De valstrik van het “tweede boek”

Zopas verscheen de tweede roman van Paolo Giordano, ‘Het menselijk lichaam’ (‘Il corpGiordanoo umano’).

Zijn eersteling,  ‘de eenzaamheid van de priemgetallen’ (‘La solitudine dei numeri primi’, 2008), werd een absolute bestseller en aansluitend zelfs verfilmd. Ironisch dat een boek over de menselijke eenzaamheid en het on-(mede)deelbare zo’n hype werd. Ik heb dat boek dan ook als een dagboek gelezen, iets intiem, waar ik eigenlijk geen zaken mee had, en als een voyeur in neusde.

Ik geloof ook vast dat Giordano dat tweede boek veel minder schreef vanuit een innerlijke drijfveer, dan wel op aandringen van zijn uitgever, om nog eens de kassa te laten rinkelen.

Het probleem van de literatuur -dat ze wezenlijk niets meer te zeggen heeft-manifesteert zich dus vooral in het tweede boek, het derde boek, en de herhalingsdwang. Meer schrijvers moesten minder boeken schrijven, liefst één of zelfs geen.  Er schuilt in elk van ons een boek, maar de vraag is of het wel zo nodig moet geschreven worden, en of dat schrijven zelf geen verschraling uitmaakt van iets veel oorspronkelijker, intiemer, onzegbaarder.

Schrijven is uit-schrijven.

Bladzijde uit het manuscript van "Der Mann ohne Eigenschaften" (Robert Musil)

Bladzijde uit het manuscript van “Der Mann ohne Eigenschaften” (Robert Musil)

Weerom rijst hier de vraag naar de zin, en vooral de onzin, van de literaire industrie, of veralgemenen we maar meteen tot de cultuurindustrie, het vedettisme, de hypecultuur omtrent dingen die men “moet” weten om sociaal te functioneren.

Een roman zoals Robert Musil’s “Der Mann ohne Eigenschaften”, algemeen beschouwd als een van de grote literaire meesterwerken van de 20ste eeuw, is eigenlijk per ongeluk in de galerij der meesterwerken gesukkeld, dankzij ijverige uitgevers, recensenten, drukkers, groot- en kleinhandelaren. Kortom: al wie zijn brood verdient met bedrukt papier.

Een belletrist, zoals wij er in Vlaanderen en Nederland een paar dozijn kennen, genre Lanoye, Brusselmans, Verhulst, Mortier,… levert minstens elke twee jaar een roman af,- niet alleen uit contractuele verplichting, maar vooral ook om “in de markt” te blijven en niet vergeten te worden.

Hoezeer zijn dan de boeken te koesteren die maar niet voltooid geraken! Hoe trager de tekst zich ontwikkelt, hoe meer hoorn er is gegroeid aan de buitenkant, hoe meer hij het onzegbare probeert te zeggen,- een einddoel dat nooit gehaald wordt. Musil werkte 20 jaar aan zijn Opus Magnum, namelijk van 1921 tot 1941. Hij had geen haast om zich bij het kransje van bekende schrijvers te voegen, maar misschien was er zelfs een afkeer van de openbaarheid, en een bezorgdheid dat teveel licht de tekst zou kunnen corrumperen: lezers die een “zin” zoeken in het verhaal, critici die het kapot analyseren, uitgevers die het in de etalage leggen, of in stapels op de toonbank, of, erger nog, op de boekenbeurs-met-signerende-auteur.

Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Is het daarom dat minder conforme schrijvers soms hun manuscript vernietigen, en schilders hun doeken? Of is het daarom dat sommige boeken gewoon niet geschreven worden? Lopen wij allemaal rond met een boek in het hoofd, dat we niet schrijven, – uit angst dat het door een onbevoegde zou geopend worden? De angst voor de verwonding, de aanranding? Is het ongeschreven boek niet de beste voorzorg tegen de destructiviteit van het lezen?

En zo kom ik tot een vrij bizarre, maar toch compleet logische, nieuwe, post-Musiliaanse definitie van een tekst,- als roman, boek, gedicht, plastisch kunstwerk, muziekstuk, of wat dan ook …-: hij dient helemaal niet om gelezen te worden. Veeleer is het een monoloog, de afdruk van een reeks fysische en mentale processen, waarin de auteur zich van elke externe samenhang distantiëert. De ideale tekst is gesloten en past nergens in, in geen enkele bibliotheek of collectie. Alleen het (onleesbare) manuscript is authentiek. Het boek, als consumptiegoed, is er maar een vale afspiegeling van.

Het enige verhaal dat de roman écht vertelt, is daarom dat van een breuk met de buitenwereld, een verbroken samenhang tussen het Ik en de wereld. De schrijver schrijft zichzelf uit, via een reeks priemgetallen. Het beeld van de priemgetallen past perfect: ze behoren tot de verzameling van getallen die nergens bij horen.  De cryptische tekst wordt een dagboek, een logboek van de ontsnapping uit het universum van de collecties, het museum, de bibliotheek. Hij biedt zich uiteindelijk ook niet meer aan als tekst: hij verschijnt, soms, toevallig, als een schim, om dan terug te verdwijnen.

Lezen is ont-lezen.

Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein/”Tractatus Logico-philosophicus”

Het is Musil’s tijdgenoot James Joyce die zijn teksten als ‘epiphanies’  (verschijningen) betitelde,- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints dus. Of nog minder respectvol: dronkemansgelal. Of een wind, of een boertje.

Terwijl goedmenende literatuurwetenschappers het boek nog steeds als een geordende collectie van woorden, zinnen, hoofdstukken zien, die zelf ook weer in een collectie thuishoort (de bibliotheek), is het authentieke boek net het omgekeerde: het hoort nergens bij, het is de zelfbeschrijving van een hersenknoop. Een epifanie. Elke mede-deling is dan overbodig en absurd. Het heeft geen zin om zich verstaanbaar proberen te maken,- dat leidt tot inquisitorische toestanden (“Wat bedoelt u eigenlijk?”) of misplaatste excuses, die het interview en de de TV-talkshow kenmerken, doch die het misverstand alleen maar vergroten.

Het gesloten boek vormt zo de ultieme remedie tegen het misverstand. De modale, welopgevoede lezer/collectioneur probeert nog steeds te be-grijpen, te verzamelen (legere, colligere, college, collectie) wat niet meer te verzamelen valt. De lezer moet dringend uit die waan verlost worden: er is geen sleutel of geen decodeermachine. Het zijn de lectoren, de uitgevers en de critici die een verhaal proberen te “lezen” omdat ze daar nu eenmaal pedagogisch door geconditioneerd zijn en omdat het een industrie uitmaakt. Ze zoeken en collectioneren zinnen, alinea’s en hoofdstukken, willen verbanden leggen, eigenschappen ontwaren en “kwaliteit” bespeuren, waar er eigenlijk alleen maar de voetafdruk is van een wandelend brein. In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Het is tenslotte de filosoof Ludwig Wittgenstein, die andere tijdgenoot van Musil, die de epifanische, onleesbare literatuur een manifest heeft bezorgd: “De grenzen van mijn taal, zijn de grenzen van mijn wereld”. De Tractatus Logico-Philosophicus (1921), het enige werk dat tijdens zijn leven door een uitgever werd gekaapt, begint waar Der Mann ohne Eigenschaften eindigt: in de absolute marge van het kosmische verhaal. Als vluchtplan uit het universum, weg van de samenhang en de connecties.

In die zin is lezen ont-lezen: vaststellen dat het spoor naar de binnenkant van de tekst dood loopt.

Ook de Tractatus is in de schaduw van de eerste wereldoorlog geschreven. Het is een anti-verhaal en een anti-tractaat. Het is een boek zonder eigenschappen van een filosoof zonder eigenschappen. Het probeersel van een volstrekte amateur. Ik lees het graag, omdat het niet de ambitie heeft om verstaanbaar te zijn: het is een louter hersenspinsel. Tot op vandaag weet niemand wie Ludwig eigenlijk was, en wat hij met zijn boek bedoelde, al zijn er ondertussen bibliotheken over vol geschreven, tevergeefs: Ludwig gaf zelf aan dat zijn tekst verdwijnt zodra men hem leest, en werkt als een ladder die wordt opgetrokken. Al bijna 100 jaar proberen professoren filosofie van Wittgenstein een “filosoof” te maken, iemand die in de traditie past, zonder resultaat: hij is en blijft een cancre, een kind dat van taalspelen hield en zich niet bekommerde om de ontcijfering.

In deze poëtica is de nieuwe lezer daarom een ont-lezer, een toevallige vinder van ondecodeerbare inscripties, die hij misschien even betast maar verder intact laat. Alles wat zich als openbaar, mededeelzaam, integreerbaar voordoet, valt dan genadeloos door de mand. Ik ont-lees alleen nog een bepaald soort boeken, waarvan ik vermoed dat ze niet geschreven zijn om begrepen te worden, en die ik dan ook geen geweld wil aandoen met hermeneutische breekijzers.  Ik respecteer ze als een labyrinth van woorden die alleen betekenis hebben binnen het brein van de bedenker.

Het komt er dan ook helemaal niet op aan, een boek te “begrijpen”, want dat is een daad van puur geweld, het forceren van een toegang. Heel uitzonderlijk vindt iemand toch een weg in dat labyrinth. Heel uitzonderlijk. Maar ook dan, zeker in dat geval, is het kwestie om de sleutel zo snel mogelijk weg te gooien. Ook met twee heeft men recht op eenzaamheid. Zoals de priemgetallen dus. De hoogst bereikbare existentiële toestand in dit universum, is het niét behoren tot een verzameling.

(Dit is een hoofdstuk uit het essay “Epifanie”, als lezing gegeven op 5/9/2010 in Filosofiehuis ’t Zoekend Hert/Antwerpen.)

Advertenties

2 Reacties op “De valstrik van het “tweede boek”

  1. Ik kan het niet laten u mee te delen dat ik deze bijdrage zeer weet te waarderen, hoewel ik wel aan collectievorming doe en de boeken lees die in mijn handen komen. Enig verschil van mening zal zijn dat je als lezer toch kan proberen de tekst intact te laten en te zien als een steen van Rosetta. We zouden geen mensen zijn als we niet zouden proberen de zaak te ontcijferen. Maar dan zijn er twee mogelijkheden: of we worden voyeurs, of we nemen het verhaal zoals het is mee en doen er ons eigen verhaal mee. Want wat u zegt over het niet te schrijven boek, kan ik zeer waarderen.

  2. Jan Braeken

    Mocht de titel van dit opiniestuk de titel van een tweede roman van Johan Sanctorum zijn, die uitgegeven was, dan ontstonden er een menigte wezenlijk verschillen in, om te beginnen, drie veranderlijke interpretaties van de gehelen, gevolgd door alle mogelijke interpretaties van alle lezers, simultaan of achtereenvolgens, die elkaar beïnvloeden. In het geval van veel lezers zou de hoeveelheid informatie, (on)begrip en emotie gigantisch worden. Taalnihilisme, tweederoman-nihilisme, industrie- en cultuurnihilisme, lezer-, lees-, schrijf- en begripsnihilisme (toegevoegd aan ontelbaar veel andere) zijn mogelijk allemaal extreme reacties op de andere uitersten, en hopelijk, of misschien, kunnen die nooit totaal, eeuwig en waarheid worden.