Fuck the open-debat-cultuur!

DiogenesOnlangs nodigde dichter-filosoof Martinus Benders me uit voor een polemiek rond “het boek”. Hij als bibliofiel, ik als boekenverbrander. Het beloofde een spetterend internetdebat te worden. In werkelijkheid was de discussie al uit voor ze begonnen was, omdat we wellicht beiden beseften dat de waarheid, hoe onvindbaar ook, alleszins niet in het midden ligt.

Ja, Benders heeft een punt: het boek is een baken van de beschaving, de bibliotheek is ons geheugen. En ja, meer dan ooit ben ik ervan overtuigd: het boekenwezen is verdord tot marktgestuurde papeterie,- een onomkeerbare degradatie. Erger nog: de tekst zelf is corrupt,- een even onherstelbaar gegeven.

Hebben we alle twee gelijk? Zijn we beiden ellendige doordrammers? Misschien wel. Maar een confrontatie van beide visies schijnt niets op te leveren, behalve een etalage van standpunten. Denk vooral ook niet dat het aan “de context” ligt, alsof we elk op onze manier gelijk hebben. Neen, de klucht is net dat we tamelijk dezelfde culturele context delen, en in dezelfde semantische vijver vissen.

Solide meningen staan dus op zichzelf, de polemiek is van nature een dovemansgesprek. Waartoe dan nog een debat organiseren? Het antwoord is politiek: het debat is een exorcistisch ritueel, in dienst van een centrumideologie.

Democratie en entropie

Eind de jaren ’90 kondigde Guy Verhofstadt in België triomfantelijk (dat deed hij met alles) de “open debat cultuur” aan: eindelijk zouden de grote maatschVerhofstadtappelijke thema’s en plein public, voor en door iedereen, bediscussieerd worden. Alle opinies mochten aan bod komen binnen één megaforum, dat uiteraard door Verhofstadt himself en zijn VLD zou gemodereerd worden. De media sprongen er verlekkerd op, en zijn vandaag nog altijd niet bekomen van de hype, temeer omdat de discussies op de internetfora, Facebook, Twitter enz. hen opjagen. Wat niemand toen in de algehele euforie begreep, was dat Verhofstadt daarmee de democratie herleidde tot een pruttelpot van meningen, waar de politieke macht zelf eigenlijk bovenstaat.

Dat heel het idee was ingefluisterd door reclamemaker Noël Slangen, had nochtans al de ogen kunnen openen: de enige bedoeling van het groot burgerdebat was, om de partijpolitieke markt te ontideologiseren, waarna de zegevierende VLD de beheerder zou worden van een uitgedijd centrum, in een permanente staat van logorrhee verkerend. Het groot publiek debat was als het ware de muzikale resonantie van de al even hyperkinetische actieve welvaartstaat, een vehikel, aangedreven door het monsterverbond van liberalen en socialisten, die beide uiteraard hun kernmissie dienden te verzaken. Het liberalisme werd wat socialer, het socialisme wat liberaler, het debat zelf kon alleen nog gaan over akkefietjes.

Paars werd dé modekleur, communicatie was het toverwoord. In werkelijkheid ging het om een georganiseerde entropie, een karikatuur van de democratie, waar opinies bij voorbaat gedoemd zijn om met hun tegendeel een koppel te vormen, zodat alles zich in het midden afspeelt.

Niets deed dan inhoudelijk nog ter zake,- het ging meer om een algemene publieke bezigheidsterapie, een eindeloze praatcultuur die de geesten murw maakte en een griezelig soort politieke correctheid opleverde. Vooral links is met open ogen in die valstrik getuimeld.

Vanaf dan werden “extremisme” , “fundamentalisme” en “radicalisme” scheldwoorden. Ze behoorden tot een haast criminele of pathologische sfeer, net omdat ze in het debat niet wilden opgaan en visies verdedigden die fundamenteel onverenigbaar en onuitwisselbaar waren met andere visies. Zo’n gespleten samenleving moest, dachten Slangen en Verhofstadt, koste wat kost vermeden worden, want mensen met een overtuiging zijn maniakaal, autistisch, onmanipuleerbaar, en nooit te winnen voor een “brede volkspartij” die het centrum controleert.

Achteraf is de Verhofstadt-periode één groot malgoverno gebleken, een theatraal-Machiavellisch vertoon dat puur op peptalk en gebakken lucht dreef, en dit ook kon volhouden dankzij de toenmalige economische hoogconjunctuur. In 2004 kreeg de VLD de rekening gepresenteerd: een electorale mokerslag, en een kwart van de Vlaamse kiezers dat voor een “extremistische” partij stemde, te weten het Vlaams Belang.

Retorica, retorica!

abuimranExit Verhofstadt, maar de open-debatcultuur is blijven voortsudderen, vooral omdat het copij voor de media oplevert. Het Belgisch compromis bestaat dan ook enkel nog in de hoofden van politici en journalisten. Politiek als water-in-de-wijn, de kunst van het haalbare. Terwijl net de polarisering de plek is waar echt nog iets te beleven valt. De vlot kabbelende TV-gesprekjes doen ons geeuwen, het zijn de solo-redenaars die nagels met koppen slaan, aan beide uiterste kanten van het spectrum.

Het meest zinnige debat dat ik ooit heb meegemaakt, kon je nauwelijks een debat noemen. Het was een van de weinige rechtstreekse confrontaties tussen de moslimextremist Fouad Belkacem alias Abu Imran, stichter-woordvoerder van Sharia4Belgium, en Vlaam Belang-voorman Filip Dewinter (Res Publica, Hoboken/Antwerpen, 29/9/2011). Alle twee hielden ze eigenlijk een speech voor hun opgetrommelde aanhang. Geen van beiden had de illusie om de tegenpartij te overtuigen. Moderator Bart Brinckman zat er voor lul, herhaaldelijk liep het compleet uit de hand en raakten de twee X-sides bijna slaags.

Net daardoor had men het gevoel dat hier een wezenlijke, fundamentele tegenstelling opborrelde,- een tegenstelling die een cultuurclash verraadde. Kan een debat meer geven dan dit? Ik denk het niet. De tegenstelling was zo groot, dat geen enkele retorische truc er nog iets toe deed. Misschien was het zelfs goede televisie geweest, ware het niet dat beide sprekers –niet toevallig- quasi beeldbuisverbannen zijn.

Niemand van het publiek, zelfs de meest gematigde niet, geloofde ook maar één moment dat hier een vergelijk, een “compromis” in de lucht hing. Terwijl het geheel waarheid uitademde,- maar dan niet de conclusieve waarheid van de debatcultuur, doch de gepolariseerde dubbele waarheid waarbij onvermijdelijk een kant moet gekozen worden. Tot mijn opluchting werden er ook géén handjes geschud nadien. Net daardoor werd dit evenement nadien, bizar genoeg, door de TV-verslaggeving als een non-debat gekwalificeerd: het miste alle normen van gematigdheid.

Kunnen toegeven is sociaal een deugd, geven-en-nemen kan beide partijen tot voordeel strekken,-maar filosofische (en dus ook religieuze of ideologische) visies zijn niet verdunbaar. Een ondraaglijke realiteit voor de media…

De premissen van het debat deugen dus niet. Enerzijds drijft het op de illusie dat een gefilterd mengsel van twee meningen een betere mening oplevert. Paars leverde het bewijs van het tegendeel. Anderzijds, erger nog, gaat het debat ervan uit dat goede sprekers ook het gelijk aan hun kant hebben, quod non. De ellendigste stotteraar of literaire miskleun kan intrinsiek een punt hebben dat er niet uit komt. Wellicht zit de geschiedenis vol van dit soort stoethaspels die wel gelijk hadden maar het niet kregen.

Het is o.m. een fataal misverstand in de rechtspraak, waar getalenteerde advocaten het opgaan van de zon kunnen loochenen en de onschuld van hun cliënt kunnen “bewijzen”, terwijl ze alleen maar hun eigen retorisch talent demonstreren. Politici krijgen dan weer speciale “mediatraining” om elkaar plat te lullen, in de wetenschap dat ze wezenlijk toch niets te vertellen hebben.

De klassieke filosofie was zich terdege bewust van het probleem. Terwijl de sofisten zich vooral toelegden op de retorica, de kunst van het overtuigen om een debat op punten te winnen, ging Plato in zijn dialectiek vooral op zoek naar fundering en architectuur van een gedachte, via gefingeerde dialogen waarvan de uitkomst bij voorbaat eigenlijk vast stond.

De dialoog speelt zich in Plato’s hoofd af, tussen twee hersenhelften. Eens ze naar buiten treedt, in de wereld komt als concrete tegenstelling, verschroeit ze tot conflict, of ondergaat de entropie van het vergelijk, het compromis. Personen kunnen wel toegeven of inbinden, maar visies kunnen zich niet vermengen, tenzij men ze desintegreert. Het is dus kwestie om voet-bij-stuk te houden.

In wezen was Plato een fundamentalist, die de open-debat-cultuur als een nihilistisch tijdverdrijf zag. Zijn leerling Aristoteles zou vergeefs proberen om de twee (retorische overredingskracht en ideëel waarheidsonderzoek) te verzoenen, wat de latere kerkvaders goed zou uitkomen. Vergeefs: het kerkelijk recht eindigde in de inquisitie die behalve eenzame vrouwen en verwarde mannen, ook varkens en ezels op hun retorisch talent zou testen. De entropie is alomtegenwoordig in de politiek, de ellendige staat van de democratie is er het beste bewijs van.

Eros

PanKort, zéér kort door de bocht weer, Sanctorum. Terug naar het groot polemisch forum.

Honderden debatten heb ik erop zitten, nu is het eindelijk uit. Het applaus bij goed gemikte one-liners, het gegniffel bij uitschuivers, het tackelen van tegenstanders en het bestudeerd slijmen om hun stelling te ondergraven, het haantjesgedrag (ook al gemerkt hoe “slecht” vrouwen debatteren?),- ik heb het nu wel gehad.

Zowel het enerzijds/anderzijds-idealisme van de “waarheid die in het midden ligt”, als de praatbarak, eindigend in het nihilisme van het centrum: het is mijn innigste overtuiging dat intellectuelen er zich ver van moeten houden, ook al gonst in de academische wereld, de media, de cultuurscène, nog altijd de begeerte om ideeën meetbaar en vergelijkbaar te maken.

De verwarring tussen onderhandelingslogica (in de politieke democratie nuttig, in de vrije markt een evidentie) en de inhoudelijke confrontatie van ideeën, is nefast voor die ideeën zelf. De meeste media, kranten, maar vooral ook televisieformats, slagen er niet in om die twee te onderscheiden: elk debat is voor hen een negociatie tussen opinies. Kunnen toegeven is sociaal een deugd, geven-en-nemen kan beide partijen tot voordeel strekken,- maar filosofische (en dus ook religieuze of ideologische) visies zijn niet verdunbaar. Men kan over alles marchanderen, maar niet over de waarheid. Over inhoud valt er dus eigenlijk niet te argumenteren, de inhoud is wat ze is, ze kan hooguit geëxposeerd worden. In echte botsingen en slaande ruzies drijft de inhoud boven, maar altijd als een polariteit, een ontdubbelde waarheid. De verzoening is een sociaal-pragmatisch gebeuren die geen enkele opheldering verschaft, maar mogelijk het adrenalinepeil doet zakken en een happy end suggereert, wat op zich een edele betrachting is.

Het is mijn innigste overtuiging dat intellectuelen zich ver van de praatbarakken moeten houden, ook al gonst in de academische wereld, de media, op de cultuurscène, nog altijd de begeerte om ideeën meetbaar en vergelijkbaar te maken.

Sprak ik over de formele onmogelijkheid van de dialoog? Op één punt droomt Plato zich nochtans het onmogelijke, namelijk in zijn filosofie van de Eros, zoals Leopold Flam (1912-1995) ze ontwikkelde: ergens, in een punt omega, zouden de tegengestelden toch kunnen fusioneren zonder elkaar te neutraliseren. De Eros dus, niet te verwarren met erotiek of seks, want daar gaat het om pragmatische perspectieven rond drift en voortplanting, de paring als negociatie, de retorica van het verleiden. Neen, de Eros, met hoofdletter, die via een dubbele, wederzijdse inwijding de polen opheft en hen omsluit in een hogere waarheid, die niet meer zegbaar is met woorden.

Bestaat niet, denkt U? Natuurlijk niet, de Platonische liefde is een fata morgana. Telkens weer wordt ze lichamelijk, verbaal, manipulatief, “politiek”, en spelen de hormonen op, zoals het gefriemel van Pan aan Aphrodite goed laat zien (zie afb., met Eros in een figurantenrol). Ook de liefde is een vergelijk, een uitwisseling, een onderhandeling, bezegeld met een akkoord, als het mannetje tenminste het gaatje vindt,- wat meteen de diepere betekenis van de titel van deze column onthult.

Daarom dreven Tristan en Isolde naar de liefdesdood: om te beletten dat hun dialoog zou eindigen in een debat en daarna een copulatie, en nog verder misschien een trouwpartij. Dan inderdaad nog liever dood, Schopenhauer komt even om het hoekje kijken.

Het pessimisme rond de debatcultuur bevat zowaar een mystieke kern, die alleen het Nirwana accepteert als uitkomst van de tweeheid, niets minder. Overeenkomstig mijn respect voor de tegenstander laat ik dus het water zo diep mogelijk. Ik ben ik niet van plan om met Martijn Benders in bed te kruipen, noch zal onze verbintenis vrucht dragen. Tot zover de nuttige vriendschappen, de symbiose, de netwerken.

Niet alles is mediatiseerbaar, of hoeft dat te zijn. In het tumult van de meningen wordt het zowaar een uitdaging om te zwijgen.

Advertenties

7 Reacties op “Fuck the open-debat-cultuur!

  1. Zeer sterke tekst, Johan, heel fijn. Alleen dit: je beseft zelf ook goed dat je tegenstelling boekenlover-boekenbanner een artificiële tegenstelling is: ook jij kan je heel goed verplaatsen in het standpunt van de boekenlover. Waarmee ik wil zeggen dat ‘die fundamentalistische’ waarheid waar jij het over hebt toch ook eigenlijk helemaal zo zuiver niet is… Jouw slopershouding inzake het boek is evenveel reactie als de omgekeerde houding: in andere tijden had je het boek vast heilig verdedigd… Maar dat weet je zelf ook. x

  2. ps: Ik schreef enige tijd terug een tekstje over retoriek. Het maakte deel uit van een roman (:), dus niet alle verwijzingen zullen duidelijk zijn, maar goed… Het tekstje werd trouwens uiteindelijk uit de roman geschrapt…

    “Retoriek. Naar aanleiding van mijn twee grootmoeders heb ik daar tamelijk veel over nagedacht — waar ik natuurlijk niet alleen in ben. Het evangelie van Johannes bijvoorbeeld begint ermee. In den beginne was het woord en het woord was bij God. Maar was het woord in het begin bij God, elders in de bijbel kunnen we lezen dat het daar alvast niet erg lang bleef. Benieuwd welke namen Zijn nieuwste creatuur aan ‘alle dieren op het land en alle vogels van de lucht’ zou geven, bedeelde God ook de mens met de macht der retoriek. ‘Zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten,’ leert het tweede hoofdstuk van Genesis. Dankzij de macht van het benoemen torent de mens, als een minigodje, boven de rest van de schepping uit. Hij heeft een klein toverstafje in handen waarmee hij de dingen kan aanwijzen en de wereld kan structureren. Dat daar is een zonnebloem (met of zonder tussen-n?). En dat oranje, ronde ding is een sinaasappel (of is het appelsien?). Maar wie naar iets wijst, wijst natuurlijk ook indirect naar zichzelf. En vandaar mijn vraag of de mens met het betoveren van de wereld niet ook zichzelf een beetje heeft betoverd.
    Een klein voorbeeld. Een alarmerend aantal mensen tegenwoordig verkondigt te pas en te onpas dat er twee soorten van mensen bestaan, personen mét en personen zonder x, waarbij x eender wat kan zijn, van het dragen van witte sokken tot het snakken naar anale seks. Ik zeg maar wat, want dat is net het punt: het draait niet om x, maar om de verkondiger zelf. De verkondiger wéét. De verkondiger verkondigt. Een doorzichtig foefje, en toch stijgt het aantal verkondigers deze dagen zo onrustwekkend snel dat er binnenkort wel eens echt twee soorten van mensen zouden kunnen bestaan, zij die graag stellen dat er twee soorten van mensen bestaan, en zij die dat niet doen. Zij dus die van retoriek houden en zichzelf graag horen spreken, en de anderen. Of dus, zij die van zichzelf houden, en zij die dat niet doen.
    En kijk, daar heb je meteen al een probleem. Want kan het ook niet omgekeerd zijn? Is het niet mogelijk dat diegenen die graag retoriek aanwenden dat net doen omdat ze die retoriek nodig hebben om van zichzelf te houden? Is het gepolijste woord inderdaad niet vooral bedoeld om de retoricus zelf te overtuigen, daar waar het andere type mens ook zonder blabla zichzelf graag kan zien? Waarmee ik maar wil zeggen: retoriek kan bedrieglijk zijn, met haar duivelse tweedelingen. De wereld is niet wit of zwart, zij is grijs. Wat u ook al wel eens hoorde natuurlijk. Ook ik ontsnap niet aan de macht van de retoriek — al weet ik zelf niet goed of dat het gevolg is van een gezonde dosis zelfliefde of net het gebrek daaraan.
    Tweedelingen zijn dus problematisch. Toch valt er soms ook heel wat voor te zeggen. Zoals in het geval van mijn grootmoeders. Enerzijds is er mijn theatrale grootmoeder, voor wie de wereld één groot podium is, en anderzijds is er mijn stille grootmoeder, die je als toeschouwster nauwelijks een keer hoort kuchen — een tegenstelling die het scherpst tot uiting komt in hun verschillende verhouding tot de dood. Voor de ene grootmoeder gold de dood als een dramatisch hoogtepunt waarvoor de spanningsboog niet vroeg genoeg kon worden ingezet, terwijl voor de andere grootmoeder de dood slechts aanleiding was tot een schaamtevolle blos, alsof de dood alleen maar nam wat in de eerste plaats nooit gegeven had moeten worden. Aan de ene kant de diva die met een dolk in het hart nog drie aria’s aanheft, met gevoel voor timing door de knieën gaat, het hand naar de borst brengt en dan met een smartelijke blik op oneindig — dat wil zeggen: het publiek — ste-eeeeeeeeee-erft. Aan de andere kant een tribunestoeltje dat voorzichtig wordt dichtgevouwen en twee bleke voeten die als muizen over het tapijt schuiven, op weg naar de spleet onder de zware achterdeur. En terwijl binnen het applaus losbarst en de lichten aangaan, klapt er buiten een paraplu open waaronder een anonieme gestalte probeert op te gaan in de nacht — de paraplu misschien toch een kleine zucht naar theatraliteit verradend want regenen doet het nauwelijks, net zoals de buiging op de scene misschien net iets te diep is om naast zelftevredenheid niet ook blijk te geven van een zeker verlangen naar echte bescheidenheid.
    Deze geschetste tegenstelling — die ook enkel maar beschrijft hoe mijn twee grootmoeders zich tot elkaar verhielden vóór de hersenbloeding — roept natuurlijk veel vragen op. Want klopt het wel dat deze tegenstelling een realiteit op zich was? Is het niet eerder zo dat hun onderlinge verhouding zelf al het gevolg was van retoriek? Was de retorische tweedeling tussen hen misschien niet net wat hen bijeenhield, zoals ook een magneet haar twee polen verenigt? En riepen de twee grootmoeders elkaar in die hoedanigheid, als verschillende polen, niet juist op? De één als niet-ander.
    Om het abstracter te stellen: bestaat bescheidenheid an sich, of reikt bescheidenheid ook altijd al de hand naar onbescheidenheid en is de bescheidene in zijn bescheidenheid stiekem ook altijd behoorlijk onbescheiden?
    Een andere bedenking. Als het inderdaad zo is dat onze menselijke realiteit steeds een retorisch gepoolde realiteit is, dan zijn wij natuurlijk nooit de pool van één enkele magneet, maar van ontelbare magneten tegelijkertijd, waarvan sommige sterkere, en andere zwakkere velden oproepen. Dat zou willen zeggen dat wij allemaal omgeven worden door een wirwar aan retorische veldlijnen, die elkaar stuk voor stuk snijden, kruisen, storen, versterken, afbuigen enzovoorts — allemaal bruggen die ons met de realiteit en de ander verbinden, maar die die realiteit en die ander evengoed voor ons op afstand houden.
    En dan nog iets. Ná de hersenbloeding, kan je je afvragen, wat gebeurde er toen? Werd de retoriek tussen mijn twee grootmoeders dan doorbroken, of vond er toen louter een herschikking van retorische poolladingen plaats?
    Allicht zijn op al deze vragen enkel retorische antwoorden mogelijk. Wat dan weer bewijst dat het woord inderdaad reeds in den beginne was. Maar ook dat het toen vermoedelijk niet bij God, maar wel bij de mens was, die al snel schreef: ‘In den beginne was het woord en het woord was bij God.’ Een wanhopige poging om de illusie te koesteren dat er toch ooit een moment moest zijn geweest dat het verraderlijke toverstafje eens niet in zijn vermoeide handen rustte. “

  3. Gilbert De Bruycker

    Bij een zuiver debat is altijd sprake van drie partijen: een partij die alle argumenten pro, een andere die alle argumenten contra neerzet, en een derde partij die beslist over de uitkomst van het debat, over datgene wat overeind blijft.

    In feite is een debat entertainment. In een debat kan een onderwerp nooit diepgravend worden behandeld. Veel hangt af van toevallige factoren: welke argumenten zouden kunnen worden opgevoerd worden? Aan welke replieken kan ik me verwachten, enz..

  4. Eric Janssens

    Het ‘debat’ tussen Dewinter en Belkacem was zo uniek dat zelfs de VRT er niet aan kon voorbij gaan. Nadien, in de studio van Terzake, nodigde men Brinckman en Top uit, de twee deelnemers (de ene als moderator) die zich als de gematigde redelijkheid zelve hadden geprofileerd, en dus niks betekenisvol hadden gezegd. Bleek dat Belkacem als een loslopende clown (nadien een vastzittende clown), en Dewinter als een gevaarlijk politiek strateeg moesten worden gezien. Het duo Top-Brinckman vormde een voorbeeld van de extreme éénstemmigheid die de Terzake-redactie in haar debatten meestal nastreeft. Zelden spettert het rond de tafel van Kathleen Cools (de discussie tussen Van Besien en De Wever over enkele uitspraken van Herman Dams was één van de weinige uitzonderingen). Ik zie de Terzake-debatten daarom zelden uit, meestal val je er langzaam bij in slaap. Overigens zijn volgens mij deze zouteloze samenspraken de symptomen van een ziekelijke indolentie, waaraan in Vlaanderen vooral de politieke en journalistieke kaste zichtbaar lijdt.

  5. Ik vrees dat de zeer uiteenlopende, uiterst talrijke, persoonlijk getekende definities van “debat”, “open” en “cultuur”, met daarin vooral de vele verschillende gevoelsgeladen of gevoelloze reducties tot het abstracte en het algemene (richting nihilismen), een degelijk ontologisch oordeel pro of contra onmogelijk maken, en het derealiserende, depersonaliserende en bipolariserende effect van de huidige kapitalistische politiek en anti-ethiek alleen maar groter maken.

    Volgens mij veronderstelt een waar debat minstens twee personen die kunnen communiceren. Voorlopig ken ik niemand die ik daartoe in staat acht, of misschien een enkeling onder voorbehoud van het onderwerp. Openheid en cultuur veronderstellen het diepst mogelijke begrip van alle soorten grenzen, alle culturen en een metacultuur. Wie kan ons dat presenteren ? Niemand denk ik.

  6. Typisch voorbeeld: de tegenstelling tussen creationisme en de evolutietheorie. Kunnen die twee meningen elkaar ontmoeten in het midden? Niet dus. Soms moet je in een debat tegen de tegenpartij durven zeggen dat hij of zij hartstikke verkeerd is.

  7. Pingback: Het grote Badiou bronstritueel is weer begonnen | Uitgeverij Loewak