Maandelijks archief: november 2013

Sublimeren is de kunst

duivenmelkerOnlangs bereikte ons de tijding dat de Brabantse gemeente Merchtem (bij Brussel) GAS-boetes (“Gemeentelijke Administratieve Sancties”) wil uitdelen aan al wie de lokale duivensport verstoort. Concreet gaat het vooral over spelende kinderen die door hun tumult de prijsduiven van de til weghouden. Daarmee is de discussie rond overlast op een nieuw, hoger peil gekomen: het gaat om de man-met-de-duif die men liever niet in de buurt van kinderen ziet. De vraag is, wie een gevaar vormt voor wie. Een kleine cultuurwandeling.

Colombine-Lolita

NiettegenstaanColombinede de duif een vredessymbool is, zijn duivenmelkers behoorlijk agressieve lui: katten, andere vogels, roofdieren, ze worden zonder pardon vergiftigd als ze in de weg lopen. In de limiet zou dat ook met kinderen kunnen gebeuren, temeer daar er behoorlijk wat geld rolt in deze sport. In die zin is de Merchtemse maatregel zelfs redelijk: het is beter voor de kinderen dat ze niet oog-in-oog met de duivenmelkers staan, je weet maar nooit.

Plots wordt ons ook duidelijk dat die duif, symbool van onschuld, eigenlijk zelf een gesublimeerde versie is van het kind, als prooi en seksueel object. Pardon, de duivenmelker een crypto-pedofiel? Wel, verder grasduinend in de geschiedenis van cultuur en religie stootte ik op de oerpatrones van alle duivenmelkers, namelijk de godin Ištar die 6000 jaar geleden in het Mesopotanische Babylon (het huidige Irak) werd vereerd. Allerminst een doetje: zij was de godin van seks en oorlog, met de duif als voornaamste attribuut en de tempelprostitutie als voornaamste religieuze praxis. Jawel, de duif, als dierlijke metamorfose van het vrouwelijk geslacht, waarvan het secreet (de “melk”) uit de krop kan worden gekieteld, hebt u ‘m. Offeren aan Ištar, dat was pas dolle pret. In het bijbelboek Openbaring wordt ze dan ook de hoer van Babylon genoemd.

Zoveel liederlijkheid, daar moest iets aan gedaan worden. Via de Griekse en Romeinse cultuur, de gnosis, en vooral het Christendom, werd die frivole duif ontsekst tot het symbool van zuiverheid en onschuld, vrede, het bovenzinnelijke, de ziel, de Geest die neerdaalt. Hallelujah.

Blij luiden nu de klokken op zondagmorgen terwijl de duiven in Merchtem naar beneden vallen. Gelet op de Babylonische voorgeschiedenis echter is dit een seksorgie waarbij het lokken van het beestje een hoofdrol speelt. Maar het ergste moet nog komen: door de Christelijke correctie tot symbool-van-onschuld is er een hybride associatie ontstaan. De duif is nog steeds een kut, maar dan in de verkleinvorm, anders gezegd: het ongerepte meisjesgeslacht, in de handen van een gepensioneerde. Tja, wie had dat gedacht. Lolita, Lulu, Lilith, Colombine, de vrouwelijke onschuld bedreigd: gelukkig is het “maar” een duif en vervalt de letterlijke aanklacht van pedofilie.

België, het thuisland van de colombofilie én van de pedofilie: het kan geen toeval zijn. Maar de duivenmelkers hebben zichzelf stevig in de hand en verkiezen de trofee boven de prooi. Ook voor de Merchtemse maagdjes is het een goede zaak: zo lang die oude mannen met duiven bezig zijn, laten ze datgene gerust waar het symbool eigenlijk voor staat.

Sweetie

Dit gaat dus over sublimatie, in de Freudiaanse betekenis: het omzetten van seksuele drift en agresSweetiesie in een meer “onschuldige” en maatschappelijk geaccepteerde bezigheid die we onder de verzamelnaam “cultuur” plaatsen.

Mannen willen eigenlijk alleen maar meisjes en jonge vrouwen. Zoveel mogelijk. Maar door hun lelijkheid en biologische onnut moeten ze een omweg nemen via het verwerven van roem, status, geld, macht, onder het motto “macht erotiseert”. Wat alleszins tijdwinst voor de prooi oplevert.

Ondanks (of net door) de hype van het jeugdige, leven we planetair onder een regime van opa’s (gerontocratie): de grote beslissingen op deze aardkluit worden door 55-plussers genomen. Hun brein is in volle verkalking, hun agenda is verborgen seksueel. Het zijn oude wolven die via macht en status de jonge duifjes trachten in te palmen die normaal voor de jonge mannetjes zijn voorbehouden. Af en toe lukt dat ook, maar de sensatiejournalistiek ligt steeds op de loer, Dominique Strauss-Kahn en Silvio Berlusconi kunnen ervan meespreken. duifje

Het blijft dus meestal bij onschuldig gescharrel. Sublimatie is een efficiënt middel om het geweld te milderen: mannen moeten kunnen spelen. In die zin is die duif met reden een vredessymbool. Maar de begeerte blijft natuurlijk, en de aanranding dreigt altijd.

We zitten hier in een gijzelingszaak waar voor het minste kwaad moet gekozen worden, misschien moeten we zelfs spreken van een veralgemeend Stockholm syndroom. Leve de verkiezingen, leve de regering, leve het parlement. Wij houden van de politiek, we laten de politici hun ding doen, om erger te voorkomen. Hun appetijt moet gaande gehouden worden, zonder dat ze schade kunnen aanrichten. Een subtiele onderhandelingskwestie waarin realiteit en virtualiteit op de duur vervagen.

Onlangs verscheen op het internet een filmpje waarop een 10-jarig Filipijns meisje zich uitnodigend tot mannen richt. Wereldwijd verdrongen de pedofielen zich voor het computerscherm, IP-nrs traceren en hop, inrekenen maar. Belangrijk detail: het kind bestond niet echt, het was een animatie. Waarmee we eigenlijk terugkeren naar het duivenmelkersverhaal en de vraag hoe de seksuele straatroof kan herleid worden tot een onschadelijk substituut, een beeld, een symbool. Pedofilie is ongeneeslijk en van alle tijden: als men het fenomeen niet aanvaardt, kan men dus beter iets in de plaats geven. Ik vraag me zelfs af of die pedofielen niet perfect doorhadden dat Sweetie een animatie was, en er dus in slaagden om ook zichzelf om de tuin te leiden.

En wat als we die perverten zo ver krijgen dat ze hun eigen animaties creëren waarbij ze zich naar hartenlust kunnen aftrekken? Wat als dit nu eens kunst werd, een alsof-gedoe? Is seks met een kinderpopje genaamd Sweetie, zoetje, duifje,  strafbaar? Ik dacht het niet. Zou zoiets niet moeten gesubsidieerd worden, in naam van de volksgezondheid?

“Linkse hobby’s”

De kunstenaar als duivenmelker, de duivenmelker als kunstenaar: de duif landt perfect waar ze msublimatieoest komen. Al jaar en dag pleit ik voor het afschaffen van cultuur- en kunstsubsidies. Onlangs daarover nog een aanvaring gehad met de redactie van het tijdschrift Rekto-Verso. Maar vanuit een colombofiel standpunt moet ik mijn visie bijstellen. Immers, het gaat hier niet meer om l’art pour l’art maar om een therapeutische noodzaak. Gezien naar schatting 80% van de menselijke soort met een of andere afwijking rond loopt, is schadebeperking het devies. Geef een massamoordenaar-in-spe doek en penseel, of leer hem schrijven, en je hebt respectievelijk een kunstschilder en een romancier in de galerij.

Dat de wereld een gekkenhuis is, werd al geconstateerd door humanisten zoals Desiderius Erasmus. Maar ze deden er weinig mee. Terwijl bezigheidstherapie toch grote mogelijkheden biedt om de gekken zo niet te genezen, dan toch aan de praat te houden. Kunst, wetenschap, politiek komen in aanmerking. Ooit haalde ik het geval aan van Adolf Hitler, aan wie de Weense academie beter wél een kunstenaarsdiploma had afgeleverd: het had allicht een wereldoorlog gescheeld. Het voorbeeld is sterk voor veralgemening vatbaar. Kim De Gelder (bekend van zijn raid op een kinderdagverblijf) had een prima straatperformer kunnen worden. Ook de (spoorloze) Bende van Nijvel zie ik als een afgedwaald, mislukt kunstenaarscollectief dat de supermarkten teisterde omdat de musea onbereikbaar waren.

Omgekeerd is deze wereld een nog niet zo slechte plek dankzij het Ministerie van Sublimatie en zijn begunstigingspolitiek. Vandaag is een moderne kleiduifschutter als Jan Fabre duidelijk zo’n geval van een herspoorde, bijgewerkte pervert. Hij maakt katten kreupel door ze de lucht in te gooien, wat de dierenvrienden doet steigeren, maar ondertussen stormt hij geen school binnen met een machinegeweer. En als er bloed vloeit bij Fabre, is het meestal ketchup. Iemand als Herman Brusselmans, de Vlaamse seksliterator bij uitstek, beweert dan weer van zijn jongeheer helemaal niet meer recht te krijgen, zo leuk is het schrijven geworden. Dat is toch prachtig? Wie zou nu durven beweren dat kunst geen maatschappelijk nut heeft?

Dus ja aan het subsidiëren en ondersteunen van wat Wilders ooit linkse hobby’s noemde. Het probleem is uiteraard dat we er de boodschap gratis bij krijgen, de ruis is onvermijdelijk Terwijl de duivenmelkers alleen maar met duiven spelen, moet heel dat therapeutisch kunsteninstituut ons zo nodig ook nog eens verblijden met de diepere betekenis en zin die in hun sublimatie-oefeningen schuilgaat. Elke dag weer, overal, in alle kranten, legt de schrijver zich uit of laat zich uitleggen. Dat zouden we nog moeten kunnen indijken. Het kan, bijvoorbeeld met een boekenprogramma op TV waar toch niemand naar kijkt. Ingenieus de waanzin afkopen door haar een vrijplek te geven: als dat geen duivenwijsheid is.

Advertenties

Ode aan het DNA

   Over identiteit, leven en speurbare aanwezigheid

Zopas lanceerde de Antwerpse procureur-generaal Yves Liégeois –de man met het Hitlersnorretje- het iliegeoisdee om van elke pasgeborene een DNA-staal te nemen, dat in een centrale databank zou bewaard blijven om in de toekomst daders van een misdrijf gemakkelijker te kunnen identificeren.

De Big-Brother-jeremiades en mensenrechten-alerts waren niet van de lucht. Vooral de advocatuur steigerde, zo bij monde van strafpleiter Joris Van Cauter (“elke burger is dan een verdachte”). En inderdaad, bij een eerste libertaire reflex roepen wij mee: “Boeh!” tegen het idee om ieders biochemische formule op te slaan. Maar in de filosofie zijn vooral de tweede en de derde reflexen ook interessant. Even beginnen bij het begin.

Het alibi en de kleine lettertjes

DNADesoxyribonucleïnezuur, afgekort als DNA, is een macromolecule die fungeert als drager van erfelijke informatie van een levend wezen. Het onderzoek ernaar is al meer dan een eeuw oud, en leidde tot een sluitend model dat enorm efficiënt is om een individu te identificeren en te traceren: het zit overal in het lichaam, van kop tot teen, over speeksel, sperma en alle sappen, en we laten het overal achter, als een vingerafdruk, maar dan veel duidelijker nog.

Dat betekent eigenlijk ook dat, in geval van een misdrijf, er niet teveel meer moet gediscussieerd of gespeculeerd worden: wie zijn/haar DNA ergens achterliet, was daar ook, punt uit. Het geconstrueerde alibi (“ik was elders”) wordt dus een ongeldige smoes, niemand hoeft nog rond de pot te draaien. Dat betekent echter ook dat de rechtspraak enorm transparant en simpel wordt. Men kan nog over motieven debatteren, het hoe en waarom, maar niet meer over feiten. Hebben we dan nog wel advocaten nodig? Ik bedoel dan speciaal: advocaten die goed met kleine lettertjes overweg kunnen en hun cliënten uit de nor kunnen lullen? Neen, niet echt.

En zo komt de aap uit de mouw van de protesterende strafpleiters: hun job komt gewoon in het gedrang, meer is er niet aan de hand. De beruchte procedureslagen waar elk zinnig mens zich kapot aan ergert, en waardoor het geboefte fluitend buiten wandelt, behoren dan tot het verleden. Het DNA draagt niet alleen uniek erfelijk materiaal, het draagt ook “waarheid” die alle andere retorische trucs overstijgt. Mr. Joris Van Cauter heeft dus redenen om zich zorgen te maken.

Het DNA liegt niet. Dat valt te waarderen in een wereld van de waan, het gefrazel en de alibi’s.

In een breder perspectief brengt het DNA-verhaal ons terug naar een recht dat meer bij het gezond verstand aansluit en minder bij hermetische woordkramerij tussen specialisten. Meer feiten, minder fictie. Meer transparantie, meer no-nonsense-taal, minder omzwachteld sofisme. De onmogelijkheid van verzonnen alibi’s bespaart ons enorm veel nutteloos onderzoekswerk en oeverloze debatten waar alleen de advocaten beter van worden.

En laat die Joris Van Cauter nu zeker toch wel onlangs een pleidooi gehouden hebben voor… minder transparantie in de rechtspraak (DS-opiniestuk van 4/3/13: “Justitie kan wel wat geheimen gebruiken”).

De terreur van het jargon

boekenGeheimen dus, jawel. Over de ballast van de tekst en de dwang van het lezen/ontcijferen heb ik het al dikwijls gehad. Meestal viseer ik dan de schone letteren, het uitgeversdom, de papierindustrie en de algemene verliteraturing van onze cultuur. Dat alles verzinkt nochtans in het niets als men de logorhee van de moderne rechtspraak aanschouwt. Het Belgische Staatsblad braakt jaarlijks zo’n 50000 dichtbedrukte bladzijden met wet- en regelgeving uit. Sinds het Romeinse Recht en de Code Napoléon, en zeker ook met dank aan de Europese Unie, lijkt het verzinnen van wetten en wetjes een doel op zich geworden, en is het recht een voetnotenkwestie, door specialisten/exegeten beheerd. Ze houden er een geheimtaal op na, zeer bewust, want hoe minder mensen het snappen, hoe groter hun macht. Het recht moét dus complex zijn, in de eerste plaats om de status van de insiders, de experten te beschermen. Iets wat ik als een daad van pure terreur beschouw.

Het is niet ingewikkeld, men maakt het ingewikkeld, om eigen kennis -en dus macht- te beschermen.

Zo zou men het Grote Wetboek als een metafoor kunnen zien voor een nog veel bredere kwaal van het hermetisme, het universele schrikbewind van de geheimtalen waarmee experten ons om de oren slaan.

Overal kom je ze tegen: figuren die zich in een abrakadabra hullen en u wandelen sturen met een resem onbegrijpelijke vaktermen, het beruchte jargon. Van de garagist over de boekhouder, de sociaal werker, tot de politicus en de advocaat (uiteraard), maar ook de kunstenaar, de cultuurbureaucraat, de informaticus, de wetenschapper, de academicus.  Het is niet ingewikkeld, men maakt het ingewikkeld, om eigen kennis -en dus macht- te beschermen. Op die manier houden de kenners hun kennis voor zich, wat men vandaag ook moge orakelen over scholing, de brede kennismaatschappij en de participatie eraan. Het gevulgariseerde weten anderzijds dat men in de krant aangeboden krijgt, de kennis-voor-iedereen, is secundair, ééndimensioneel, fragmentarisch, anekdotisch, of soms gewoon plat-onbenullig.

Ondertussen knetteren de letteren voort. De geheimtaal (re)produceert de tekst om niét begrepen te worden en ontzag in te boezemen. De vertikale samenleving die zo ontstaat is vele malen erger dan die van de sociaal-materiële ongelijkheid. De taal is hier een middel tot segregatie geworden, een techniek van het dom houden, een medium om niet mede te delen, dit in de letterlijke zin. Erger nog: de taal schermt ons af van de werkelijkheid, creëert mistgordijnen. De taal zelf wordt leugenachtig.

Een revolte van het gezond verstand dringt zich op, waardoor onvermijdelijk een massa experten werkloos zou worden. Gezond verstand dat vraagt: “zeg gewoon waar het op staat”. Wat is, hoeft niet bewezen te worden, het bewijst zichzelf via de sporen. En dat brengt ons weer tot het DNA-verhaal: het is een unieke code die wij allemaal dragen én uitdragen. We zijn gewoonweg die taal, ze vormt onze biologische essentie, we hebben haar niet aangeleerd of we kunnen haar niet misbruiken om te verhullen.

Sporadische identiteit: hier was…..

bedDat is een interessante link met de existentialistische filosofie (sorry, ook weer jargon) die zich, buiten alle tekst, bekommert om het er-zijn van het individu (Dasein). Wat doen u en ik op deze plek, deze tijd, in dit universum? Waarom staan we elke morgen toch weer op, om als Sisyphus steeds weer dezelfde steen naar boven te rollen? Waarom maken we ons niet eenvoudigweg van kant?

Sommigen zullen zeggen: omdat we kinderen hebben. Inderdaad, maar waar komen de kindjes vandaan? Waarom maken we ze? Het antwoord zit in het DNA: een spoor nalaten, dat is wat we allemaal willen, het is de kwintessens van ons verlangen. Het DNA zelf gebiedt het ons, jaagt ons ’s avonds het bed in en ’s morgens er weer uit: leef, beweeg, reis, op de manier van op te lossen, stukjes te verliezen, beetje bij beetje te sterven, en zo te overleven, onsterfelijk te worden. Dit DNA-spoor neemt de vorm aan van een traject, letterlijk een “levensloop”, gemarkeerd door aanwezigheden en interacties. Een komen-en-gaan dat “iets” achterlaat, hoe klein en onopvallend ook. Dat is ons allerindividueelste kunstwerk. Alles wat zich verder nog “cultuur” noemt, is maar een schaduw van dat proces, van Beethovens 5de tot de blog van Jan-met-de-pet.

Men zou elk leven zo kunnen reconstrueren tot traject: op elke plek waar we gestaan, gezeten, gevochten, geslapen, gevreeën, gegeten, gekust, gespuugd hebben, of jawel, eventueel ook gemoord,… ligt onze materiële afdruk, onze biologische handtekening waarmee we de ruimte signeren. Geen gezever, geen geblaat, het is wat het is.

Leven is sporen nalaten, die samen een traject vormen. Het is de identiteit van een open, oplossend lichaam.

De DNA-biologie is in dat opzicht misschien wel de belangrijkste ontdekking van de laatste 500 jaar. Het is a.h.w. de concrete bevestiging dat onze aanwezigheid hier en nu nooit zinloos, onopgemerkt is. Het is de grondslag van onze echte identiteit. Een sporadische, “verliezende”, oplossende identiteit, niet die van een gesloten lichaam. Het belang van de seksualiteit, en het feit dat we eigenlijk niet zonder kunnen, ligt daarin: het kunnen/willen/moeten doorgeven van DNA tot iets dat een nieuw lichaam wordt. De drang om dat te doen is onuitwisbaar, alle vruchtbaarheidsmythes gaan erover: niet zozeer het doorgeven van erfelijkheid, maar het pure materiële spoor van onszelf vereeuwigen. Schrijvers en kunstenaars proberen dat telkens weer te sublimeren, door de seksualiteit –of zeker de voortplanting- te verzaken in ruil voor iets “groter”, “edeler”, een geheimtaal die imponeert en angst aanjaagt, maar tevergeefs: het gaat primair om het achterlaten van een handvol desoxyribonucleïnezuur op een strategische plek.

Dat de criminologie zich bedient van deze waarheid, is zoals de fabricatie van kernbommen zich bedient van de relativiteitstheorie: naast de kwestie. Met de ontdekking van het DNA is de wetenschap teruggekeerd naar de biologische essentie, de logica van het leven zelf, na een eeuwenlange dooltocht in de waan van de geleerdheid, de geheimtalen en de Cartesiaanse abstractie.

Mijn DNA mag dus overal gevonden worden, en als ik schuldig ben, ben ik schuldig. Ik verheug me op die eindelijke, simpele waarheid, die ons van elke leugendwang ontlast. Taal die materie wordt. Dingen, gebeurtenissen, daden die onloochenbaar naar zichzelf verwijzen en geen franje van retoriek meer dulden. Als speurbare aanwezigheid, zo mag iedereen leven, sterven, de geschiedenis ingaan.

Dank u, McDonalds

Over smaaktechnologie, kick-cultuur en kotsreflex

FatKids Enkele maanden geleden verscheen van de Amerikaanse onderzoeksjournalist Michael Moss het boek “Salt Sugar Fat, how the food giants hooked us”, een ontnuchterende analyse van de manier hoe de voedingsindustrie onze smaak manipuleert en tot overconsumptie aanzet. Kant-en-klaarmaaltijden, snacks, ontbijtgranen, fastfood, snoep en frisdranken leiden de dans.

Moss beschrijft het als een imperium van zout, suiker, vet – drie substanties die, in een juiste verhouding, leiden naar het blisspoint: de ideale kick. Het punt dat ons verslaafd maakt zonder dat we het beseffen. Het eten van een hamburger drijft ons naar het eten van een tweede, zonder dat we honger hebben, puur omdat de smaakversterker ons dwingt. Zout, suiker, vet: drie ingrediënten die bijna niks kosten en die de aandeelhouders van Coca-Cola, Nestlé, Kraft, Kellogg e.a. slapend rijk maken. Zelfs een hondendrol kunnen ze onweerstaanbaar oplekkeren.

Tegelijk afficheren al die producten zich via de verpakking ongegeneerd als heilzaam, calorie-arm, vezelrijk, enz.: de gezondheidsillusie is een wezenlijk deel van het product. De waarheid is dat wereldwijd obesitas en diabetes doodsoorzaken nr. 1 worden dankzij de gouden driehoek van de smaak.

De gelukskeuken van Jeroen

MeusEr zijn verschillende manieren om tegen dit fenomeen aan te kijken. Ik begin met de meest voor de hand liggende, de morele. Samen met het feit dat we enorme hoeveelheden voedsel wegwerpen, vormen de vleesproductie en de algemene overconsumptie dé redenen waarom wij deze planeet niet gevoed krijgen. De ruimte ontbreekt er gewoon voor. Enorme landbouwgebieden in de derde wereld worden voorbestemd tot monocultuur van gewassen (vooral soja), bestemd voor veevoeder in het rijke Noorden, waardoor teelt voor eigen, lokaal gebruik onmogelijk wordt.

De door de smaaktechnologie opgepepte overconsumptie leidt er op de duur toe dat de ene helft van de wereldbevolking de andere kannibaliseert. We hoeven geen racisten te zijn, we vreten bij elke barbecue gewoon de zwartjes en de bruintjes op. Maar kijk, via deze grande bouffe worden ook de veelvraten ziek en slibben hun hartvaten dicht. En zo zal er op het einde niemand meer overschieten: het beste wat deze planeet kan overkomen. Men zou het als een vorm van immanente rechtvaardigheid in de natuur kunnen zien: vermits de mens bovenaan de voedselpiramide staat en niets of niemand hem opeet, is het logisch dat hij zichzelf consumeert tot alles is opgeruimd. Dank u, McDonalds.

We consumeren niet om te leven, zelfs niet om te genieten, maar om blijvend geprikkeld te worden. Alles smaakt naar meer…

Toch is dat een abstracte ver-van-ons-bed-redenering. Het gezwelg gaat gewoon verder, de prikkels zijn overal. De voedselindustrie is namelijk maar een onderdeel van een veel meer omvangrijke genotseconomie gericht op de verleiding, de (over)consumptie en de verspilling. Kijk iemand als TV-kok Jeroen Meus eens bezig, die zijn naam leent aan een eigen kant-en-klaar-maaltijdenlijn. Ook hij is kwistig met de goudensmaak-driehoek en immer op zoek naar het blisspoint, het mmmmmm!!!-punt dat hoorbaar wordt als de man de lepel aan de mond brengt. Boter, zout, suiker, het kan niet op. Meus doet wat McDonalds doet: de ultieme verleider samenstellen.

Onder het Nietzscheaanse motto “Lust wil Ewigkeit” creëert de smakenbom het goed gevoel maar ook de permanente honger naar meer.  We consumeren niet om te leven, zelfs niet om te genieten, maar om blijvend geprikkeld te worden. Smaak produceert in de limiet verslaving, hetgeen essentieel is in een marktgedomineerde samenleving. Kinderen zijn gewoon verzot op die zoute frieten en gesuikerde hamburgers met eveneens gesuikerde ketchup. U toch ook?

De hersenfysiologie heeft overigens het mysterie van het genot al lang opgelost: het menselijk brein is constant op zoek naar prikkels die het welbevinden opwekken,- via de productie van het hormoon endorfine. Het is op die breinzone dat de voedselindustrie, en eigenlijk heel de consumptie-economie focust. Niets anders. Ooit maakten de filosofen een onderscheid tussen geluk (als iets diep, kwalitatief, duurzaam) en genot (als iets tijdelijk, oppervlakkig), maar dat is onhoudbaar. Fysiologisch gaat het om krek hetzelfde, namelijk goed gevoel, of het nu door een hamburger, een potje seks of door Mozartmuziek wordt opgewekt.

Wat Michael Moss aanklaagt i.v.m. de voedselindustrie is dus maar het topje van de ijsberg:  heel onze economie is gericht op de verleiding, de herhaling en de verslaving. Neveneffecten zijn onvermijdelijk: overprikkeld, vadsig en suikerziek stort de moderne mens in elkaar tot een, welja, geprepareerde bal gehakt. Dank u, McDonalds.

De moestuin van Michelle

moestuinNiet te verwonderen dat de vegetariërs, veganisten en groenteboeren de alarmklok luiden. En jazeker: het is goed dat kinderen terug de geur en smaak van bloemkool en spruitjes leren waarderen, en dat mensen met een tuintje hun eigen sperziebonen gaan verbouwen.  Of dat vrouwen komkommer en banaan leren waarderen om de eenzame uren mee door te komen. Maar is deze veggie-beweging sterk genoeg om de smaakbommenindustrie van Coca-Cola en Kellogg te weerstaan? Ik dacht het niet.

Vorig jaar publiceerde first lady Michelle Obama haar boek American grown, The story of the White House kitchen garden and gardens across America. Daarin breekt ze zowaar een lans voor het houden van een moestuin en gezond eten. Men ziet haar op de foto in haar eigen hofke, gehurkt tussen de tomaten en de peterselie, prediken tegen de vetzucht en de sucromanie. Maar Coca-Cola en McDonalds zijn niet onder de indruk: de groentjes in de tuin van het Witte Huis vormen geen bedreiging voor hun imperium. Integendeel, het geheel oogt meer als onderdeel van de presidentiële PR-machine die vooral met decorum bezig is: het loopt prima in Amerika, want Michelle kweekt spruitjes. Goed gevoel!

Het vegetarisme van de hogere middenklasse lost het probleem niet op, integendeel, het brengt McDonalds op nieuwe marketing-ideeën…

De moestuin van Michèle is het 21ste eeuws equivalent van het idyllisch boerendorp (Le Hameau de la Reine ) dat koningin Marie-Antoinette achter de tuin van Versailles liet optrekken om er te dartelen tussen koetjes en kalfjes, terwijl de echte boeren crepeerden. De waarheid is, dat de papperige onderklasse in de grote steden geen spruitjes zal kweken, om de simpele reden dat ze er de grond niet voor heeft, en omdat de reclame Michelle’s boodschap deskundig zal recupereren. Let vooral op het blaadje sla in de Big Mac!

Het vegetarisme van de hogere middenklasse lost het probleem niet op, integendeel, het brengt McDonalds op nieuwe marketing-ideeën. En het geeft bovendien een… goed gevoel aan die middenklasse. Elke poging om gezondheid te propageren, eindigt in een versterking van de ziekmakers. De onvoorstelbare lobby-budgetten zullen deskundig worden besteed,- kijk maar hoe goed de tabaksindustrie het blijft doen. Michael Moss mag dan wel de perversiteit van de voedingsindustrie aanklagen,- zij zullen probleemloos zijn kritiek gebruiken om hun product en zijn imago bij te stellen. Of ze geven hem misschien zelfs een vorstelijk betaalde job van communication manager. Dank u, McDonalds.

De woede van Anja

anjaZo komen we bij de architectuur van de hamburgerketen. De alomtegenwoordige kickcultuur zit verankerd in één groots Disney-landschap waar de attracties tegen elkaar opschreeuwen: we leven in een mondiaal pretpark. De genotzucht wordt permanent opgewekt door dat wat de filosoof Jean Baudrillard het simulacre noemt, een door de reclame gecreëerde illusie die een eigen realiteit gaat uitmaken. Alles is gespeeld en nagemaakt, er zijn alleen nog copieën zonder origineel. Niemand weet nog dat die hamburger ooit een stukje koe was, en dat is ook de bedoeling niet. Via de appetijtelijke blisspoints worden we steeds dieper in deze decor-werkelijkheid gezogen, struinen van de ene attractie naar de andere. Verdoofd en verblind, bewusteloos. Het beeld is alles geworden, met de artificiële smaak/geur als leidraad en conditioner. Dit vraagt om een beeldenstorm.

Tussen 1998 en 2000 stak dierenrechtenactiviste Anja Hermans met haar vriend een aantal Vlaamse hamburgertenten in de fik, overigens alleen met materiële schade, en om de redenen die hierboven aan bod kwamen: de vleesindustrie, de fastfoodcultuur, de zout/suiker/vet-terreur.  Elke afgebrande McDonalds stond er overigens na een week al terug in al zijn glorie, en identiek zoals voorheen, netjes volgens het handboek, als wou het grote Disneypark zijn onvergankelijkheid bewijzen. Niet zo Anja Hermans: ze kreeg de maximumstraf inclusief eenzame opsluiting, en psychiatrische internering er bovenop. Een vijftal zelfmoordpogingen uit die periode geven een idee waar het systeem toe in staat is.

Zuur en bitter, smaken die buiten de Gouden Driehoek vallen: daar ergens moeten we terug met de waarheid kunnen aanknopen…

Zelfs binnen links kreeg ze bijna geen steun, behalve bij een handvol punkers en junkies, terwijl men nochtans vanuit puur esthetische redenen al had kunnen zeggen dat die schreeuwlelijke bouwsels van plastic en karton een schande vormen voor de ruimtelijke ordening, en verdienen om in de fik gestoken te worden. Waar was toen de Vlaamse bouwmeester om haar te verdedigen?    Ook moreel-filosofisch zat ze, dacht ik, juist: als obesitas-producent McDonalds kinderen vergiftigt, én de ziekteverzekering enorm belast, wat is er dan mis met het elimineren van die gifmenger, al was het maar symbolisch?

Vandaag slijt Anja Hermans haar dagen als oudstrijdster van het Animal Liberation Front in een kinderboerderij, tussen de geiten, de schapen en de bloemkool. Een efficiënte psychiatrische behandeling heeft haar “genezen”. De vraag blijft of er een zinnige strategie kan ontwikkeld worden tegen het imperium van de leugen. Het activisme van Anja bleek een doodlopend spoor, de boeken van Michael Moss vormen maar een franje, de tuin van Michelle een vertederend hologram. Baudrillard raadt ons dan maar aan om de realiteit van het simulacre te omarmen: leef en beleef de illusie, laat je smaakpapillen strelen.

Ikzelf blijf geloven in het walggevoel, de galsmaak, de kotsreactie. Hoe lekker alles ook is, of juist daardoor: iets in onze ingewanden roept stop-en-eruit. Melancholie en anorexia houden verband met die walg: de grote weerzin, het willen ontgiften. Zuur en bitter horen niét bij de gouden smaakdriehoek, misschien daar mee beginnen.

Er moeten kotsschrijvers zijn, kotsfilosofen, kotsbewegingen, zelfs kotspartijen. Een lege maag die niets meer verdraagt: daar ergens moeten we terug met de waarheid kunnen aanknopen. Dank u, McDonalds.

Christendom, Islam, één strijd?

BouillonOp 15 juli 1099 veroverden de kruisvaarders, onder leiding van Godfried van Bouillon, de heilige stad Jeruzalem, op dat moment deel uitmakend van het Islamitische Rijk.

De socio-economische context van die 1ste kruistocht is interessant: de aanzienlijke bevolkingsaangroei in West-Europa leidde tot een overschot aan mensen en een tekort aan grond. Ook de ridderstand explodeerde: de geadelde ijzervreters struikelden gewoon over elkaar heen. Een heilige oorlog kwam prima uit om dat euvel op te lossen. Tenslotte bevatte het kruisvaartleger, door het uitzicht op amnestie en statusverhoging, een bonte mengeling van criminelen, avonturiers, naast verpauperde boeren met hun families. Uiteraard zat dat proletenleger niet mee aan de rijk gevulde riddertafels, ze overleefden van bedelarij en gestroop. Allen, rijk en arm, amuseerden zich onderweg met het sarren en bestelen van Joden: de Europese pogroms zouden tijdens de kruisvaarten ontstaan zijn.

Dit allemaal ter zijde. De herovering van Jeruzalem zou de start vormen van een eeuwenlange Jihad tussen twee godsdiensten die uiteindelijk sterk aan elkaar verwant zijn, samen overigens met de oudste tak, de Hebreeuwse godsdienst.

Woestijngodsdiensten

Jodendom, Christendom en Islam: zijn het hun verschillen of hun gelijkenissen die primeren? Of worden de verschillen gebruikt als alibi om de gelijkenis te ontkennen? De verbitterde strijd tussen de drie monotheïstische wereldgodsdiensten is er ontegensprekelijk een van verwante religiën die in elkaars vaarwater zitten, elkaar geïnspireerd hebben, en bovendien in dezelfde regio wortel hebben geschoten.

Alle drie geloven ze in de ene goddelijke patriarch die hemel en aarde heeft geschapen, in Satan als verpersoonlijking van het kwaad, de profeet Abraham als aartsvader, en in het hiernamaals. Het boek waarop ze zich baseren is tegelijk een kosmogonie, een geloofsleer en een morele handleiding: respectievelijk bevatten de Thora, de Christelijke Bijbel en de Koran verhalen die elkaar grotendeels overlappen.

Het statuut van Jezus Christus is eigenlijk nog de grootste struikelblok: voor de Christenen is hij de mens geworden god, voor de Joden een valse Messias en dus eigenlijk een charlatan, en voor de moslims is hij slechts een van de profeten. De Joodse godsdienst acht zich superieur omdat ze de oudste is, de Islam omdat ze de jongste is, en het Christendom (uiteraard in al zal zijn variaties…) hangt er tussenin, als mossel-noch-vis.

Alle drie claimen ze Jeruzalem als hun heilige stad, en zo zitten we terug in de sfeer van de heilige oorlog en de godsdienstwaanzin die vandaag sterker is dan ooit. Voor een buitenstaander heeft dit iets onwezenlijks en absurd. Drie fanatieke boekgodsdiensten, met grotendeels dezelfde verhalen, die elkaar toch uitsluiten. Drie vereringsvormen van dezelfde Almacht die geen concurrentie duldt, zelfs niet van zijn eigen schaduw.

Atheïstische godsdienstpsychologen beweren –en ze zitten er allicht niet ver naast- dat het met de geografie van het stamland te maken heeft: dorre, hete (bij nacht ijskoude), rotsige en/of zanderige landschappen leveren nu eenmaal een extreem wereldbeeld op, gedomineerd door één transcendente, almachtige god die de gehoorzamen beloont en de afvalligen uit de karavaan verstoot. De luchtspiegelingen leveren nuttige bijproducten zoals de verschijning, het visioen, het mirakel.

Vanuit dit gezichtspunt is de strijd om Jeruzalem, die zich ook vandaag voortzet, het lachwekkende resultaat van een eeuwenlange fata morgana in drie dimensies. Men moet er de humor van inzien, alvorens men eruit los geraakt: dit is een tot een planetair formaat uitgegroeid gekkenhuis. Maar zo zien de aanhangers van Jahweh,  God en Allah het natuurlijk zelf niet. Op 11 september 2001 kon laatstgenoemde nog eens met toeters en bellen scoren tegen zijn onbestaande rivalen. Allah Akbar!

Dhimmitude

Ondertussen moet de katholieke kerk in het Westen met lede ogen toezien hoe blanke, blonde en blauwogige jongeren zich bekeren tot de Islam. De rekkelijkheid van Rome en het moderne materialisme hebben een zodanige vorm aangenomen dat er blijkbaar nood is aan een onwrikbare religie met strenge principes en duidelijke regels, in het bijzonder bij mensen die nood hebben aan structuur en zekerheid. Vooral aan de conservatieve kant van het Christendom, waar men voorheen vooral dweepte met Israël en het Jodendom, wordt men ongeduldig. Is het daarom dat aartsbisschop Léonard zich in het interview met het tijdschrift Tertio opvallend positief uitliet over de Islam, als een bondgenoot in de strijd voor meer spiritualiteit en tegen de morele ontaarding?

Via de 16de eeuwse contrareformatie en het 2de Vatikaans Concilie (het “mei ’68 van Rome”) is het gif van de moderniteit binnengeslopen, en binnen fundamentalistisch-Christelijke middens wordt de Islam heimelijk, maar steeds sterker, gezien als een nuttige tegenkracht waar op termijn wel zaken mee te doen zijn. In Nederland riep Egbert Schuurman, fractievoorzitter van de ChristenUnie, zelfs op tot een moreel pact met de Islam. Ook paus Benedictus XVI liet al een paar keer noteren, “open te staan voor een dialoog met de moslims”.

De verborgen agenda hierachter gaat zonder meer over een halt toe roepen aan de seculariteit. De door de Franse revolutie afgedwongen scheiding van kerk en staat is misschien wel omkeerbaar als beide religiën de krachten bundelen, zo gonst het binnenskamers. De opmars van de Islam zou dan, ook voor het zieltogende Christendom, de retro-trein kunnen zijn in de richting van de zo vertrouwde waarden: nederigheid, deugdzaam leven, spiritualiteit, het kerkelijk gemeenschapsgevoel, en… de Heilige Oorlog tegen de ongelovigen. En passant kan ook Darwin worden afgeschaft en het scheppingsverhaal in ere worden hersteld, zoals nu al in sommige Amerikaanse staten met een dominante Christelijke meerderheid gebeurt.

Waarom zou de Islam, die wereldwijd in opmars is, een pact sluiten met een zieltogende religie als het Christendom? Als dat “pact” er komt, dan zal het een knieval zijn van de verliezer jegens de winnaar.

Islam-bashend politiek rechts, waar diezelfde conservatieve katholieken vandaag onderdak vinden, is er dan aan voor zijn moeite: de nieuwe morele orde is gefundeerd op het simpele theologische feit dat God en Allah twee namen voor hetzelfde opperwezen zijn, waarvan de verenigde legerscharen de wereld moeten redden van de agnostische decadentie. Uiteindelijk wordt hier slechts de logica doorgetrokken die in de drie woestijn- en boekgodsdiensten zit: de gehoorzaamheid aan de goddelijke almacht, geopenbaard in de schriftuur, staat boven alles. De verschillen, die zijn secundair en beheersbaar, in naam van het “actief pluralisme”, de tolerantie en de religieuze diversiteit, en als dam tegen het seculiere denken, zo meent Mark Van de Voorde, gewezen hoofdredacteur van Kerk en Leven, en ex-adviseur van Yves Leterme in zijn oneindige naïviteit. Zowel de Islam als het Christendom als het Jodendom beheren gemeenzaam het heilige dat niet door ongelovigen mag ontwijd worden, aldus nog deze intellectuele supertsjeef.

Helaas, gaat het om een zwaktebod. Waarom zou de Islam, die wereldwijd in opmars is, een pact sluiten met een zieltogende religie als het Christendom? Als dat pact er komt, dan zal het een knieval zijn van de verliezer jegens de winnaar. Het protocol van dit Christelijk Versailles zal in de komende decennia zijn beslag krijgen, er zal veel water in de miswijn worden gedaan. Let op mijn woorden: de dhimmitude komt eraan, zijnde de vrijwillige onderwerping van gelovige niet-moslims aan de Islam. Ze worden dan geduld als reserveleger van de Jihad en als nuttige vijfde kolonne in het politiek establishment waar ook hoger vernoemde Mark Van de Voorde zijn vredesverhalen slijt.

Geuzenpartij

Al wie zich geroepen voelt om in dit groot-Abrahamitisch monsterverbond te treden: ga uw gang. Het is de ondertussen gepensioneerde hoogleraar islamkunde en arabistiek Urbain Vermeulen, auteur van o.m. “Islam en christendom – Het onmogelijke gesprek?” (1999), die de puntjes op de i zet: het superioriteitsgevoel van de Islam is verankerd in de Koran, en daar is elke moslim van doordrongen. Elke zogenaamde dialoog is een stap voorwaarts in de islamisering van Europa. Vermeulen, die door de traditionele media nauwkeurig gemeden wordt, voorspelt dat de islamitische wetgeving (de sharia) in toenemende mate ons rechtsstelsel zal infiltreren. Niet alleen als moslimrecht, maar als recht tout-court, terwijl weldenkend Europa zichzelf nog steeds wijs maakt dat het met integratie bezig is.

Het vereenvoudigt alleszins het warrige multiculdebat en het hertekent de ideologische krijtlijnen: de echte inzet is deze tussen geloof en vrijdenken. Niets meer of minder. Vergeet het “Christelijk-humanistische” tegengewicht, het stelt niets voor.

Als er nog geen Geuzenpartij bestaat die zich geroepen voelt om heel de ontstane troep op te ruimen, dan zal ze dringend moeten uitgevonden worden.

Het actieve, geëngageerde atheïsme is meer dan de slappe was van de hele en halve ontkerkelijkten. Het gaat om een nieuwe, liberaal denkende beweging (niet te verwarren met het partijpolitieke liberalisme) die zowel opkomt voor het wetenschappelijke, ondogmatische vrijdenken als voor het democratische recht op vrijemeningsuiting, samen met alle daaraan verbonden principes inzake de rechtstaat, de lekenstaat en het vrijwaren van de publieke sfeer tegenover opdringerige/intimiderende religieuze symbolen.

Als er nog geen Geuzenpartij bestaat die zich geroepen voelt om heel de ontstane troep op te ruimen, dan zal ze dringend moeten uitgevonden worden. Ik weet zelfs niet of we ze links of rechts moeten noemen, ze zal zich politiek vanaf de grond moeten constitueren. Rechts is aangetast door de illusie van de Christelijke leitcultuur, links zit nog altijd met de multiculdoctrine opgescheept die het moslimimperialisme vrij spel geeft. Samen zullen ze uiteindelijk het dhimmi-leger bevoorraden.

De radicale anti-religieuze beweging zal zich hartsgrondig tegen het politieke, sociale en culturele establishment moeten keren, want de god van Mozes en Abraham zit diep in onze cultuur en instellingen, veel dieper dan we kunnen vermoeden. Theo Van Gogh en Ayaan Hirsi Ali kunnen o.m. als mentor gelden: intellectuele stoorzenders die de Islam bekritiseren vanuit een radicaal vrijdenkersperspectief, niet vanuit een kruisvaardersideaal of een belegen katholiek fatsoensdenken.

Maar goed, Van Gogh werd met kogels en messteken afgemaakt door een moslimfundamentalist, die als visitekaartje ook nog een doodsbedreiging achterliet, gericht aan Hirsi Ali. Een gezondheidswandeling wordt het niet, maar boeiende tijden kondigen zich alleszins aan voor wie nog het hoofd boven het maaiveld durft te steken.