Maandelijks archief: maart 2013

Tussen zeep en Bouillabaisse: waarom Marseille zich moet verzetten tegen het Europese cultuurcircus

De laatste dagen kon men in de pers alarmerende berichten lezen over een gangsteroorlog die oudMarseillein Marseille woedt, en de uit de pan swingende straatcriminaliteit, waarbij de drugshandel en afrekeningen tussen rivaliserende bendes dagelijkse kost zijn.

Uiteraard is dat fenomeen niet nieuw: de Corsicaanse maffia heeft al jaar en dag een vaste stek in deze Franse havenstad. Sterker nog: volgens publicisten als José d’Arrigo is Marseille een stad die op gespannen voet met het establishment leeft, waardoor de politie en het stadhuis altijd als vijand worden gepercipieerd. In die sfeer gedijen ook maffieuze organisaties gemakkelijk.

De stad heeft het inderdaad nooit kunnen vinden met de grote Franse natie. Marseille was, als oude Griekse kolonie Massalia, een Provençaalse vrijstad en kwam pas in de 16de eeuw onder de Franse kroon. Toen Koning Lodewijk XIV, voor wie de stad van groot strategisch belang was, kanonnen in het fort aan de haven installeerde, richtte hij ze niet op de zee, maar op de stad zelf, als teken van macht.  De lokale maffiacultuur zou in dat opzicht maar een symptoom zijn van een dieper liggende rebellie, eigen aan de status van “bezette stad”, die Marseille enigszins deelt met die andere “kwaadaardige” havenmetropool, Antwerpen, waar ook iedereen de vuilzakken fout buiten zet, alleen al om het gezag te treiteren. We spreken dan nog niet over de foute politieke partijen die er het levenslicht zagen…

Savon de Marseille: culturalisatie en verzeping

zzepWat er ook van zij, Marseille werd dit jaar gebombardeerd tot “culturele hoofdstad van Europa”, samen met het Slovaakse Kosice, en men mag aannemen dat  hier groot denkwerk aan is vooraf gegaan, geleverd door het Europees parlement en de bijbehorende jury. Men moet de gemediatiseerde paniek rond het verloederde Marseille vooral in dat perspectief zijn: de uitgenodigde VIPS realiseren zich opeens dat ze in die stad niet veilig zullen zijn voor de 1001 zakkenrollers en gauwdieven, om van de rest nog maar te zwijgen.

De ambitieuze bedoeling was en is inderdaad om de stad drastisch te saneren en wit te wassen van het krapuul, via een hoogcultureel etiket dat eigenlijk puur als façade fungeert. In totaal worden zo’n 400 culturele evenementen georganiseerd met een budget van ruim 90 miljoen euro. Glamoureuze kunstenaars (met onze onvermijdelijke Jan Fabre voorop) en gerenommeerde artistieke gezelschappen maken hun opwachting, en zullen een heel jaar zwaar betaalde wind veroorzaken. De samenlevingsproblemen, de leefbaarheid en de criminaliteit gaan aan hen voorbij, ze wagen zich zelfs niet in de achterbuurten en bidonvilles, maar beperken zich tot de pittoreske binnenstad om hun kunsten te vertonen.

De E.U. toont zich hier van haar meest wereldvreemde kant. Met dezelfde onnozele hooghartigheid, waarmee men dacht even snel een hold-up te plegen op de spaarrekeningen van Cypriotische garnalen, wordt dat uithangbord “culturele hoofdstad” bovengehaald om Marseille te bevrijden van zijn geboefte, wat uiteraard een lachwekkende illusie is. Ze gaat uit van de veronderstelling dat cultuur van bovenuit kan worden opgelegd, om onderstromen te dempen waar de politiek geen vat op heeft. Groen-parlementariër Bart Caron is een notoir voorstander van dit staatspaternalisme, stijf staand van de “flankerende en stimulerende beleidsmaatregelen”. Cultuur geldt hier als glij- en smeermiddel van een maakbare samenleving, waarin mensen voortdurend gesensibiliseerd, geactiveerd en aangemaand moeten worden tot participatie.

Met veel culturele drukte en urbanistische poeha probeert Europa in Marseille het vuil onder tafel te vegen. Een illusie, uiteraard: de modale bewoner walgt van dit circus.

In werkelijkheid gaat het om een collusie van de politieke elite en de zakenwereld die er de intellectuele elite bijhaalt om sprookjes te vertellen. Het sprookje van de verkoopbare, aaibare stad zoals de toeristische sector en de bouwpromotoren ze graag zien. Prestige-architectuur speelt inderdaad een sleutelrol in dit city-marketing-verhaal. Vuile plekjes moeten worden opgekuist, of beter: het vuil wordt onder tafel geveegd, via peptalk en urbanistische poeha. Zie ook de bulldozers doorheen de sloppenwijken, waar Olympische Spelen of andere grootse sportevenementen plaats vinden, gewoon omdat die wijken imagogewijs een probleem geven.

MarseilleArchitectuur als schaamlap dus. In Antwerpen dacht Patrick Janssens ooit dat hij het beruchte Coninckplein wel zou proper krijgen door er een nieuwe, prestigieuze bibliotheek neer te poten. Ga kijken en overtuig uzelf.

Zo ook met de Europese cultuurhoofdsteden: een visuele face-lift zal alvast het decor van de metamorfose leveren.  Als bij wonder is Marseille sinds kort trotse bezitter van het cultuurcentrum Villa Méditerranée (foto) van de befaamde Italiaanse architect Stefano Boeri. Ook sterarchitecten Norman Foster (Masterplan havenrenovatie) en Rudi Riciotti (het protserige Museum voor Europese en Mediterraanse beschavingen) mochten een deel van de koek verhapstukken. Daarachter wrijven dan weer de bouwpromotoren en de betonboeren zich in de handen: neen, helemaal economisch zonder belang is dat culturele-hoofdstad-verhaal natuurlijk niet.

Zei ik “glijmiddel”? De historiek van Marseille, als zeepstad, is in dat opzicht veelbetekenend. Ooit was die zeep een ordinair volksproduct, gemaakt uit olijfolie, en verhandeld op de lokale markt. Vrouwen deden er de was mee op straat (tot op vandaag ziet de échte Marseille-zeep eruit als een ordinaire klomp gestold vet). Maar de Franse staat heeft de productie genaast en de zeep verfijnd tot een kosmetisch luxeproduct, net om het particularistisch en volks karakter ervan te neutraliseren. Al in 1577 begon de nationalisering van de Marseille-zeep, met de oprichting van de eerste Savonnerie Royale, waarbij naderhand ook wetenschappelijke en academische normen werden vastgelegd, inclusief productiemonopolies. Dankzij Jean-Baptise Colbert (minister onder de fameuze Lodewijk XIV) wordt ‘Savon de Marseille’ zelfs een beschermde merknaam en hofproduct.

Ik haal dit aan, omdat heel dat culturele-hoofdstad-verhaal anno 2013 in wezen tot hetzelfde verzepings- en witwasproces behoort: een poging van de bovenbouw om subculturen te recupereren, en hun symbolen te herleiden tot folklore en snuisterijen voor souvenirwinkels. Hetzelfde gebeurt met de door de UNESCO tot werelderfgoed erkende carnavalsstoeten zoals die van Aalst en Binches: van oorsprong rebels, baldadig en lichtelijk obsceen volksvermaak, dat via het etiket van “erfgoed” kan opgekuist worden tot onschadelijke, mondiaal-toeristische attractie, de zgn. Disneyficatie.

 Bouillabaisse en het FRIC: de tegenbeweging

bouillabaisse“Dit is een oorlog van de rechtstaat tegen de barbaren”, krijst burgemeester Jean-Claude Gaudin, jaloers op de mondaine bobostad Aix-en-Provence, op een boogscheut van het lelijke en stinkende Marseille.

Maar blijkbaar is toch niet iedereen zo gelukkig met de verzeping die de stad dit jaar te beurt valt. Onder de veelzeggende naam Front des réfractaires à l’intoxication par la culture” (kortweg FRIC) is er een tegenbeweging op gang gekomen, noem het maar een volksopstand, tegen de Euro-verlakkerij, de masterplannen, de glijmiddel-doctrine en de doortocht van de culturele elite:

“Les Marseillais sont censés participer aux réjouissances, se laisser bercer de bons sentiments, s’enthousiasmer pour une culture hors-sol parachutée depuis les sommets de la bureaucratie européenne et applaudir à l’éviction des cultures populaires intimement liées à ce territoire. Pour notre part, bien conscients que cette opération va se mener contre nous, nous ne serons pas les gogos de leur pseudo-événement. S’ils veulent la guerre, ils l’auront !”

Exact dus tegen de Disneyficatie, de toerismanie en het concept van de façade-stad. En daarmee zijn we terug bij het vertrekpunt van dit stukje: de Antwerpse dimensie van Marseille, als rebellerende vrijstad. Uiteindelijk is cultuur nooit iets anders geweest dan volkscultuur, behalve daar waar regimes het nuttig vonden om kunstenaars en intellectuelen te enteren,- wat dezen zich overigens graag lieten welgevallen. Iets wat het FRIC, zeer ad rem “culturele intoxicatie” noemt.

Alleen een radicale herbronning kan een stad als Marseille terug haar patine geven. Graven naar roots, het ontginnen van de originele parfums en smaken. 

De oplossing? Institutionele wurging of maffia? De cholera of de pest? Tussen establishment en onderwereld is er nog een tussenlaag, en dat is de enige die zo’n getraumatiseerde stad echt kan doen regenereren. Het is de tussenlaag waar er soep wordt gekookt en de stoofpotten pruttelen. Uiteindelijk is hét erfgoed van Marseille, meer dan eender welke beton- en glaskolos, de vissoep, de fameuze Bouillabaisse, van oorsprong een armeluisgerecht: de door beschadiging en ontbinding onverkoopbare vissen werden aan het eind van de werkdag door de vissers op het strand in zeewater doorkookt en dan gezamenlijk gegeten. Het kooknat (bouillon) werd over stukjes geroosterd stokbrood (croûtons) gegoten en met rouille (een gekruide Provençaalse mayonaise) als voorgerecht gegeten.

Dat dit gerecht vandaag op de menu’s van dure sterrenrestaurants prijkt, mag ons niet doen vergeten dat we hier met een volkskeuken van het quasi-oneetbare te maken hebben. Elke poging om die soep te fatsoeneren, leidt tot een verschraling. De enige manier voor deze stad, om van de drugsoorlogen en de maffia-terreur af te geraken, is dan ook het sociaal weefsel herstellen, via kleinschalige subculturele vonken die zich in de beslotenheid van de familie, de wijk, op straat afspelen, maar niets van doen hebben met de geautoriseerde bombast van de voorbijtrekkende Euro-karavaan.

De inbeslagname van de zeep- en bouillabaisserecepten, eerst door de Franse staat, later door de E.U., kadert in een bewust gepland stedelijk identiteitsverlies. De criminele uitwoekering en de verveling van een losgeslagen allochtone jeugd zijn er het gevolg van. Het leefbaarheidsprobleem volgt uit de “culturele intoxicatie”, niet omgekeerd.

De barbaren van de FRIC hebben natuurlijk gelijk, maar ik raad hen aan, een eigen, ludiek straatfestival te organiseren, of voor mijn part een reusachtige ketel Bouillabaisse op het vuur te zetten, alleen voor autochtonen, waarvan het vissig-peperig geurtje fameus in de neus moet kruipen van de hoogwaardigheidsbekleders die ongetwijfeld deze zomer naar Marseille zullen afzakken.

Alleen een radicale herbronning kan een stad als Marseille terug haar patine geven. Graven naar roots, het ontginnen van de originele parfums en smaken.  Grote soepketels dienen bovengehaald om de rotte vis te recycleren. Dat gaat met een schaalverkleining gepaard die haaks staat op de E.U.-megalomanie. Misschien moet de stad wel terug haar muren opbouwen, en dan niet alleen voor het decor. Alleen het terugvinden van de eigen hartslag kan een stad of een leefgemeenschap redden. Tegen alle macrostructuren in. En dat geldt niet alleen voor Marseille.

Wat als…? – Over het nut en de zin van kunst

BerniniIn 2009 publiceerde ik een tamelijk controversieel essay, getiteld “De engel, de maagd en de koorddanser”, over kunst als machtsvertoon, en over de kunstenaar als manipulator.  Het sinds de renaissance gangbare prototype van de charismatische kunstenaar, de homo universalis, convergeert op een bizarre manier met het optreden van de demagoog, politicus, tiran. Beiden leven bij de gratie van de toeschouwer/burger/consument, die met rotte tomaten kan gooien, en dus moet gekneed, bewerkt, gehypnotiseerd worden tot volgeling, zeloot, fan. Zo duikt het cultuurgenie op: als iemand die autoriteit en bewondering afdwingt in alles wat hij doet, zegt, of niet doet, of verzwijgt. Meteen ook de natte droom van het leiderstype en alfadier. Kom niet af met kunstenaars die zogezegd niet in het publiek en het applaus geïnteresseerd zijn: zij zijn de ergsten.

Publikumsbeschimpfung

Hitler

Gib mir Tuch und Pinsel, oder ich mach alles kaputt!

De paradox bestaat er nu in, dat de wil om te verleiden en te charmeren, onvermijdelijk overslaat in een geweldsituatie. Ook dat hebben de kunstenaar/ performer en de demagoog gemeen. Vooral in een live-context, oog-in-oog met de zaal, gebruikt de artiest dezelfde knepen als de volksmenner: een ingestudeerde tekst, improvisatorisch vermogen, een goede stemzetting, voldoende pauzes, de juiste gebaren- en lichaamstaal, enz.Van Hitler tot Obama manifesteert de politieke leider zich als taal- en lichaamskunstenaar die steeds in een ambivalente verhouding tot zijn publiek staat. Verleiding en terreur behoren tot dezelfde strategie: het komt erop aan het publieke veld te beheersen, met alle mogelijke middelen, soms zalvend, soms slaand. Hetgeen me tot de boutade verleidde: “Als Hitler een mislukt kunstenaar was, zijn de meeste kunstenaars misschien ook wel, ergens in hun onderbewustzijn, mislukte Hitlers…”

Ik wees in dat opzicht op bepaalde synchronieën, zoals de opkomst van de grote pop- en rock-concerten in de jaren ’60 van vorige eeuw, waar fans zichzelf soms letterlijk dooddrumden (in navolging van de nazi-meetings) tot en met de fatale Love Parade/Duisburg in 2010, de première in Frankfurt anno 1966 van Peter Handke’s Publikumsbeschimpfung (een toneelstuk waarin, zoals de naam het zegt, het publiek continu door de acteurs wordt uitgescholden), het ontstaan van de brutale, schokkende “installatiekunst” begin de jaren ’70, en het optreden van de fameuze  Baader-Meinhof-groep in Duitsland,- een terreurcel die het straattheater een nieuwe dimensie wist te geven, met echt bloed en echte doden.

De vraag, hoe de geschiedenis zou verlopen zijn indien Hitler wél was toegelaten tot de kunstacademie, is buitengewoon pertinent…

Meteen zitten we helemaal in de schemerzone tussen kunst, criminaliteit, terreur en psychopathologie. Het geval is bekend van psychopaten zoals de schizofreen Adolf Wölfli, die een enorme artistieke creativiteit ontwikkelden, waardoor hun (zelf-) vernielingsdrang onder controle bleef en zelfs leidde tot museumfähige producties.  Kunst als therapie dus: niet genezend, maar wel als een middel om erger te voorkomen, noem het “bezigheidstherapie”. Heel de moderne cultuurscène zou men kunnen zien als een onschadelijk toevluchtsoord voor sociopaten en individuen met een criminele aanleg. Door het geweld in de kunst te integreren, haalt men het voor een flink deel uit de wereld.

Het feit dat een van onze bekendste Vlaamse kunstenaars, Jan Fabre, zijn carrière begon als inbreker, mag als een geslaagd voorbeeld beschouwd worden van kunsttherapeutische preventie. Vele oudjes mogen op hun twee oren slapen, nu Fabre erkenning geniet door beschilderde kevers op een plafond te plakken en af en toe katten de lucht in te gooien. Al met al onschuldige bezigheden die de maatschappij veel leed besparen. Een zegen dat Fabre nooit politieke ambities heeft gehad, ik hoop dat dit niemand op het idee brengt. En wat als Vincent Van Gogh in de politiek carrière had gemaakt? Zou het bij een afgesneden oor gebleven zijn?

september

Wat als dit… een film was?

Omgekeerd zou men zich kunnen afvragen, wat er zou gebeurd zijn, had men Andreas Baader en Ulrike Meinhof een artistiek atelier ter beschikking gesteld, of als men Osama Bin Laden tot filmregisseur had gepromoveerd, een collega van Coppola en Kubrick. Men kan toch niet ontkennen dat 11 september 2001 beelden heeft voortgebracht die tot het erfgoed van de mensheid behoren. Maar de collateral dammage was te groot: dit had een Hollywoodproduct moeten zijn, een kunstwerk dus. Ook door-en-door-slechteriken hadden genieën kunnen worden, als ze op de juiste plaats waren terecht gekomen.Waarna de onvermijdelijke toog-uitsmijter volgt: had men Hitler in de kunstacademie niét wandelen gestuurd, dan was ons wellicht een wereldoorlog bespaard gebleven. De Allgemeine Malerschule der Wiener Kunstakademie, die hem tot twee keer toe buisde op een toelatingsproef, dààr moet de primaire verantwoordelijkheid voor Auschwitz gezocht worden, -al de rest is logische afwikkeling van een planetaire tragedie-.

Deze wat als?-vragen worden veel te weinig gesteld. Ze gaan nochtans over de kern van de geschiedenis, als een geschiedenis van het geweld waarin telkens weer gestoorde individuen hun disfuncties ontwikkelen tot een machtsinstrument. Kunst is dus wel degelijk nuttig, ook (en vooral) de zogenaamde decadente, morbiede of zelfs pornografische kunst: net in die domeinen huizen de potentiële serial killers.

Hitlers levenslange fascinatie voor de 19de eeuwse operacomponist Richard Wagner–nu we toch in het Wagnerjaar zijn beland- draait vooral rond een figuur die er wél in slaagde, zijn zieke geest (zoals Friedrich Nietzsche op een zeker moment terecht opmerkte, en na hem Igor Stravinsky) helemaal te mobiliseren en te structureren in een muzikaal-theatraal geweldproject. De muziek van Wagner verleidt, overweldigt, bedwelmt en doodt, de collusie met de nazi-ideologie is niet toevallig. Hij eiste (en verkreeg) van zijn publiek totale onderwerping, dompelde het onder in een hypnotische waas, verplichtte het om in zijn zelf gecreëerd pantheon te Bayreuth zes uur lang quasi-onbeweeglijk op een ongemakWagnerkelijke houten stoel te zitten,… maar dat is natuurlijk nog altijd veruit te verkiezen boven het bouwen van concentratie-kampen en het gebruik van Zyklon-B.

Afgezien van wat persoonlijke pesterijen tegenover collega’s, het terroriseren van zijn omgeving, en de verachting tegenover het publiek, had Wagner zijn grote mate van destructieve energie dus behoorlijk onder controle.

Het verschil tussen dat Festspielhaus, waar ik o.m. de complete Ring des Nibelungen onderging, en een nazi-vernietigingskamp, zit hem in de sublimatiegraad van het geweld. Het zijn twee isotopen van de onderwerping, afkomstig van dezelfde demonische personages die dit soort architectuur bedenken, maar Wagner bemeesterde zijn eigen waan (Wahn-fried, zoals hij zijn stulpje te Bayreuth noemde), waardoor de ene als genie de geschiedenis in  ging, en de andere als schurk. Ik weet dat de Wagnerianen mijn vanaf nu gaan vervloeken, maar vermits ik er zelf een ben, heb ik recht van spreken.

De Joker in Fabeltjesland

Kunst lijkt dus een weergaloos voorbehoedsmiddel. De Wagneriaanse held, waarin de compSiegfriedonist zichzelf projecteerde, is een stuurloos projectiel, een wandelende bom, maar het bloed vloeit gelukkig alleen op het theater, als ketchup. Deze Hollywoord-surrealiteit is de essentie van kunst. Al van mijn tiende was ik Wagnerzot. Niet alleen door de muziek op zich, maar omdat ik toen al begreep dat kunst de wereld kan redden, door de waanzin onder een stolp te plaatsen.

We komen nu op een zo mogelijk nog méér confronterend punt van deze denkpiste. Momenteel loopt het assisenproces tegen Kim De Gelder, een jongeman die op 23 januari 2009 een moorddadige raid uitvoerde op een kinderdagverblijf. Gewapend met een mes ging hij richting de babyafdeling en verwondde twee opvoedsters. Een derde opvoedster raakte hij dodelijk. Eens aangekomen in de babyafdeling stak hij twee peuters dood en verwondde hij tientallen andere kinderen.

Eigenlijk kon niemand tot op vandaag voor deze jeu de massacre een verklaring geven, ook De Gelder zelf niet. Het rondjesdraaiende nattevingerwerk van de psychiatrie is in deze stuitend. Wellicht is het daarom beter, het psychiatrische én het criminologische vakdenken te overstijgen: een verklaring is alleen mogelijk als men kunst en literatuur erbij betrekt. Een vergelijking met artistieke processen, waar cognitieve, emotionele en autobiografische componenten op elkaar inwerken, en dat alles binnen een Narcistische persoonlijkheidsstructuur, zou verhelderend kunnen zijn. Fabeltjesland is dus, hoe schokkend het ook klinkt, een in de realiteit ontspoord kunstwerk. Sterker nog: het imiteert de artistieke performance en citeert bestaande modellen.

Het spoor, als zou De Gelder geïnspireerd geweest zijn door The Joker, het criminele meesterbrein in de Batman-films, is in dat opzicht te weinig uitgewerkt. De raid op het kinderdagverblijf volgt wel degelijk een filmisch scenario (minutieus voorbereid), en copiëert het personage van een psychopathische massamoordenaar.

De Joker is een uit zijn koers geslagen kunstenaar, wiens “kunstwerk” erin bestaat om zoveel mogelijk leed en chaos te veroorzaken.

Het model van de Joker  is op zich een lectuur waard. In de Batman-verhalen dook hij al in de jajokeren ’40 van vorige eeuw op (de Hitlertijd dus!), als een afgewezen stand-up-comedian, die zijn mislukking desublimeerde tot een reeks destructieve performances, waarin messen, allerlei scherpe voorwerpen, en bijtend zuur de hoofdattributen zijn. De Joker is dus een uit zijn koers geslagen kunstenaar, wiens “kunstwerk” erin bestaat om zoveel mogelijk leed en chaos te veroorzaken. De band met de kunst blijft, tot in de details van de imitatie, maar het register is helemaal verschoven naar de sadistische reality-performance, ontdaan van alle schijn en trucage, in een hypertheatrale setting.

Deze groteske “installatiekunst”, van een verminkte artiest die zich als clown moet schminken om zijn letsels te maskeren, kiest haar attributen met zorg: vlijmscherpe speelkaarten, zuurspuitende bloemen, gif dat mensen doet sterven met de glimlach op de mond,…  ze behoren alle tot het Nibelungen-arsenaal van de Joker (in de rugzak van De Gelder vond men overigens een uitgebreide voorraad schminkartikelen).

Van hieruit rijst dan de onvermijdelijke “Wat als…?”-vraag. Wat als men Kim De Gelder naar de filmschool of Herman Teirlinck had gestuurd? Met andere kaarten zou hij best een respectabel artiest kunnen geweest zijn, zijn mythomanie wijst op die aanleg. Misschien was Fabeltjesland dan een succesvolle opera geworden, of een Kubrick-achtige horrorfilm, met dezelfde Wagneriaanse ketchup. In de gruwel van de massamoord wordt echter duidelijk dat het verleden onuitwisbaar is, en dat de Jokers van deze wereld niet meer kunnen gered worden. Hun theater is absurd, ze zijn voor eeuwig verdoemd tot het spelen van de reële horror, in plaats van de gesublimeerde theaterversie. Op elk moment kan de kunstenaar Batman een moorddadige Joker worden, maar de Joker nooit meer een Batman: de verzuring is onomkeerbaar.

Hoe snel het kwaad zich op het goede ent, mag blijken uit het bizarre einde van de acteur Heath Ledger die de Joker speelde. Als kunstenaar-vedette kroop hij zodanig in de rol van de massamoordenaar, dat hij hem ook voelde worden. Het masker werd een huid, en vrat zich een weg naar binnen. In het gevecht tegen deze intoxicatie greep Ledger (opmerkelijk anagram overigens van “Gelder”…) naar slaapmiddelen en antidepressiva, en benam zich het leven op 22 januari 2008,- exact een jaar dus voor Kim de Gelder zijn act uitvoerde.

Het kunstencentrum als detentiehuis

Wim Delvoye vult, onder grote belangstelling, zijn kakmachine bij.

Wim Delvoye vult, onder grote belangstelling, zijn kakmachine bij.

De impliciete kunst- en cultuurkritiek die hieruit volgt, is bepaald ontluisterend: de goeden, de excellenten, de rolmodellen, de genieën, grote schrijvers, knappe schilders, hebben hun status te danken aan een minieme speling van het lot. In se zijn ze ook destructief en wellicht zelfs psychopathisch, maar hun status houdt hen “op het rechte pad”. Het is zoals HIV-patiënten AIDS-remmers gebruiken: kunst is een cocktail die de voortsluipende waan isoleert. Via deze omzwerving in het criminologische en psychopathologische domein, is het nut van kunst dus wel degelijk bewezen: het gaat om preventie en het aanleggen van schutskringen tegen de permanente dreiging van de Jokers.

De “stemmen” die De Gelder hoorde,- het zijn allicht de stemmen die elke componist in zijn hoofd hoort, alvorens ze in een partituur neer te schrijven. Maar net daardoor, door die omzetting, blijven we van de reële massamoord gespaard. Wagner heeft die artistieke “inspiratie” treffend geparafraseerd, daar waar hij zijn Siegfried met de vogeltjes laat praten: een duidelijk geval van beginnende psychose, de evocatie van een innerlijke stem die de held ook effectief tot moorden aanzet. Maar ook hier is het een ketchup-moord, een mise-en-scène, en komen alle protagonisten, de moordenaars en de slachtoffers, na afloop hand in hand het publiek groeten. Viva la musica.

We bevinden ons dan ook in een feitelijke gijzelingssituatie, misschien zelfs een soort Stockholm-syndroom: onze liefde-voor-de-kunst, en onze bewondering voor de kunstenaar, is altijd gebaseerd op angst voor de ontsporing. Het toekennen van volledige “artistieke vrijheid” aan de kunstenaar (gek genoeg nooit aan de modale burger, wel aan de creatievelingen), is de minieme prijs die we betalen om het jeu de massacre te vermijden. Het behoedzaam lopen en zachtjes praten in het museum: het lijkt erop alsof we vooral de demon niet willen wekken die achter de doeken schuilt.

De museale werkruimte, verkeerdelijk begrepen als de spirituele baarmoeder van de mensheid, zou dan veeleer het aarsgat zijn, waarin het weliswaar stinkt, maar zonder dat heel het lichaam daardoor wordt aangetast.

Dit beeld van het artistiek excretiestelsel (door een kakkunstenaar als Wim Delvoye uitstekend aangevoeld, al was het wellicht zo niet bedoeld), als voorbehoedsmiddel tegen de sociale en culturele ontwrichting, roept tenslotte de vraag op naar een passende architectuur om alle waanzin in op te bergen.

Onlangs deed Hans Claus, gevangenisdirecteur in Oudenaarde, een zeer origineel voorstel. Hij pleit voor de bouw van 900 detentiehuizen ter vervanging van de ‘onpersoonlijke’ en ‘onbetaalbare’ gevangenissen. Claus wil gedetineerden zo in de maatschappij activeren, bijvoorbeeld door ze als fietsenmakers of groenarbeiders te laten werken.

Zo wordt het kunstencentrum een huis-van-bewaring, in alle betekenissen van het woord…

Groenarbeiders? Hm… ik dacht eerder aan dichters, schrijvers, muzikanten en plastici. Claus komt hier eigenlijk dicht bij een revolutionaire kijk op de geschiedenis: we kunnen wel degelijk de catastrofe vermijden, als we maar op tijd de Hitlers en de Jokers in een specifieke ruimte hun ding laten doen. Niét in een gevangenis of een gekkenhuis of een pretpark, maar iets tussen deze drie. Een publieksgerichte “detentieruimte” die als een scène, forum en museum fungeert, al naargelang. Deze culturele activering  is het ei van Colombus, en plaatst heel de discussie van cultuursubsidies en kunstenwerking in het juiste perspectief, namelijk dat van een verdubbelde ruimte, waarin alles mag en alles kan, omdat het er niet toe doet. Alles is van papier en karton, en al wie een massamoord in het achterhoofd heeft, kan die probleemloos ensceneren in een echt Fabeltjesland. Met poppen en namaakbloed dus. Dat mag dan ook iets kosten: geld voor cultuur is het best bestede geld.

Zo wordt het kunstencentrum een huis-van-bewaring, in alle betekenissen van het woord. Kan kunst de wereld redden? Het antwoord is dus: Ja! Ja, we hebben deze decompressieruimtes nodig. Ja, cultuur is nuttig. Ja, kunst heeft een zin. De “Wat als…?”-vraag moet eindigen in een “Dat nooit meer!”- antwoord, zodat de geschiedenis eindelijk meer is dan een necrologie, een opsomming van doden. Natuurlijk zitten er in de politiek nog tal van mislukte kunstenaars en halve dictators. Maar een opblaasbare, uitdijende detentieruimte kan allicht veel van deze gedegenereerde biomassa absorberen en tot vermakelijk-clowneske theaterbevolking recycleren.

Het parlementair halfrond is altijd al met een circus vergeleken. Maak er dan misschien eindelijk eens een écht circus van. Hoe meer het kunst wordt, hoe minder echt, hoe minder fataal. Eindelijk zullen dan ook de media hun ware roeping hebben gevonden, als opwarmers en megafoons van het spektakel.

De valstrik van het “tweede boek”

Zopas verscheen de tweede roman van Paolo Giordano, ‘Het menselijk lichaam’ (‘Il corpGiordanoo umano’).

Zijn eersteling,  ‘de eenzaamheid van de priemgetallen’ (‘La solitudine dei numeri primi’, 2008), werd een absolute bestseller en aansluitend zelfs verfilmd. Ironisch dat een boek over de menselijke eenzaamheid en het on-(mede)deelbare zo’n hype werd. Ik heb dat boek dan ook als een dagboek gelezen, iets intiem, waar ik eigenlijk geen zaken mee had, en als een voyeur in neusde.

Ik geloof ook vast dat Giordano dat tweede boek veel minder schreef vanuit een innerlijke drijfveer, dan wel op aandringen van zijn uitgever, om nog eens de kassa te laten rinkelen.

Het probleem van de literatuur -dat ze wezenlijk niets meer te zeggen heeft-manifesteert zich dus vooral in het tweede boek, het derde boek, en de herhalingsdwang. Meer schrijvers moesten minder boeken schrijven, liefst één of zelfs geen.  Er schuilt in elk van ons een boek, maar de vraag is of het wel zo nodig moet geschreven worden, en of dat schrijven zelf geen verschraling uitmaakt van iets veel oorspronkelijker, intiemer, onzegbaarder.

Schrijven is uit-schrijven.

Bladzijde uit het manuscript van "Der Mann ohne Eigenschaften" (Robert Musil)

Bladzijde uit het manuscript van “Der Mann ohne Eigenschaften” (Robert Musil)

Weerom rijst hier de vraag naar de zin, en vooral de onzin, van de literaire industrie, of veralgemenen we maar meteen tot de cultuurindustrie, het vedettisme, de hypecultuur omtrent dingen die men “moet” weten om sociaal te functioneren.

Een roman zoals Robert Musil’s “Der Mann ohne Eigenschaften”, algemeen beschouwd als een van de grote literaire meesterwerken van de 20ste eeuw, is eigenlijk per ongeluk in de galerij der meesterwerken gesukkeld, dankzij ijverige uitgevers, recensenten, drukkers, groot- en kleinhandelaren. Kortom: al wie zijn brood verdient met bedrukt papier.

Een belletrist, zoals wij er in Vlaanderen en Nederland een paar dozijn kennen, genre Lanoye, Brusselmans, Verhulst, Mortier,… levert minstens elke twee jaar een roman af,- niet alleen uit contractuele verplichting, maar vooral ook om “in de markt” te blijven en niet vergeten te worden.

Hoezeer zijn dan de boeken te koesteren die maar niet voltooid geraken! Hoe trager de tekst zich ontwikkelt, hoe meer hoorn er is gegroeid aan de buitenkant, hoe meer hij het onzegbare probeert te zeggen,- een einddoel dat nooit gehaald wordt. Musil werkte 20 jaar aan zijn Opus Magnum, namelijk van 1921 tot 1941. Hij had geen haast om zich bij het kransje van bekende schrijvers te voegen, maar misschien was er zelfs een afkeer van de openbaarheid, en een bezorgdheid dat teveel licht de tekst zou kunnen corrumperen: lezers die een “zin” zoeken in het verhaal, critici die het kapot analyseren, uitgevers die het in de etalage leggen, of in stapels op de toonbank, of, erger nog, op de boekenbeurs-met-signerende-auteur.

Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Is het daarom dat minder conforme schrijvers soms hun manuscript vernietigen, en schilders hun doeken? Of is het daarom dat sommige boeken gewoon niet geschreven worden? Lopen wij allemaal rond met een boek in het hoofd, dat we niet schrijven, – uit angst dat het door een onbevoegde zou geopend worden? De angst voor de verwonding, de aanranding? Is het ongeschreven boek niet de beste voorzorg tegen de destructiviteit van het lezen?

En zo kom ik tot een vrij bizarre, maar toch compleet logische, nieuwe, post-Musiliaanse definitie van een tekst,- als roman, boek, gedicht, plastisch kunstwerk, muziekstuk, of wat dan ook …-: hij dient helemaal niet om gelezen te worden. Veeleer is het een monoloog, de afdruk van een reeks fysische en mentale processen, waarin de auteur zich van elke externe samenhang distantiëert. De ideale tekst is gesloten en past nergens in, in geen enkele bibliotheek of collectie. Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Het enige verhaal dat de roman écht vertelt, is daarom dat van een breuk met de buitenwereld, een verbroken samenhang tussen het Ik en de wereld. De schrijver schrijft zichzelf uit, via een reeks priemgetallen. Het beeld van de priemgetallen past perfect: ze behoren tot de verzameling van getallen die nergens bij horen.  De cryptische tekst wordt een dagboek, een logboek van de ontsnapping uit het universum van de collecties, het museum, de bibliotheek. Hij biedt zich uiteindelijk ook niet meer aan als tekst: hij verschijnt, soms, toevallig, als een schim, om dan terug te verdwijnen.

Lezen is ont-lezen.

Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein/”Tractatus Logico-philosophicus”

Het is Musil’s tijdgenoot James Joyce die zijn teksten als ‘epiphanies’  (verschijningen) betitelde,- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints dus. Of nog minder respectvol: dronkemansgelal. Of een wind, of een boertje.

Terwijl goedmenende literatuurwetenschappers het boek nog steeds als een geordende collectie van woorden, zinnen, hoofdstukken zien, die zelf ook weer in een collectie thuishoort (de bibliotheek), is het authentieke boek net het omgekeerde: het hoort nergens bij, het is de zelfbeschrijving van een hersenknoop. Een epifanie. Elke mede-deling is dan overbodig en absurd. Het heeft geen zin om zich verstaanbaar proberen te maken,- dat leidt tot inquisitorische toestanden (“Wat bedoelt u eigenlijk?”) of misplaatste excuses, die het interview en de de TV-talkshow kenmerken, doch die het misverstand alleen maar vergroten.

Het gesloten boek vormt zo de ultieme remedie tegen het misverstand. De modale, welopgevoede lezer/collectioneur probeert nog steeds te be-grijpen, te verzamelen (legere, colligere, college, collectie) wat niet meer te verzamelen valt. De lezer moet dringend uit die waan verlost worden: er is geen sleutel of geen decodeermachine. Het zijn de lectoren, de uitgevers en de critici die een verhaal proberen te “lezen” omdat ze daar nu eenmaal pedagogisch door geconditioneerd zijn en omdat het een industrie uitmaakt. Ze zoeken en collectioneren zinnen, alinea’s en hoofdstukken, willen verbanden leggen, eigenschappen ontwaren en “kwaliteit” bespeuren, waar er eigenlijk alleen maar de voetafdruk is van een wandelend brein. In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Het is tenslotte de filosoof Ludwig Wittgenstein, die andere tijdgenoot van Musil, die de epifanische, onleesbare literatuur een manifest heeft bezorgd: “De grenzen van mijn taal, zijn de grenzen van mijn wereld”. De Tractatus Logico-Philosophicus (1921), het enige werk dat tijdens zijn leven door een uitgever werd gekaapt, begint waar Der Mann ohne Eigenschaften eindigt: in de absolute marge van het kosmische verhaal. Als vluchtplan uit het universum, weg van de samenhang en de connecties.

In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Ook de Tractatus is in de schaduw van de eerste wereldoorlog geschreven. Het is een anti-verhaal en een anti-tractaat. Het is een boek zonder eigenschappen van een filosoof zonder eigenschappen. Het probeersel van een volstrekte amateur. Ik lees het graag, omdat het niet de ambitie heeft om verstaanbaar te zijn: het is een louter hersenspinsel. Tot op vandaag weet niemand wie Ludwig eigenlijk was, en wat hij met zijn boek bedoelde, al zijn er ondertussen bibliotheken over vol geschreven, tevergeefs: Ludwig gaf zelf aan dat zijn tekst verdwijnt zodra men hem leest, en werkt als een ladder die wordt opgetrokken. Al bijna 100 jaar proberen professoren filosofie van Wittgenstein een “filosoof” te maken, iemand die in de traditie past, zonder resultaat: hij is en blijft een cancre, een kind dat van taalspelen hield en zich niet bekommerde om de ontcijfering.

In deze poëtica is de nieuwe lezer daarom een ont-lezer, een toevallige vinder van ondecodeerbare inscripties, die hij misschien even betast maar verder intact laat. Alles wat zich als openbaar, mededeelzaam, integreerbaar voordoet, valt dan genadeloos door de mand. Ik ont-lees alleen nog een bepaald soort boeken, waarvan ik vermoed dat ze niet geschreven zijn om begrepen te worden, en die ik dan ook geen geweld wil aandoen met hermeneutische breekijzers.  Ik respecteer ze als een labyrinth van woorden die alleen betekenis hebben binnen het brein van de bedenker.

Het komt er dan ook helemaal niet op aan, een boek te “begrijpen”, want dat is een daad van puur geweld, het forceren van een toegang. Heel uitzonderlijk vindt iemand toch een weg in dat labyrinth. Heel uitzonderlijk. Maar ook dan, zeker in dat geval, is het kwestie om de sleutel zo snel mogelijk weg te gooien. Ook met twee heeft men recht op eenzaamheid. Zoals de priemgetallen dus. De hoogst bereikbare existentiële toestand in dit universum, is het niét behoren tot een verzameling.

(Dit is een hoofdstuk uit het essay “Epifanie”, als lezing gegeven op 5/9/2010 in Filosofiehuis ’t Zoekend Hert/Antwerpen.)