Het boek en zijn aardbeismaak

Herfsttijd, boekenbeurstijd, de periodieke ovulatie van het edele schrijversgild voltrekt zich onder luid megafoongeschal. Op- en afzwellend geroezemoes, ritselende pagina’s, de geur van verse inkt, heroische debatten, rinkelende kassa’s, kwijlende senior writers op hun signeerstandjes, de stank van natte regenjassen. De plek waar lezen een genot en een kwelling is, een commercieel geïnduceerd orgasme én een bron van melancholie. Net op dat moment bekruipt me telkens weer de lust, als lezer én schrijver, tot een grootse boekenverbranding. Een reductio ad absurdum van heel deze afgeleide papierindustrie, de culturele bombast, de waanidee dat schrijvers ook maar iets zouden doen oplichten onder onze hersenpan. Waar komen die sakkerse letteren vandaan en waar dobberen ze heen? Is er leven buiten het boek, de schriftuur, de tekst?

Een poging tot tussenbalans van een langlopend project, deels al op het web gepubliceerd, onder de werktitel “Pleidooi voor ontlettering”. Met altijd de onderliggende ironie dat ook elke anti-tekst weer een tekst is…

Handel in emotionele goederen

Waar liggen al die boeken?

Op zaterdag 8 september 2012 verbrandde uitgever Harold Polis tijdens een boekvoorstelling een negatieve krantenrecensie over “De handel in emotionele goederen” van ene Maarten Inghels. Wellicht zonder het te beseffen gaf hij daarmee exact een inconveniente waarheid aan inzake de letteren en de literaire industrie: in se is het een papierkwestie. Er is de noodzaak van de uitgever om omzet te draaien, er zijn de belangen van drukkers en boekbinders, de boekhandelfederatie, de beurzen, het boek…en dan pas is er de tekst als, nu ja, vulmiddel. Schrijvers zijn gaatjesvullers. Zeer terecht werden ze in het revolutionaire Rusland van na 1917 bij de typografen gerangschikt.

Zo’n 20.000 titels verschijnen er per jaar in Vlaanderen: dat getal is nodig om de industrie draaiende te houden. Onterecht maken Peter Quaghebeur en Erwin Provoost, kersverse directeurs van WPG Uitgevers België, zich zorgen over deze papierberg (“Waar liggen al die boeken?”): boeken dienen immers gewoon niet om gelezen te worden, ze zijn er omdat ze er zijn, als afgewerkt product, als vulling voor de winkelrekken, en even later van de boekenkast in het salon.

“Schrijvers zijn gaatjesvullers. Zeer terecht werden ze in het revolutionaire Rusland van na 1917 bij de typografen gerangschikt.”

Edoch, telkens weer slaagt de literatuur, vooral bij het vallen van de blaren, er in om de zogenaamde meerwaarde van het papier in de verf te zetten. Wie niet leest zou dan arm van geest en achterlijk zijn, zich afsluiten van de beschaving. Die campagne moet periodiek herhaald worden, omdat mensen anders echt zouden doorhebben dat je met dat papier net zo goed de kachel kunt aansteken. Wat trouwens evenzeer geldt voor kranten en weekbladen. Romans en dichtbundels dragen daarom een parfum van zingeving, zoals men aardbeiensmaak aan yoghurt toevoegt. Ze zijn waardevol, aaibaar, diepzinnig, ze zeggen iets over de wereld, het leven, ons bestaan, en krijgen het karakter van een cultuurfetisj, waarmee je dus ook voodoo kan bedrijven, zoals uitgever Harold Polis onlangs deed. Zo ontstaat een mystiek huwelijk van cultuur en marketing, waarbij auteur én uitgever zich opblazen tot priesters van de goede smaak en bewaarengelen van de beschaving.

“Lijmen”: het boek als cultuurfetisj en massaproduct

Maar ach, vergeefs. De karikatuur die Willem Elsschot ons serveert in de figuur van Laarmans (“Lijmen”, 1924), oplichter, en uitgever van het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen, is bij mijn weten de meest geslaagde poging van een romancier zelf (!) om deze opblaasactie van de literaire massaproductie ten gronde te doorprikken. Laarmans verkoopt gewoon bedrukt papier aan al wie zo stom is om zijn praatjes te geloven: hij is op zijn eentje een complete metafoor voor de bellettrie en haar impertinentie. Het misverstand dat de roman een “drager” zou zijn van een boodschap, en dat heel de perifere industrie daarvan ten dienste staat, wordt hier genadeloos de grond ingeboord. Een uniek iconoclastisch document,- een goed lezer kokhalst halverwege en gooit dit boek bij het oud papier.

Het is een grote verdienste van de moderne marketingleer, dat hij deze Elsschotiaanse bodem van het boek ook ongegeneerd demonstreert, en elke schrijver degradeert tot typograaf. De objectieve concurrentiepositie van alle beroepsintellectuelen, zich richtend tot eenzelfde universum van “meerwaardezoekers”, herleidt hen tot hun ware gedaante van brullende marktkramers die elkaar willen overstemmen.

“Veel van het zogenaamde rebelse en eigenzinnige in kunst en literatuur is tot ordinair haantjesgedrag te herleiden, in naam van de zelfpromotie.”

En of er hard geroepen wordt. Een literair product vergt nu eenmaal dezelfde publicitaire opvolging als andere massaproducten, zoals een wasmiddel of een i-Phone. Ook de tijd en het budget van de cultuurconsument zijn eindig, er moet dus gevochten worden voor marktaandeel. En dat gevecht wordt in hoge mate aanschouwelijk op boekenbeurzen. Wie boek A leest, kiest niét voor boek B. In die optiek zijn alle kunstenaars en letterkundigen elkaars rivalen, ook al willen ze wel eens corporatistisch samenklitten in Pen-clubs e.a. Vandaar ook hun permanente bekommernis om als iconisch figuur en “opiniemaker” te worden behandeld. Hun ethische weldenkendheid, cultuurpedagogische intenties, persoonlijke ijdelheid, én hun commerciële besognes (velen hebben vandaag een eenmansvennootschap) vloeien samen in één communicatietechnische logica van het intellectuele handelsmerk.

Dus wordt de auteur een geregistreerd merk, onder het motto “Lees mij, ik ben beter”. Dat leidt soms tot vermakelijke toestanden. In Nederland zijn de concurrentiële vetes tussen schrijvers gaan behoren tot het literaire theater zelf, denk bv. aan het gehakketak tussen A.F.Th. van der Heijden en Arnon Grunberg. Veel van het zogenaamde rebelse en “eigenzinnige” in kunst en literatuur is tot dit haantjesgedrag te herleiden. Dikwijls is de aanleiding een onderscheiding of een prijs die onderling betwist wordt,- logisch, want de verkoop hangt er in hoge mate van af. Onder alle polemische hoogstandjes voelt men de broodnijd binnen een markt die de heren gedoemd zijn om te delen. En wie helemaal niet blaft of bijt, verdwijnt in het grijs.

Fahrenheit 451

Uiteraard legt dat een enorme druk op hun productiviteit, een (zelf)dwang die het aangeboren Narcisme van de beroepsintellectueel nog aanwakkert, en waardoor we steeds meer een déjà-lu gevoel krijgen. Sufte en hoofdpijn na het lezen. Elk jaar moet de schrijver zijn roman afleveren, als een marktvers product waarvan de lectuur als een sociale plicht wordt voorgesteld. De dwang aan de productiezijde leidt als vanzelf tot een dwang aan de consumptiezijde, en vice-versa,- ook dat is elementaire marktlogica. Wie Congo van David van Reybrouck niet gelezen heeft, of niet minstens doet alsof, is een marginale Johny.

Of kijk wat Mai Spijkers, baas van uitgeverij Prometheus, in De Volkskrant zegt over de “Vijftig tinten”-trilogie van E. L. James, dé literaire hype van 2012 waarvan hij de vertaalrechten binnenhaalde: “Iedereen wil het lezen, omdat iedereen het leest”. Einde citaat. Alleen jammer dat daarvoor bomen moeten sneuvelen,- uiteindelijk is het boek etymologisch een dode en versneden beuk. En door de bomen zien we het bos niet meer.

“Boeken zijn wel degelijk nuttig, als men ze kan herleiden tot hun calorische waarde van brandstof, in tijden van nood.”

In het licht van deze verdwazing zijn boekenverbrandingen dus nog zo dom niet, en alleszins mogen ze niet gelijk gesteld worden met distopische toestanden in fascistische regimes, zoals het verfilmde boek “Fahrenheit 451” (1953) van Ray Bradbury hardnekkig doet. Het kunnen daarentegen statements zijn tegen het literaire consumentisme en de commercieel gefokte leesdwang. Een statement tenslotte tegen een cultuur van het schrift zelf, de talloze bijbels die voorschrijven hoe we moeten leven of hoe we een soufflé moeten maken, duizelingwekkende wetteksten die niemand kent of begrijpt maar die toch ons bestaan beheersen, de academische sterrenwichelarij, de terreur van de voetnoten, de mythe van het intellectueel eigendom en het copyright. Enzoverder. Het boek is een symptoom van een decadente beschaving waarin het woord een haast puur manipulatieve betekenis heeft.

Doch opgelet. Boeken zijn wel degelijk nuttig, als men ze kan herleiden tot hun fysieke realiteit. Ik denk dan uiteraard aan hun calorische waarde van brandstof in tijden van nood. Mijn betreurde vriendin Kaat Tilley gebruikte ze als opvulling van gebarsten muren in haar boerderij. En in menig Vlaamse huiskamer staat een welgevulde bibliotheek met nooit geopende boekvolumes, door Laarmans aangeleverde encyclopedieën, of zelfs luxueus gekafte dummies, gewoon ter decoratie. Een rechtvaardige kiloprijs dringt zich op, ook in de literatuur, en maakt alle recensies overbodig.

Johan Sanctorum

“Fahrenheit 451”: Lees het hele essay over ontlettering

Advertenties

6 Reacties op “Het boek en zijn aardbeismaak

  1. Wat leesdwang en zo aangaat, dat vind ik wel juiste observaties. De hele heisa rond enkele titels, elk jaar weer, internationaal met Harry P.otter, maar in Vlaanderen enerzijds en Nederlands enkele coryfeeën, het smaakt mierzoet. hoe minder aandacht men globaal in een blad of krant, op radio of televisie men besteedt aan boeken, des te erger is het geschreeuw in de megafoon.
    Het gesprek onder lezers kan best fijn zijn, eens ze hebben afgeleerd te spreken over het beste boek ooit. Deze ochtend vertelde iemand, diezelfde auteur van een handeltje in emotionele waarden bij P. Donné dat De Steppenwolf wel goed was maar de rest niet veel soeps. Je kan, als je Peter Camenzind zo rond je 20ste eelst er wel enige verwantschap mee voelen, die later geneert, nog later wordt het wel een boek waarin het mensworden wel mooi in de kijker komt. Men noemt Hesse nu passé, maar als men het niet leest en alleen op enkele uitspraken afgaat, valt het makkelijk hem weg te zetten. Het Kralenspel gaat over de steriele beleving van kunsten en wetenschappen, waarbij de vormen vereert worden, maar niet gebeuren, de ervaring zelf van het lezen.
    Het komt me voor dat Johan Sanctorum met zijn kritiek op het boekenfestijn zeker aandacht verdient, omdat de marketeers van Boek.be de lezer voortdurend irriteren met hun dwingende aanspraak op goede informatie.
    De boeken die ertoe vindt men niet, denk ik, in de brede Media in Vlaanderen. Soms gaat het om oude boeken, soms om brandnieuwe, want het is het lezen zelf, zonder dwang van de publieke opinie die bepaalt wat een boek kan doen. Recensies in Vlaanderen vallen dik tegen en de kouwe drukte al evenzeer. ik vrees dat de schrijvers van deze tijd door het recensentendom niet geholpen worden. Daarom kan ik het iconoclasme van Sanctorum wel volgen. Maar dat kans dat er toch pareltjes in de kast terecht komen, zoals van José Saramgo of Carlos de Andrade Drummond, maar dat vind je al in mnder salons, helaas.
    De ontlezing die we hier aangeprezen zien, wil ik wel ondersteunen omdat het misfit klonen zijn van Laarmans die ons opsolferen met boeken waarvan de waarde snel vergeten wordt. Een boek als “Het wereldbeeld van de wetenschappen” of “Requiem voor Newton” kan men zonder gevaar van Laarmansiaanse overacting best verkopen. En overigens, de vrijzinnige Elsschot maakte een huldeboek voor Kardinaal Mercier en gaf het posthuum ook nog eens uit. Dat is pas adequaat omgaan met de markt.

  2. Het zou inderdaad logisch zijn dat er boeken verkocht worden met aardbeismaak, kersen-, ananas, enzovoort. Vooral omdat boeken lezen toch met goede smaak geassocieerd wordt!
    Maar ik kan de auteur volgen: er worden veel te veel boeken gedrukt, en als je de cultuurbijlagen van de Standaard leest, zou je wel niets anders moeten doen dan die eindeloze turven verslinden. Alleen… ontlettering, ik huiver er een beetje van, misschien ben ik er nog niet klaar voor? Of ben ik niet blond en niet dom genoeg (zie de laatste alina van Sanctorums toch wel indrukwekkend essay).

  3. Eric Janssens

    Het probleem is dat je door de overproductie doorheen het bos de bomen niet meer ziet. 99% van de zogenaamde literaire werken is inderdaad waardeloos, louter economisch voorwerp met als enige bestaansreden de productie aan de gang te houden. Sanctorum geeft zelf een titel van Elsschot aan als voorbeeld van uitzondering. Een goede roman kleedt de werkelijkheid, of tenminste een bepaalde culturele werkelijkheid, uit zodat de lezer begint te begrijpen hoe die werkelijkheid functioneert, welke machinaties werkzaam zijn, zodat hij zijn naïviteit erbij inschiet. Brusselmans heeft dat volgens mij in de Guggenheimer-trilogie vrij goed gedaan voor wat betreft het patserige televisie- en uitgeverswereldje. Eerlijk gezegd heb ik harder om Guggenheimer dan om Laarmans gelachen, en ik ben Antwerpenaar, dat wilt wat zeggen :-). Ik wacht verder op de geboorte van een literair genie dat de Europese politieke geschiedenis van de laatste vijftig jaren in een roman comprimeert. Die verwachting maakt, naar ik vrees, geen enkele kans, vermits de meeste literatoren zich gedragen als lakeien van het establishment, die bij tijd en wijle met één of andere ‘belangrijke’ prijs beloond worden voor hun volgehouden prestatie (nietwaar, meneer Lanoye?) geheel ongevaarlijk te zijn voor de heersende macht. De literator heeft het stampen tegen heilige huisjes (en die bestaan, vooral in linkse salons) braafjes afgeleerd. Iedere avond legt hij de decoratie voor zijn progressieve welgezindheid tevreden op zijn nachttafeltje. Ook dat literaire wereldje van ons-kent-ons (‘en we zijn allemaal sympathieke knakkers’) verdient het om eens onder een genadeloos licht in haar blootje gezet te worden. Houd de braakzakjes dan wel bij de hand, een mooi spektakel zal het niet worden!

  4. marctiefenthal

    Gooit die Sanctorum dit toch niet op mijn tijdlijn, zeker. A. Harold Polis, deze beminnelijke poetinlijkende man die het tot uitgever schopt en daarna tot papierverbrander. Inderdaad, opmerkelijk. B. Ik ben weliswaar marginaal maar geen Johny. Ik beken het boek Congo alsnog niet te hebben gelezen. In de marge waarin ik aldus beland, ben ik – nu pas, ik jen ze de uitgevers – het Parfum van P. Sûskind aan het lezen. Iemand nog iets gehoord van Sûskind? Al goed ook, dit is nog eens een boek zeg. Maar zeg het niet te luid. De schrijver leeft teruggetrokken ergens in Zuid-Frankrijk. Hoeft niets meer. Kijk, zo hoort het. Eigenljk is het parfum een boek dat niet had mogen worden geschreven laat staan gelezen.
    De boekenbuers? Ik ga daar al jaren niet meer naar toe.

  5. Johny-von-Marina

    WENN DE BLÄTTER TREIBEN …

    Herbsttag (R M Rilke) – examenstof les Duits, IVe Moderne Humaniora, anno +- 1966.

    eine späte Eindruck …

    https://picasaweb.google.com/geggermont/HERBSTTAGRMRILKE?authuser=0&authkey=Gv1sRgCKzU5o-w6v_jYA&feat=directlink

  6. Je moet het maar doen. Ons 16 pagina’s laten lezen om tot de vaststelling te komen dat we het eigenlijk niet hadden moeten doen.
    Gelezen, gelachen en instemmend geknikt. Of de haard lang gaat branden met mijn afgedrukte exemplaar van dit essay is natuurlijk nog maar de vraag.