. Persoonlijk voel ik me niet aangesproken in de zaak Lumumba, ik was toen zes jaar oud, en er waren sowieso maar een handvol burgers van dit koninkrijk op de hoogte. Ook de Holocaust is existentieel niet mijn zaak, premier Di Rupo hoeft niet in mijn naam te spreken. Mijn persoonlijke fouten (ik schreef bijna: “zonden”),- daar moet ik wél mee leven, in het besef dat het verleden niet zomaar ongedaan kan gemaakt worden met een beleefdheidsformule. 

Voor de rest is de wens om het verleden zich niét te laten herhalen, het ethisch fundament van de betere geschiedschrijving. De totale opheldering moet niet alleen schuldigen aanwijzen maar, veel meer nog, leugens ontmaskeren en mechanismen blootleggen.

Beter vandaag dan morgen, en hoe sneller de opheldering, des te meer kans hebben we om het verleden in te halen. Snelheid is zo belangrijk als grondigheid, zo leert ons Julian Assange.

 

Johan Sanctorum

Advertenties

6 Reacties op “De ondraaglijke lichtheid van excuses

  1. Matthias Storme

    In Doorbraak februari 2001 schreef ik:
    De excuus-cultuur.

    Excuses zijn in. Zoals met alles waarvan de hoeveelheid toeneemt, daalt dan ook de waarde ervan. En dat is er dan ook aan te merken. “Verontschuldigd” wordt wellicht het meest gebruikt als synoniem voor een afwezige die gemeld heeft dat hij niet komt, iemand die een uitnodiging om aanwezig te zijn niet kan beantwoorden. Men vraag de andere die afwezigheid niet kwalijk te nemen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat men zich schuldig voelt. O wee de andere die de afwezigheid wel kwalijk zou nemen; die zou zich pas eerst moeten verontschuldigen ! Daartegenover staat dan het welgemeende sorry, de spijt die men uitdrukt over eigen daad of nalatigheid, en de vergiffenis die gevraagd wordt aan diegene die eronder heeft geleden, of aan de Heer wiens gebod men heeft overtreden. Maar in de dagelijkse omgang is het excuus vaak juist de uitdrukking dat men helemaal geen spijt heeft, maar in tegendeel met iets doorgaat waarvan men vindt dat het helemaal niet kwalijk mag worden genomen : men zegt excuus omdat men zich gerechtigd voelt zo te handelen en de andere daar op een hoffelijke manier op wil wijzen. Excuses en verontschuldigingen zijn vandaag vooral vormen van beleefdheid. Dat valt nog des te meer op naarmate mensen “zich” verontschuldigen, in plaats van verontschuldiging te vragen. Zichzelf verontschuldigen is natuurlijk absurd. Dat doet geen afbreuk aan de diepe zin van een spijtbetuiging, berouw, een verzoek om vergeving van een individuele persoon voor een morele fout die hij/zij zou hebben gemaakt.

    Wat te denken van mensen die voor andermans daad verontschuldiging vragen ? Ik heb het niet over het verzoek om het de dader niet kwalijk te nemen. Dit is vaak heel zinvol : een derde kan allicht onpartijdiger aan diegene die zich verongelijkt voelen uitleggen dat de persoon die de daad heeft gesteld eigenlijk geen schuld treft. In een maatschappij waar de zuurtegraad blijkbaar hoog is, hebben we nood aan zulke mensen : mensen die de zure burger erop wijzen dat niet elk hoogstindividueel gevoel van verongelijkt zijn het recht geeft om anderen schuldig te achten, en die in die zin oproepen tot wederzijds begrip in plaats van wederzijdse beschuldigingen. Vicieuzer is het natuurlijk wanneer men voor iemand anders een verontschuldiging vraagt, niet om begrip voor die persoon te vragen, maar juist om de klager genoegdoening te geven en de betrokkene daarmee schuldig te verklaren. Dit heeft niets met een spijtbetuiging te maken, maar veeleer met een gezamenlijke beschuldiging van diegene die men beweert te verontschuldigen. En wat is de zin van mensen die voor zichzelf omwille van andermans daden excuses gaan aanbiedne of vragen ? Indien ze menen dat ze zelf fouten hebben begaan, die die daden mee hebben veroorzaakt, gaat het eigenlijk om een verontschuldiging voor eigen daad, die indien oprecht heel zinvol kan zijn. Leeg wordt het echter wanneer men zich op andermans kosten verontschuldigt, wanneer men de rekening daarvoor niet zelf betaalt, maar doorschuift naar mensen in wiens naam men zich verontschuldigt, die daar helemaal niet om gevraagd hebben.

    Zoals het zinloos is zichzelf te verontschuldigen, is het hypocriet om van een ander excuses te vragen indien men niet daadwerkelijk bereid is om die vraag ook te beantwoorden, d.i. om te vergeven. En iemands fouten vergeven houdt natuurlijk ook in dat men na aanvaarding van excuses niet nog eens de rekening presenteert, een vergoeding vraagt. Is dat niet het geval, gaat het niet meer om een oproep tot vergeving vragen en geven, maar om morele chantage. Men kan het een schadelijder niet kwalijk nemen dat hij de vergoeding vragat waarop hij recht heeft, maar wel dat dit ingekleed wordt in een gespeelde verzoeningsgezindheid die er niet is. De ergste vormen van die chantage vinden we waar van mensen excuses worden geëist, niet voor hun eigen fouten, maar die van anderen. Natuurlijk moeten we wél respect hebben voor mensen die vinden dat ze de morele last van andermans fouten (voorouders bv.) op zich moeten laden. Maar niemand kan daartoe worden verplicht. Hooguit kan juridisch iemand gehouden zijn de schulden te betalen van een erfgoed waarvan hij ook de baten opvordert. Maar een morele schuld is dat nooit. Evenmin bestaat er een collectieve schuld – ook op collectief vlak bestaat er hoogstend de verantwoordelijkheid om de baten die men uit historische gebeurtenissen haalt vooreerst te gebruiken voor de reële slachtoffers ervan.

    Dat alles is iets heel anders dan de excuus-cultuur van vandaag. En dan heb ik het nog niet overexcuses die historisch totaal naast de kwestie zijn. Wie Verhofstadt in Kigali heeft gehoord zou warempel gaan denken dat het ging om Belgische blanke paras die zwarte Hutus hadden vermoord. Terwijl het veel zinvoller was geweest om de werkelijke wandaden van de Coburgse en Belgische uitbuiting van Afrika goed te maken door diegene die daarmee winst hebben gemaakt te verplichten deze ten bate van Afrika aan te wenden. Ook in Vlaanderen hoort men excuus-verhalen winsten die er blijkbaar allemaal op neer komen dat omgekeerd zwarte Vlamingen aan de lopende band witte Walen zouden hebben vermoord. Ook hier worden begrippen als excuses op de eerste plaats van hun eigenlijke betekenis afgewend. Maar dat nader toelichten vergt misschien meer dan een column.

    Matthias E. Storme

    • Bart Van Stappen

      Matthias Storme schrijft: “Excuses en verontschuldigingen zijn vandaag vooral vormen van beleefdheid.” Dat woordje ‘beleefdheid’ lijkt me in hetzelfde bedje ziek. Het betekent helemaal dat het be-, laat staan doorleefd is.

      Het is hoffelijkheid. Het past in de onechtheid, in de berekenende, zelfophemelende gluiperige achterbaksheid van een Hofcultuur.

  2. Schuldgevoelens hebben maar zin als je echt direct medeplichtig bent aan een wandaad en/of indien je van de vruchten geniet (via een erfdeel) van iets dat je voorouders onterecht (via diefstal) verworven hebben en waarover je – dan terecht – ‘ongemakkelijke gevoelens’ hebt. “Doe er wat aan”, zou ik zeggen, en tracht de schuld ergens af te lossen door :
    1° het wangedrag eerst te stoppen (en dat niet blijvend te cultiveren : dat is trouwens iets dat al te vaak met de ‘katholieke biecht’ gebeurt) want dan is een spijtbetuiging niet welgemeend;
    2° inschikkelijk te zijn voor een schadevergoeding of door de schade zoveel mogelijk te herstellen (indien ze al herstelbaar is);
    3° gewillig te zijn in het ondergaan van de strafmaat en desnoods blijvend aan een soort ‘Redemption’ te doen en te aanvaarden wat je overkomt en niet teveel te morren (indien de schade onherstelbaar is)
    4° geheel filantropisch te worden of – voor de rest van je levensdagen – ‘goed te willen doen’ zonder er te worden voor erkend en nog minder te worden voor beloond…

    Strafrecht heeft meer een functie van genoegdoening naar de slachtoffers toe die wensen dat de dader ergens in hun verlaagde levenskwaliteit ‘solidair’ wordt. Soms wenst de goegemeente ook zulke ‘genoegdoening’ die evenwel nooit excessief mag worden.

    Herstelplicht en herstelrecht zouden hand in hand moeten gaan. Wie iets kapot maakt moet de opgelopen schade maar herstellen. In het geval de schade onherstelbaar is (zoals in een moordzaak) dan dient de dader – naast het ‘gestraft worden’ (=vermindering van de levenskwaliteit) – ook een ingesteldheid aan te kweken van blijvende tegemoetkoming of ‘schuldaflossing’ (lees : ‘boete’-doening)… In feite kan je niets meer doen dan dat.

    En schuldgevoelens hebben ook maar zin als je met volle bewustzijn én vol inzicht iets misdoet. Een persoon die met zijn wagen plots uitwijkt omdat een spookrijder een frontale botsing gaat teweegbrengen maar waarbij de spookrijder in de laatste fractie van een seconde inziet dat hij aan het spookrijden is en hierbij hetzelfde maneuver uithaalt als de tegenligger (die volgens de wet een ‘fout’ maakt met die uitwijking) treft geen ‘schuld’, ook al veroorzaakt dat finaal dodelijke verkeersslachtoffers. Niet elke mens die een ‘menselijke fout’ maakt dient een schuldgevoel te worden aangepraat. Dat is immers totaal zinloos. In ons voorgaande geval gaat het om een levensbehoudsREFLEX (=vluchtreactie) waarbij het begrip ‘fout’ zelfs niet op zijn plaats is. Maar hoevele mensen lopen met zulke aangepraatte schuldgevoelens rond?

    Finaal kwetsen mensen elkaar voortdurend, gewild of ongewild, omdat we in vele momenten ‘falen’.

    “Vergeving” is een levenskunst van de gekwetste aar de dader toe. Vergeving verlost ook grotendeels de gekwetste van immens chronische haat én chagrijnigheid die finaal nooit de onherstelbare schade goedmaakt. Het brengt de doden niet terug tot leven.

    Schuld, erkenning van de gemaakte fout, het betonen van oprechte spijt, het stopzetten van ideefixen die tot de gemaakte fouten geleid hebben, het op alle manieren willen goedmaken, het ondergaan van straf en van allerlei pesterijen (Redemption) of actief lijdzaam ‘boete doen’ en daarmee ‘genoegdoening verschaffen aan de gekwetsten’ en durven hopen op vergiffenis, verzoening en reconciliatie en dan samen verder leven en lerend uit de gemaakte fouten lijkt me de meest menselijke aanpak van menselijke wandaden.

    Het zou goed zijn om, naast het Holocaustmuseum, een museum in te richten i.v.m. alle misdaden tegen de menselijkheid (door welk land of partij of religie/levensbeschouwing deze ook werd gepleegd). Zo’n museum zal ons, mensen, doen inzien dat de zegswijze “de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet” van alle plaatsen en tijden is. NIEMAND GAAT VRIJUIT. Indien we zulks zouden beamen worden we allemaal ineens wat minder hypocriet.

    Hypocriet betekent “selectieve verontwaardiging” maar wordt als begrip vaak voor iets anders gebruikt waar het niet direct uitstaans mee heeft.

  3. Correctie/aanvulling : “En het begrip “schuldgevoelens” heeft maar zin als je met volle bewustzijn én vol inzicht én ook hierbij TOTAAL GEWILD iets misdoet, wat op zich resulteert in een “slecht geweten” dat je je leven lang moet meedragen.

  4. Men denkt de geschiedenis ongedaan te kunnen maken door excuses aan te bieden. De aboriginals die nu leven kunnen hopen dat de Australische regering zich rekenschap geeft van de houding van de voorgangers ten aanzien van de oorspronkelijke bewoners. Ook in de VSA en Canada blijft men zaken ophalen over de strijd tussen de indringers en de oorspronkelijke bewoners weten zich verloren, al hebben ze dan een groot voordeel met het uitbaten van casino’s.Maar dat is geen productieve laat staan een creatieve economie. Dronkenschap tiert welig.

    Ook de paus die zich verontschuldigt voor de houding tegenover de Joden, moet dan wel zeggen dat zijn voorgangers in de Middeleeuwen in Rome juist wel bescherming boden aan die bevolking. heeft geboden.

    De geschiedenis is wat ze is, kennis ervan kan zeer veel leren, maar nooit verhinderen dat we dezelfde fouten, of liever dat we fouten zouden maken die hoe verschillend ze ook lijken toch van dezelfde orde. Men kan Stalin en Hitler niet vergelijken, maar de gevolgen van hun daden waren wat aantal slachtoffers in beide regimes elk voorstellingsvermogen overstijgen. Vandaag zullen we geen racisme meer bedrijven of een ideologische afwijzing van mensen, bourgeois om maar iets te zeggen maar misschien zullen we op een andere manier mensen voortijdig naar de andere wereld helpen.

    Daarom moet niemand zich verontschuldigen in naam van Delwaide en al zeker niet in naam van de regering van toen, want die zat in Londen. Men kan zich als ambtsdrager nooit voor voorgangers verontschuldigen. Bijvoorbeeld is duidelijk – zoals Insa Meinen schreef – dat het Duitse ambtenaren waren die een groot aandeel hadden in de vervolging van Joden. Delwaide was welwillend, maar dat blijkt minder ter zake te hebben gedaan. Overigens, de “inlandse” joden konden gemakkelijker ontsnappen dan in Nederland of Frankrijk. Inlandse Joden, dat zijn families die al langer in België woonden en domiclie hadden. Vele waren overigens hoogst geseculariseerd.

    Het blijft me verbazen dat sommige inzichten maar geen ingang vinden.