De school: laboratorium of confectiefabriek?

einsteinEén ding is zeker: het onderwijs en de lerende jonge Vlamingen zijn zelf de dupe van de politieke koehandel die zopas leidde tot het compromis à la belge binnen de Vlaamse regering. Daarom even terug naar de essentie, nu de politieke debatten gesloten zijn: de vraag wat leren betekent in onze samenleving, in sociaal, intellectueel en cultureel opzicht. Grote pedagogen hebben daarover hun licht laten schijnen, maar die namen heb ik nauwelijks of niet zien opduiken in het door de media opgefokte imbroglio van meningen.

Humaniora: de school als levensschool

dorpsschool

Ferdinand De Braekeleer: “De dorpsschool”, 1854

In onze cultuur- en beschavingsgeschiedenis is de school, als instituut, een problematisch gegeven. Het is dé plek waar kennis wordt overgedragen, maar het is voor vele jonge mensen ook een dodelijke plek waar creativiteit wordt gefnuikt. Ik zal het nu maar eens niet hebben over de 15-jarige Albert Einstein die door zijn leraars werd gekwalificeerd als intellectueel zwak, ongeïnteresseerd en zelfs kwaadwillig. En ook niet over de componist Igor Stravinsky, die als jongeman werd afgeraden om conservatorium te gaan doen: onvoldoende talent, luidde het verdict.

Neen, ik zal even kort Jean Piaget aanhalen, de vader van de moderne ontwikkelingspsychologie, waaraan ik ooit een academische scriptie wijdde. Zonder u met nodeloos jargon op te zadelen: Piaget interesseerde zich vooral in de jonge lerende mens, en in de manier hoe kennis wordt verworven,- de zogenaamde cognitieve leerpsychologie. De school is niet zomaar een gebouw met onderwijzend personeel (zoals de vakbonden het zien), maar een sociale structuur, een microkosmos, waarin kennis door de leerling wordt opgenomen maar ook kritische geëvalueerd en soms zelfs wordt afgestoten. Niet uit domheid, maar uit onbevangenheid. Men stelt vragen die wij, als volwassen gewoontedieren, al lang niet meer stellen. Heeft de maan wel een achterkant? Heeft Socrates ooit bestaan?

Hoewel we allemaal op de schoolbanken hebben gezeten, hebben we er geen idee van, hoe ingewikkeld een leerproces wel in elkaar steek. Het gaat om veel meer dan verzwelgen en op het juiste moment weer uitspuwen.

Het assimileren van leerstof is, in de visie van Jean Piaget, tegelijk ook een strijd met die leerstof, én met de (altijd min of meer autoritaire) schoolomgeving, én met de programma’s, én met de leerkracht, jawel. Alles wordt geproblematiseerd, iets waar pubers uiteraard goed in zijn. Soms worden de pupillen echt “slimmer” dan de leerkracht, denk maar aan de informaticalessen. Pijnlijk, maar anderzijds ook een hoopvol teken.

Tussen de 12 en de 18 jaar, na het verwerven van een basis en vóór de eigenlijke beroepsvorming, al dan niet via univ, voltrekt zich zo de chemie van het individu dat grenzen aftast, de wereld problematiseert, de traditie in vraag stelt, zijn relatie met de gemeenschap definieert, en vooral zichzelf ontdekt.  Menswording dus,- ooit heette dat humaniora. Per definitie, en volgens de Europese Verlichtingsfilosofie, toch iets waar niemand van uitgesloten hoeft te worden.

Innovatie: hier brandt de lamp

Het gevaaEdisonr van een al te snelle beroepsopleiding –en dat geldt evenzeer voor de bouwvakker als de kernfysicus- is vandaag het verlies van het overzicht en de fragmentarisering van de kennis. De school, als menselijk confectieatelier en diplomafabriek, is achterhaald. Zelfs het begrip “carrière” op zich, als een lineaire loopbaan in één discipline, is niet meer toereikend om een kenniseconomie van de 21ste eeuw aan te kunnen. We gaan naar een tijdperk van levenslang leren, maar ook van uitwisselen, herbronnen, muteren. Tuiniers die wiskunde gaan studeren, en fysici die eindelijk in een garage eens gaan kijken hoe een auto echt in elkaar zit.

Het klaarstomen van vakidioten is vandaag dan ook een volstrekt anachronisme,- het is eigenlijke een vroeg-19de eeuwse opvatting van opleiding, overeenkomstig de productiesystemen van de eerste industriële revolutie: bandwerk, een strenge fabriekshiërarchie, strikte afbakening van competenties, waarbij de laagste-in-stand, de arbeider, een ongeschoold verlengstuk van de machine was. Het was een echo van de middeleeuwse standenmaatschappij, met dien verstande dat de boeren werden getransformeerd tot een industrieel proletariaat.

 Als we zo voortboeren, is Vlaanderen niet alleen een regio zonder intellectuele creativiteit, maar ook het land waar niet één dakgoot nog recht hangt.

Vanaf 1850 wordt wetenschappelijke innovatie een prioriteit en eisen de uitvinders hun plaats op, met Thomas Alva Edison als allerbekendste. Maar Edison was een autodidact, een ongeletterde krantenventer die ooit eens een geïmproviseerd labo in een lege treinwagon de lucht deed invliegen. Toen al bleek het onderwijssysteem achterop te hinken, niet alleen door de sociale ongelijkheid, maar ook simpelweg omdat het systeem met dit soort losbandige creatievelingen geen raad wist.

Vandaag staan we opnieuw voor de enorme uitdaging van een verouderd industrieel apparaat én een hinkende kenniseconomie en een gedateerd onderwijssysteem. Met het gevaar dat we kostbare hersencellen gaan verspillen,- het verhaal van de lamp onder de korenmaat. “Innovatie” is het toverwoord, maar niemand weet goed waar het voor staat. Ik zal, me baserend op pedagogen als Piaget, er een duidelijk antwoord op geven: innovatie gaat over intellectuele én materiële verversing van structuren, mensen, ideeën, apparatuur, infrastructuur,- en dat allemaal min of meer tegelijk. Een stille revolutie dus. In een onderwijssysteem van gescheiden vaten, waar psychologische koffiedikkijkers al op 12-jarige leeftijd “weten” welk vlees ze in de kuip hebben, zullen de Einsteins en de Edisons nooit meer doorbreken.

Transdisciplinariteit: Latijn in de keuken

Het is dus kwestiHT-Kok10032402e om de maatschappelijke, wetenschappelijke, technologische – en waarom niet: ook culturele- renaissance voor een stuk in de open school zelf te laten plaats vinden, als een laboratorium dat dus ook wel eens in de lucht kan vliegen.

Een, wat disciplines en domeinen betreft, “brede school” heeft het voordeel dat het kennisuniversum horizontaal kan geëxploreerd worden en ontdekkingstrajecten stimuleert. Met alle botsingen en confrontaties vandien. In gewone mensentaal: laat de bolleboos ook maar eens een auto uiteen halen, wie weet wat hij vindt. En laat die tot ‘vakman” gepredestineerde kok proeven van het Latijn, het zal de filologen misschien verrassen. Alleen op die manier kunnen we het fatale “watervalsysteem” (met het ASO aan de top en het “beroeps” onderaan) keren.

Ik ben dan ook sterk voor een inbedding van bv. het deeltijds kunstonderwijs (muziek, plastische kunsten) in het lager en middelbaar. Het wegnemen van de hermetische tussenschotten tussen domeinen en richtingen, moet het de pupillen mogelijk maken om over het muurtje te kijken en uit de fameuze box te denken. Iets wat men “transdisciplinariteit” noemt.

Dat is uiteraard nog wat anders dan leerlingen van het TSO en het ASO samen op de koer laten spelen, zoals minister Pascal Smet het voorstelt. Het gaat om uitwisseling, osmose en grensoverschrijdend denken. Kinderen en jongeren zijn van nature transdisciplinair, maar de structuren willen niet mee. Ze ruiken naar ouderdom en grijsheid.

Het huidige akkoord over de onderwijshervorming is een (voorlopig) pact tussen partijen, maar gaat niet over pedagogie en onderwijsfilosofie. Het eigenlijke debat moet dus nog beginnen. Maar ondertussen staan de elitescholen al klaar om de bollebozen op te vangen en klaar te stomen tot een nieuwe generatie van wereldvreemde hoofdarbeiders, CEO’s, ingenieurs met twee linkerhanden, juristen die in een toga geboren lijken, en die ondertussen nauwelijks nog een vakman vinden om hun dakgoot te repareren. Laat staan dat ze het zelf zouden kunnen.  Als we zo voortboeren, is Vlaanderen niet alleen een regio zonder intellectuele creativiteit, maar ook het land waar niet één dakgoot nog recht hangt.

Advertenties

7 Reacties op “De school: laboratorium of confectiefabriek?

  1. Grappig dat je Albert Einstein als voorbeeld geeft, Einstein was dyslectisch net zoals mij.
    Ik werd ook gecategoriseerd als niet intelligent en werd in het beroepsonderwijs gedumpt. Terwijl voor mij van dag 1één duidelijk was dat ik verkeerd zat, wat ik ben helemaal niet technisch onderlegd.
    Dit heeft dan ook een grote hypotheek op mijn leven gelegd.

  2. Karina Uyttersprot

    vertel dat maar eens aan de industrie, generalisten passen in geen door specialisten afgebakend vakje, daar kunnen ze nauwelijks iets mee aanvangen. Specialisten daarentegen wel, daar is tekort aan,ttz aan specialisten die aan noden van vandaag voldoen, morgen zal een zorg zijn. Maar ook daar hoor, wie niet over eigen grenzen heen kijkt, wordt gedumpt ‘omdat de tijdsgeest plots anders eist’. Generalisten doen dat spontaan, specialisten moeten daar moeite voor doen, al hun tijd en energie gaat naar het vakgebied en dat is me nu toch een wereld van strikte afbakening en wetgeving. Terecht ook, maar het soupeert alle budget om te flierefluiten op. Dat is niet alleen vandaag zo, dat was al altijd zo. En de politiek speelt mee, de wetten van de economie dwingen hen en ons alsmaar sneller in te spelen op noden, zoals de reclame ze constant tevoorschijn tovert. Zijn die noden er echt, of is alles gelogen, wie bepaalt wat waar is ook in deze materie. Het is niet alleen de verantwoordelijkheid van het onderwijs, al herinneren wij ons zelf vooral die leerkrachten die met passie les gaven en deuren voor ons openden naar universa, nee, het ligt in ieder mens besloten nieuwsgierig te zijn en daarin uiteraard liefst van al gesteund en gevoed te worden. Maar wie enkel steun zoekt, is weer gezien. Het vraagt een TROTZDEM kracht, om te blijven verder kijken dan onze neus lang is. En of het nu jongeren of ouderen zijn die de dingen anders bekijken, die te steunen of stimuleren, dat vraagt ook een openheid van geest, een zelfde soort enthousiasme van de hele omgeving. Van iedereen, constant, een voor je passie gaan, daar goed in zijn en te durven toegeven dat de ingeslagen weg op een bepaald moment niet meer de juiste is. De grootste uitdaging voor iedere jongere is die passie ontdekken, dan komt die vanzelf wel bij de juiste voedingsbronnen terecht. En voor alle anderen, toestaan dat anderen passies hebben die je zelf niet hebt, daarnaar in verwondering durven kijken. Het is het verschil tussen een terrorist en een vrijheidsstrijder, wie bepaalt wie de goeie en wie de slechte is, wie bepaalt wat juist of goed of nodig is voor anderen, voor de generaties na ons, geen sinecure. Het is erger dan ooit, de boutade, hoe meer je weet, hoe minder.

  3. Excellent artikel.
    Ik pleit voor meer discussie onder leerlingen in alle lessen. Verder pleit ik voor een groot standaard lespakket “Gevoelens”, met een zeer grondige bespreking van alle mogelijke en onmogelijke (on)gerichte, vage, diffuse en/of verbonden, specifieke en andere emoties en relaties die zowel leraressen, leraars, leerlingen en hun ouder(s) of opvoeder(s) dagelijks hebben, ontwikkelen, ontwijken, verdringen, versterken, verzwakken, enz.. Voorts een stevig standaardpakket basishuishouden – koken, strijken, poetsen, etc -, en een zware biefstuk eenvoudige en gecompliceerde, “universele”, praktische herstelwerkzaamheden, genaamd “Nuttige fysieke inspanning ter bevordering van de praktische intelligentie”. Tot slot, want geen enkel einde houdt gelijk wie lang vol, standaardlessen filosofie, uiteraard, vanaf het kleuteronderwijs.

  4. Herman d.V.

    Interessante, nieuwe kijk op deze materie, die inderdaad helemaal door de partijpolitieke strategie is ondergesneeuwd, met N-VA natuurlijk op kop.
    De stelling van Sanctorum gaat natuurlijk veel verder dan de vraag van VOKA om een brede eerste graad, alleen maar om meer technici af te leveren. Het is eigenlijk de oude droom van de homo universalis die weer tot leven komt, de breed ontwikkelde renaissancemens die wetenschap en cultuur verzoent, en daar dan ook nog ethische kracht uit put.
    Idealistisch? Onmogelijk in deze hoogtechnologische tijd? Misschien wel. Maar een goed tegengewicht voor het amateuristisch niveau van het “debat” dat we de laatste weken hebben meegemaakt.
    Zelf ben ik leraar Nederlands in een college, dus een zogenaamde “eliteschool”. Ik probeer in mijn lessen zoveel mogelijk “de wereld binnen te halen”. Toch heb ik het gevoel, zoals Sanctorum dat uitdrukt, dat de Edisons van deze tijd aan hun lot worden overgelaten, en dat het onderwijs niet tegemoet komt aan het creatieve intellect dat zich een weg baant (of het moedeloos opgeeft).
    Alleen in een totaal nieuw onderwijsproject zou dat kunnen. En dan bedoel ik niet in de stijl van Mei ’68 en zijn filosofen (zoals Ivan Illich: “Deschooling society”), maar eerder een pedagogisch project waarin de kennismaatschappij van morgen gemaakt wordt, in plaats van deze van gisteren op te dringen.

  5. Pingback: De school: laboratorium of confectiefabriek? | Golfbrekers

  6. Ik ben altijd tegen de supermarkt- of bazaarstijl voor het onderwijs geweest dat er in bestaat zoveel mogelijk vakken/producten aan te bieden om toch maar zoveel mogelijk publiek aan te trekken. Voor mij is het genoeg dat er twee grote afdelingen bestaan waartussen met kiest om de concentratie te bevorderen: een voor de meer motorisch ingestelde, praktisch gerichte types en een voor de meer stille, beschouwende types. Met in elke categorie een pakket stimulerende, aangepaste vakken én een zee van tijd om “naast de lijntjes te kleuren”. Ik bedoel daarmee: tijd om als autodidact (waar Johan naar verwijst) op eigen initiatief te gaan snuffelen in andere vakgebieden, zonder “les” te krijgen. Wakkere geesten zijn nieuwsgierig en willen onderzoeken, geef ze tijd en min of meer gerichte kansen en houd ze weg van de media met hun formats en indoctrinerende macht. Een genie rijpt nog altijd in stilte en eenzaamheid.

  7. Van Lysebetten M.arcel

    …….Maar ondertussen staan de elitescholen al klaar om de bollebozen op te vangen en klaar te stomen tot nieuwe sanctorums die aan de kant staan zemmelen en naast de pot pissen.
    Die mogen er ook zijn, Comedy Casino heeft daar behoefte aan.
    Maar zouden die bollebozen ook de grond van de zaak – de maatschappij dus – “zonder” vooringenomenheid analyseren en “zonder” side kicks à la “…met N-VA natuurlijk op kop”, het zou (!!) mooi meegenomen zijn.