Maandelijks archief: september 2013

It ’s the economy, stupid!

LippensHet stuk “Een kus van de juf en een bank vooruit” heeft behoorlijk wat los gemaakt in de Vlaamse culturele sector. De genante vertoning waarbij Wouter Hillaert namens het “cultuurkritische” tijdschrift Rekto:Verso de prijs van de Vlaamse gemeenschap in ontvangst mocht nemen, was voor mij een aanleiding om heel de relatie tussen cultuur en samenleving nog eens scherp te stellen. En daar hadden bepaalde insiders grote moeite mee.

Iedereen doet maar, doch ik heb het gewoon voor kunstenaars, schrijvers, intellectuelen die buiten de lijntjes kleuren. Hun kritische functie is onverbrekelijk verbonden met de positie van buitenstaander, de vreemdeling, tegenover het systeem dat toch steeds weer recupereert en naar het centrum zuigt. Prijzen zijn in dat opzicht echte booby-traps, doodknuffeloperaties. Ze prikkelen onze geluksklier en genezen ons van elke boosaardigheid. Te mijden dus. Overheidssubsidies zijn nog erger: ze maken van de intellectueel een ambtenaar, en integreren hem helemaal in een door de overheid beheerde cultuurindustrie, gericht op participatie.

Lap, daar hebben we het weeral, dat lelijke woord. Participeren, erbij horen, erbij moéten horen. Twee dagen geleden nog maar beviel onze cultuurminister Joke Schauvliege van de volgende gevleugelde volzinnen:

‘Cultuur, dames en heren, heeft een intrinsieke waarde, maar is ook een inspirerend bindmiddel in de samenleving in tijden van individualisering, globalisering en schaarste. Ik hoop dat ook verenigingen en vrijwilligers in 2030 nog altijd voldoende gewapend zijn om die bindende rol te spelen, zeker als het even wat minder gaat. Want cultuur draait om mensen, om engagement. Vandaar dat cultuur eens en voor altijd met urgentie benaderd moet worden en in 2030 bovenaan de agenda van de samenleving moet prijken, onder meer als verplicht onderdeel van het curriculum in hoger en universitair onderwijs. Want, zoals de Franse filosoof en schrijver Albert Camus zei, cultuur is een geschenk voor de toekomst. Heeft daar iemand bezwaar tegen?’    (24 sept 2013 , trefdag transitienetwerk cultuur – Trix Antwerpen)

Wachtmuziekjes

Dat magische maïzena-woorSysiphusd “bindmiddel”: terecht wijst boswachtster Lieve Watteeuw erop dat de minister hier cultuur helemaal herleidt tot iets dat mensen moet samenhouden, zeker in tijden van schaarste. Het volk zou maar eens kunnen gaan morren, geef ze een streepje Mozart en zet ze in de wachtrij (recent onderzoek wees uit dat het overgrote deel van de wachtmuziekjes bij een call-center van Mozarts hand zijn, omwille van hun verzachtende werking bij iemand die al tien minuten wanhopig aan de lijn hangt).

Dat uitgerekend de compromisloze rebel en existentialist-zum-Tode Albert Camus voor dit karretje wordt gespannen, maakt het allemaal nog wansmakelijker.      Over Camus gesproken. Als er iemand is die de hedendaagse bureaucratisering van kunst en cultuur zou afwijzen, dan is hij het wel. Tegenover de zinloosheid van het bestaan en de zelfmoordgedachte kan voor hem enkel maar de esthetische attitude van Don Juan gesteld worden, of eventueel zijn alter-ego, Don Quichotte. Beiden zijn Sisyphus-types, maniakale individuen die de steen steeds weer naar boven rollen omdat ze gewoon vinden dat ze dat moeten doen. Niet omdat ze er beter, rijker, bekender door worden.

Dat levert een antwoord op aan de slimmerds die me probeerden te counteren met de vraag: “Kunstenaars moeten toch ook leven?” Natuurlijk moeten ze leven. Maar dan als over-levers, ergens in de marge, als amateur, tuinman, elektricien, die stiekem in zijn vrije tijd afbreekt wat hij/zij in zijn werktijd heeft opgebouwd. Sysiphus? Penelope? Schrap het (on)gepaste.

Een onweerstaanbare drang: homo ludens

Veel algemener nog, ben ik ervan overtuigd dat we naar een maatschappij moeten evolueren wanmbsar werken en inkomen zoveel mogelijk moeten worden losgekoppeld. Iedereen moet kunnen leven, maar arbeid zou een passie moeten worden: in iedereen schuilt een kunstenaar, een verzamelaar, een maniak. Niets is zo vervelend als nietsdoen. De “kick” van het bezig zijn geeft meer voldoening, opwinding, dan enige financiële verloning.

Winstbejag ontstaat net door dat gemis aan suspens. We willen geld verdienen omdat we niét graag werken, als smartgeld omdat het gewoon oersaai, vervelend of afstompend is (een fenomeen, door Marx aliënatie genoemd, “vervreemding”).  Foute link. Financiële verloning, en zeker overloning, trekt graaizucht aan en verdringt mensen die iets uit gedrevenheid zouden doen,- vroeger: “idealisten” genoemd. Men heeft de mond vol van gedrevenheid en motivatie, maar de enige motivatie blijkt steeds weer het geld te zijn, of de status, niet de menselijke meerwaarde van het werk zelf.

Niets verveelt zo snel als het nietsdoen. De “kick” van het bezig-zijn geeft meer voldoening, opwinding, dan enige financiële verloning. 

De discussie is bijzonder actueel, nu de nieuwe baas van de NMBS, Jo Cornu, een echte poenschepper blijkt die naast zijn wedde van spoorbaas (290.000 euro per jaar) ook nog wil blijven bijklussen als bestuurder in allerlei vennootschappen ( à 232.000 euro per jaar). Wat heeft die Cornu, een cijfervretend vergaderbeest dat bedrijven alleen kent vanuit de balansen, nu met treinen? Niks dus. Ongetwijfeld neemt hij er zelf nooit een, hij is dus in de diepste zin van het woord “vervreemd” van zijn eigen product.

Ook Bpost-topman Johnny Thijs vindt een jaarsalaris van 290.000 euro te weinig. Hallo? Ik zou zeggen: heren, pakt uw valiezen. Misschien moeten we die ideale spoorbaas wel eerder gaan zoeken in de wereld van de homo ludens, de spelende mens, die met een stationschef-kepi gaat slapen. Diegene die als kind al bezeten was van treintjes: in de wereld van de modelbouw is er nog zin voor stiptheid.  Of bij een huismoeder van 32 kinderen die gewoon is om met ogen op haar rug 50 dingen tegelijk te doen, de lastigaards een klap om de oren geeft, zorgt dat de soep op tijd klaar is, en tegelijk de knip op de beurs houdt. Multitasking en managementkwaliteiten heet dat tegenwoordig.  We hebben een wereld van kunstenaars en amatrices nodig, duizendpoten en duivel-doet-al’s, zij die handelen uit een onweerstaanbare drang. Ik heb die spel- en lusteconomie al enigszins proberen te omschrijven in mijn ode aan de universele prostitutie, waar iedereen zichzelf geeft tegen de juiste prijs, onder het motto, jawel, van Albert Camus: “La vraie générosité envers l’avenir consiste à tout donner au présent’. Misschien hebben de speechschrijvers van minister Schauvliege daar wel de mosterd vandaan. Joke moest eens weten.

Postmodern communisme

Ahum, en dus nu de economische aap uit de mouw, mijnheer Sanctorum.  Hoeveel zou zo’n gepassioneerde klussedon_juanr mogen verdienen? Ik bedoel: iemand die echt voor zijn plezier werkt? Inderdaad: een loon waarvan men goed kan leven en nog iets opzij kan leggen. Zeggen we: 3000 euro, verkocht. Al wie meer wil, is met iets anders bezig, namelijk rijk worden, en dat is een perverse attitude, of misschien wel een soort verslaving die hopelijk te genezen valt.

Het verzamelen van rijkdom is, boven een bepaalde grens, volstrekt irrationeel. Karl Marx had het over de “oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal”, Siegmund Freud definieerde het als een anale fixatie, de behoefte om maar te blijven hoopjes leggen en ze opstapelen. Het pervers karakter van heel de banksector en het beurswezen is tekenend voor dat obsessieve kapitalisme. Er geldt geen overlevingslogica meer, zelfs niet de besognes van het goede leven, maar de wetmatigheid van de rijkdom die zichzelf wil vermeerderen. Het wordt een autonoom mechanisme, iets dat buiten ons staat en het commando overneemt. Om uiteindelijk heel onze inwendige mentale huishouding te sturen.

Kunnen we afgeraken van dat noodlot van de aliënatie, het werken met tegenzin en/of voor de poen, dan gaat er een totaal nieuw economisch model van de generositeit open, dat meteen ook heel onze cultuur- en onderwijswereld op zijn kop zet. Men studeert niet meer voor een lucratief diploma, maar uit passie. Beursgenoteerde kunstenaars als Delvoye en Fabre kunnen daarin niet meer gedijen: stuur ze wandelen, zoals Cornu en kornuiten. Een veeg van de meester en een bank achteruit.

Misschien is het idee van een basisinkomen dan wel een valabele piste die verder moet onderzocht worden: laat iedereen leven, en laat arbeid vooral een genotsmiddel zijn…

Alleen de echte liefhebbers overleven in een genotsuniversum waar het geld geen rol speelt en men alleen bezig is omdat men het niet laten kan, instinctmatig. Zoals Don Juan. Een genieter maar vooral ook een harde werker: probeer het maar eens, elke dag dat geloop, 1003 stuks genoteerd in Spanje.  Job en hobby worden één. Vrouwen versieren, een postbode die brievenbussen volstopt, of opera’s componeren: het is uiteindelijk toch allemaal een kwestie van goesting. Waarmee we dan de tragische figuur van Sisyphus definitief mogen dumpen, en gaan voor een meer hedonistische variant. De maniakale steenduwer wordt levenskunstenaar.

De koppeling van arbeidsethos aan lustprincipe maakt het onderscheid tussen “actieve” tijd en “vrije” tijd zinledig,- ook het thuiswerk kan bijdragen tot de vervaging van dat onderscheid.  Allerlei informele vormen van ruilhandel en wederdiensten ontstaan daarbij, wat de sociale cohesie vergroot. Tevens echter vormt ze een enorme impuls tot sociale herverdeling, vermits niemand nog voor zijn portemonnee werkt, en nog minder om rijkdom te verzamelen. Jobmigratie en carrièrewendingen zullen de regel zijn, lineaire loopbanen en vergrijzing-in-het-vak de uitzondering.

Misschien is het idee van een basisinkomen dan wel een valabele piste die verder moet onderzocht worden: laat iedereen leven, en laat arbeid puur een genotsmiddel zijn, een Spielerei, of op zijn minst een waardige bezigheidstherapie. Arbeidsesthetica wordt dé nieuwe wetenschap. Geef iedereen een aanvaardbaar leefloon en laat de gedreven klussers naar hartenlust bijverdienen in een zelfstandigenstatuut. De koopkracht zal er wel bij varen. Schaf heel het aalmoezensysteem van de sociale zekerheid dan af, samen uiteraard met alle subsidiestelsels en overheidspatronages.

Een soort postmodern communisme van het derde milllenium? Tja, Camus was wel echt een rooie rakker, maar dan geen van het doctrinaire soort. Een verzoening tussen de levensfilosofie van Nietzsche, het lustbeginsel van de Freudianen, en het socialisme van Marx,- het blijft de gouden driehoek waar wij, amateurdenkers, toch blijven naar zoeken.

Advertenties

De waarheid en niets dan de waarheid

Hackers van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA zijn er dus in geslaagd spionagesoftware (malware) op de computersystemen van operator Belgacom te zetten, meerbepaald bij dochterbedrijf Bics (Belgacom International Carrier Services) dat wereldwijd het telefoonverkeer regelt en zich toespitst op telefonie in het Midden-Oosten en Afrika. Een Hollands bedrijf (Fox-IT) heeft het boeltje moeten ontsmetten. Bij ons, laat staan bij de IT-ers van Belgacom zelf, bleek niemand in staat om de klus te klaren.

Het kabinet van premier Di Rupo zegt dat ‘indien de hypothese van de betrokkenheid van een ander land bevestigd wordt, de regering de gepaste stappen zal ondernemen.’ Wat die gepaste stappen dan precies moeten betekenen, is op dit moment niet duidelijk. Beef, Amerika, hier komt de koning van Henegouwen met zijn PS-falanx.

De morele kwestie: het doel en de middelen

Obama reageert niet op de golven van morele verontwaardiging. Waarom zou hij? De argumen9_11ten om geheime afluistertechnieken wél toe te passen zijn ijzersterk, sedert 11 september 2001: als Al Qaeda en aanverwanten onder elkaar GSM-en (wie doet dat nu niet) en snode plannen fabriceren, dan zou het van onnozelheid getuigen om hier zijn oor niet te luisteren te leggen. A la guerre comme à la guerre. Ik wil de uitkomst van die ethische discussie rond die afluisterpraktijken dus nog wel eens afwachten, professor Vermeersch mag zijn bretellen al aanspannen.

Ach, die privacy. Het doet denken aan de juridische verdedigingstactiek van gauwdieven die zich beroepen op de privacy-wetgeving wanneer ze gefilmd werden. Of, straffer nog, een zoon die zijn moeder bij een nachtelijke overval verdedigt, en door de inbrekers achteraf zelf aangeklaagd wordt wegens geweldpleging.

Het argument van het doel dat de middelen heiligt, is ook na de filosoof en plichtmaniak Immanuel Kant overeind gebleven: er moet uiteindelijk altijd een smeerlap zijn die zijn handen durft vuil te maken. En na die sanering van de Belgacom-servers moeten de techneuten van de NSA natuurlijk weer van voor af aan beginnen. Ondertussen kunnen ze bij Al Qaeda hun plezier niet op.

De esthetische kwestie: wat met onaangename waarheden?

De “onthulling” zelf dan. Heel eerlijk: de vraag is, of de waarheid in alle omstandigGoreheden moet blootgelegd worden, en vooral of dat het leven er aangenamer op maakt, en of het iets oplost.

Voor de liefhebbers van een malse varkenskotelet: bezoek eens een slachthuis, uw appetijt zal voor goed over zijn. Wie ooit eens een scheve schaats heeft gereden, wil misschien zijn/haar partner die waarheid ook wel besparen. En hoe sommige uitgevers of schrijvers de krantenredacties het hof maken om een geflatteerde recensie in de wacht te slepen ,- ik wil het zelfs niet weten.

De waarheid kwetst, maar maakt het leven dikwijls ook lelijk,- ze deprimeert, intoxiceert, vernietigt. Daarom ook wekt Al Gore zoveel weerzin op: de boodschap is waar en misselijk makend tegelijk. Kan iemand onder u een documentaire over concentratiekampen uitkijken? Ik niet. De negationist Siegfried Verbeke trok uit die walgelijkheid zelfs de extreme consequentie: hij gelooft er gewoon niet meer in.

Er speelt hier dus een soort esthetisch – ik zou haast zeggen: een medisch- argument om te verhullen, te negeren, te ontwijken, waarbij men toch in de buurt –horresco referens– van de leugen komt, beter bekend als het leugentje-om-bestwil.

Het absoluut immorele idee dat onaangename waarheden (inconvenient truths) onze gezondheid aantasten, het leven vergallen en we ze dus beter kunnen vermijden, heb ik van de Griekse wijsgeer Epicurus (341 v.Chr. – 270 v.Chr.) en diens hedonisme, dat men niet moet zien als banale genotzucht maar eerder als een individuele geluksfilosofie. Met uiteindelijk toch weer morele randjes. Want wie ben ik, om iemand anders ongelukkig te maken door hem de waarheid te vertellen?

De filosofische kwestie: de onkenbare waarheid

Zo zijn we bij de diepere levensvragen beland, wat eigenlijk helemaal niet de bedoeling was van Janusdit stukje.

De massamedia beroepen er zich op dat ze “de waarheid” onthullen. Zij hebben een informatieve roeping, u hebt de plicht om die informatie ook te consumeren. Beide zijn haast obsessioneel: de drang om te onthullen, en de verplichting om te weten. Maar dat weten brengt ons in wezen niets bij, we blijven op onze honger zitten, of haken gewoon af. We leven in een tijd waarin er constant bericht, onderzocht, onthuld wordt, zonder dat we het gevoel hebben dat we ook maar één stap dichter bij de waarheid komen. De prikkeling is eindeloos, maar de voldoening nergens, daarom blijven we maar kranten lezen en het TV-nieuws opzetten, in de hoop dat dé waarheid ooit tot ons komt. Het weten is ééndimensioneel, saai, en troosteloos. Het is ook de echte reden waarom de onderzoeksjournalistiek in het slop is geraakt: men ontdekt wel dingen, maar men kan ze nauwelijks benoemen, laat staan verklaren. De kleine waarheid van de reporter, Rudy Vranckx in Caïro: telkens ik hem zie moet ik me inhouden om niet in lachen uit te barsten, ofwel te wenen uit compassie.

“De grote strijd tegen Big Brother vindt, voorspelbaar, zijn ontknoping in een afluisterschandaal,- waarom verbaast me dat niet…”

Het probleem is dat de zogenaamde waarheid toch altijd weer elders blijkt te liggen. Het is als een schaduw die mee met ons opschuift. De waarheid is namelijk iets ingewikkelder dan de werkelijkheid, zoals filosoof-schrijver Guido Eekhaut terecht opmerkt. Dikwijls worden die twee begrippen dooreen gehaspeld.

De feitelijke, journalistieke realiteit is dat de Belgacom-servers gehackt zijn door de NSA. Maar welke waarheid zit erachter? Die Van Obama? Georges Bush jr.? Die van Didier Bellens? Die van de technicus die het hackprogramma ontwierp en er netjes zijn brood mee verdiende? Die van Edward Snowden? Uw en mijn waarheid? Of denkt u echt dat, als we al die stukjes waarheid op elkaar leggen, we tot dé waarheid komen?

Vergeet het. De waarheid is zo ingewikkeld als de wereld. Dat is geen reden om hem niet te zoeken, alleen: we hebben gewoon het brein niet om hem te vatten. We blijven haperen bij deelaspecten, momentopnames of simplismen.

De waarheid kan enkel een vermoeden zijn. Denk aan de onzekerheidshypothese in de kwantumfysica. Ze is speculatief, hypothetisch, dynamisch, variabel en zelfs paradoxaal, waardoor er op een zeker moment altijd twee waarheden loodrecht op elkaar komen te staan. Wit en zwart, ja en neen, + en -. Kiezen helpt dan niet, niet-kiezen evenmin. De geëngageerde mens is een paljas, de niet-geëngageerde een lafaard.

Quod erat demonstrandum.

Onvermijdelijk eindigt deze bedenking bij de diegenen die echt de onderste steen willen omkeren, de dy-Bigbrotherhards, de complotbelievers, de waarheidsfundamentalisten.

Ik heb de grootste existentiële sympathie voor klokkenluiders zoals Edward Snowden, de man die heel de NSA-afluisteraffaire uitbracht. Maar hun focus is zo extreem en geconcentreerd, dat ze op voorhand lijken te weten wat ze gaan vinden en daar ook hun paranoïde strategie op afstemmen. Dat is nog de grootste aporie: als men weet wat men zoekt, vindt men het verwachte; en als men het niet weet, vindt men helemaal niets. De grote strijd tegen Big Brother vindt, voorspelbaar, zijn ontknoping in een afluisterschandaal,- waarom verbaast me dat niet. In alle opzichten is de kenbare waarheid dus ook de verwachte waarheid. Quod erat demonstrandum. Een cognitieve anti-climax. Echte verrassingen zijn vrijwel uitgesloten. Met andere woorden: het is een maat voor niets.

Vandaar mijn fascinatie voor Eward Snowdon (en zijn voorganger Julian Assanges): zijn gelijk is evident, en tegelijk compleet deconstrueerbaar. Ik hou van hem, ik veracht hem. Hij vat de essentie en bakt tegelijk lucht. Wat me tot het bipolaire essay “Snowden vs Obama, of het vermoeden van de dubbele waarheid”  dreef.

Voor de rest zie ik alleen maar voordelen in het schandaal. De pers fleurt op, voelt zich gesterkt (De Standaard beschouwt zich hier zelf als zowat de klokkenluider), verkoopt meer kranten (wat zouden ze zijn zonder het nieuws) en mag best wat nieuwe journalisten in dienst nemen,- goed voor de werkgelegenheid. De ontdekking van het afluisterprogramma, en de ontmanteling ervan, zal tevens leiden tot nieuwe malware die nog moeilijker op te sporen zal zijn, die dan ook weer nog meer gesofistikeerde viruskillers zal vergen. Wat ook weer een pak jobs oplevert. Nooit gingen goed en kwaad beter samen. En daar draaien de politiek én de economie in deze postmoderne tijden toch op: op antagonistische behoeften en tegengestelden die elkaars noodzaak oproepen.

Alleen alle computers buiten gooien en de informatica afschaffen, zou dit handeltje kunnen doorbreken. Maar dat is een waarheid als een koe die ik hier zelfs niet ten berde wou brengen.

Een kus van de juf en een bank vooruit

rectoversoZopas ontving het tijdschrift rekto:verso de Vlaamse Cultuurprijs voor Podiumkunsten uit de handen van Vlaams minister van Cultuur, Joke Schauvliege. Wie? Toch niet die cultuurloze troela uit Evergem waar heel de Vlaamse cultuursector bij haar aantreden op schoot? Jawel dus. 12.500 euro plus nog een bronzen schouwgarnituur. Geen fortuin, maar toch een welgekomen injectie voor een tijdschrift dat overigens al ruim betoelaagd wordt door diezelfde Vlaamse cultuurminister, door ene Erwin Mortier nog niet zo lang geleden het Schouwvliegje genoemd. Ach, geld stinkt niet, zoals keizer Vespasianus al zei toen hij de belasting op pispotten invoerde.

Ons-kent-ons

Waarom dit tweemaandelijks (gratis, enkel in de rekken van de culturele centra te vinden) tijdschrift de podiumprijs kreeg, en niet één van de financieel naar adem snakkende theatergezelschappen in Vlaanderen, wordt niet duidelijk gemotiveerd. Wel is het duidelijk dat het blad stevig ingeplant is in het culturele establishment.

Behalve uit subsidies haalt het zijn inkomsten uit advertenties. Maar wie adverteert er zoal? De culturele centra en de grote (gesubsidieerde) gezelschappen, festivals etc. die door het blad kritisch bejegend zouden moeten worden. Daarnaast zijn er nog de “Vrienden van”, een steuncomité van maecenassen waarin we weeral, juist, dezelfde actoren vinden van het welbekende culturele veld. Culturele centra, festivals, gezelschappen. Zo passeert rekto:verso een aantal keer langs de overheidskassa.

Redactioneel dan. Vrijwel alle redactieleden zijn tewerkgesteld in een of andere (uiteraard weer gesubsidieerde, of als overheidsinstelling fungerende) instelling, genre Vlaams TheaterInstituut, De Brakke Grond, het S.M.A.K, BAM, tenzij ze als cultuurjournalist werkzaam zijn in bijvoorbeeld De Standaard (altijd goed voor een mooie column over recto:verso, zoals vandaag), of als docent aan de KUL of in het RITS. Ik bedoel gewoon: dit tijdschrift bezit een hoog ons-ken-ons-gehalte. Het “becritiseert” de culturele scène van binnenuit, als een institutionele participant, een economisch en professioneel gelinkte stakeholder. Of in gewoon Nederlands: een lid van de club.

Missionarishouding

Zo wordt de sector haar eigen kritische maatstaf, altijd met één oog gericht op de subsidiepotten. “Kritiek” wordt een leeg begrip, een passe-partout voor jongens en meisjes die eens wat anders willen, maar toch weer hetzelfde. Eén redactielid, een zekere Ervé De Patser, wordt trouwens uitdrukkelijk opgevoerd als gladde jongen, netwerker en subsidie-lobbyist. Een man die zijn gewicht in goud waard is.

Recto:verso mag zich dus met recht en reden “een tijdschrift van en voor de Vlaamse culturele sector” noemen. Voor mij niet gelaten. De druk- en papierindustrie moet ook leven. Toch verbaast de wereldvreemdheid van zo’n college me telkens opnieuw.

“Als tijdschrift voor cultuur en kritiek willen we bereiken dat de samenleving meer aandacht krijgt voor de kunsten, en de kunsten meer aandacht voor de samenleving”, zo luidt het in de missietekst. Mooie woorden, maar de confrontatie met echte subcultuur of tegencultuur, de buitenstaanders en niet-deelnemers, wordt nooit aangegaan, het blijft allemaal lekker binnen de tent van kunstenmakers, organisatoren, curatoren, directeurs, journalisten, critici en academici. Op de winkel letten, noem ik dat.

Onder de missionarishouding van de redactie zit dan ook een flinke dosis boboisme, elitaire aanstellerij en intellectuele navelstaarderij, tot op het Narcistische af. Dat komt wel meer voor in de door Joke Schauvliege beheerde sector die nochtans heel lelijke dingen over haar heeft verteld. We denken dan bijvoorbeeld ook aan Courant, het driemaandelijkse tijdschrift van het Vlaams TheaterInstituut, een compleet onleesbaar gewrocht van mensen die zich allemaal enorm belangrijk vinden en echt schijnen te denken dat hun gekraai in de kinderbox de wereld voor de barbarij behoedt. Telkens weer smijt ik het ding gedeprimeerd in de vuilnisemmer.

Cultuurbureaucratie

Uiteraard bloeit er, buiten de officiële en geaccrediteerde “cultuurkritiek” genre rekto:verso, nog een hele flora van tijdschriften, webmagazines en blogs die cultuur veel meer naar de keel grijpen, om de eenvoudige reden dat ze niet in de salons van Joke Schauvliege gesignaleerd worden, niet aan het subsidie-infuus hangen, en ook niet tot de onderhoudsnetwerken van kunstenaars, critici, media en politiek behoren.

Politiek? Jawel. Recto-verso bekent zich onomwonden tot de linkse zuil (ooit waanden we dit laatste begrip gedateerd) en heeft een associatie opgezet met de (ook weer allemaal van overheidssteun levende) mediapartners Apache, MO.be, StampMedia, De Wereld Morgen, en Kifkif. Een herkenbaar rijtje, ik moet daar geen tekening bij maken. Deze zogenaamd progressieve zuil wedt –en dat is een vreemde contradictie- nog het meest op institutionele verankering, overheidssteun en dus ook op een vaste navelstreng met de macht zelf. Een politiek-correct, regimevriendelijk conglomeraat van “linkse” (let op de aanhalingstekens) zeloten die cultuur en kunst graag zien als de emanatie van de maakbare samenleving, met de overheid als dirigent. En uiteraard is het flamingantisme in deze kringen altijd de kop van Jut: Vlaanderen deugt alleen als subsidiepot en melkkoe, de rest is een aangelegenheid van verstokte “zwarten”.

Ach, cultuurkritiek. Het is zoals met cultuur zelf: als de overheid er zich mee gaat bemoeien, verliest ze haar voornaamste bestaansreden, namelijk die van de fameuze luis in de pels. Het dissidente, weerspannige en onaangepaste. Net datgene wat niet te herleiden is tot het gekeuvel binnen de reguliere cultuurbureaucratie.

Het is een discussie die ik al in meerdere debatten heb gevoerd met o.m. mijn achtbare tegenstander Bart Caron, linksdraaiend Groen!-politicus en groot voorstander van een door de overheid beheerde en financieel gecontroleerde cultuursector. Er staat nochtans veel op het spel, de uitdaging is enorm. In mijn column De kunstenaar als huisdier” stelde ik de vraag, of een door het establishment doodgepamperde kunstenaar in onze tijd van grote veranderingen en wendingen nog enige relevantie heeft. De politieke tanker probeert altijd rechtdoor te varen, daarom is betoelaagde cultuur (en cultuurkritiek) iets als een toegelaten pers onder een dictatuur.

Ik geloof dus niet zo in zelfverklaarde kritische media en dito scribenten die helemaal met het systeem vervlochten zijn, en al helemaal niet als het over cultuur gaat. Prijzen blijven daarbij verraderlijke valkuilen: wie deelt ze uit, en waarom? Als een bewijs van goed gedrag en zeden?

Felicitaties en schouderklopjes alom dus, maar niemand voelt alsnog nattigheid. Een uitgebreide feestpolonaise zal de redactie en haar aanhang tot in Amsterdam voeren, meer bepaald het Vlaamse Cultuurcentrum De Brakke Grond, of wat dacht u. Ik wens recto:verso-voorman Wouter Hillaert rond deze onderscheiding nog aangename gevoelens en prettige momenten toe.

Femme fatale: ook spoken hebben hun nachtmerries

eccehomoDe manager van de feministische actiegroep Femen blijkt dus een man, en nog wel een tamelijk autoritaire figuur, zo lezen we in de pers, waar ook zijn tronie wordt onthuld, naar verluidt grondig vertimmerd door de Oekraïnische geheime dienst. Of was het misschien door de Femenistes zelf? Ik durf gokken op het tweede. Ook spoken hebben hun nachtmerries.

Daarmee krijgt mijn grenzeloze fascinatie voor het Femen-fenomeen een nieuwe impuls en komen ze weer wat dichter bij het archetype dat écht interessant is om levenslang te blijven volgen: dat van de femme fatale. De vrouw die haar schoonheid etaleert, enkel om mannen in de val te lokken, te vernederen, eventueel zelfs te doden of tot zelfmoord te bewegen. Ze gebruikt (of misbruikt) de biologisch geconditioneerde seksuele lichaamstaal, niet om de copulatie voor te bereiden en het leven te bevorderen, maar om te verminken en te doden.

De femme fatale is echter veel meer dan een banale vamp. Ze is zelf gespleten, ze wil twee dingen tegelijk, en dat ligt altijd moeilijk. De man lijkt het slachtoffer te worden van die bipolariteit, ten bewijze de recente foto van Victor Svyatski. Door zijn eigen harem gemolesteerd.

De vierkantswortel van -1

Hoe dat kon gebeuren? Eerst ga ik even in op de seksuele antropologie van de penis, waarvanhotdog de erectie door de psycho-analist Jacques Lacan werd geïdentificeerd met de vierkantswortel van -1, zijnde een denkbeeldig getal (normaal kan alleen van positieve getallen een vierkantswortel getrokken worden).

Belachelijk gemaakt door neo-positivisten van het slag van Maarten Boudry, die Lacan als een charlataneske fantast beschouwen, is die gelijkenis tussen de penis-in-erectie en een mogelijk-onmogelijk getal toch wel verbazingwekkend accuraat.

De meeste mannelijke zoogdieren én alle primaten bezitten namelijk een penisbot of penisbeen (baculum, os penis) waardoor de erectie mechanisch tot stand komt, via een spier bediend. Bij de mens ontbreekt dat stukje skelet, en stelt zich de hamvraag voor man én vrouw: hoe krijg ik hem stijf? Het is dus een klein wonder dat telkens tot stand komt, waarbij de vrouw zich maximaal moet inzetten om dat wonder tot stand te brengen, het fameuze pijpen dus. Een groot deel van de pornofilms draait hoofdzakelijk rond die fase. En terecht: dit is een haast transcendente operatie waarvan het resultaat, jawel, enkel als een imaginair getal valt weer te geven.

De quasi-onmogelijke oprichting van een orgaan dat enkel vlees en bloed bevat, een bloedworst dus in de ware zin van het woord, kan men dan ook enkel met pure poëzie omvatten. Lacan omschrijft het als volgt, ik vertaal naar het Nederlands:

“Zo is het erectieorgaan de plaats van het genot gaan symboliseren, niet op zichzelf, zelfs niet als beeld, maar als ontbrekend deel bij het verlangde beeld: daarom kunnen we het gelijkstellen met √-1 in de hoger geproduceerde betekenis, namelijk het genot dat het opnieuw mogelijk maakt door de coëfficiënt van zijn taaluiting met de functie van de afwezigheid van betekenaar (-1).”

Wetenschappelijke nonsens? Wellicht, maar het gaat om iets hoger en ongrijpbaarder, namelijk het mysterie van de verleiding zelf, waarbij de vrouw het toch maar klaarspeelt om de worst met bloed te vullen, waarna het ding zich opricht, als een dode die tot leven wordt gewekt. Wie kan zoiets puur rationeel en wetenschappelijk beschrijven?

Tegelijk echter schuilt in deze operatie ook een groot gevaar, namelijk het afbijten door de vrouw van dat orgaan bij orale stimulatie, via de zogenaamde vagina dentalis, de mond als getande vagina. Hap, en het is gebeurd. Een (vrouwelijke) slappe lach kan niet uitblijven. Alle mannen weten het: op het moment van de fellatio is het erop of eronder. Bij de hansworst Victor Svyatsky was het eronder, vermoed ik, de foto toont hier geen details onder de gordel.

Andere zoogdieren hebben dat probleem van de bloedworst dus niet, wat niet betekent dat het mannetje probleemloos de scène verlaat. Bij lagere diersoorten gaat het er overigens nog drastischer aan toe: de wespspin (Argiope Bruennichi ) doodt haar partner na de paring en eet hem meteen ook op. Althans, indien die paring langer dan tien seconden in beslag neemt. Op dat moment kan men inderdaad gaan spreken van een genotsbonus (Lacan: ”jouissance”), buiten de strikte voortplantingslogica, en treedt de femme fatale tevoorschijn, als diegene die het genot bestraft en zo haar autonomie terugwint. Spinnen en schorpioenen: het zijn de dierlijke prototypes van de femme fatale.

Feminisme, dubbele agenda?

Liefde en oorlog, twee in één: de ontmanning is het risico en de ultieme prijs voor de erectie. DaarmeFemene zijn we helemaal terug bij de broeierige psychologie van het feminisme, al dan niet als bedekte mannenhaat. Geen enkele man heeft ooit kunnen uitmaken waar het de geëmancipeerde vrouw nu echt om te doen is: hormonaal willen ze mooi zijn, behagen en verleiden,- politiek-sociaal willen ze zich anderzijds onthechten en het seksisme overstijgen. De logische uitweg is de beet achteraf. Maar het orgaan groeit niet meer terug bij, de mannenwereld kan nergens anders evolueren dan naar een schimmenrijk van eunuchen,- een aftelling die finaal ook de vrouw zal doen terugplooien op haar eigen seksuele bevrediging. Wat misschien de bedoeling is.

Het feminisme is zo tegelijk de ontkenning én de voltooiing van de femme-fatale-mythe. Er is de manische behoefte om uit te dagen, universeel te prikkelen (in biologische termen: de erectie te bevorderen), dikwijls met hoerige rokjes, en tegelijk is er het politiek programma dat “neen” zegt, het no pasaran, tot hier en niet verder, het opleggen van regels die mannen in essentie niet zinnen maar die ze als politiek-correct toch zouden accepteren, tegen de logica van hun penis in.

Het begrip “emancipatie” op zich is dus, in de vrouwelijke psyche zelf, dubbelzinnig. Het behoort tot een cultuurevolutie waarbinnen woorden, begrippen, beelden en gebaren steeds meervoudiger en gelaagder worden. Achter elk neen zit een ja, en vice versa, achter elke uitnodiging een afwijzing. Een dubbele agenda die uitmondt in een extreem gecompliceerd en gecodeerd dansritueel. Dàt is het, waar Lacan met zijn mysterieuze negatieve vierkantswortel op doelde: de betekenissen zullen oplossen in de praxis van een tegensprakelijke taal, die virtuoos wordt ontwikkeld en nooit blijft wat ze is, niet één dag.

Flou artistique

Wij hebben er geen idee van, in welk een ijltempo de seksuele grammatica zich vandaag losSalomemaakt van haar biologische wortels, om uit te groeien tot een kunsttaal die zich bestendig raffineert en transformeert. Ik had het onlangs al over de pornografie als experimentele avant-garde. Ze verlegt normen en ontgint nieuwe pistes, technieken, figuren. Het is niet correct om ze als “vrouwonvriendelijk” te beschrijven, zoals puriteinse moraalridders doen. Veeleer verzelfstandigt ze de seksuele lichaamstaal tot een extreme taal-om-de-taal, een autonome flou artistique, iets wat de poëzie uiteindelijk ook doet. Zo komt het dat vrouwen die T-shirts dragen met het opschrift “Fuck me!”, zowel willen uitnodigen als afstoten, een fenomeen dat ik als man al hopeloos probeerde te ontwarren in “De slutwalk, van onderuit bekeken”.

Tenslotte is de afkeer van de Femen-beweging voor de Islam en zijn patriarchale benepenheid vooral ook een protest tegen de boerka, het alles verhullende kledingstuk waar geen enkele man op straat een stijve van krijgt. Moslims lopen hopeloos verloren in de complexe taalspelen van de laatmoderniteit, daarom hebben ze ook geen gevoel voor humor. Hier dus ook geen vierkantswortel van -1. Eénduidigheid is de echte troosteloosheid. Als de dans der zeven sluiers niet doorgaat, valt ook heel de dynamiek stil van leven en dood, liefde en haat, erectie en castratie, en de zee van tijd ertussen. Het universum van de femme fatale, als het ware.