Maandelijks archief: juni 2013

Elke gedaanteverandering is een wedergeboorte.

Over meervoudige identiteiten en het geluk van niét zichzelf te kunnen zijn

Regelmatig wordt in wetenschappelijke studies gesteld dat meertaligheid de werking van het breinmetamorfose bevordert, ons mentaal fit houdt, en zelfs dementie tegenhoudt. Dat zou wel eens kunnen kloppen: rust roest, dat geldt ook voor de hersenen. Alleen: het gaat hier volgens mij niet om de hersengymnastiek zelf. Wel om de persoonlijkheidsverdubbeling die met meertaligheid gepaard gaat: bij elke taal kruipen we ook in een andere huid, dat houdt ons mentaal fit. De vurige tongen van de polyglotte apostelen, tijdens Pinksteren door de Heilige Geest bevangen: het is een metafoor voor het opgeven van de enkelvoudige identiteit, ten voordele van een veeltongig, samengesteld individu, dat zijn “gedaante” kiest in functie van de ruimte, de omgeving, de gelegenheid, de anderen.

Het Ik als gevangenis

Het ontstaan van een meervoudige of “gespleten” persoonlijkheid wordt doJekyllorgaans uitgelegd als iets pathologisch, het gevolg van een zwaar psychisch trauma bijvoorbeeld. Nochtans is poly-identiteit de normaalste zaak van de wereld. In elke ruimte, elke omgeving, doen we ons anders voor. Milieus zoals de werkplek, thuis, het gezin, maar ook virtuele plekken zoals Facebook en Twitter: telkens verandert de habitus, de taal, de omgangsvorm. In mijn optiek blijft het echter niet bij een attitude, een vorm van sociale mimicry: we veranderen écht, ook vanbinnen. Het uitwisselen en inwisselen van personae kan primair een aanpassingsgedrag zijn, maar leidt soms tot een virtuose “meertaligheid” waarbij mensen zich soms echt ontpoppen tot een nieuwe persoonlijkheid. Bekend is het geval van de vreedzame huisvader die een beest wordt achter het stuur. Of het verlegen jongentje dat ik was, en zich op een podium helemaal transformeerde tot redenaar en komiek.

In de criminologie en de misdaadliteratuur kennen we uiteraard het syndroom van Dr. Jekyll en Mr. Hyde, de goede en de slechte in één lichaam, beschreven in de roman van de Schot Robert Louis Stevenson (1850-1894) en verfilmd in 1941. Goede aanzet, maar in wezen toch een variant op het Christelijk dualisme en de idee dat er een engel en een duivel in ons huist. Waarbij de ene uiteraard de andere in bedwang moet houden. Tot op vandaag is de meeste moraal op die goed/slecht-tweeledigheid gebaseerd, de vrijzinnige evengoed als de religieuze. Terwijl we zouden moeten kunnen accepteren dat we uit een veelheid van personen bestaan. En dat de bekwaamheid om te migreren van de ene persoonlijkheid naar de andere, overeenkomstig de scène waarop we ons bevinden, van vitaal belang is om psychisch en zelfs fysiek welzijn te creëren.

Alleen zichzelf kunnen zijn is de grootste bron van eenzaamheid. Het ongeluk is enkelvoudig. Wie zich kan splitsen, vermenigvuldigen, kan het ongeluk overwinnen.

Vanaf onze geboorte krijgen we maar één identiteit mee, die een leven lang zou moeten meegaan. U bent wie u bent. De foto verandert, de naam niet, het paspoort is definitief en onherroepelijk, het curriculum vitae kan zich ontrollen.  Dat is onrealistisch en dwangmatig: leven is zich constant ontpoppen en iemand “anders” kunnen worden. Gedaanteverwisselingen: kinderen experimenteren er doorlopend mee, maar volwassenen worden geprangd in een identitair keurslijf dat het leven troosteloos, saai en ééndimensioneel maakt. Het heet dan dat kinderen een “onvolgroeide persoonlijkheid” hebben. Terwijl het net andersom is: volwassenen hebben meestal een verkommerde, gescleroseerde persoonlijkheidsstructuur.

Hun enkelvoudige identiteit is gestold, onder invloed van de sociale, politieke en juridische bureaucratie. Ze zijn  begraven in hun eigen Ik, eigenlijk al dood tijdens het leven. Hooguit vluchten ze nog eens in de dronkenschap en de roes om “iemand anders” te zijn, om dan weer terug te zinken op het nulniveau van het Ik. Alleen zichzelf kunnen zijn is de grootste bron van eenzaamheid. Het ongeluk is enkelvoudig. Wie zich kan splitsen, vermenigvuldigen, kan het ongeluk overwinnen.

Dat doen, zoals ik al aangaf, mensen die een zwaar trauma achter de rug hebben, bijvoorbeeld zware kindermishandeling en seksueel misbruik, maar het is principieel een positieve strategie die ook geluk kan voortbrengen. Leven is vluchten, ont-vluchten, uit-vluchten, van de ene ruimte in de andere. Het ontkennen van de identiteit, het vluchten voor de administratie en de politie is geen voorrecht voor criminelen: we doen het heel de tijd, zolang we kunnen, zolang we er de mentale energie voor hebben.

Theoretisch vertel ik u nu niets nieuws. De Franse filosofen Michel Foucault en Gilles Deleuze hebben, onder invloed van Friedrich Nietzsche én de Oosterse filosofieën, afgerekend met dat enkelvoudige Ik (het cogito), als een Cartesiaanse dwaling. Alleen verkopen ze het als een theorie, terwijl het de grondslag is van uw en mijn existentie. We doen het allemaal, zonder theorie, we zijn zo: niet enkelvoudig, zelfs niet de duale behuizing van goed en kwaad, maar een kast vol personages, en elke verkleding is een metamorfose.

De terreur van het foto-album

Het wordt nog erger, voor wie dacht dat identiteit iets duurzaam en complexloos was. Onlangs ontmoette ialbumk een jeugdvriend waarmee ik jarenlang optrok. Hij haalde herinneringen op en zag me als die persoon van dertig jaar terug. Weliswaar ouder, grijzer, maar toch: dezelfde. Het werd een uitzichtloos dovemansgesprek: ik was niet meer diegene die hij dacht terug te zien. Ja, ik herinnerde me die voorvallen en situaties wel die hij zo enthousiast aanhaalde, ik zag zelfs de jongeman voor me die erin acteerde, maar ik kon me er niet mee identificeren. Hij was dood.

De vraag is natuurlijk, wie hier mentaal mankeert: de jeugdvriend die à la recherche du temps perdu in een oude huid rondloopt, of diegene die de huid onderweg verloren is en er al vijf andere versleten heeft. Ik heb die jeugdvriend sindsdien niet meer teruggezien. Hij rustte in vrede.

Een gelijkaardige consternatie doet zich voor wanneer een lezer me erop wijst dat ik twee jaar geleden precies het omgekeerde beweerde ten opzichte van wat ik vandaag schrijf. “Toelaatbaar voor een fictieschrijver, maar niet voor een filosoof”,- luidt het verdict. Maar is dat zo? Waarom zou de metamorfose die we levenslang ondergaan, ook geen nieuwe gedachten, gevoelens, geen nieuwe taal kunnen opleveren? Wat is dat voor een troosteloos universum, waarin men consistent en consequent zichzelf moet herhalen, tot de leegte van de dementie ons verlost?

Het Ik van vroeger is al lang dood, maar men dwingt ons om te rouwen, in plaats van de andere, nieuwe mens in ons te omarmen.

We ervaren veel te weinig de dynamiek en de veranderingsprocessen, vooral in de dingen die we koesteren. We kunnen niet loslaten en de sprongen niet zien. De eerste symfonie van Beethoven en zijn vijfde, daar zit zo’n tien jaar tussen, maar het zijn twee aparte werelden van twee aparte individuen, die weliswaar kunsthistorisch in één carcan worden gestopt (men spreekt dan over “periodes”). Nooit vertrekt de biografie van de meervoudige identiteiten, altijd van de administratieve entiteit die Ludwig van Beethoven was, en die hij zelf uiteraard ook onderging. Probeer eens een kunstenaar te begrijpen zonder de encyclopedie en het gezanik over stijl, als ging het telkens over iemand anders: uw ogen en oren zullen opengaan.

Waarom smijten we zoveel weg, waarom besluiten we opeens om de dierbaarste souvenirs naar de rommelmarkt te brengen? Omdat de herinnering op de duur het leven verlamt en de toekomst afsluit. Het creëert neuroses en depressies, die eigenlijk vermomde zelfmoordneigingen zijn. De ballast van het verleden is de echte, omnivalente doodsoorzaak. De herinnering is een obsessionele fantasmagorie. Ze dwingt ons illusionair te denken, vanuit een Ik dat niet bestaat maar dat als sociale registratiefiche ons emotioneel leven vertroebelt en vergiftigt. De terreur van het foto-album sommeert ons om niet alleen de beelden te herbekijken, maar ook de gevoelens terug te roepen, onze huidige persoonlijkheid te zien als een variante op de vorige, waardoor het verleden het heden helemaal samendrukt. Het Ik van vroeger is al lang dood, maar men dwingt ons om te rouwen, in plaats van de andere, nieuwe mens in ons te omarmen.

Nochtans is die dood zelfs biologisch een feit. Volgens de wetenschap is de substantie van ons lichaam zowat elke zeven jaar compleet vervangen. Cellen sterven en worden gemaakt, idem dito voor de hersencellen, de grondstof van ons brein. De reïncarnatie speelt zich af binnen ons, niet erbuiten.

De vraag is, wat dit betekent voor het begrip “identiteit” en wie “wij” zijn. Natuurlijk is er de genetische structuur (zowat het enige dat niet verandert), die dan ook als juridisch bewijsmateriaal van enorm belang is. Bron van wanhoop: hoe aan de genen ontsnappen? Men kan zich meteen ook afvragen of cancerogene mutaties, binnenkort de voornaamste doodsoorzaak, geen wanhoopsreactie vormen van het individu tegen de eigen genetische determinatie.

Leven is dus veranderen, maar dan niet geleidelijk en overdrachtelijk, doch “catastrofaal”, totaal, als een afscheid. Elke metamorfose is een wedergeboorte. De poging om te ontsnappen aan onze eigen biografie is een levenslang project. Houdt die ambitie op, dan is het definitief uit. We dwingen de cellen om te sterven, om zelf te kunnen overleven.

Mijn cv leest als een dronkemansverhaal, zo merk ik net. Onbruikbaar voor sollicitatie, tenzij in het misdaadmilieu. Ik schat dat ik ondertussen zo’n vijf levens achter de rug heb. Katten hebben er negen naar het schijnt, maar ik ben al heel tevreden als ik de zeven haal. Daarna mag het licht uit.

Femen: wat willen ze echt?

FemenHet schandaleuze optreden van de Femen-activistes, doorgaans in een met slogans beschilderd naakt bovenlijf, leidt tot een amusante politieke verwarring. Vooral rechts zit ermee in de knoop, getuige het stukje “De ongeleide projectieten van Femen” van mijn compaan Filip Van Laenen op Res Publica.

Enerzijds zorgt het actieveld van Femen tegen de islam, zijn homofobie en de onderdrukking van de vrouw, voor enige sympathie bij rechtsdragend Vlaanderen. Maar het actiemodel-met-bloot zelf is deze brave huisvaders, hoofdzakelijk van katholieken huize, dan weer iets te losbandig. Vooral de canailleuze verschijning van de Femenistes op een lezing van aartsbisschop Léonard (foto) werd als “smakeloos”, “obsceen” en “godlasterlijk” ervaren. Tja. Het is natuurlijk het een of het ander: men kan niet tegen de ene theocratie zijn, en voor de andere. Bovendien is het Femen-protest eigenlijk niet eens een protest, en ook geen politiek statement, maar veeleer een poging van het vrouwelijk lichaam om orde op zaken te stellen en de penis definitief te bannen. Het feminisme, voortgezet en uitgebaggerd tot furieuze mannen- en vadermoord, met alle sociale en culturele implicaties vandien.

Niet zozeer een fysieke liquidatie van de man en zijn instrumentarium is dan aan de orde, maar wel een opzegging van alle (hetero-)seksuele verdragen en dito verkeer. De blasfemische opschriften op hun boezems mogen daarvan een voorsmaakje zijn. Men leest dit veel te politiek, en te weinig als een biologische revolutie. Hun drijfveer is dat van een vrouwelijk lichaam, dat zich wil onttrekken aan zijn seksuele voorbeschiktheid. Dat zal uiteraard enorm gerommel in onze mannelijke onderbuik veroorzaken.

Even een snelle poging om te achterhalen waar dit fenomeen de filosofische mosterd vandaan haalt: Femen is wellicht de voorhoede van een antropologische vechtscheiding.

Herenboer en patriarch: het comfort van het huwelijk

Meer en meer ben ik ervveestapelan overtuigd dat mannen en vrouwen niet (meer) bijeen horen. We zijn aan het scheiden, alleen weten we het nog niet. Liefde en seksualiteit veruiterlijken de zogenaamde aantrekkingskracht tussen man en vrouw, die evenzeer een afstotingskracht is, altijd geweest. De stabiele liefdesband, de grrrrote Liefde, met alle pathetische omlijsting vandien, is biologisch onhoudbaar, maar sociaal wel degelijk nuttig. We hebben hier dus te maken met voorstellingen, mythes, die dringend toe zijn aan een ontluistering: liefde is gewoon een kwestie van minnen en plussen, kutten en lullen, en al de rest is ideologie.

Men leest het fenomeen Femen veel te politiek, en veel te weinig als een biologisch-culturele revolutie.

Het instituut van het huwelijk is historisch gezien een list van de man om het erfrecht van zijn patrimonium (het woord alleen al!) aan de eigen kinderen, vooral de zonen dan, voor te behouden. Anders gezegd: de rijkdom binnen de familie te houden. Het is een belangrijke stap in de individualisering van de economie (de bezittingen keren niet meer terug naar de gemeenschap), maar ook in de ontwikkeling van een patriarchale samenleving.

De filosoof Friedrich Engels heeft daar interessante ideeën over op papier gezet in “De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat” (1884). Door de ontwikkeling van het eigendomsrecht in de agrarische gemeenschap worden de kuddes en de werktuigen voorbehouden aan het eigen nageslacht. Om er zeker van te zijn dat het ook echt zijn eigen kinderen waren (mannelijke trots!) moest de vrouw tot kuisheid worden gedwongen. Voor Engels is de teloorgang van het matriarchaat bijgevolg verbonden met de ontwikkeling van het eigendomsstelsel en uiteindelijk de kapitalistische economie. De staat –en dat is het sluitstuk van Engels’ theorie- wordt in toenemende mate de behoeder van dit kapitalistisch stelsel, met het gezin als hoeksteen.

Van mannetjesdier tot huisvader: bezit in stand houden heeft zijn prijs. Zo ontstond de typisch dubbele mannelijke moraal: niet tolereren dat je vrouw in bed duikt met een ander, maar wel zelf van bil gaan. Anderzijds is het verwerven van rijkdom bij de man ook een middel om zijn aanzien bij het vrouwelijke geslacht te vergroten: hoe meer koeien en varkens, hoe meer status, hoe meer wijfjes. Alleen is dat een verzwegen logica, die slechts sporadisch ontploft tot schandaal, zoals in de DSK-affaire.

Het culturele alibi: Mozart bij kaarslicht

In seksueel opzicht kon dit systeem bijgevolg niet anders dan dubbelzinnig zijn: de monogamiminnezangerse creëert enorme spanningen tussen de maatschappelijke bovenbouw en het libido, de seksuele drift. De vrouw moet kuis blijven, de man moet de katjes in het donker knijpen. De moraal schippert en knipoogt. Daarin voorspelt Engels de theorieën van Siegmund Freud: de menselijke samenleving is gegrondvest op het beheersen en onderdrukken van de lustbeleving.

Zei ik “cultuur”? Inderdaad, draai een streepje Mozart bij kaarslicht, en laat de schone gevoelens maar waaien. Religie, alle goede manieren en schone kunsten, dienen eigenlijk vooral om de dubbelzinnige mannelijke moraal te rechtvaardigen, én om het mannelijke machtsdenken in de verf te zetten. Niet toevallig is de Femen-beweging uitgesproken anti-religieus.

Onze cultuur is tot op vandaag een alibi voor een patriarchaal en paternalistisch regime. Cultuur camoufleert en legitimeert macht. Het is de hereboer, de pater familias met zijn koeien en varkens die spreekt uit de gebeden, de gedichten, de gezangen en de conterfeitsels. Ze zijn ook voor hem bestemd: in wezen is cultuur een monoloog van-man-tot-man, ondanks die ene harpiste in de Wiener Filarmoniker.

Het tijdperk van de klassieke (hetero-)seksualiteit is voorbij. In termen van voortplanting was haar rol trouwens al geruime tijd uitgespeeld.

De liefdeslyriek, hét culturele thema sinds het einde van de ijstijd, parafraseert de eeuwige band tussen man en vrouw , maar ook de (mannelijke) ontrouw. Don Juan is het absolute model van de rokkenjager én van de kunstenaar-estheet. Tristan und Isolde, een ode aan het Platonisme en de zgn. absolute liefde, is uiteindelijk slechts de sublimatie van een buitenechtelijke relatie tussen componist Richard Wagner en de bankiersvrouw (!) Mathilde Wesendonck.

Borsten als scheermesjes

Bertlmann

Renate Bertlmann : “Ex voto”, 1985

In de natte droom van Friedrich Engels zou het patriarchale gezin verdwijnen samen met de kapitalistische economie, en zouden we terugkeren naar een aartsparadijs, een bezitloze samenleving met een matriarchale structuur. Joepie. Vandaag weten we dat deze utopie niet realiseerbaar is: het uiteenvallen van het gezin zoals het we nu meemaken, via allerlei tussenstappen zoals co-oudersschap, nestgezin, mikado-gezin, levert geen collectivistisch-matriarchaal oerparadijs op, maar, integendeel, een extreem individualistische en geatomiseerde samenleving waarin de jager oppermachtiger is dan ooit. Hij profileert zich als carrièremens, bankier, alfadier, lonely wolf. Alle menselijke connecties zijn toevallig en tijdelijk, en onderworpen aan het nutscriterium. Ook de intieme relaties (die overigens steeds minder intiem worden). Deze verzakelijking, door de socioloog Max Weber (1864-1920) bestudeerd, maakt alles verhandelbaar, ook het seksuele, en leidt tot de welbekende pornificatie van de samenleving.

Een totaalkritiek op het systeem moet dan ook een bijzondere manier omgaan met deze pornificatie. Hoe? Door het vrouwelijke lichaam te tonen, in volle glorie, én tegelijk te ont-erotiseren. Het revolutionaire van een actiegroep als Femen ligt nu juist daarin: ze vallen frontaal de fallo-patriarchale cultuur aan, in al haar aspecten, waarbij het naakt niet meer als prikkel geldt maar, integendeel, als wapen. Mannen verkijken er zich compleet op. Ze verwarren Femen met politiek-ludieke strip-tease, en denken dat de acties het voorspel zijn van een wilde haremnacht. Niet dus: de blote borsten hebben scheermesjes op de plek van de tepels, eventueel gesymboliseerd in tatoo-vorm.

De voornaamste drijfveer van de mannelijke seksualiteit, nl. (terug) in de schoot dringen en aan de boezem van de moeder-vrouw hangen, wordt daarmee drastisch gekortwiekt: het feest gaat gewoon niet meer door, er zijn teveel scherpe kantjes aan. Terecht is mannetjesputter Poetin zeer beducht voor het anticulturele en anti-religieuze Pussy Riot. 

Dat beeld van die snijdende tepels haal ik van de bij ons compleet onbekende artieste Renate Bertlmann (Wenen, 1943), die door een sadistische lectuur van de man/vrouw-relatie heel onze herenboercultuur openbreekt. Ze ontleedt, deconstrueert en parodieert het vrouwelijke schoonheidsideaal, het mannelijke pathos, én meteen ook de pornografische clichés. De liefde is voor haar geen eenheidsstreven meer, maar een ironisch spel met scherpe kantjes en soms fatale scheuren.

Voor door-en-door patriarchale ideologieën zoals de islam moet dit de hel zijn: naakte vrouwen met een castratie-apparatuur. Alleen al daarom wekken ze mijn sympathie op.

De ont-manning van de maatschappij is dus niet noodzakelijk de prelude tot een nieuwe matriarchale samenleving. In mijn essay “De slutwalk, van onderuit bekeken”, geloofde ik daar nog in, maar ik moet dat idealisme bijstellen. Veeleer lijkt het erop dat de wegen van de geslachten uiteengaan, wellicht definitief. Klassieke heteroseks is zeker niet meer nodig voor de voorplanting op deze overbevolkte planeet, maar ook de ingebakken biologische ondergeschiktheid van de vrouw in de paring, weerspiegeld in de dominante sociale status van de man, is passé. Gevolg?…:

Seksuele boedelscheiding

De seksualiteit zal zich heroriëfemen2nteren, de cultuur zal volgen. Ik zie vrouwencollectieven ontstaan –opvolgers van de nonnenkloosters- waarin de dildo en ander speelgoed aan alle wensen voldoet. Ik zie mannenclubs verrijzen, die ofwel op homoseksualiteit draaien, ofwel via kunstvagina’s het testosteron verbranden. Het uiteenvallen van het gezin is als het ware de miniatuurversie van een antropologisch schisma. Uiteindelijk zal deze seksuele boedelscheiding aparte paradigma’s opleveren, gescheiden werelden, twee humane subsoorten, met hier en daar nog een check-point voor het hoogst noodzakelijke.

Voor de planeet Aarde is dit separatisme een goede zaak, en wellicht zelfs ook voor de mens in zijn/haar posthumane versie. Als het Freudiaans paradigma wegvalt, waarin mannetjes voortdurend de wijfjes belagen en hun macht willen vergroten, dan verdwijnt de belangrijkste drijfveer tot agressie. Alle religieuze en ideologische systemen zullen in elkaar stuiken en tot stof verzinken, dankzij de gescheiden existentie van de twee kloosterorden. Meer en meer stemmen gaan overigens op om het onderwijs terug te ontmengen, en meisjes en jongens gescheiden op te voeden. Het blijkt namelijk dat de twee seksen, door de coëducatie, al zeer vroeg tot de seksistische rolpatronen overgaan (mannetje imponeert wijfje, wijfje schikt zich in de passieve rol), het omgekeerde van wat de uitdenkers ervan beoogden.

Uiteindelijk zal deze seksuele boedelscheiding aparte paradigma’s opleveren, gescheiden werelden, twee humane subsoorten, met hier en daar nog een check-point voor het hoogst noodzakelijke.

Het tijdperk van de klassieke (hetero-)seksualiteit is voorbij. In termen van voortplanting is haar rol al geruime tijd uitgespeeld. Nu vervallen ook de erotische alibi’s, en lijken man en vrouw gedoemd om
psychisch en lichamelijk hun eigen weg te gaan. De verzwegen doelstelling van de “ongeleide projectieten” ligt daarin. Geen emancipatie, maar wel segregatie. Geen harmonie, maar wel onthechting, in de zeer letterlijk zin. Dat de boerka’s en nikabs dan vallen, samen met heel de Koran-dicatuur, is mooi meegenomen. Maar hetzelfde lot wacht de andere versies van het Heilige Boek, er is voor de aartsbisschop geen rol meer weggelegd tenzij deze van castraat in het convent.

Zo krijgt dit verhaal toch nog een happy-end, en kan ik als man én minnaar in vrede rusten.

Snelle meningendemocratie versus het “autisme” van klokkenluiders

Sinds enige tijd heeft de zelfverklaarde kwaliteitskrant De Standaard opnieuw de journalistieke lat lager gelegd: kortere berichten, veel minder diepgang en achtergrond,  vooral veel grote titels die schreeuwen om aandacht, en een wirwar van onbenullige cursiefjes die nergens over gaan.

Naar het schijnt kreeg een pakketje redacteurs zelfs zijn C4, omdat zo’n tabloid-achtige snelkrant (nu ook op tablet) nu eenmaal minder journalistieke mankracht vergt. En vooral ook omdat de lezer in toenemende mate zelf zijn krant schrijft, dat spaart personeelskosten uit.

En jawel: waren de opiniepagina’s nog voorbehouden aan VIPs en personen met een BV-status, dan is de achterste bladzijde nu helemaal gereserveerd voor uw mening. Over van alles en nog wat: de Antwerpse Sinksenfoor, het einde van de BOB-campagnes, de fraudekliklijn, de voorsteekpas in Walibi, preventieve borstamputatie, u noemt het maar. Korte meninkjes van lezers worden aangevuld met in het wilde weg geplukte Facebook-citaten, die samen een Babylonische carrousel vormen.

Meningitis

Oppervlakkig bekeken is dit zonder meer de apotheose van de burgerlijk-liberale samenleving wafacebookar zelfs de Verlichtingsfilosofen niet van durfden dromen: een krant waar we met z’n allen aan meeschrijven,-  dat is toch het nec-plus-ultra van de vrijemeningscultuur? Ja, edoch:  snelle meningen zijn dikwijls ook loze meningen.

Elke dag wordt u om een opinie gevraagd over wat zich in de krant of op de
televisie aandient. De vrijheid van mening is veranderd in de verplichting om er een te hebben, altijd, over alles. Deze overstimulering van de meningklier belet mensen eigenlijk om zich te bezinnen, en ontneemt hen de tijd om de stukjes van de puzzel zelf in elkaar te passen. Het moordend productietempo van het dag-blad en het TV-actualiteitsformat, per definitie aan de waan van de dag gewijd, leidt tot een hysterische instant-meningencultuur die, paradoxaal genoeg het vrijemeningsprincipe uitholt.

In de snelle, “sociale” democratie mag alles wel gezegd worden, maar er is gewoon geen tijd meer om na te denken, onze hersenen slaan in de knoop,- althans de trage hersenen die instaan voor het betere werk. De mening moet er al zijn, lang voor de reflectie een kans maakt. Reageert u pas na 48 uur, dan zit u alweer twee items achter en bent u hopeloos te laat. De enquêteurs achtervolgen ons, of spitten Facebook uit, waar het devies geldt: één dag geen mening, één dag niet geleefd. De snelle mening die u zo weet uit de mouw te slaan, is trouwens meestal niets meer dan wat u … de dag tevoren in de krant hebt gelezen. Instant-meningen zijn gerecycleerde meningen.

In de instant-meningdemocratie mag alles wel gezegd worden, maar er is gewoon geen tijd meer om na te denken, onze hersenen slaan in de knoop,- althans de trage hersenen die instaan voor het betere en taaie werk.

En dat zou een bijkomend marketing-objectief kunnen zijn van de postmoderne media-business, die streeft naar een zo maximaal mogelijk mainstream-model, de grootste gemene deler van alles en iedereen: maak mensen murw, niet zozeer door hen te overstelpen met informatie, maar vooral door hen te overbevragen en opiniematig te hyperactiveren. Laat hen zichzelf platlullen. De actieve lezer wordt een lijder aan chronische meningkoorts. Het zogenaamde “publieke debat” is een vlooientheater, door de media met voorbedachten rade geregisseerd om ons te vermoeien en in slaap te wiegen, in de veronderstelling dat een democratie bloeit dankzij een veralgemeend “Wat vindt u van…?”-votingsysteem.

Dit uitlokkingsmechanisme tast de mentale weerbaarheid aan. Het is als een klier die onophoudelijk wordt geprikkeld en het brein desoriënteert, een verschijnsel dat ik met mijn beperkte kennis van de geneeskunde als meningitis zou kunnen betittelen.

De obsessie van het kortetermijn-participationisme (op elk moment over alles een mening moeten hebben) eist alle energie op, die men zou kunnen gebruiken om de puzzel zelf geduldig in elkaar te leggen (omdat de journalistiek het toch niet meer doet), teksten te vergelijken, dingen te laten bezinken, het achterhoofd te laten werken, of gewoon even… geen mening te hebben. De hyperactieve, gemediatiseerde totaaldemocratie wordt zo een perfecte, discrete dictatuur van de oppervlakkigheid en de participatiedwang. Cui bono? In wiens voordeel?

Vind ik leuk

Het antwoord op die vraag werd de laatste dagen voor een goede verstaander duidelijk. Het feit dat Amerikaanse inlichtingendiensten, via het zogenaamde Prism-programma, al jaren e-mails, chatberichten, videobeelden, foto’s en zoekgeschiedenissen van internetgebruikers over de hele wereld bekijken, via computerservers van onder meer Google, Apple, Facebook, Yahoo, Skype, YouTube en Microsoft, mocht ons nauwelijks verbazen.

Het argwaan tegen “sociale media” zoals Facebook is gewettigd: ze nemen met de ene hand weg wat ze met de andere hand geven. Enerzijds kreeg elke wereldburger een forum en een eigen blog, wat oogt als een opwaardering van de democratie. Anderzijds werd de totale zichtbaarheid van het individu een feit, en werd hij aangemoedigd om zich als een publiek object op te stellen, zichtbaar voor de marketeers (waaraan we de tonnen reclame in onze mailbox danken), de belastingcontroleur, onze werkgever, en nu blijkbaar dus ook voor de spionagediensten en staatsveiligheid die wereldwijd met het Prism-programma verbonden zijn,- ook de Belgische overigens. U plaatst iets op Facebook, Obama leest mee. Vind ik leuk!

Interessant is nu om te observeren hoe de reguliere media omgaan met de onthulling hiervan, en meerbepaald ook met de persoon van klokkenluider Edward Snowden. Het bleek namelijk dat Snowden al in 2004 de “kwaliteitskrant” The New York Times had gecontacteerd over deze kwestie, maar de krant had er niets mee gedaan. Vermoedelijk ten eerste omdat ze daarmee in een ongemakkelijke relatie met de overheid kon komen, en ten tweede omdat de éénmansactie van Snowden natuurlijk aantoont dat de media zelf hun werk niet goed doen. De klokkenluider zocht tenslotte zijn toevlucht tot de Britse krant The Guardian, die een goede reputatie heeft aangaande onderzoeksjournalistiek (maar commercieel in grote problemen zit, ook niet toevallig).

Onaangepast en asociaal

Snowden

Klokkenluider Edward Snowden: sociopaat, landverrader, of beide?

Het lijkt erop dat de klokkenluider, met zijn taaie en compromisloze diepgravendheid, veeleer in de weg loopt van de klassieke media en hun mainstream-gerichte zakenmodellen.  Dus moet er met scherp geschoten worden. Volgens columnist David Brooks van The New York Times –dezelfde krant dus die hem in 2004 wandelen stuurde- is Snowden een onaangepaste sociopaat. Als “ultieme eenling” voert hij een permanente oorlog tegen de staat en is hij de exponent van een verzuurde samenleving, een ongeneeslijke cynicus, jawel. The Washington Post wist nog te vertellen dat die malle Edward geen contact onderhield met zijn buren en zijn oude moeder maar zelden bezocht. Hoe kun je nu zo’n man ernstig nemen?

Deze stigmatisering van de klokkenluider tot sociopaat en/of landverrader, uitgerekend door de media zelf, wijst erop waartoe de snelle democratie in staat is. De bedoeling van die klokkenluider is immers om iets fundamenteel aan de kaak te stellen of om feiten te onthullen die in de doofpot worden gehouden, en die door de media niet worden opgemerkt of zelfs verzwegen. Zijn bedoeling is, om de wereld van de schijn te doorbreken en in een publiek statement, een getuigenis, een glimp van waarheid te tonen. Maar in plaats daarvan wordt hij zelf meegesleurd in de waan van de dag, en uiteindelijk weggezet als een crimineel of als een geval voor de psychiatrie. De Standaard echoode hierin trouwens onlangs mee.

Wie als individu aan het systeem raakt, krijgt het etiket van “losgeslagen lonely wolf” toebedeeld, zeker als hij/zij niet beschermd wordt door een groep, een vereniging, een partij. Herinner u, ook de klokkenluiders van de Hazodi-affaire (het corruptieschandaal in de politiezone Hasselt) kregen lik op stuk en het deksel op de neus: ze werden zelf aangeklaagd en van pestgedrag beschuldigd, waarbij allerlei persoonlijke en familiale achtergronden van de klokkenluiders de revue deden, om toch maar te bewijzen dat er meer dan een oor af was.

De spreidstand tussen de meningencultuur van de massademocratie, en de “afwijkende opinie” van de klokkenluider wordt steeds groter. De eerste wordt aangemoedigd, de tweede wordt vogelvrij verklaard.

Het lijkt de omgekeerde wereld, maar het is een systeem, de clichés worden in alle media op ons afgevuurd: Julian Assanges is een schandaalbeluste seksmaniak; zijn compaan, Bradley Manning, een normenloze homoseksueel die als landverrader levenslang hoort te krijgen; de nieuwste in de rij, Edward Snowden dus, lijdt volgens de ene journalist aan het Asperger-syndroom, en is voor de andere een  “…grandioze narcist die in de gevangenis thuishoort’ (Jeffrey Toobin in The New Yorker).

Daarmee weten we het wel: mijd de klokkenluiders, autisten zijn het. Wees sociaal, doe mee, lees liever de krant of post iets op Facebook. Er schijnt zo een polarisatie aan de gang te zijn, tussen enerzijds de snelle mediademocratie die bij de waan van de dag zweert en haar lezers-consumenten daarin meesleurt, hierin gesteund door de sociale media, en anderzijds de radicale zoekstrategie van de individualistische klokkenluiders. Ze gaan voor de waarheid en zijn opgejaagd wild. Men zou hen de Robin Hoods van deze tijd kunnen noemen, met dat verschil dat de klokkenluiders zelfs geen volkshelden meer kunnen worden, gezien het volk vooral de krant leest en twittert.

Eenzaamheid is in deze communicatiemaatschappij zo verdacht, dat het een argument wordt om iemand af te schieten die -soms noodgedwongen- onderduikt en in de luwte een traject alleen aflegt. De spreidstand tussen de universele meningencultuur van de massademocratie, en de “afwijkende opinie” van de klokkenluider wordt steeds groter. De eerste wordt aangemoedigd, de tweede wordt vogelvrij verklaard. Terwijl u en ik steeds maar weer onze mening moeten verkondigen, over bijvoorbeeld de plaats waar de Sinksenfoor hoort te staan, worden mensen, die zijn gaan graven en echt iets te vertellen hebben, gecriminaliseerd en/of gepathologiseerd.

Zowel de klassieke media als de sociale media tonen zich hier van een weinig fraaie kant. Zo lopen de commerciële belangen en de politieke machtslogica toch weer samen: geen van beide heeft iets te winnen bij een echte mondigwording van het individu. Dat laatste zou men zelfs kunnen opvatten als een kenmerk van sluimerend autisme…

Noot achteraf

In mediakritiek op zich geloof ik niet meer, als ze niet gelinkt is aan een breder maatschappijkritisch verhaal rond macht en manipulatie. Mijn achtbare confrater Frank Thevissen, waarmee ik “Media en Journalistiek in Vlaanderen” (2009) schreef en samenstelde, houdt er zich nog mee bezig – dus mediakritiek as such-, maar meer dan wat cynisch getwitter levert het niet op. Het is een doodlopend spoor. Veeleer geloof ik in de emancipatie van de lezer/kijker/mediaconsument tot individuele onderzoeksjournalist die versies vergelijkt, zelf een en ander toetst, surft, op zoek gaat, misschien zelfs op een zeker ogenblik “inbreekt” of undercover gaat. Het onderwijs zou een belangrijke rol kunnen spelen in deze opvoeding tot kritisch, eventueel politiek-incorrect burgerschap. De democratie zou er zeker bij gebaat zijn.

JS

De school: laboratorium of confectiefabriek?

einsteinEén ding is zeker: het onderwijs en de lerende jonge Vlamingen zijn zelf de dupe van de politieke koehandel die zopas leidde tot het compromis à la belge binnen de Vlaamse regering. Daarom even terug naar de essentie, nu de politieke debatten gesloten zijn: de vraag wat leren betekent in onze samenleving, in sociaal, intellectueel en cultureel opzicht. Grote pedagogen hebben daarover hun licht laten schijnen, maar die namen heb ik nauwelijks of niet zien opduiken in het door de media opgefokte imbroglio van meningen.

Humaniora: de school als levensschool

dorpsschool

Ferdinand De Braekeleer: “De dorpsschool”, 1854

In onze cultuur- en beschavingsgeschiedenis is de school, als instituut, een problematisch gegeven. Het is dé plek waar kennis wordt overgedragen, maar het is voor vele jonge mensen ook een dodelijke plek waar creativiteit wordt gefnuikt. Ik zal het nu maar eens niet hebben over de 15-jarige Albert Einstein die door zijn leraars werd gekwalificeerd als intellectueel zwak, ongeïnteresseerd en zelfs kwaadwillig. En ook niet over de componist Igor Stravinsky, die als jongeman werd afgeraden om conservatorium te gaan doen: onvoldoende talent, luidde het verdict.

Neen, ik zal even kort Jean Piaget aanhalen, de vader van de moderne ontwikkelingspsychologie, waaraan ik ooit een academische scriptie wijdde. Zonder u met nodeloos jargon op te zadelen: Piaget interesseerde zich vooral in de jonge lerende mens, en in de manier hoe kennis wordt verworven,- de zogenaamde cognitieve leerpsychologie. De school is niet zomaar een gebouw met onderwijzend personeel (zoals de vakbonden het zien), maar een sociale structuur, een microkosmos, waarin kennis door de leerling wordt opgenomen maar ook kritische geëvalueerd en soms zelfs wordt afgestoten. Niet uit domheid, maar uit onbevangenheid. Men stelt vragen die wij, als volwassen gewoontedieren, al lang niet meer stellen. Heeft de maan wel een achterkant? Heeft Socrates ooit bestaan?

Hoewel we allemaal op de schoolbanken hebben gezeten, hebben we er geen idee van, hoe ingewikkeld een leerproces wel in elkaar steek. Het gaat om veel meer dan verzwelgen en op het juiste moment weer uitspuwen.

Het assimileren van leerstof is, in de visie van Jean Piaget, tegelijk ook een strijd met die leerstof, én met de (altijd min of meer autoritaire) schoolomgeving, én met de programma’s, én met de leerkracht, jawel. Alles wordt geproblematiseerd, iets waar pubers uiteraard goed in zijn. Soms worden de pupillen echt “slimmer” dan de leerkracht, denk maar aan de informaticalessen. Pijnlijk, maar anderzijds ook een hoopvol teken.

Tussen de 12 en de 18 jaar, na het verwerven van een basis en vóór de eigenlijke beroepsvorming, al dan niet via univ, voltrekt zich zo de chemie van het individu dat grenzen aftast, de wereld problematiseert, de traditie in vraag stelt, zijn relatie met de gemeenschap definieert, en vooral zichzelf ontdekt.  Menswording dus,- ooit heette dat humaniora. Per definitie, en volgens de Europese Verlichtingsfilosofie, toch iets waar niemand van uitgesloten hoeft te worden.

Innovatie: hier brandt de lamp

Het gevaaEdisonr van een al te snelle beroepsopleiding –en dat geldt evenzeer voor de bouwvakker als de kernfysicus- is vandaag het verlies van het overzicht en de fragmentarisering van de kennis. De school, als menselijk confectieatelier en diplomafabriek, is achterhaald. Zelfs het begrip “carrière” op zich, als een lineaire loopbaan in één discipline, is niet meer toereikend om een kenniseconomie van de 21ste eeuw aan te kunnen. We gaan naar een tijdperk van levenslang leren, maar ook van uitwisselen, herbronnen, muteren. Tuiniers die wiskunde gaan studeren, en fysici die eindelijk in een garage eens gaan kijken hoe een auto echt in elkaar zit.

Het klaarstomen van vakidioten is vandaag dan ook een volstrekt anachronisme,- het is eigenlijke een vroeg-19de eeuwse opvatting van opleiding, overeenkomstig de productiesystemen van de eerste industriële revolutie: bandwerk, een strenge fabriekshiërarchie, strikte afbakening van competenties, waarbij de laagste-in-stand, de arbeider, een ongeschoold verlengstuk van de machine was. Het was een echo van de middeleeuwse standenmaatschappij, met dien verstande dat de boeren werden getransformeerd tot een industrieel proletariaat.

 Als we zo voortboeren, is Vlaanderen niet alleen een regio zonder intellectuele creativiteit, maar ook het land waar niet één dakgoot nog recht hangt.

Vanaf 1850 wordt wetenschappelijke innovatie een prioriteit en eisen de uitvinders hun plaats op, met Thomas Alva Edison als allerbekendste. Maar Edison was een autodidact, een ongeletterde krantenventer die ooit eens een geïmproviseerd labo in een lege treinwagon de lucht deed invliegen. Toen al bleek het onderwijssysteem achterop te hinken, niet alleen door de sociale ongelijkheid, maar ook simpelweg omdat het systeem met dit soort losbandige creatievelingen geen raad wist.

Vandaag staan we opnieuw voor de enorme uitdaging van een verouderd industrieel apparaat én een hinkende kenniseconomie en een gedateerd onderwijssysteem. Met het gevaar dat we kostbare hersencellen gaan verspillen,- het verhaal van de lamp onder de korenmaat. “Innovatie” is het toverwoord, maar niemand weet goed waar het voor staat. Ik zal, me baserend op pedagogen als Piaget, er een duidelijk antwoord op geven: innovatie gaat over intellectuele én materiële verversing van structuren, mensen, ideeën, apparatuur, infrastructuur,- en dat allemaal min of meer tegelijk. Een stille revolutie dus. In een onderwijssysteem van gescheiden vaten, waar psychologische koffiedikkijkers al op 12-jarige leeftijd “weten” welk vlees ze in de kuip hebben, zullen de Einsteins en de Edisons nooit meer doorbreken.

Transdisciplinariteit: Latijn in de keuken

Het is dus kwestiHT-Kok10032402e om de maatschappelijke, wetenschappelijke, technologische – en waarom niet: ook culturele- renaissance voor een stuk in de open school zelf te laten plaats vinden, als een laboratorium dat dus ook wel eens in de lucht kan vliegen.

Een, wat disciplines en domeinen betreft, “brede school” heeft het voordeel dat het kennisuniversum horizontaal kan geëxploreerd worden en ontdekkingstrajecten stimuleert. Met alle botsingen en confrontaties vandien. In gewone mensentaal: laat de bolleboos ook maar eens een auto uiteen halen, wie weet wat hij vindt. En laat die tot ‘vakman” gepredestineerde kok proeven van het Latijn, het zal de filologen misschien verrassen. Alleen op die manier kunnen we het fatale “watervalsysteem” (met het ASO aan de top en het “beroeps” onderaan) keren.

Ik ben dan ook sterk voor een inbedding van bv. het deeltijds kunstonderwijs (muziek, plastische kunsten) in het lager en middelbaar. Het wegnemen van de hermetische tussenschotten tussen domeinen en richtingen, moet het de pupillen mogelijk maken om over het muurtje te kijken en uit de fameuze box te denken. Iets wat men “transdisciplinariteit” noemt.

Dat is uiteraard nog wat anders dan leerlingen van het TSO en het ASO samen op de koer laten spelen, zoals minister Pascal Smet het voorstelt. Het gaat om uitwisseling, osmose en grensoverschrijdend denken. Kinderen en jongeren zijn van nature transdisciplinair, maar de structuren willen niet mee. Ze ruiken naar ouderdom en grijsheid.

Het huidige akkoord over de onderwijshervorming is een (voorlopig) pact tussen partijen, maar gaat niet over pedagogie en onderwijsfilosofie. Het eigenlijke debat moet dus nog beginnen. Maar ondertussen staan de elitescholen al klaar om de bollebozen op te vangen en klaar te stomen tot een nieuwe generatie van wereldvreemde hoofdarbeiders, CEO’s, ingenieurs met twee linkerhanden, juristen die in een toga geboren lijken, en die ondertussen nauwelijks nog een vakman vinden om hun dakgoot te repareren. Laat staan dat ze het zelf zouden kunnen.  Als we zo voortboeren, is Vlaanderen niet alleen een regio zonder intellectuele creativiteit, maar ook het land waar niet één dakgoot nog recht hangt.