Rhinoceros, of de magie van de tijdgeest

fabreIk heb er me er altijd over verbaasd dat een nietsnut als Jan Fabre zo’n artistiek icoon werd. Ik volg hem al sinds begin de jaren ’80, de start van zijn carrière, en dacht dat de mix van lukraak gooi-en-smijtwerk, goedgemikte bluf, aanstellerig doordrammen, en het overgieten van de bekomen pièce montées met een pseudo-intellectuele saus, ooit wel zou ontmaskerd worden.

Maar sindsdien heb ik het instemmend geknik rond zijn persoon alleen maar zien toenemen. De kritische geluiden verstomden, zeker toen hij het koninklijk paleis mocht decoreren en zijn onvermijdelijke kevers ook naar het buitenland ging exporteren. Vanuit de gul subsidiërende overheid én de media kwamen enkel nog positieve signalen rond deze nieuwe Rubens. De oplichter nam iedereen bij de neus, op zo’n manier dat het ronduit belachelijk werd om er nog iets tegen in te brengen, op gevaar af van zelf als zeurpiet of oplichter weggezet te worden. En zo dom ben ik nu ook weer niet, dus zeg ik: ja, ik heb me vergist en bied mijn excuses aan, niet in het minst aan de betrokkene zelf. Samen met u zeg ik nu: Ja, Jan Fabre is een groot Vlaams, euh, pardon, Belgisch kunstenaar.

Waarom beroemdheden terecht beroemd zijn

De laatste zin moet u vooral niet ironisch opvatten: het is simpele overlevingslogica, vertrekrhinokend van een optelsom.  Vaste waarden ontstaan via eenstemmigheid. Eenstemmigheid ontstaat via het doorslaan van een meerderheid, die zich per definitie de waarheid toeëigent. Het is gewoon de apotheose van de democratie, waarvan de immanente rechtvaardigheid berust op het gelijk van de meerderheid.

Overigens gaat dit stukje helemaal niet over Fabre, maar over de manier hoe cultuur functioneert, als een machine van de zelfbevestiging. Meer in het algemeen lijken opinies, smaken en gebruiken onderhevig aan een sneeuwballogica, waardoor er zich een canonisering voltrekt,- een profane variant van de Christelijke heiligverklaring. De canon is het geheel van namen, begrippen, figuren, merken,- kortweg: iconen-, van Michelangelo over Apple, Piet Huysentruyt tot Geena Lisa, die als wezenlijk, essentieel worden beschouwd voor ons universum.

Die canon min of meer accepteren is cruciaal om socio-cultureel te kunnen functioneren. Zeg maar: om op een receptie niet met uw mond vol tanden te staan. Imitatiegedrag, en de angst om als ouderwets en belachelijk of zelfs dement beschouwd te worden, zijn dus bepalende factoren in het canoniseringsproces. Dat discreet conformisme, de behoefte aan participatie, omspant heel onze sociale horizon van consument, kiezer, kijker/lezer, zowel professioneel als in de vrijetijdssfeer.  Er is dan nog wel discussie mogelijk, zelfs een hevig dispuut tussen voor- en tegenstanders van kunstenaar X of schrijver Y, maar niemand zal het wagen om het fenomeen nog weg te zetten als impertinent en onbenullig.

Iconen zijn onontwijkbaar. Het zijn de heiligen, helden en fetisjen van de moderniteit. Hun kwaliteit is repetitief, tautologisch en ondisputabel: ze hebben kwaliteit omdat ze kwaliteit hebben. Op die manier ook definieert “talent” zichzelf: als een emanatie van kwaliteit. Beroemde mensen zijn terecht beroemd, anders waren ze niet beroemd.

Cultuur op zich werkt dus tautologisch,- het is als een stroom die zich steeds dieper door een bedding graaft en daar niet meer van afwijkt. Richard Dawkins spreekt zelfs over memen, cultuurgenen die zich pandemisch verspreiden via de tekst- en beeldcultuur, en waardoor een civilisatie onmerkbaar homogeniseert, ondanks haar zogezegd pluralisme. Vandaag is daar zelfs een erfgoed-kwestie aan gekoppeld, de manie om te conserveren en iconen te bevriezen in een planetaire cataloog.

De dwang die uitgaat van de tijdsgeest is vele malen sterker dan die van om het even welke censuur. Wie niet participeert, leeft niet, en dat geldt zowel voor de “hoge” Cultuur als voor de popcultuur.

Het modieuze en het trendmatige zijn dus minder onschuldig en vrijblijvend dan ze eruit zien. De dwang die uitgaat van de tijdsgeest is vele malen sterker dan die van om het even welke censuur. Wie niet participeert, leeft niet, en dat geldt zowel voor de “hoge” Cultuur als voor de popcultuur. U kunt een iPhone wel een onnozel gadget vinden, maar als iedereen hem gebruikt bent u gewoon niet met uw tijd mee, wat loopt u hier dan nog te doen. U kunt De Standaard een middelmatige en van politieke correctheid vergeven prulgazet vinden, maar de oplagecijfers van die krant pieken verder, dus ligt het misschien wel aan uzelf. U kunt wel besluiten om van Facebook weg te blijven, maar dan kunt u net zo goed naar de planeet Mars vertrekken.

De vrijheid van smaak, opinie en consumptie is dus een betrekkelijk iets. Eerst verschuiven de gewoontes en het smaakgevoel (het stadium van het nieuwe en de hype), vervolgens de waardenschaal (als de critici en de kenners er zich mee bemoeien), en tenslotte de waarheid zelf. Of noemen we het gewoonweg de magie van de meerderheid: op een zeker ogenblik slaat de mening van de meerderheid door tot een globale uitdrukking van de tijdsgeest.

Wie hier aan Jean Baudrillard denkt, en diens theorie van het simulacre, zit er niet ver naast: de waarheid is gewoon een veralgemeende dwaling. Natuurlijk zijn Jan Fabre, Piet Huysentruyt en Dimitri Verhulst maar gehypte fantasmes. Uiteraard is een iPhone een prul. Vanzelfsprekend is Facebook één grote luchtspiegeling. Maar de consensus rond het tegendeel maakt ze echt en relevant. De waan wordt echt, en het echte wordt gedegradeerd tot waan. Alles is perceptie, en de communicatiewetenschap dient vooral om de violen gelijk te stemmen.

In zijn toneelstuk “Rhinoceros” (1959) trekt Eugène Ionesco dan ook de ultieme consequentie: als iedereen loeit als een neushoorn, is er helemaal geen probleem. Als we gezamenlijk een dimensie zouden inleveren en iedereen voortaan op een plat vlak zou leven, evenmin. De waarheid is, wat via de meerderheid uitgroeit tot pensée unique. Punt gedaan.

De knoeiers, de fantasten en de morosofen

Eén ding is zeker: kwaliteit an sich bestaat niet, het is een kwestie van op het juiste moment op de juiOste plaats te zijn. Er bestaan dus ook individuen die systematisch op het verkeerde moment op de foute plaats zijn. Ze leven niet in de waarheid, ze dwalen. Tenzij ze onder de radar blijven, lokken ze hoongelach uit en zelfs gewelddadige reacties. Niemand weet waar ze vandaan komen, waar ze naar toe willen, of wat ze bijdragen tot de beschaving, en waarom ze überhaupt nog in leven zijn.

Ik heb hem al eens geschetst in het essay “Boem, paukeslag!”, de mens als talentloze, belachelijke klungelaar, met de slapstick als ultiem zelfportret en de scheve toren van Pisa als pispaal. Vandaag wil ik graag deze onderwereld van geboren klunzen herbenomen tot nultuur, een belachelijk woord dat zelf niet de minste kans maakt op canonisatie.

Er is dus cultuur en nultuur, de canon en de anoniemen, de heiligen en de afvalligen, de helden en de anti-helden, de geschiedenis en de vergetelheid, het product en de rest. Er is Jan Fabre en er is X. De geschiedenis verbergt een massa onbekende en nooit geboekstaafde mislukkingen, stroompjes die op een of andere manier geen bedding konden maken of er zich ook niet in konden voegen.

Eigenlijk behoren die niconen tot een tegengeschiedenis, een mistorie of ongeschiedenis. Het gaat om compleet mislukte of verdwaalde fantasten, bewandelaars van doodlopende wegen en ontginners van lege goudmijnen. Schrijvers van het onbeschreven blad en componisten van onvoltooide of zelfs nooit begonnen opera’s. Ze doen en zeggen steeds de foute dingen op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Omdat er doorgaans geen spoor van is, vallen ze ook niet meer op te zoeken. Alleen als crimineel of psychopaat kunnen ze eventueel de geschiedenis nog halen. Voor de rest huizen ze vandaag vooral in de donkere krochten van het internet, quasi-onvindbaar, of kortstondig opgloeiend in klunzige blogs.

Toch deed ene Matthijs van Boxsel, een zelfverklaarde knoeier, in zijn monumentale “Encyclopedie van de domheid” een poging om de nultuur in kaart te brengen. Zelf spreekt hij van morosofie of ‘waanwijsheid”, zijnde de wetenschap en de cultuur van de enkeling die nooit doorbreekt, een absolute minderheid, een singulariteit. Hij snapt niet dat hij er gewoon niet moet zijn en doet maar op zijn eentje verder.

De geschiedenis verbergt een massa onbekende en nooit geboekstaafde mislukkingen, stroompjes die op een of andere manier geen bedding konden maken of er zich ook niet in konden voegen.

Van Boxsel lijst er een aantal op: hardnekkige autodidacten, knotsgekke uitvinders van waardeloze of niet-functionerende tuigen, fanatieke aanhangers van foute kosmologieën, eenzame bedenkers van compleet ongeloofwaardige complottheoriën. In dit laatste onderscheidt zich bijvoorbeeld Peter Vereecke, ex-burgemeester van Evergem, die in de witte strepen, achtergelaten door straalvliegtuigen, een strategie van de Amerikanen ziet om ons te vergiftigen. De man staat alleen met zijn theorie, klampt iedereen aan, overtuigt niemand, wordt permanent uitgelachen, en komt vroeg of laat in een inrichting terecht. Een model van morosofie.

Zuiverder en extremer nog vind ik een fenomeen als de negatonist Siegfried Verbeke, een politieke eenzaat met een strafblad van hier tot ginder achter. Zijn enige misdaad: de onverdedigbare stelling verdedigen dat er in de tweede wereldoorlog geen Joden werden vervolgd en dat de concentratiekampen tot het rijk der fabelen behoren.  Ook hem kan men als een morosoof beschouwen, een fanatieke dwaler die belachelijk en aanstootgevend tegelijk is. Zijn autistisch niveau van absurditeit is net hoog genoeg om elke rehabilitatie te beletten. Waardoor zijn eenzaamheid nog intenser en zijn overtuiging nog sterker wordt. Een omgekeerde sneeuwbal.

Vluchtroutes en perverse strategieën

Toch zijn de schotten tussen cultuur en nultuur niet waterdicht. Kladschilders als Vincent Van Gogh of een manisch letterzetter als Paul Van Ostaijen behoorden van nawittgensteinture zeker tot de onderwereld van de nultuur. Maar de kunst- en uitgeversmarkt heeft nu eenmaal “vernieuwers” nodig om te blijven draaien, organiseert een talentenjacht en canoniseert op afroep. Anderzijds waren ook Friedrich Nietzsche en Ludwig Wittgenstein beslist morosofen, eigenwijze waanwijzen, geschifte fantasten die maar bleven ploeteren in hun hersenspinsels. Maar teveel gekken op één plek zou een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren, dus is het beter om er af en toe eentje op te tillen tot genie. Zo gezegd, zo gedaan.

En hier schuilt natuurlijk ook de ironie van het woord “domheid”: ergens zijn de knoeiers veel begaafder dan de getalenteerden, ze leven alleen in het verkeerde universum. En vermits wij, mensen, ons universum zelf creëren, bepalen we ook zelf de maatstaven van de domheid en de omtrekken van de waarheid. Quod erat demonstrandum.

Het besef dat wij  uiteindelijk toch tot een “vrije” consensus worden gedwongen,  maakt elke vorm van radicaliteit, elke uiting van wansmaak en perversiteit, tot een vluchtroute.

Het absurde, domme, belachelijke en het aanstootgevende vormen het restproduct van de reguliere cultuur, maar evengoed kunnen ze beschouwd worden als tekens van verzet tegen het simulacre en de hypnotische dwang van de tijdsgeest. Unzeitgemass, zoals Nietzsche het noemde, buiten de tijdsgeest staan, maar dan niet om postuum toch nog een plekje in het pantheon te krijgen. Het besef dat wij uiteindelijk toch tot een “vrije” consensus worden gedwongen, een pensée unique, handig verkleed als register van de goede smaak en de weldenkendheid, maakt elke vorm van radicaliteit, elke uiting van perversiteit, wansmaak en als dwaling beschouwd hersenspinsel, tot een vluchtroute.

Zo bekeken is het vooral kwestie om de canon niét te volgen, maar ook om zelf niét gecanoniseerd te worden.  Of zoals pornograaf Bart van Leeuwen het zegt: “Talent is iets dat je zo snel mogelijk moet afleren”. Perversiteit en afwijking vergen vandaag een consequente strategie van de omgekeerde vermarkting: het foute volhouden, maar op zo’n koers dat men nooit door de markt, de media of de mainstream wordt ingehaald. Uit de handen blijven van het gerecht én van de psychiaters én van de journalisten. Op het juiste moment onzichtbaar worden, of net de over-exposure. Zichzelf ont-iconiseren, zijn eigen beeldenstormer zijn.

Humor, ironie en sarcasme zijn daarin onmisbare hulpstukken.

Advertenties

29 Reacties op “Rhinoceros, of de magie van de tijdgeest

  1. Taalgaardenier

    De eerste helft bulkt van de onnuttige leenwoorden. Blijkbaar werd de rest later en in een andere stemming geschreven te zijn.
    Ik moet ook moeite doen om niet te geeuwen en het stuk volledig te lezen.
    Het gehalte aan bladvulling is redelijk hoog.

  2. Prachtige reactie. Wat is er saaier dan de media-consensus? Dit stuk. Waarin Jantje Fabre even de maat wordt genomen, komt naar mijn inzicht bij het verkeerde einde uit, of het verkeerde ei van C. Gecanoniseerd worden door cultuurpausen blijkt het doel, maar als men die al eens ziet dwalen, dan is het einde zoek. Johan Simons vind “Krtikerfolg” belangrijk, maar die kritiek moet dan wel overtuigend zijn bij het publiek. Nu, vooral de Clicque of beter nog de Clacque bepaalt het spel. Dus, weten wat er speelt heeft belang ,maar verder moet men heft maar alleen doen. Ach, Fabre? Hij doet maar.

  3. Heb andermaal weer genoten van dit stukje. Nu ja, eigenlijk is het meer een kort cultuurfilosofisch essay, misschien dat die taalgaardenier dat niet gewoon is, een tekst die langer is dan een kalendermop. Toch een virtuoze taalbeheersing, die leenwoorden storen me allerminst.
    Ten gronde schijnt Johan Sanctorum zich hier toch aan de kant van de “nul-tuur” en de morosofie te willen scharen. De groepsfoto herken ik ook: figureerde op het tijdschrift “0”, waarvan Sanctorum de aanstichter was (de bebaarde kerel), ergens midden de jaren ’80. Een subtiele hint?

  4. Gooi al het Nederfranglais eruit en wat blijft er nog over?

  5. Ik merk dat die doorzeurende “taalgaardenier”, die van deze webstek niet meer weg te slaan is en aan Sanctorum-bashing doet (sorry hé voor dat leenwoord), niet eens een foutloze zin kan schrijven:
    “Blijkbaar werd de rest later en in een andere stemming geschreven te zijn.” ??
    Ik denk dat hij van de auteur op dat gebied nog wat kan leren.

    • Je hebt gelijk wat betreft die foute zin. Tegen Johan heb ik persoonlijk niets, en zoals iedereen kan ik nog altijd veel bijleren.
      Wel tracht ik de aandacht te vestigen (of moet ik attenderen zeggen?) op het voortdurende verloederen van onze taal, door het dwepen van ingevoerde onnuttigheden.
      Daarom herhaal ik:

      Gooi al het Nederfranglais eruit en wat blijft er nog over?

      Vlamingen bewegen inderdaad niet, tenzij je hard genoeg tegen hun schenen stampt. Ze volgen graag en gedwee de algemene stroming en degene die dat niet doet, wordt verguisd.

  6. Ik schaar me achter de mening van Belleman. Laten we hier niet muggenziften over taal. De taalbeheersing van Sanctorum is een voorbeeld voor de jongere generatie van schrijvers en journalisten die nog met moeite een zin in elkaar kunnen flansen.
    Inhoudelijk zit de tekst subtiel ineen, en draait ook constant.
    Hoofdvraag waar ik mee blijf zitten: ook het zich bekennen tot de “nultuur” of anticultuur, is weer een cultureel statement. Denk maar aan het “salon des refusés” van de impressionisten uit de 19de eeuw. Ze werden eerst verguisd, maar nadien zelf een enorme hype.
    Maar het is alleszins een zinnige reflectie over de waanwereld waarin wij (vooral dankzij de media) leven. De knipoog naar de Franse filosoof en mediacriticus Jean Baudrillard is dan ook pertinent.

  7. Eric Janssens

    Waar Sanctorum de gedachte vandaan haalt dat Fabre door de meerderheid der Vlamingen, of zelfs van de Belgen, toegejuicht zou worden, weet ik niet. Organiseer een opiniepeiling met de vragen ‘vindt u Fabre een waardevol kunstenaar?’ en ‘vindt u dat hij zijn cultuursubsidies verdient?’ en ik vermoed dat de grote meerderheid van de mensen twee keer ‘nee’ zullen antwoorden. Fabre is een door de media, de politiek en het koningshuis gehypte bedrieger, hij is een keizer die dagelijks zonder kleren over de avenue Louise paradeert, permanent geflitst door de gecanoniseerde fotografen van de Belgische kranten. Op de redacties is men dagen in de weer om de foto’s op te kalefateren, Jantje van de meest protserige garderobe te voorzien en daarbij zijn daden te beschrijven als waren ze van Napoleon. Maar het volk, met haar onverbiddelijke intuïtie, doorziet dit bedrog. U mag er geredelijk van uitgaan dat de meerderheid Fabre, zijn kattengegesel, zijn drie uren durende opera’s zonder muziek, zijn koninginneneukerij en al zijn andere waardeloze strapatsen (nee, hij is te slecht en inhoudsloos om als fenomeen van de nultuur te figureren) telkens wanneer ze zich aandienen met de grootste minachting uitkotsen. Slechts de nullen in Laken, de Wetstraat, op de culturele happenings en in de kantoren van de krantenredacties hebben iets in hem gezien. Wat mij betreft mogen ze hem lynchen, midden op de grote markt van Antwerpen. Persoonlijk zou ik hem nog een losgebroken kassei naar de kop smijten, net voordat zijn tong uit zijn zinloze mond kwam te hangen.

  8. Heerlijk … een opsteker, beste Johan Sanctorum…
    als het goed is, mag de wierook komen. En uw laatste reeks columns zijn uitstekend. Revérence gardée voor het Watou-Merchtem vluggertje.

  9. révérence gardée….of course…

  10. robrecht vanderbeeken

    Het conformisme wordt hier wel enorm overschat en zelfs op flessen getrokken waardoor de tekst m.i. helaas in subjectieve spinsels eindigt. Maar de onbevangenheid van de charge vind ik sowieso het lezen waard, kwestie van het eens anders te bekijken, carry on.

    Fabre weet immers heel goed dat hij alleen als nar overleeft en het grote publiek alsook de sector helemaal niet mee heeft, en dat komt inderdaad door al die theatrale gestes en dat potsierlijk geldgewin. Kunstenaars zijn nu eenmaal kunstenaars: divers en dikwijls dubieus, maar wel interessant en als mens uitgesproken aanwezig, in de kleine en de grote kantjes. Ik zou dus liever mijn avond met Fabre doorbrengen, aangestoken door de malle manie waar vreemd genoeg alle cynisme op afketst en toch ook weer zo aanwezig is, dan met een zoveelste modale burger die in een gesprek niet verder komt dat wat studio 100 ‘cultuur’.

    Bovendien is het veel te gemakkelijk om zijn beeldend werk af te branden als hybride tussen narcisme en decorbouw. De irritatie is nu eenmaal ook een onderdeel van de hedendaagse kunst, ‘het schandaal’, het verkopen van de ziel aan de macht, etc., en dat neemt overigens niet weg dat hij zeker knappe tekeningen en sculpturen heeft gemaakt. Kan je de kunstenaar verwijten dat hij de ziel weerspiegelt van de zot die zijn werk koopt?

    De decadentie van de hedendaagse kunst is een spiegel van onze maatschappij. Eerder dan een gemoraliseer in termen van goed/slecht werk, lijkt hij mij veel boeiender na te gaan wat een werk probeert, waarin het faalt, of het een onmaat is en of dat interessant is of niet, of waarom het nu is zoals het is, in de huidige kunstencontext. Dat is waarom mensen gaan kijken: kijkzucht, nieuwsgierigheid, inclusief het recht om iets een probleem te vinden, zich er kwaad op te kunnen maken, etc. Ook hedendaagse kunst is bijvoorbeeld geformatteerd, maar dat is op zich ook het bekijken waard: hoe men in die val trapt en er toch aan probeert te ontsnappen en daar soms ook in slaagt. Je moet het maar doen natuurlijk.

    Je kan er, ten slotte, niet omheen dat Fabre enorm straf theaterwerk heeft gemaakt en in die optiek heel belangrijk is geweest voor onze kunsten. Wie dat ontkent, weet gewoon niet waarover hij of zij praat.

    • Eric Janssens

      U bent al net zo’n kunstsnob die in een hoop stront een berg goud ziet. Zelfbegoocheling, heet dat. De remedie: ontnuchteren. Dat kan je zelf, hoef je geen dokter voor.

    • Eric Janssens

      Och, ’t is gewoon een associatie die in je opkomt als je aan Fabre denkt, aan wat hij is en aan wat van hem gemaakt wordt.

  11. siegfried verbeke

    Geachte Heer Sanctorum,

    Ik ken U natuurlijk van naam, maar heb u nooit mogen ontmoeten. Nochtans beweert u dat ik een “nog zuiverder en extremere vorm van morosofie” belichaam, want ik zou “beweren dat er in de tweede wereldoorlog geen Joden werden vervolgd en dat de concentratiekampen tot het rijk der fabelen behoren”. Dit moet U allicht ergens in een van mijn geschriften hebben gelezen. Ikzelf kan me dergelijke uitspraken niet herinneren. Kunt U mij de juiste bronvermelding laten weten?
    Verder beweert U van uzelf dat u houdt van “sterke inhoudelijke discussies”. Dat waardeer ik. Daarom zou ik U graag mijn laatste uitgave “Die Argumente” (een revisionistische mini-uitgave van 100 A5 bladzijden) willen toesturen, zodat U kunt vernemen wat ik en andere revisionisten juist te zeggen hebben, en waarmee U zich eventueel kunt voorbereiden om met mij een “sterke inhoudelijke discussie” aan te gaan.
    Ik heb dit boekje aan de heer Dewitte van het Centrum toegestuurd met het verzoek tegen mij op basis hiervan klacht neer te leggen. Wat tot dusver nog niet is geschied.

    PS. Bedankt voor het woordje “morosofie”, dat mij nog niet bekend was.

    Hoogachtend

    Siegfried Verbeke

  12. siegfried verbeke

    Correctie: “Die Argumentie” beslaan 100 A6 bladzijden i.p.v. A5.

  13. Pingback: Rhinoceros, of de magie van de tijdgeest | ThePostOnline

  14. Schitterend, Johan! Zo reilt en zeilt het inderdaad in de culturele wereld. Zo worden de moderne ‘heiligen’ geboren, of beter: gemaakt. Door de ‘sneeuwballogica’ van opinies en smaken voltrekt zich een canonisering. Je slaat de nagel op de kop waar je zegt: “Iconen zijn onontwijkbaar. Het zijn de heiligen, helden en fetisjen van de moderniteit. Hun kwaliteit is repetitief, tautologisch en ondisputabel: ze hebben kwaliteit omdat ze kwaliteit hebben. Op die manier ook definieert ‘talent’ zichzelf: als een emanatie van kwaliteit. Beroemde mensen zijn terecht beroemd, anders waren ze niet beroemd.” Daar valt niks aan toe te voegen. Tenzij misschien dit: is het niet een beetje kort door de bocht al degenen die niet tot de canon behoren, de ‘anoniemen’ dus, in één potje door elkaar te roeren, m.a.w. – ik beperk me tot het domein van de literatuur – weinig bekende schrijvers als een André Claeys (°1925) en een Rudi Hermans (°1953), die heel wat mooiere en vooral echtere werken hebben geschreven dan door de media en critici verwende en door het Fonds der Letteren zwaar gesubsidieerde iconen als pakweg Walter van den Broeck en Saskia De Coster, in hetzelfde keteltje te gooien als “knotsgekke uitvinders van waardeloze of niet-functionerende tuigen, fanatieke aanhangers van foute kosmologieën, eenzame bedenkers van compleet ongeloofwaardige complottheoriën”. Ik wil maar zeggen: niet alle ‘niconen’ zijn “mislukte of verdwaalde fantasten, bewandelaars van doodlopende wegen en ontginners van lege goudmijnen”. Er zijn er ook die via bijna ondoordringbare paden toch een riviertje bereiken waaruit ze loepzuivere klompjes goud opvissen…
    En voor de rest: laat die ‘taalgaardenier’ maar geeuwen, het gebruik van nieuwvormingen als nultuur, mistorie, niconen of van ontleningen zoals over-exposure, simulacre is soms de beste, zo niet de enige manier om een complex begrip bondig neer te zetten. Weinige gecanoniseerde ‘taalgaardeniers’ beschikken over het creatieve vermogen om zich uit te drukken zoals jij het doet.

  15. Lucien Knoedler

    Sterk stuk, Johan. Dank. Goed ook dat je herinnert aan Ionesco’s Rhinoceros. Met dit toneelstuk maakte ik 10 jaar na verschijning kennis, en ik weet nog goed hoezeer het me tegelijk verbijsterde en amuseerde.

    Het ontbreekt me tot mijn spijt aan tijd om op jouw pennevrucht in te gaan, naast plaatsing van enkele ontleende gedachten en verwijzingen.

    De veronderstelling dat wij mensen bewustzijn en unieke individualiteit van binnenuit kunnen verwerven fo dit zelfs dienen te doen, is een groteske, door n’importe welke religie ingegeven misvatting. Zo komt ook mij voor. Met dank aan onder anderen Ionesco. Immers, mogen wij graag menen dat we het gereedschap en daarmee verbonden de verhalen ons ter beschikking maar kunnen kiezen en gebruiken, het is precies andersom. Alle gereedschap en verhalen organiseren ons; wij krijgen gestalte in de dynamiek om ons heen. Kortom, al wie wij menen te zijn en wat we doen, is zonder uitzondering aan ons overgedragen – voorheen, nu en straks.

    Jouw betoog herinnerde me aan een voordracht van evolutionair bioloog Mark Pagel. Het is van december 2011 en te vinden op de website van Edge: http://edge.org/conversation/infinite-stupidity-edge-conversation-with-mark-pagel

    Voor wie dit een lange zit vindt, deze voordracht is ook te beluisteren. Ga er maar aanstaan.

    Tot slot merkt Pagel op: “(…) if we say that everybody has some tiny probability of being the next Einstein, and we look at a billion people, there will be somebody who just by chance is the next Einstein. And so, we might even wonder if the people in our history and in our lives that we say are the great innovators really are more innovative, or are just lucky.

    Now, the evolutionary argument is that our populations have always supported a small number of truly innovative people, and they’re somehow different from the rest of us. But it might even be the case that that small number of innovators just got lucky. And this is something that I think very few people will accept. They’ll receive it with incredulity. But I like to think of it as what I call social learning and, maybe, the possibility that we are infinitely stupid.

  16. Meneer Fabre werd geen icoon door eenstemmigheid van ‘canoniseringsproces’, wél door participatie eigen aan conceptuele kunst. Lobby Fabre beweert tegenwoordig geen conceptueel kunstenaar te zijn, zijn werk bestaat nu bij gratie van ervaring. Deze bewering heeft veel te maken met de megacultuur waarin het alles maar niet moeilijk mag zijn. Aanpassing aan de eenstemmige megacultuur is Fabre gegeven. Waar hij in de jaren 70, 80, 90 en verder wél conceptueel kunstenaar was, wordt hij na de krach een krijger van de schoonheid. Het kind ‘concept’ krijgt vanaf dan een andere naam en die naam is ‘geen naam’ of ‘niemand’, de naam die Odysseus opgaf aan de Cycloop toen die hem vroeg hoe ie heette. Het redde zijn leven en de Cycloop verloor zijn enige oog. Ik hoop dat U geen Cycloop bent.

    Hier is de zaak dus degelijk om te keren! Eenstemmigheid ontstaat via het doorslaan van de meerderheid, een soort vox populi. Hier betreft het een kunstenaar zelf die afdaalde naar die vox populi of een soort demagogie. Participatie is nu eenmaal eigen aan de conceptuele kunst. U en ik, dragen wij er een steentje toe bij? Sinds de krach is ‘onze’ bijdrage wel hallucinant geworden, niet? Een ongeëvenaarde financiële participatie. Onder de praline, het gif. Onder de schoonheid, het concept.

    Maar ik begrijp uit uw tekst dat U de dwang tot die gehate eenstemmigheid, U opgelegd ( misschien meent U onrechtstreeks) door een persoon die U in de eerste zin een nietsnut noemt, dient van antwoord te voorzien. Ik denk dat U werktuigen mist om dat conceptuele project te verklaren.

    U verklaringen zoekt U vervolgens in de tijdsgeest, het simulacra van Baudrillard, waan en echt, de meerderheid die de waarheid vormt. Deze verklaringen blijven echter vaag. Recht in de roos schiet U wanneer U stelt dat iconen de heiligen, helden en fetisjen zijn van de moderniteit. Kijk, het Vatikaan stelt zich anno 2013 open voor hedendaagse kunst en sinds de krach zijn de tentoonstellingen hedendaagse kunst in kerken en kathedralen niet meer bij te houden.
    Wanneer U het over de tijdsgeest heeft en wanneer U die kunstenaars iconen- knoeiers fatalistisch laat ondergaan in de dwang van die tijdsgeest, dan vrees ik voor dat ene oog.

  17. Jan Vissers

    Jan Fabre en de zijnen, zijn niets meer dan kleine zelfstandigen die zich laten meestromen in het canon van de huidige meerderheid. Er andere intenties aan verbinden, kan, maar ze zijn zo ontastbaar, dat het niet het vermelden waard zijn… De geschiedenis én bijhorende cultuur wordt geschreven door de machthebbers van hét moment, hoe spijtig dat dat ook is.

    Hopelijk zullen er altijd ‘niconen’ blijven bestaan, die heren zoals Jan Fabre een spiegel voorhouden, en het afgrijzen van hun spiegelbeeld tonen.
    Het zijn de einselgangers, de onaangepasten die voor verandering en vernieuwing zorgen, en niet de pseudo-cultuurpausen en populaire nitwits die mee varen op de waan van het moment.

    PS: Dat Siegfried Bracke in de tekst voorkomt is voor mij raadselachtig. Maar het behoort misschien tot het ‘canon’ van de extreem-rechtsen om hun uitdagers af te vallen.

  18. Mijnheer Vissers,
    U moet mij toch eens zeggen waar ik de naam van Siegfried Bracke in het artikel heb laten vallen.
    Anders zeer bedankt voor uw reactie.

    Johan Sanctorum

    • Jan Vissers

      Even té diagonaal gelezen, het moest natuurlijk ‘Siegfried Verbeke’ zijn, waarvoor mijn verontschuldiging.

  19. Mijnheer Vissers,
    Een schot in de roos wanneer U schrijft dat ‘ze zo onaantastbaar zijn’. Maar anderzijds is het misschien voor die meute einzelgangers die staan te trappelen om te vernieuwen wél belangrijk om de procedures van Fabre en co te begrijpen enzo.

    • Lieve Watteeuw, het lijkt me gevaarlijk de procedures van Fabre en konsoorten te bestuderen, om vervolgens een variatie op het thema te maken, waardoor we cultureel en maatschappelijk weer geen stap vooruit komen. Ook spreekt u over een meute einzelgangers, terwijl einzelgangers per definitie niet in meutes voorkomen…

      Ik zie de einzelganger als een individu die echt voor verandering kan zorgen, maar die los staat van elke ideologie, los van partijstandpunten, maar puur om de academische oefening over de dingen nadenkt, en zonder dat dit zou bijdragen aan de persoonlijke prestige van die ‘einzelganger’.

      Dat anderen dan die ideeën inpassen in een maatschappelijk model is dan eerder het het gevolg van een brede consensus, en niet ter persoonlijke titel van de bedenker ervan.

  20. Mijnheer Vissers,
    Ik zie niet in wat er gevaarlijk is aan het bestuderen van procedures van welke aard dan ook. U leidt af dat het bestuderen van de procedures van J & co zouden leiden tot het maken van een variatie op het thema.
    Daarmee kan ik niet akkoord gaan. Ten eerste omdat het voorbarig is om iets te beschrijven (een variatie op het thema) wat nog geen bestaansrecht heeft, een toekomstig kunstwerk. Waarom neemt U aan dat het een variatie op het thema zou moeten zijn? Ten tweede zegt de kunstgeschiedenis dat kunstenaars visueel in communicatie staan, antwoorden op visuele statements. Les desmoiselles d’Avignons voorziet la joie de vivre op antwoord, en welk één, en veroorzaakte een serieuze breuk.

    Tja, die meute einzelgangers was sarcastisch bedoeld hé. Als al die einzelgänger zouden samenscholen dan krijgen we toch een meute…

    De definitie die U nu geeft van de einzelgänger is mooi, dat geef ik grif toe. Maar is dat voor onze tijd niet een beetje romantisch, utopisch bijna. Die nobele einzelgänger moet bijzonder veel eenzaamheid kunnen verduren en zeer altruïstisch zijn.

    Maar ik reageerde eigenlijk op ‘uw einzelganger’ van de vorige reactie: “het zijn de einzelgänger, de onaangepasten die voor verandering en voor vernieuwing zorgen…” Ik vertrok van het feit dat zorgen voor verandering en vernieuwing, ja, ook een maatschappelijk fenomeen is waarin de einselganger niet noodzakelijk passief is.

  21. Lieven Watteeuw, Ik geloof dat er een klein misverstand is…
    Ik had het over het referentiekader(canon) van de mainstream cultuur, waar kunstenaars, schrijvers, politici,… de aangelegde paden bewandelen, en waar einzelgangers – die minder bezwaard zijn door die vooringenomenheden – een waardevolle oefening zouden kunnen maken.

    Het werk bestuderen van heren zoals Jan Fabre kan interessant zijn tot zover dat gekaderd wordt als een, ‘analyse van nonsens’. Want het gevaar bestaat steeds dat er toch een appreciatie kan ontstaan voor deze heer en zijn gehypte kunst, en we nog verder afglijden naar een nonsens cultuur, die uiteindelijk voor niemand nog een meerwaarde heeft, dan enkel voor de auteur zelf. Misschien moeten we de definitie van kunstenaar herbekijken?

    Wat de de passieve einzelganger betreft, die houdt – volgens mij – op ‘einselganger te zijn, als hij actief deelneemt aan de maatschappij die hij helpt te hervormen.

  22. Mijnheer Vissers,
    Ik herhaal dat ik uw voorstel van waardevolle oefening meer dan excellent vind, maar…

    Ik geloof dat Al Wie een analyse maakt van Fabre en co, maar dan ook géén énkel gevaar loopt hen te gaan appreciëren, maar integendeel wél tot zekere inzichten kan komen om een antwoord te formuleren op wat U nonsens en Ik misdaad noem.

    De definitie van de kunstenaar herformuleren? Misschien. Of zou de definitie van kunst herdefiniëren niet nijpender zijn? Maar ik vrees dat we daarvoor moeten wachten tot de volgende lichting.

  23. Wat ik mij al een tijdje afvraag is wie diegene zal zijn die de erfenis van een zekere kunstpaus van een zekere avant-garde zal overnemen en ‘respecteren’. Mogen we ons verwachten aan op maat gemaakte ‘connaisseurs d’art’ in de al aangelegde infrastructuur ? Wat met de tijdsgeest indien dit doem scenario – laat ons een gok doen op binnen een tiental jaar – erin slaagt zich te voltrekken ?