Maandelijks archief: augustus 2013

Rhinoceros, of de magie van de tijdgeest

fabreIk heb er me er altijd over verbaasd dat een nietsnut als Jan Fabre zo’n artistiek icoon werd. Ik volg hem al sinds begin de jaren ’80, de start van zijn carrière, en dacht dat de mix van lukraak gooi-en-smijtwerk, goedgemikte bluf, aanstellerig doordrammen, en het overgieten van de bekomen pièce montées met een pseudo-intellectuele saus, ooit wel zou ontmaskerd worden.

Maar sindsdien heb ik het instemmend geknik rond zijn persoon alleen maar zien toenemen. De kritische geluiden verstomden, zeker toen hij het koninklijk paleis mocht decoreren en zijn onvermijdelijke kevers ook naar het buitenland ging exporteren. Vanuit de gul subsidiërende overheid én de media kwamen enkel nog positieve signalen rond deze nieuwe Rubens. De oplichter nam iedereen bij de neus, op zo’n manier dat het ronduit belachelijk werd om er nog iets tegen in te brengen, op gevaar af van zelf als zeurpiet of oplichter weggezet te worden. En zo dom ben ik nu ook weer niet, dus zeg ik: ja, ik heb me vergist en bied mijn excuses aan, niet in het minst aan de betrokkene zelf. Samen met u zeg ik nu: Ja, Jan Fabre is een groot Vlaams, euh, pardon, Belgisch kunstenaar.

Waarom beroemdheden terecht beroemd zijn

De laatste zin moet u vooral niet ironisch opvatten: het is simpele overlevingslogica, vertrekrhinokend van een optelsom.  Vaste waarden ontstaan via eenstemmigheid. Eenstemmigheid ontstaat via het doorslaan van een meerderheid, die zich per definitie de waarheid toeëigent. Het is gewoon de apotheose van de democratie, waarvan de immanente rechtvaardigheid berust op het gelijk van de meerderheid.

Overigens gaat dit stukje helemaal niet over Fabre, maar over de manier hoe cultuur functioneert, als een machine van de zelfbevestiging. Meer in het algemeen lijken opinies, smaken en gebruiken onderhevig aan een sneeuwballogica, waardoor er zich een canonisering voltrekt,- een profane variant van de Christelijke heiligverklaring. De canon is het geheel van namen, begrippen, figuren, merken,- kortweg: iconen-, van Michelangelo over Apple, Piet Huysentruyt tot Geena Lisa, die als wezenlijk, essentieel worden beschouwd voor ons universum.

Die canon min of meer accepteren is cruciaal om socio-cultureel te kunnen functioneren. Zeg maar: om op een receptie niet met uw mond vol tanden te staan. Imitatiegedrag, en de angst om als ouderwets en belachelijk of zelfs dement beschouwd te worden, zijn dus bepalende factoren in het canoniseringsproces. Dat discreet conformisme, de behoefte aan participatie, omspant heel onze sociale horizon van consument, kiezer, kijker/lezer, zowel professioneel als in de vrijetijdssfeer.  Er is dan nog wel discussie mogelijk, zelfs een hevig dispuut tussen voor- en tegenstanders van kunstenaar X of schrijver Y, maar niemand zal het wagen om het fenomeen nog weg te zetten als impertinent en onbenullig.

Iconen zijn onontwijkbaar. Het zijn de heiligen, helden en fetisjen van de moderniteit. Hun kwaliteit is repetitief, tautologisch en ondisputabel: ze hebben kwaliteit omdat ze kwaliteit hebben. Op die manier ook definieert “talent” zichzelf: als een emanatie van kwaliteit. Beroemde mensen zijn terecht beroemd, anders waren ze niet beroemd.

Cultuur op zich werkt dus tautologisch,- het is als een stroom die zich steeds dieper door een bedding graaft en daar niet meer van afwijkt. Richard Dawkins spreekt zelfs over memen, cultuurgenen die zich pandemisch verspreiden via de tekst- en beeldcultuur, en waardoor een civilisatie onmerkbaar homogeniseert, ondanks haar zogezegd pluralisme. Vandaag is daar zelfs een erfgoed-kwestie aan gekoppeld, de manie om te conserveren en iconen te bevriezen in een planetaire cataloog.

De dwang die uitgaat van de tijdsgeest is vele malen sterker dan die van om het even welke censuur. Wie niet participeert, leeft niet, en dat geldt zowel voor de “hoge” Cultuur als voor de popcultuur.

Het modieuze en het trendmatige zijn dus minder onschuldig en vrijblijvend dan ze eruit zien. De dwang die uitgaat van de tijdsgeest is vele malen sterker dan die van om het even welke censuur. Wie niet participeert, leeft niet, en dat geldt zowel voor de “hoge” Cultuur als voor de popcultuur. U kunt een iPhone wel een onnozel gadget vinden, maar als iedereen hem gebruikt bent u gewoon niet met uw tijd mee, wat loopt u hier dan nog te doen. U kunt De Standaard een middelmatige en van politieke correctheid vergeven prulgazet vinden, maar de oplagecijfers van die krant pieken verder, dus ligt het misschien wel aan uzelf. U kunt wel besluiten om van Facebook weg te blijven, maar dan kunt u net zo goed naar de planeet Mars vertrekken.

De vrijheid van smaak, opinie en consumptie is dus een betrekkelijk iets. Eerst verschuiven de gewoontes en het smaakgevoel (het stadium van het nieuwe en de hype), vervolgens de waardenschaal (als de critici en de kenners er zich mee bemoeien), en tenslotte de waarheid zelf. Of noemen we het gewoonweg de magie van de meerderheid: op een zeker ogenblik slaat de mening van de meerderheid door tot een globale uitdrukking van de tijdsgeest.

Wie hier aan Jean Baudrillard denkt, en diens theorie van het simulacre, zit er niet ver naast: de waarheid is gewoon een veralgemeende dwaling. Natuurlijk zijn Jan Fabre, Piet Huysentruyt en Dimitri Verhulst maar gehypte fantasmes. Uiteraard is een iPhone een prul. Vanzelfsprekend is Facebook één grote luchtspiegeling. Maar de consensus rond het tegendeel maakt ze echt en relevant. De waan wordt echt, en het echte wordt gedegradeerd tot waan. Alles is perceptie, en de communicatiewetenschap dient vooral om de violen gelijk te stemmen.

In zijn toneelstuk “Rhinoceros” (1959) trekt Eugène Ionesco dan ook de ultieme consequentie: als iedereen loeit als een neushoorn, is er helemaal geen probleem. Als we gezamenlijk een dimensie zouden inleveren en iedereen voortaan op een plat vlak zou leven, evenmin. De waarheid is, wat via de meerderheid uitgroeit tot pensée unique. Punt gedaan.

De knoeiers, de fantasten en de morosofen

Eén ding is zeker: kwaliteit an sich bestaat niet, het is een kwestie van op het juiste moment op de juiOste plaats te zijn. Er bestaan dus ook individuen die systematisch op het verkeerde moment op de foute plaats zijn. Ze leven niet in de waarheid, ze dwalen. Tenzij ze onder de radar blijven, lokken ze hoongelach uit en zelfs gewelddadige reacties. Niemand weet waar ze vandaan komen, waar ze naar toe willen, of wat ze bijdragen tot de beschaving, en waarom ze überhaupt nog in leven zijn.

Ik heb hem al eens geschetst in het essay “Boem, paukeslag!”, de mens als talentloze, belachelijke klungelaar, met de slapstick als ultiem zelfportret en de scheve toren van Pisa als pispaal. Vandaag wil ik graag deze onderwereld van geboren klunzen herbenomen tot nultuur, een belachelijk woord dat zelf niet de minste kans maakt op canonisatie.

Er is dus cultuur en nultuur, de canon en de anoniemen, de heiligen en de afvalligen, de helden en de anti-helden, de geschiedenis en de vergetelheid, het product en de rest. Er is Jan Fabre en er is X. De geschiedenis verbergt een massa onbekende en nooit geboekstaafde mislukkingen, stroompjes die op een of andere manier geen bedding konden maken of er zich ook niet in konden voegen.

Eigenlijk behoren die niconen tot een tegengeschiedenis, een mistorie of ongeschiedenis. Het gaat om compleet mislukte of verdwaalde fantasten, bewandelaars van doodlopende wegen en ontginners van lege goudmijnen. Schrijvers van het onbeschreven blad en componisten van onvoltooide of zelfs nooit begonnen opera’s. Ze doen en zeggen steeds de foute dingen op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Omdat er doorgaans geen spoor van is, vallen ze ook niet meer op te zoeken. Alleen als crimineel of psychopaat kunnen ze eventueel de geschiedenis nog halen. Voor de rest huizen ze vandaag vooral in de donkere krochten van het internet, quasi-onvindbaar, of kortstondig opgloeiend in klunzige blogs.

Toch deed ene Matthijs van Boxsel, een zelfverklaarde knoeier, in zijn monumentale “Encyclopedie van de domheid” een poging om de nultuur in kaart te brengen. Zelf spreekt hij van morosofie of ‘waanwijsheid”, zijnde de wetenschap en de cultuur van de enkeling die nooit doorbreekt, een absolute minderheid, een singulariteit. Hij snapt niet dat hij er gewoon niet moet zijn en doet maar op zijn eentje verder.

De geschiedenis verbergt een massa onbekende en nooit geboekstaafde mislukkingen, stroompjes die op een of andere manier geen bedding konden maken of er zich ook niet in konden voegen.

Van Boxsel lijst er een aantal op: hardnekkige autodidacten, knotsgekke uitvinders van waardeloze of niet-functionerende tuigen, fanatieke aanhangers van foute kosmologieën, eenzame bedenkers van compleet ongeloofwaardige complottheoriën. In dit laatste onderscheidt zich bijvoorbeeld Peter Vereecke, ex-burgemeester van Evergem, die in de witte strepen, achtergelaten door straalvliegtuigen, een strategie van de Amerikanen ziet om ons te vergiftigen. De man staat alleen met zijn theorie, klampt iedereen aan, overtuigt niemand, wordt permanent uitgelachen, en komt vroeg of laat in een inrichting terecht. Een model van morosofie.

Zuiverder en extremer nog vind ik een fenomeen als de negatonist Siegfried Verbeke, een politieke eenzaat met een strafblad van hier tot ginder achter. Zijn enige misdaad: de onverdedigbare stelling verdedigen dat er in de tweede wereldoorlog geen Joden werden vervolgd en dat de concentratiekampen tot het rijk der fabelen behoren.  Ook hem kan men als een morosoof beschouwen, een fanatieke dwaler die belachelijk en aanstootgevend tegelijk is. Zijn autistisch niveau van absurditeit is net hoog genoeg om elke rehabilitatie te beletten. Waardoor zijn eenzaamheid nog intenser en zijn overtuiging nog sterker wordt. Een omgekeerde sneeuwbal.

Vluchtroutes en perverse strategieën

Toch zijn de schotten tussen cultuur en nultuur niet waterdicht. Kladschilders als Vincent Van Gogh of een manisch letterzetter als Paul Van Ostaijen behoorden van nawittgensteinture zeker tot de onderwereld van de nultuur. Maar de kunst- en uitgeversmarkt heeft nu eenmaal “vernieuwers” nodig om te blijven draaien, organiseert een talentenjacht en canoniseert op afroep. Anderzijds waren ook Friedrich Nietzsche en Ludwig Wittgenstein beslist morosofen, eigenwijze waanwijzen, geschifte fantasten die maar bleven ploeteren in hun hersenspinsels. Maar teveel gekken op één plek zou een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren, dus is het beter om er af en toe eentje op te tillen tot genie. Zo gezegd, zo gedaan.

En hier schuilt natuurlijk ook de ironie van het woord “domheid”: ergens zijn de knoeiers veel begaafder dan de getalenteerden, ze leven alleen in het verkeerde universum. En vermits wij, mensen, ons universum zelf creëren, bepalen we ook zelf de maatstaven van de domheid en de omtrekken van de waarheid. Quod erat demonstrandum.

Het besef dat wij  uiteindelijk toch tot een “vrije” consensus worden gedwongen,  maakt elke vorm van radicaliteit, elke uiting van wansmaak en perversiteit, tot een vluchtroute.

Het absurde, domme, belachelijke en het aanstootgevende vormen het restproduct van de reguliere cultuur, maar evengoed kunnen ze beschouwd worden als tekens van verzet tegen het simulacre en de hypnotische dwang van de tijdsgeest. Unzeitgemass, zoals Nietzsche het noemde, buiten de tijdsgeest staan, maar dan niet om postuum toch nog een plekje in het pantheon te krijgen. Het besef dat wij uiteindelijk toch tot een “vrije” consensus worden gedwongen, een pensée unique, handig verkleed als register van de goede smaak en de weldenkendheid, maakt elke vorm van radicaliteit, elke uiting van perversiteit, wansmaak en als dwaling beschouwd hersenspinsel, tot een vluchtroute.

Zo bekeken is het vooral kwestie om de canon niét te volgen, maar ook om zelf niét gecanoniseerd te worden.  Of zoals pornograaf Bart van Leeuwen het zegt: “Talent is iets dat je zo snel mogelijk moet afleren”. Perversiteit en afwijking vergen vandaag een consequente strategie van de omgekeerde vermarkting: het foute volhouden, maar op zo’n koers dat men nooit door de markt, de media of de mainstream wordt ingehaald. Uit de handen blijven van het gerecht én van de psychiaters én van de journalisten. Op het juiste moment onzichtbaar worden, of net de over-exposure. Zichzelf ont-iconiseren, zijn eigen beeldenstormer zijn.

Humor, ironie en sarcasme zijn daarin onmisbare hulpstukken.

Advertenties

In Watou heet het kunst, in Merchtem vandalisme

MerchtemIn Merchtem (voor de Hollandse lezers: provincie Vlaams-Brabant, nabij Brussel) heeft burgemeester Eddie De Block (Open VLD) hoogst persoonlijk de jacht geopend op graffiti, aangebracht op het meubilair van zijn speelplein Ten Anckere. En met succes: een 12-jarig meisje werd bij de lurven gevat en na overleg met mama gesommeerd om de opschriften zelf te verwijderen.  Tegennatuurlijke handelingen dus, door een griezelpotentaat opgedrongen aan een prille tiener, en met toestemming van de moeder? Neen, in Merchtem wordt het als vandalisme gecatalogeerd, vallende onder de overlastwetgeving. Mag Anja (fictieve naam) even blij zijn dat ze er met een werkstraf vanaf komt, en niet met een opname in een instelling voor jeugdige delinquenten.

Zozo, vandalisme. Bekijken we even de foto, dan wordt duidelijk dat er hier eigenlijk van vandalisme of vernielzucht niet eens sprake is: het gaat gewoon om (wellicht collectieve) inscripties, nu ja, iets tussen groepscommunicatie, literatuur en street art. Dat laatste is dan weer een benaming voor de hobby van excellente lui die wél opschriften her en der mogen aanbrengen en er nog voor betaald worden ook.

In Brussel loopt er zo’n gebrevetteerde straatschilder rond, namelijk Vincent Glowinski, beter bekend als Bonom. Ooit deed hij hetzelfde als Anja: de publieke ruimte van een handtekening voorzien, van het type: “al wie dit leest is zot”. Maar sinds de politie hem betrapte en Bonom weer gewoon Vincent werd, maakt hij nu schilderijtjes in opdracht en fatsoeneert muren voor rekening van de overheid, om de lelijkheid van de stad te camoufleren. Meteen hebben we een treffende definitie van Kunst (met hoofdletter) bij de hand: Kunst ontstaat daar, waar vandalisme getransformeerd wordt tot decoratie. Het is maar hoe je het bekijkt. Bezondigden de sjofele kladpotters in de grotten van Altamira zich na een mislukte jacht ooit aan beschadiging van publiek patrimonium om hun frustratie te botvieren, dan worden ze nu in alle boeken als oerkunstenaars opgevoerd. U mag de grotten zelfs niet meer in, uit schrik dat uw adem hun konterfeitsels zou beschadigen. Overlast!

Zero-tolerance en clandestiniteit

Maar terug naar Anja eZorron haar oefeningen met zwarte stift, die binnen 10.000 jaar misschien ook beschermde kijkstukken zouden kunnen zijn, ware het niet dat de nijvere burgemeester De Block er anders over besliste. Eerlijk, ik wou dat ik een dochter had die op haar twaalfde een tuig op zo’n stom gemeentelijk speelplein als canvas gebruikt voor een ontboezeming. En zelfs had ze dat ding in de fik gestoken, dan had ik het nog als een politiek statement willen zien, zoals die andere Anja met haar hamburgertenten. Nu kan ik enkel hopen dat meer kinderen van de joints afblijven en naar de stift grijpen. Zich niet enkel aan goedkoop bier bezatten in de jeugdhuizen, maar ook schrijven, dichten, schilderen, en dan liefst via ondergrondse media en zonder permissie. Het Merchtemse gemeentebestuur moet dus vooral géén borden ter beschikking stellen van aankomende graffitisten: het is net de clandestiniteit die creatief talent aanscherpt en autonome ruimtes uittekent. Het verbod en zijn overtreding maken inherent deel uit van de publieke performance, gezien als kat-en-muis-spel met het systeem.

Dat heb ik al in het lang en het breed uiteengezet in het mini-essay “Tussen verbod en genot – de onverwachtse voordelen van Zero-tolerance”, waarvan ik u de volgende quote niet wil onthouden:

“…Laat dus 1000 berispende vingers opstijgen: ze zullen met evenveel opgeheven middenvingers beantwoord worden. Hoe meer overlastreglementen, des te meer men ze kan overtreden: de Zero-tolerance creëert méér kritische massa, méér subversieve verbeelding, méér autonomie.”

Conclusie: Eddie De Block is goed bezig, en stoute Anja nog veel meer. Boze vaders en laffe moeders vormen de perfecte basis voor een carrière van rebel m/v. Het is maar te hopen dat ze de juiste lessen trekt uit het verhaal, en niet vervalt in het brave maniërisme van de reguliere kunst, die overal (al dan niet virtuele) museale ruimtes afbakent en de kunstenaar in kwestie van een aureool en badge voorziet. Terwijl hij intrinsiek een voortvluchtige moet blijven, iemand die een merkteken nalaat en dan weer verdwijnt. Net duidelijk genoeg om de boodschap en het signatuur te lezen, maar nooit ergens lang genoeg vertoevend om gesnapt te worden. Zorro, in een contradans met de zero-tolerance!

Afdroomproducten

Ik kan hier niet genoeg mijn minachting uitdrukken voor de woord- en andere kunst die zich ophoudtWatou in toegelaten exhibitieruimtes, artistieke gedoogzones en museale reservaten. Jaarlijks kan men zich in Watou, een gat aan de Franse grens, vergapen aan kruisbestuivingen tussen beeldende kunst en poëzie. Dichtkunst alomtegenwoordig en onvermijdelijk, de trajecten zijn voorgetekend. Zowat elk huis, elk café, elke muur, elke stal, elke koe draagt een diepzinnig opschrift met het imprimatur van de vzw, waarachter overheidssubisides en een hele klad sponsors schuilgaan. De perfecte synergie van kunstambachten en alternatief toerisme. Welke ernstige dichter wil hier nu voor gek staan? Velen dus, het is echt dringen.

Kunst is dus onernstig geworden, het is een spel zonder inzet, op plekken waar het mag. In de limiet is elk boek, elke gedrukte dichtbundel, een aspect van die recuperatie. Het literaire circuit, de media en de uitgeverswereld houden zich bezig met het legitieme, sociaal en politiek aanvaardbare, en artistiek wederom verpakte afdroomproduct. Literatuur als slaapmiddel, kunst als verpozing.

In dat opzicht vormen de pretentieloze opschriften met zwarte stift, op die akelige groene wand in Merchtem, een echte verademing. Net te oud om op een schommel te zitten, aan de drempel van de puberteit, markeert ze een overgang, een afscheid, of het verlangen naar iets nieuws, onbekends. Of simpelweg een gevoel van het moment. Niks kunstendorp of nacht-van-de-poëzie of literatuurprijs van dit of dat. Gewoon doen, schrijven en verdwijnen. “Anja was hier”, en is nu weer elders, en zo steeds verder, hopelijk de parkwachters steeds een stap voor.

Over hoerenverbod en pornofilters: wanneer de politiek zich met de sekseconomie bemoeit

onderhandelingVanaf het ogenblik dat de blondkrullige Daisy –het moet het vierde jaar lyceum geweest zijn- voor mij haar bloes opende, in ruil voor de oplossingen van de huistaak, was het voor mij zonneklaar: vrouwen weten welke knopjes ze moeten bedienen.

Het idee om twee dingen te ruilen die eigenlijk niets met elkaar te maken hebben maar toch een gelijk gewicht in de weegschaal leggen, is het absoluut oermoment van de economie. Het geld komt achteraf, en is niets meer dan een hulpstuk voor de ruilhandel.

Dat het lichaam in die wereld van transacties een hoofdrol speelt, is niet meer dan normaal. Waarom zou een vrouw niet mogen te gelde maken wat de natuur haar heeft meegegeven? Idem voor mannen met of zonder hersenen: geen groter hoeren dan schrijvers en intellectuelen van alle slag, ik kan het weten. Het is daarbij zaak om uit de handen van de uitgevers/pooiers te blijven.

Het prostitutiefenomeen bestaat overigens al bij primaten: één uitgebreide ontvlooiingsbeurt levert een wip op. Maar de politiek schijnt zich met dit spel nu op een bizarre en bijzonder drastische wijze te willen bemoeien. Daarover straks meer.

 Prostitutie en economische utopie

Weinige tijd na Daisy’s boeiend voorstel begon ik Charles Fourier (1772-1837) te lezen, een utopisch denFourierker die een maatschappijmodel op poten zette dat dreef op geluk en lustvervulling. Zijn economisch model draait op alle mogelijke ruiltransacties tussen autonome individuen, waarbij ook de seksualiteit in de uitwisseling wordt betrokken. De mens is meester over zijn/haar eigen lichaam, en mag het ook verhuren.

Het bruto nationaal geluk wordt geproduceerd via deze permanente verhandeling van goederen en diensten, waardoor een individu zichzelf realiseert en inbedt in het grote geheel. Compleet egoïsme of altruïsme bestaat niet, men doet iets in ruil voor iets. Prostitutie is een metafoor voor de ideale economie. Het lichaam is een aspect van de uitwisseling en de sociale promotie. De perfecte harmonie als het ware tussen werken en ontspanning. Rijkdom is compleet onbelangrijk, autonomie is daarentegen een grondwaarde. Niemand wordt verplicht tot iets, de markt is een vrijplek waarin succes meer te maken heeft met de overdracht van goederen en diensten, dan met het bezit op zich.

In dat opzicht is de nieuwe drijfjacht op de hoerenstand een bizar verschijnsel, waar rechts-conservatieve en links-progressieve groepen elkaar vinden. De European Women’s Lobby wil elke vorm van prostitutie laten verbieden. Joëlle Milquet, vice-Eerste minister, minister van Binnenlandse Zaken en van Gelijke kansen, wil er eveneens korte metten mee maken. Zogezegd in naam van de vrouwenrechten. Of willen ze de bordelen zelf overnemen? Als politici zich met het seksleven gaan bemoeien, is het uitkijken geblazen. De nieuwe preutsheid, die zich inspireert op de Dutroux-affaire van midden de jaren ’90, lijkt zich te willen keren tegen elke vorm van sekseconomie. Edoch, het is niet omdat Roemeens en Albanees krapuul meisjes van ginder naar hier lokt met valse voorwendsels, dat alle hoeren slavinnen zijn. Prostitutie is daarnaast ook gewoon euh, een eerzaam beroep. De geschiedenis van de prostitutie is er een van uitbuiting, maar ook een tegengestelde, van emancipatie en women’s power. Denk aan de courtisanes van weleer, of de hedendaagse secretaresse die haar baas neukt en zo macht over hem verkrijgt.

In dat opzicht is de verschuiving vandaag ook interessant van de “klassieke”, uitbuitende prostitutie met bijbehorende netwerken, vitrines, pooiers enz. naar de zgn. escort-service en thuisontvangst: vrouwen (en uiteraard ook wel mannen) die op autoprostnome basis hun diensten aanbieden. Sommigen professioneel, anderen als bijklussende huismoeders. Deze happy hookers hebben een vrijheid die de gemiddelde loonslaaf niet bezit: ze werken wanneer ze willen, ze ontvangen wie ze willen, ze stellen zelf hun grenzen, ze vragen wat ze willen. Ze verhuren hun lichaam, en dikwijls ook hun geest, want de goeien onder hen zijn echte therapeuten en biechtmoeders waar men ook voor een gesprek terecht kan.

De geschiedenis van de prostitutie is er een van uitbuiting, maar ook een tegengestelde, van emancipatie en women’s power. Denk aan de courtisanes van weleer, of de hedendaagse secretaresse die haar baas neukt en zo macht over hem verkrijgt.

In feite zijn het kleine zelfstandigen, weliswaar grotendeels werkend in het “zwarte” circuit, maar dat kan veranderen als het (bij)beroep echt erkend wordt en misschien zelfs een kunstenaarsstatuut (actrice, danseres) kan krijgen. Ook dienstencheques zijn mogelijk om het sociaal nuttige werk van deze dames te legaliseren (in West-Vlaanderen spreekt men nu al over dienstenseks). Het pooierschap, de trafieken, en de handel in al dan niet blanke slavinnen hebben daarmee definitief hun tijd gehad. “Baas in eigen buik”,- dat was toch de leuze van de na-oorlogse vrouwenbeweging? Waar maakt Milquet zich dan druk over?

Ik zou zeggen: hoeren aller landen, verenigt u. Gooit uw pooiers buiten en zet de politici te kakken. Verras de puriteinen met een wereldwijde promo-actie. Toon het meesterschap over uw lichaam, laat zien dat het feminisme niet hoeft te eindigen in een zuur nonnenklooster.

Ik sprak tot hiertoe over “zij”, maar vrouwen die dit lezen mogen de bordjes rustig omkeren. Onlangs bekende een jonge student, Lyle Muns genaamd, dat hij bijklust als mannelijke prostitué. Het ontlokte een klein schandaal, omdat hij ook voorzitter bleek van de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK), en aan de pers zelfs benadrukte dat hij zich kiplekker voelde in zijn parallelle bestaan. “Ik ben sekswerker, hoer, prostitué, tippelaar of hoe je het ook noemen wil. Ik verdien geld met seks en dat is goed.” Dat is een belangrijk statement, dat eigenlijk in de lijn ligt van Fourier en de libertijnse lusteconomie. Natuurlijk moest die jongen het zwaar ontgelden. Terwijl men hem tot ondernemer van het jaar zou moeten uitroepen.

Pornofobie, de nieuwe zedenpolitie en… de jacht op activisten

En dan is er de nieuwe heksenjacht op de pornografie. Onlangs kondigde de Britse premier David Colifantenameron aan dat elke internetverbinding van een pornofilter dient voorzien te zijn, zogezegd om kinderen te beschermen. Zo’n filter bestaat op de meest gebruikelijke systemen zoals Internet Explorer al lang, maar Cameron wil zichzelf blijkbaar opwerpen als behoeder van de goede zeden, en terloops ook controle trachten te verwerven op dat oncontroleerbare onding dat internet heet. Want daar gaat het om.

Als bij toverslag duiken van alle kanten voorstellen op om met die porno nu maar eens korte metten te maken, weer vanuit twee hoeken: een rechts-conservatieve-moralistische en een links-progressieve-feministische. Zelfs binnen de EU hadden die twee fracties elkaar gevonden om een pornoverbod uit te vaardigen. Voorlopig zonder resultaat.

Nu is “pornografie” een lelijk woord voor een tamelijk normaal verschijnsel. Het is van alle tijden, men vindt ze in prehistorische rotstekeningen, de Romeinen waren er meesters in. Zeker in een tijdperk dat de menselijke seksualiteit quasi-volledig is losgekoppeld van de voortplanting, is het logisch dat ze een iconische betekenis krijgt en ingepast wordt in de hedendaagse beeldcultuur.  Een taboe op het uitbeelden van menselijke seksualiteit in al zijn variaties blijf ik dus bevreemdend vinden in een verlichte samenleving. Terwijl het toch maar gaat om dingen die volwassenen (zelden of nooit minderjarigen, daar is de sector tamelijk strikt in) elke dag met elkaar doen, en waar niemand hoeft naar te kijken. Het heeft niet meer om het lijf dan een stel copulerende olifanten in een doordeweekse dierendocumentaire. Zij het dat het ons meer opwindt, maar dat doet Wagner of hard rock, al naargelang, toch ook?

De nieuwe kruistocht tegen de duivelse alliantie van pornografie en prostitutie maakt van seks (terug) een spook, iets verboden, terwijl het medium ervan bij uitstek, het internet, eindelijk onder controle wordt gebracht. En daar is het om te doen. Om macht en controle.

Met die porno is overigens iets vreemds aan de hand. Hoewel ze op het internet weelderig bloeit en volgens de statistieken favoriet nr 1 is, kijkt niemand ernaar, behalve professor Vermeersch en ondergetekende, en uiteraard enkel ter documentatie. Wat er dan te zien is? Ach, best vermakelijke en bijwijlen zelfs inspirerende gymnastiek. Zogenaamde “perversiteiten” (bijvoorbeeld drie mannen op een vrouw, of een man die zich tot schijtens toe laat masseren) vind ik eerder grappig dan aanstootgevend. Die mensen werken trouwens hard om dat voor mekaar te krijgen, het zweet loopt van hun lichamen. Eigenlijk gaat het om een vorm van body-art, een uiting van moderne kunst die voor de verandering ook voor de gewone man toegankelijk is, en waar eigenlijk cultuursubsidies voor zouden moeten vrijgemaakt worden, al heeft de sector dat niet nodig, want ze maakt winst en levert een boel producten gratis,- een vrijemarktmirakel op zich waar vele bedrijfssectoren én cultuurindustrieën een voorbeeld aan kunnen nemen..

Maar zo zien Cameron en C° het dus niet. De nieuwe kruistocht tegen de duivelse alliantie van pornografie en prostitutie maakt van seks (terug) een spook, iets verboden, terwijl het medium ervan bij uitstek, het internet, eindelijk onder controle wordt gebracht. En daar is het om te doen. Vreemd genoeg legt men een veel grotere tolerantie aan de dag voor geweld en sadisme in films en games: een videospel waarin men zo snel als kan zoveel mogelijk tegenstanders moet koud maken, wordt helemaal niet als “obsceen” of “pervers” beschouwd.

Het is zonneklaar: niks vrouwenrechten, de nieuwe moraalridders hernemen de Christelijke vijandigheid tegen het lichaam, én willen de vrijheid van woord en beeld aan banden leggen. Een stevig libertijns verzet is aangewezen tegen deze nieuwe vormen van bevoogding, waarin  morele hypocrisie en machtslogica een monsterverbond hebben gesloten. Een beetje schrijver kan zich hier niet anders outen dan als pornograaf: iemand die de censuur overtreedt en zijn eigen lichamelijkheid en lustbeleving tot onderwerp maakt. Kwetsbaar en uitdagend tegelijk.

Dit wordt een van de discrete burgeroorlogen in de 21ste eeuw. Opvallend is overigens hoe klokkenluiders en dissidenten niet alleen gecriminaliseerd worden, maar ook als seksueel-geperverteerd worden weggezet. Zweden, ooit een liberaal-denkende natie, werpt zich steeds meer op als politiek-correct en pornofoob gidsland met een benauwelijke reglementering van de seksualiteit, altijd onder voorwendsel van de vrouwenrechten te verdedigen, ook als die vrouwen zelf in de sekshandel willen gaan.

Prostitutie is er compleet verboden, ook de porno staat op de tocht. Dat schept enorme mogelijkheden om lastverkopers onschadelijk te maken. Tegen internetactivist Julian Assange loopt in Zweden een schimmige aanklacht wegens verkrachting (volgens het rapport ging het gewoon om een gescheurd condoom), wat hem een internationaal aanhoudingsmandaat opleverde én de mogelijkheid van de VS om hem wereldwijd op te jagen.

Tot slot, misschien wilt u nog weten of de transactie met Daisy doorging. Het antwoord is: neen, want de huistaak ging over differentialen en integralen, en daar had ik echt niets over in aanbieding. Dat puntje toen toch bij paaltje kwam, bewijst dat echte onbaatzuchtigheid nog bestaat, hetgeen de grootste moraalridders onder u tevreden moet stemmen.