Maandelijks archief: februari 2014

Een brug voor “Tomorrowland”

Over kunst als hersenspinsel en cultuur als zombificatie

Het was zowaar Kris Merckx, oudstrijder van de ultralinkse PVDA+ die het uitbracht: de provincie Antwerpen subsidieert voor 2 miljoen euro een werk van de Quinzekunstenaar Arne Quinze, dat de terreinen van het Tomorrowland-festival in Boom mag opsmukken. Links zet de aanval in op het cultuurestablishment,- dat is opmerkelijk. Voordien immers golden de culturo’s als de dam tegen de (extreem)rechtse barbarij en was populistische cultuurkritiek het handelsmerk van de rechterzijde (N-VA, VB, Wilders in Nederland).

Merckx’ argumenten zelf zijn opmerkelijk en allerminst triviaal. Dat de commerciële lobbykunst wordt geviseerd van artiest-marketeer Arne Quinze, die duidelijk een binnenweg neemt inzake het verwerven van openbare cultuursubsidies,- dat lijkt me nog een klassieke anti-liberale opwerping. Het feit dat Tomorrowland, een commerciële onderneming die behoorlijk wat winst maakt, dat zomaar cadeau krijgt,- ja, ook dat kunnen we plaatsen als kritiek van de linkerzijde. Zelfs het feit dat het construct zal worden opgetrokken in 140 ton tropisch hout recht uit het regenwoud, ook van die “groene” bezwaren val ik niet omver.

Dat het Tomorrowland-festival ontmaskerd wordt als een escapistisch hippiefeest waarin vooral het teugelloze consumentisme en de kritiekloze massa-euforie worden gehuldigd, via een soort overdosis aan decibels,- dat lijkt me al origineler en controversiëler, want de dag van vandaag lopen alle politici dit soort domme goed-gevoel-events achterna.

Maar dat de Quinze-brug door volksdokter Kris Merckx (en criticus Robrecht Vanderbeeken) naar de vuilbak verwezen wordt als een “stuk decoratief design dat naar zichzelf verwijst en naar het ego van zijn maker en zijn opdrachtgevers”,- dat is andere koek. Daarmee wordt namelijk impliciet heel de gebakken-lucht-sector van de (post-)moderne kunstelarij frontaal aangevallen, en wel in haar estethische en kunstsociologische essentie zelf. Wat staat het ding daar te doen? Tot wiens glorie? Hebben we het nodig, kunnen we er wat mee? Overstijgt het zijn eigen, door de betrokken dorpspolitici nagekakelde marketingpraat (“een brug die mensen verbindt”)?

Encefalogram

Het zijn vragen die ook over de Mozes van Michelangelo of over de 5de van Beethoven kunnen gesteld worden: als men alle verhalen en contexten rond een kunstwerk achterwege lpatiëntaat, inclusief het promotionele discours, dan eindigt men in het lichaam van de kunstenaar zelf, meer bepaald zijn hersenen waaruit het ontstond. Het is zo simpel als dat: het kunstwerk als momentopname van een brein, een spoor van hersenactiviteit.

In de limiet gaat heel deze brugkwestie zelfs niet meer over de opdrachtgevers en het schimmige subsidieverhaal, maar over het ego van Arne Quinze zelf, en de verschijning van het kunstwerk als secreet, afscheiding, letterlijk: hersenspinsel. Iets dat uit zijn hoofd komt en een eigen leven is gaan leiden. Een breinafdruk als het ware. En waarvan de lezing ook op een of andere manier terug naar dat orgaan moet leiden. Het lijkt me een interessante oefening om hoofdzaak van nevenzaken te onderscheiden, en de “ruis” rond zo’n object uit te filteren.

In de psychopathologie is die reductio ad cerebrum standaard: tekeningen van patiënten worden niet tot de status van “onbegrijpelijk-diepzinnig kunstwerken” verheven, maar gewoonweg aanzien als ventilaties van een (zieke) psyche. Niets belet ons om dat bij “normale” kunstenaars evenzeer te doen. Sommigen hebben zelf die weg gewezen. James Joyce betitelde zijn teksten als epiphanies (“verschijningen”),- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints. Eigenlijk zou men de lectuur van alle boeken van Joyce dus kunnen vervangen door die van een degelijk encefalogram, een driedimensionele hersenscan.

De brug is volstrekt overbodig, een EEC van de architect had kunnen volstaan. Vier miljoen uitgespaard!

Ook de surrealisten gaven met hun “écriture automatique” aan waar het in alle expressie en creativiteit om te doen is: om processen die zich in onze bovenkamer afspelen. Ludwig Wittgenstein heeft zich in dezelfde zin uitgelaten over zijn werk: de sleutel tot de lectuur ervan zit ergens onder zijn eigen schedel. Daarom is het ook onleesbaar en is die verschrikkelijke villa die hij in Wenen neerzette onbewoonbaar, tenzij men tekst én object leest als de allerindividueelste afdrukken van het allerindividueelste brein, om Willem Kloos te parafraseren..

Alle marketingpraat over kunst en cultuur kan nu van tafel worden geveegd. De lectuur van het kunstwerk loopt dood in de psychoanalyse van de kunstenaar, die op zijn beurt maar een voorspel is toEncefalogramt de klinische lectuur van zijn hersenmassa. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet de grijze blubber op zich, maar de processen, de elektriciteit daarbinnen. De breinfysiologie zit in de lift, en terecht: het zit allemaal tussen onze twee oren. Alles wat zich daar buiten afspeelt behoort tot het misverstand, de manipulatie, de misleiding. Maar dat betekent ook dat men kunst kan lezen als een monoloog, een ontlasting, een min of meer geësthetiseerde krabbel van een hand die door het centraal zenuwstelsel wordt gedicteerd. In een volgende fase kunnen we nu die krabbel vervangen door het electro-encefalogram (EEC) zelf. Einde van een lange lijdensweg die “exegese” heet.

En dat is nu precies wat die PvdA-dokter in zijn helder ogenblik beweert: de brug van Arne Quinze als “stuk decoratief design dat naar zichzelf verwijst en naar het ego van zijn maker”. Dat is een visionaire uitspraak waarvan hij de draagwijdte allicht zelf niet beseft. Als dit de essentie van kunst is –en niets wijst op het tegendeel, tenzij men nog gelooft in goddelijke “inspiratie”-, dan kan de rommel snel opgeruimd worden. Het gaat namelijk om hoopjes kak waarvan het forensisch onderzoek volledige klaarheid brengt inzake de auteur en zijn innerlijk gestel, zonder dat we onze eigen hersenen hoeven te pijnigen over de filosofische betekenis ervan. De brug is volstrekt overbodig, een EEC van de architect had kunnen volstaan. Vier miljoen uitgespaard!

Dit iconoclast standpunt werkt bevrijdend en beneemt onze alle lust om in Tomorrowland en andere culturele epicentra de waan te ondergaan. Het verklaart natuurlijk nog niet waarom de secreten van Arne Quinze desondanks zo succesvol zijn, en de onze enkel in het kleinste kamertje kunnen gedeponeerd worden. Daarvoor moeten we nog een laag verder afgraven. Hoe ontstaat Kunst met een grote K? Wat maakt een kunstenaar “groot”?

Vampirisme

Naar aanleiding van de dood van Harry Mulisch in november 2010 schreef ik een grafrede in demulisch_vampier vorm van een vampierentheorie. Het kwam erop neer dat de schrijver zijn energie ontleent aan de buitenwereld, meerbepaald het publiek. Door te lezen denkt men informatie op te nemen, maar in werkelijkheid staat men mentale energie af aan de schrijver, die de hersenen van de lezer “hackt” en in beslag neemt als onderdeel van zijn eigen, vergroot brein. Het publiek wordt een cloud van de schrijver, het wordt zijn virtuele eigendom,- terwijl de lezers natuurlijk denken dat het andersom is (de schrijver en zijn werk als “publiek domein”). Lukt de schrijver in dat opzet helemaal, dan sterft hij ook nooit: hij leeft namelijk verder in de door hem gecreëerde “wolk”, residerend in de hersenpannen van alle bewonderaars.

Het cultuurbedrijf als vampirisme: speciaal rond Harry Mulisch klopte dat aardig, gezien zijn voorliefde voor geheime genootschappen (de exclusieve Herenclub in Amsterdam) en de begrafenis die hij voor zich had besteld, omringd door een keur van collega’s-bloedzuigers. Met een schone kist dus, niks crematie, want de schrijver gaat niet echt dood, hij transfigureert en zal ons blijven bezoeken via het ritueel van de lectuur. Knoflook steeds bij de hand houden.

Zo evolueert de lezer-toeschouwer-fan-cultuurconsument naar de status van avatar: een gekoloniseerd lichaam.

Opmerkelijk is, dat een auteur als Lodewijk Van Deyssel (1864-1952) dit vampirisch moment van het schrijversschap zelf ook besefte, en zich als een bloedzuiger beschouwde. In zijn testament van 27 oktober 1892 staat dan ook te lezen: “Vóór mijn kist wordt gesloten, verzoek ik dat mijn hart doorstoken wordt”,- in de beste Dracula-traditie dus.

En dat is een belangrijke aanvulling op de zelfverwijzingsthese van Kris Merckx omtrent de conceptuele constructen van Quinze en C°. De (literaire of artistieke) vedette laat niet alleen hersenafdrukken achter,- hij/zij parasiteert ook via die objecten op zijn omgeving, zijn fans, de achterban. Het “stuk decoratief design” wordt een zuignap. Het geldt voor Beyoncé, Stromae, DJ Hardwell, evengoed als voor Dimitri Verhulst, Arne Quinze, Jan Fabre, of zelfs “popfilosofen” als Alain de Botton. Allen ontlenen ze hun succes aan de zombificatie van hun publiek.

Niet alle hersenen zijn dus evenveel waard. De cultuurmakers usurperen die van hun publiek. Zo evolueert de lezer-toeschouwer-fan-cultuurconsument naar de status van avatar: een gekoloniseerd lichaam. Vooral in de literatuur is dat opvallend: het boek maakt ons moe en suf. Nu weet u ook waarom. Grote, publieke kunst fungeert als zwart gat voor ons eigen bewustzijn, ze usurpeert, parasiteert, evacueert. Bij het verlaten van het museum of van de concertzaal of de festivalweide wandelen we dwaas en slaapdronken weg, als had iemand met een pijpje enkele centiliter hersenmassa uit onze schedel gezogen. Toch willen de teksten errond, de boekjes, programma’s, catalogi, recensies ons het tegendeel laten geloven: kunst verrijkt.

Neen dus, cultuur maakt ons dom. Het staat er, en nu ik het lees kan ik het amper geloven, want ook mijn brein willen afdrukken achterlaten en via teksten ook uw hersenen leegzuigen. Hou me tegen.

Mensenoffers

tomorrowlandIn dat opzicht had die Quinze-brug nergens beter kunnen staan dan op de terreinen van het Tomorrowland-festival: het kunstwerk als vampirische mond die de massa-energie afzuigt en draineert naar de bedenker. Er is wel degelijk een overdracht van mentale energie naar één punt. Via het door de kunstenaar gehanteerde crowd funding-systeem (fondsen zoeken bij het publiek zelf) krijgt die drainage zelfs een financieel sluitstuk. Het verklaart uiteindelijk ook waarom een conservatieve fatsoenspartij als de N-VA zich inlaat met Arne Quinze en Tomorrowland: de grote solidaire volkscohesie kan maar tot stand komen via een of andere “hacking” van de persoonlijke breinen. Hypnotische speeches van dictators zijn één mogelijkheid, maar de postmoderne inplanting van een hyperobject, ergens middenin een decibelorgie, is vandaag veel geloofwaardiger.

De gelijkenis tussen de volkstoeloop eertijds voor een nazi-parade en de actuele massahysterie op een dance- of technofestival is overigens frappant. Af en toe ontstaat er paniek en wordt er wat biomassa vertrappeld, zonder dat dit ook maar enigszins de pret bederft. Integendeel, het zijn mensenoffers die massificatie nog versterken.

De postmoderne democratie speelt zich dààr af, op de festivalweide, en nergens anders. Hoe meer volk op de been op één plek, hoe sneller de zombificatie. Men zou voor minder anti-democraat worden.

De allolalie van Natalia en het Vlaamse anti-establishment-gevoel

NataliaDe uitreiking van de Music Industry Awards, kortweg MIA’s, is een van die fatale nevenproducten van de kruisbestuiving tussen televisie en amusementsindustrie waaraan ik graag wil voorbijgaan. Te mijden, tenzij in geval van hersendood. Maar wat hadden we die zaterdag 8 februari ongelijk om weg te zappen van VRT-1! De glitterceremonie werd aaneengepraat door zangeres Natalia Druyts uit Geel, in een ongegeneerd Kempisch dialect (“Seg, mageekik da naa is oanrake want ik hem zo’n flauw vermoede dat ik vanoavond mè niks nor huis gon”), hetgeen zowaar politiek ongenoegen uitlokte, vooral in N-VA-middens, waar ene Wilfried Vandaele de stormklok luidde. Het AN bedreigd, de Vlaamse cultuur verkracht. Door een ingehuurde charmezangeres met een spraakgebrek.

Aantwaarps

Nu is die cultus van het Algemeen Nederlands in flamingante middens klassiek: de Vlamingen zouden hun culturele identiteit gastonleo1_vtmmoeten verdedigen door de taal te spreken van de VRT-nieuwslezers, vice-minister-president Geert Bourgeois, en de Vlaamse Academie voor Letterkunde.

Een absoluut misverstand: de Vlamingen hebben geen taal omdat ze geen cultuur hebben, en ze hebben geen cultuur omdat ze zich politiek in een eeuwig vacuüm bevinden. Wat het Frans is voor Frankrijk, het Duits voor Duitsland, het Engels voor Engeland en, jawel, het Nederlands voor Nederland, namelijk de status van cultuurtaal, zijnde de voertaal én omgangstaal van een “cultuurnatie”, ontbreekt in Vlaams België compleet. Door het mankeren van politieke zelfbeschikking bestaat er geen referentiecultuur, geen gemeenschapsvormende bovenlaag, alleen een verzameling subculturen en bijbehorende tussentaaltjes. Natalia demonstreerde weergaloos hoe de kleine Vlaming zich in dat vacuüm beweegt: met gebral en voor buitenstaanders quasi-onverstaanbaar gekwetter.

Het standaard-Nederlands in Vlaanderen is dus een spooktaal: iets voor hogere ambtenaren, mediafiguren en literatoren,- allemaal leden van een kaste die het politiek status-quo verdedigen van de Belgische (nu geconfederaliseerde) constructie. Het “schoon” Nederlands is in Noord-België de taal van de intelligentsia en de culturele elite, die tot op vandaag in hoge mate met de Belgische monarchie sympathiseert.

De gewone man/vrouw voelt zich in die bestuurstaal niet thuis. Het Algemeen Nederlands is voor ons plat, ééndimensioneel en anorganisch. Het is het Esperanto van de Vlaamse elite.

Het dialect daarentegen distantieert zich van de mandarijnentaal en meteen van het establishment dat die taal als standaard oplegt. Het is een uitdrukking van politieke dakloosheid of misschien wel statenloosheid,- zeg maar: een fuck-you-gebaar naar het regime én naar de gesubsieerde cultuurbureaucratie.

Het idiosyncratisch verzet in Vlaanderen is zelfs veel ouder dan de Belgische staat zelf, en dateert waarschijnlijk van de Val van Antwerpen in 1585, toen de Noordelijke Nederlanden zich van de Spaanse voogdij ontdeden en het Zuiden, zeker na de leegloop van de intellectuele bovenlaag, in grote mentale ontreddering achterbleef. Vanaf dan ook is het Aantwaarps als schuttingtaal haast de subculturele norm geworden. Vulgair, vuilgebekt, cynisch. De taal van Gaston en Leo en C°. Het Kempisch is er een rurale variant van.

De Literatuur met hoofdletter, deze dus van Lanoye, Hemmerechts en Mortier, staat er machteloos tegenover: ze heeft geen greep op het Vlaamse idioom met zijn 50 verschillende woorden voor “schommel”, naargelang streek en plaats. Ook in het sterk geïndustrialiseerde, hoogontwikkelde en dichtbevolkte Vlaanderen van de 21ste eeuw zijn tussentaal en dialect de abnorm. Hooguit probeert iemand als Brusselmans zich als volksmens te vermommen door tijdens TV-interviews ook een soort tussentaal te gebruiken, en regelmatig in roddelbladen als Dag Allemaal op te duiken. Tevergeefs. Schrijvers, kunstenaars en intellectuelen tout-court blijven iets van een andere orde, iets uit de bovenwereld.

Dulle_Griet_detail01

Pieter Brueghel: Dulle Griet (detail)

Foorwijf

De waarheid is dus dat de mayonaise van de Cultuurtaal bij ons gewoon niet pakt. Frankrijk heeft de eeuwige Sartre en Camus, Nederland W.F. Hermans en Mülisch, wij hebben enkel een stel praalhansen. En Gaston en Leo. Schrijvers worden, met hun keurig AN, beschouwd als lakeien (dat zijn ze ook, want een koninklijk lintje of adellijke titel is bij velen van hen nog altijd een levenswens). Ook dat zat verborgen in het idioom en de lichaamstaal van Natalia-de-waanzinnige: de afkeer van dit milieu. Radiopresentator Luc Janssen karakteriseerde haar als een “topfoorwijf”, en dat is verbazingwekkend accuraat: het vulgaire, het lelijke en het ranzige, de vuilbekkerij en het vloeken, zijn vormen van protest daar waar de politieke macht er een Gramsciaanse esthetica op nahoudt.

Waanzinnig, zei u? Jawel, er zit waanzin in Natalias’ systeem, en omgekeerd. Haar geboorteplaats Geel is daar uiteraard niet vreemd aan. Het verlaten van de standaardtaal en het spreken in “vreemde” (niet-geautoriseerde) talen werd in de middeleeuwen gezien als een symptoom van bezetenheid, een Satanisch kenmerk waarbij de persoon in kwestie zich helemaal te buiten gaat aan blasfemie. Het foorwijf tart de goegemeente en steelt het spektakel. Pieter Brueghel beeldt haar uit als de Dulle Griet, een ongelooflijk lawaaierig schilderij waarin men bij het eerste gehoor al Antwerpse en Kempische schetterklanken ontwaart. Pijn en hitte drijven dit Sinksenfoorwijf doorheen haar inferno. Het Antwerps kan men nog best vergelijken met een spraakstoornis na een beroerte. Niet-Sinjoren kunnen het, zo zegt de volkshumor, enkel spreken met een hete aardappel in de mond.

Zindelijk is het allemaal niet, tot afgrijzen van de ceremoniemeesters. Natalia kotst tijdens een uitreikingsplechtigheid op haar nette avondjurk en vervult de zaal met een solferachtige gele walm. Terecht protesteert de fatsoenspartij N-VA tegen deze blasfemie. De aanwezigheid van de duivel in deze logorrhee corrigeert de misvatting als zou het dialect een landelijke, bucolische of kleinsteedse charme in zich bergen. Integendeel, het is kenmerkend voor het (vrouwelijk) register van de hysterie. In het psychopathologisch jargon spreekt men van allolalie, een prachtig woord waarmee het uitkramen van wartaal wordt bedoeld.  Het uitbrengen van dierlijke geluiden, spasmen, het braken, het deponeren van vuil, uitwerpselen, spuug, menstruatiebloed, en allerlei secreten behoort evenzeer tot die fenomenologie van de bezetenheid.

Wartaal dus. Satan is overal, behalve in het Juiste Woord (eu-vangelion). Vandaag moeten we met de Franse filosoof Michel Foucault erkennen dat de kerk hier politieke dissidentie, vervat in het “anders zijn”, kwalificeerde als een bezetenheid van het Kwaad, waarna de exorcisten hun gang konden gaan.

Anarchitectuur

Dat brengt ons naadloos bij een tweede aspect van de subcultuur van de lelijkheid.   Sinds de 2de wereldoorlog is dit land wereldvermaard voor zijn ruimtelijke wanorde. De sluikbouwBoom, de koterij, de privé-architectuur van villa’s, huizen, huisjes en fermettes ademen anarchie en vervreemding uit, chaos. Alles staat schots en scheef, onder, tussen, boven en op elkaar. De consensus en de standaard lijken totaal afwezig, er is geen patroon tenzij de afwezigheid van regelmaat en planning. Het is een ruimtelijke cacofonie waar geen enkele administratie ooit greep op krijgt. Af en toe valt er wel eens iets onder de slopershamer, maar veel sneller neemt de chaos toe, naarmate de ruimte volgebouwd geraakt.

Buitenlanders kijken ernaar met enige vertedering, zich niet bewust van de politieke dimensie van die wanstaltigheid. Fotograaf Herman van den Boom, geboren in het grensplaatsje Essen, heeft er zich op toegelegd om die Belgische gekte in beeld te brengen. Zo in het fotoboek “Neighbours” (2011), waar het onsamenhangende centraal staat, combinaties van huizen en koten die zich zoveel mogelijk tegen elkaar proberen af te zetten, hoe dicht ze ook bij elkaar staan. Alles vloekt met elkaar, zelfs binnen één construct ontbreekt de eenheid en woekert de verstrooiing.

Er is hier evenwel een klein misverstand: de architecturale anarchie is, weerom, een typisch Vlaams fenomeen, geen Belgisch. Wallonië is, ook met zijn industriële rommel uit de 19de eeuw, best schattig, en Brussel is decennia lang verkeerstechnisch mismeesterd, politiek geüsurpeerd door betonbaronnen, doch echte koterij vindt men er weinig.    Maar Vlaanderen! Het Natalia-effect van de vuilgebekte subcultuur heeft zich doorgezet en getransformeerd tot een hyperindividualistische bouwtrant die via de lintbebouwing en de verkavelingsplanologie heeft geleid tot een onwaarschijnlijke stapelvorm van bakstenen graffiti. Dit is geen architectuur meer, dit is anarchitectuur.

Het lelijkste land ter wereld is ook het land met een ingebakken wantrouwen tegen de overheid en de bureaucratie. Bouwen op zich wordt een incivieke daad…

Het woord “eclectisme“ is hier een understatement: het gaat zonder meer om iconoklasme, beeldenstormerij, het intuïtief verbreken van regelmaat en het affirmeren van een hyperindividueel stijldialect, vloekend met de rest van de rij. Het ontbreken van een collectieve culturele identiteit is ook hier de bepalende factor: de Vlaming bouwt zijn huis van binnen naar buiten, tot hij ergens tegen de grens van de buur aanstoot. Deze buur blijft een vreemde, waarmee er dikwijls een haatrelatie ontstaat, want in bezet gebied is de vijand overal. Achterdocht is de fundering van de Vlaamse woontraditie.

Boom2Het lelijkste land ter wereld is dus ook het land met een ingebakken wantrouwen tegen de overheid en de bureaucratie. De straat is het raakpunt met de openbare orde waarop het huis onvermijdelijk aansluit, het regime dat de netwerken beheert. Aan de toevallige passant biedt die straat echter een horribele aanblik van particuliere non-stijlen die samen de regulerende overheid negeren, uitlachen, vervloeken. Dat is uiteraard een infra-politiek statement, gelijklopend met het verkavelingsvlaams van Natalia: de Vlaming drukt er zijn incivieke walg in uit.

En dat is meteen ook de reden van het gedoogbeleid tegenover de lelijkheid. De overheid laat begaan, omdat de wanorde uiteindelijk het systeem niet in gevaar brengt, integendeel zelfs. Vermits het een onderbuikfenomeen is, het aspect van een subversieve onderstroom, organiseert de anarchie zich nooit en blijft het bij hyperindividualistisch knutselwerk. De Vlaming verschanst zich, is alleen en verwerkt zacht vloekend zijn verkavelingsverdriet. Zo werkt ook de democratie in Vlaanderen: als een pispaal en schijtluik. Een opgeheven middenvinger, een idiosyncratisch manifest, maar ook niets meer. De Vlaming stemt op protestpartijen waaraan hij zijn onmacht delegeert: de revolutie als een gezamenlijk statement is niet meer aan de orde. Er rest alleen nog het vloeken en het braken. Men zou in die zin de Vlaamse koterij eveneens als “obsessioneel” kunnen bestempelen, of, in theologische termen, “bezeten”: een spasmodische uitdrukking van abnormaliteit die ergens wortelt in een onoplosbaar socio-politiek trauma.

Zo, dit ter attentie van onze Hollandse vrienden die Vlaanderen nog altijd als een “Boergondisch” luilekkerland zien. Vergeet het. Achter de kanten gordijntjes en de sanseviera’s puilen zwarte ogen vol zwijgzame achterdocht. De wijk is een verstild inferno. Elke tuinkabouter, elke karrewiel bedekt een hinderlaag voor de indringer. Op elke barbecue kan een waanzinnige buurvrouw roet in het eten gooien. Ja, Dulle Griet is van ons,- misschien wel het enige dat we delen. De waanzin dus.

Dierenliefde en kynisme: het verlangen om (terug) beest te worden

Hoe zou het nog zijn met Alexandra Vercammen? In 2009 kwam deze vrouw in het nieuws oflurkmdat ze er op haar sociaal appartementje in Mechelen een hangbuikzwijn op na hield als levensgezel. Na burenklachten kreeg ze een proces aan haar been, dat ermee eindigde dat Flurk (zo heette het beest) een dodelijk spuitje kreeg toegediend. Ze belandde nadien in een zware depressie. Ik heb haar nog een tijdje op facebook gevolgd, nu is ze helemaal van de radar verdwenen.

Het verhaal van Alexandra en haar Flurk leest voor mij als een liefdesdrama, waarin, meer nog dan de vervolging, de quasi-onmogelijke vereniging van mens en dier centraal staat. Biologisch hachelijk, sociaal gesanctioneerd, hygiënisch onverantwoord. Wat trekt ons emotioneel zo aan in wezens die lager staan in de hiërarchie, en normaal enkel in aanmerking komen voor consumptie, dressuur of decoratie?

De lokroep van de straat

De domesticatie van de wolf, vermoedelijk zo’n 15.000 jaar geleden, is een keerpunt in de menbedelaarmethondtale ontwikkeling van de homo sapiens. Als concurrent in de jacht én als prooi was de wolf een oervijand en een deel van onze maaltijd. Als hond werd hij echter een bondgenoot en gezel, met als voornaamste kenmerk dat hij niet meer in de pot belandde. Het huisdier werd een huisvriend, een waak- en gezelschapshond, en uiteindelijk belandde hij zelfs op de sofa. Maar vergis u niet: achter de schijnbare menswording van het dier (Neroke van Carmen) steekt een omgekeerde metamorfose: de verdierlijking van de mens, die daarmee zijn evolutionaire bonus opgeeft.

En inderdaad: hondenliefhebbers nemen het hondengedrag over, ik ben er zelf een en weet waarover ik spreek. Echte hondenvrienden zijn in de limiet verbasterde wolven of weerwolven. Mij leerden ze blaffen, likken, bijten, janken. Nu ik in mijn kattenperiode ben, neig ik eerder naar spinnen, blazen, krabben. Pas morgen, met de goudvis, zal de harmonie compleet zijn.

Al vanaf het einde van de prehistorie, helemaal aan de dageraad van de menselijke “beschaving”, was er dus al een verlangen om terug dier te worden. Vreemd voor een wezen dat als “kroon op de schepping” of “toppunt van de evolutie” geklasseerd staat, en voorbestemd was om symfonieën te schrijven en atoombommen te produceren.

Vreemd is ook dat, ondanks de alarmerende berichten over uitstervende diersoorten, sommige soorten het nu heel goed doen en zich opmaken om als halfwild stadsdier de antroposfeer binnen te dringen. Zo komt de steenmarter onze autokabels opvreten en zal het mogelijk tot sch(r)ootmarter brengen. Een beest dat rubber eet, misschien vriendschap in de plaats geeft, maar, belangrijker nog, ons misschien ook rubber leert eten wat een enorm afvalprobleem zou oplossen. Het biologisch universum verrijkt, het breidt kwalitatief uit, ook al jammeren eco-fundamentalisten bij elke leeuw of neushoorn die de laatste adem uitblaast.

Daarnaast is er nog de stadsmeeuw die floreert, het oprukkende everzwijn (!), en niet te vergeten de vos, nu alvossen een trouwe bezoeker van de stedelijke vuilnisbelten. Deze stadsfauna is niet zomaar parasitair: ze ontbindt het sociologisch hopeloos verrotte stadsweefsel en nodigt de stedeling uit tot alternatieve hergroepering rond de zwerm, de roedel, de clan. Anders gaan leven dus.

Misschien leidt die dierwording zelfs tot een nieuw nomadisch bestaan, en is de zwerver-met-hond geen marginale sociopaat maar een visionair of een praktisch filosoof,- iemand met een visie op de stad die wij vandaag niet kunnen begrijpen of aanvaarden. Namelijk de stad als een zoösfeer, een complex van dierlijke biotopen waarin de mens allerlei cohabitaties met de stadsfauna uitprobeert. De man die zijn hond uitlaat is dus wellicht maar een voorvorm van de bedelaar die met zijn hond slaapt. En geef toe: uit het beeld van een dakloze-met-hond spreekt dikwijls meer empathie en intimiteit dan uit het troosteloze beeld van een hondenasiel.

Cultuurpessimisme

Over praktische filosofeDiogenesn gesproken: de bekendste hond-mens, Diogenes van Sinope (404 – 323 v.Chr.), was wellicht de eerste stedeling die zijn dierwording als een project opvatte, een voorbeeld voor de ont-civilisering van de beschaving, de Griekse, die hij als decadent en neurotisch beschouwde. Nota bene in de tijd van Plato en Aristoteles. Hij leefde op straat als een kynos (hond), wat de filosoof Peter Sloterdijk veel later zou inspireren tot zijn “Kritik der zynischen Vernunft“ (1983), een tegen de Verlichtingsideologie en de humanistische zelfgenoegzaamheid gericht pamflet.

Want ach ja, dat humanisme en dat humanitaire getoeter, ze zijn vervuld van morele hypocrisie en culturele eigenwaan, waar ook de technologische verdwazing uit voortkomt. De kynische mensenhond van Sloterdijk, die we vandaag als bedelaar en stadszwerver ontwaren, is er het antwoord op.  Walg en misantropie houden hem in leven. Hij is radicaal mensonvriendelijk, tactloos, schofterig zelfs. Dierenvrienden zijn geen mensenvrienden, integendeel. Onze neiging om dicht bij het dier te leven, het te koesteren, ermee te communiceren, misschien er ons zelfs fysiek mee te verenigen en een tussensoort te kweken, kan niet los gezien worden van een afkeer tegenover de mensenwereld en de beschaving. We zijn het menszijn beu, we zijn onszelf als soort beu. Wat hebben we ervan gebakken? Niets. Het is zoeken naar de exit.

Dit cultuurpessimisme verwerpt heel de geschiedenis als één grote dwaling, te beginnen met het moment waarin we op twee benen gingen lopen en ons beschaafd gingen gedragen.metamorfose

Voor de kynicus is heel de beschaving een onprettig amalgaam van geluiden,- zoals honden het ervaren. Vooral de muziek onthult een bizar mengsel van verhevenheid en barbarij. Wat het humanisme ook mag peroreren, de 9de van Beethoven en Auschwitz zijn niet wezenlijk van elkaar verschillend. Ze gebruiken een andere taal, andere pretexten, ze hebben sociaal, cultureel én politiek een totaal andere gevoelswaarde. De 9de is de hemel, Auschwitz is de hel,- zo wordt ons geleerd. Niettemin zou een boosaardige cineast als Lars von Trier die twee perfect kunnen doen overlappen, en aantonen dat ze elkaars dubbel vormen. Het schone verbergt het verschrikkelijke, en omgekeerd.

Onze neiging om dicht bij het dier te leven, het te koesteren, misschien er ons zelfs fysiek mee te verenigen, kan niet los gezien worden van een walg tegenover de mensenwereld en de beschaving.

De evolutietheorie brokkelt hier af, niet omdat ze wetenschappelijk onjuist is, maar omdat ze gevoelsmatig en instinctief niet vol te houden valt. Ze maakt ons ziek, depressief en ongelukkig,- net omdat we voelen dat die menselijke soort, als “triomf van de evolutie”, de afgrond tegemoet ijlt. Dus is de involutie het alternatieve spoor. We zijn te ver gegaan en moeten terug. Deze terugkeer gaat niet langs besmette paden van de historische kritiek (“Hitler was een slechterik”), die immers niets meer zou bieden dat een kaleidoscoop van de menselijke perversiteit, maar langs antropologische en uiteindelijke biologische exits. Terugkeer naar het primitieve, “animaliseren”, met het huisdier als ultieme pedagoog en therapeutisch medium. De filosoof Jean-Jacques Rousseau is levenslang door dat idee gefascineerd gebleven. Het heeft hem onsterfelijk belachelijk gemaakt binnen de humanistisch-humanitaire kringen.

Nymfomanie en zoöfilie

Faun

Atelier van P.P. Rubens: “Faun en nimf” (+ 1610)

Terwijl de hondmens de stad gaandeweg overneemt, komt er ook beweging achter de vensterbanken. In Nederland bestaat er een Partij voor de Dieren, momenteel goed voor twee Kamerzetels. Ten onrechte doet men er lacherig over en wordt ze als een one-issue-partijtje van geschifte groenen bekeken. Terwijl ze eigenlijk filosofisch voortbouwt op Diogenes, Rousseau en Sloterdijk, uitkijkend op de biologische hereniging met de dierlijke status.

We lezen in de beginselverklaring van de partij:

“De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vormt samen met de Verklaring van de Rechten van het Dier en het Handvest van de Aarde het practische uitgangspunt voor de wijze waarop mensen met elkaar, met de dieren en met de natuur behoren om te gaan.”

Dat is een gewaagd devies. Vanzelfsprekend heeft een dier geen rechten, tenzij we ons ermee durven gelijkschakelen en compleet horizontaal gaan, de menselijke status opgeven. De missie die achter de Dierenpartij schuilt is allerminst politieke folklore. Het gaat om niets minder dan een evolutie- en beschavingskritiek. Zelf noemen ze zich een getuigenispartij, een nogal protestants aandoend wThiemeoord voor wat wij in Vlaanderen kennen als een zweeppartij: het zijn formaties die wel meedoen aan verkiezingen en soms zelfs zetels halen, maar er een meta-politieke agenda op nahouden. Niet zoveel mogelijk stemmen halen of de macht veroveren is het doel, wel de aanwezigheid op zich van een Fremdkörper binnen een universum dat tot verdwijnen gedoemd is.

Bezielster in Nederland is de activiste Marianne Louise Thieme (°1972), wat meteen een vrouwelijke laag onthult in heel dat dierwordingsverhaal. Bekijk ze met haar poes. Ook vandaag nog wordt ze in brede Hollandse kringen als een gekkin beschouwd. Achter Marianne’s fotogeniek uiterlijk zitten echter tendensen verborgen van dierenliefde die neigt naar zoöfilie, en jawel, dus ook weer vanuit een misantrope afkeer van de mensencultuur.

Was de kynische stadshond een mannelijke verschijning, dan gaan we nu even de gynaecologische toer op. Het zijn inderdaad de vrouwen die in het Christendom eeuwenlang werden gezien als dierlijker, natuurlijker, en meer vatbaar voor terugval naar een “lager” biologisch stadium. ‘s Nachincubots werden zij besprongen door incubi, bestiomorfe demonen, zo ging het gerucht, waaruit dan monsterlijke individuen zouden ontstaan. Deze one-night-stands ruiken dan weer naar rituelen uit voor-Christelijke natuurgodsdiensten, de Dionysoscultus, de mythologie van saters en faunen, en hun gewenste intimiteiten met vrouwelijke passanten. Helemaal onterecht was de vrees van de godvrezenden dus niet: vrouwen hebben wel degelijk wat met dieren, zie ons verhaal aan de inleiding van dit stukje. Ongeacht het feit of ze seks hebben met hun kat of hond of paard, gaat de relatie ver voorbij het instrumentele en zelfs de juridische norm rond “dierenrechten”. De seksuele aantrekkingskracht die negers op vrouwen uitoefenen, zou eveneens in verband kunnen gebracht worden met nymfomanie en het zoeken naar voor-menselijke faunen. Daarom ook mag een man voor een vrouw lelijk zijn, als hij maar enige aaibaarheid bezit.

Ook mevrouw Thieme heeft het dus niet zomaar over de ruimte voor legbatterijkippen of de behandeling van circuspaarden –dan had ze haar partij wel “Partij voor de Dierenvrienden” genoemd-, maar over een Handvest van de Aarde waarin het biologisch evenwicht hersteld wordt en de mens zich terugplooit tot het stadium van dierlijk wezen. Helemaal tegengesteld aan het wetenschappelijk-technologisch project van de synthetische robot-mens, is de vrouw nog steeds de ontvangende kracht voor de bestiomorfose, de her-inbedding in het dierenrijk.

Biologisch en cultureel is de fusie van mens en dier perfect realiseerbaar, niet via het laboratorium maar via de straat, het park, de tuin, de huiskamer en de concrete interactie. De omgekeerde domesticatie dus.

Geen duizend reglementen rond dierenbescherming zullen kunnen beletten dat mensen ook echt met hun huisdier in bed gaan kruipen. Tenslotte zitten we sowieso vol met beestjes, en zij met ons. Wie is de gastheer/gastvrouw, wie de gast? In de liefde heeft dat geen belang.

De 9 peperbollen, of de magie van het placebo

Nero3Het is onomstotelijk bewezen: naar Lourdes trekken doet hopeloze gevallen genezen. Waarom? Gewoon omdat de zieken en zuchtigen erin geloven, dat weet men zelfs ginder ter plekke, anders zou de handel in gewijd water er niet zo floreren. Het allergrootste argument pro religie is, dat zelfbedrog ook werkt. Daarmee is niet het bestaan van God bewezen –integendeel zelfs-, maar wel dat geloof een kracht op zich is, in staat om fysiologische processen diepgaand te beïnvloeden.

In de wereld van de farmaca zit men al langer met de handen in het haar over deze kwestie: van sommige geneesmiddelen weet men echt niet meer of ze chemisch werken, dan wel psychologisch, door autosuggestie van de patiënt, een fenomeen dat we kennen als het placebo-effect.

Fraude en fantasie

Dat schept opportuniteiten voor die sector (geen dure research meer nodig, gewoon een pilletje met de juiste kleur en een goed verhaal in de markt zetten), maar opent tegelijk een doos van Pandora. Want als neppillen werken, kan iedereen ze maken, en moet het woord “kwakzalverij” uit het woordenboek gebannen worden.

nero5Niemand weet dat beter dan madame Nero, die in het album “De negen peperbollen” (1956) heel het verhaal door pill    en pakt, haar aangesmeerd door zo’n zogenaamde kwakzalver, opdat haar man huiswaarts zou keren. Nero zit namelijk in Kenia, heeft daar de wonderbare plant met de negen peperbollen bemachtigd, waardoor hij allerlei onwaarschijnlijke exploten uithaalt. Zoals: een paar duizend kilometer naar huis lopen en letterlijk met de deur in huis vallen, aan het einde van het verhaal. Subtiele knipoog van tekenaar Marc Sleen: mevrouw Nero ziet haar wens in vervulling gaan met een placebo, maar ook die negen peperbollen waren waarschijnlijk nep om Nero in zijn kracht te doen geloven, en zo is heel het verhaal een wondermiddel voor de goedgelovige lezer die zichzelf trakteert op een rondje stripplezier. Over de wonderbare kracht van kunst en literatuur, straks meer.

Is het immoreel om te geloven?  Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Eerst nog iets over geneeskunde en de farma. Binnen de pillensector groeit dus het besef dat ook een klassiek geneesmiddel berust op het placebo-effect. Er zijn al complete operaties gedaan met nep-pijnstillers zonder werkzame stoffen. Gekleurde suikerklontjes als het ware, die iemand quasi-compleet gevoelloos maken omdat hij/zij denkt dat het middel verdovend werkt. Leg dat maar eens uit. Klassieke geneeskunde en homeopathie kunnen zich nu met elkaar verzoenen na eeuwen vijandschap: het ging bij die 9 peperbollen toch allemaal om verbeelding, inbeelding en zelfsuggestie. De magie heruitgevonden.

Dat noopt tot een herziening van de geschiedenis. Nadat wielrenner Lance Armstrong door heel de wereld verketterd werd als dopinggebruiker, en hem zijn zeven tourtitels werden ontnomen, komt nu ene Michele Ferrarri, Italiaans sportarts en dopingexpert, met de revolutionaire theorie af dat de dosissen die Armstrong nam te klein waren om enig fysiologisch effect te hebben. En dat ze als nep- en pepmiddelen moeten beschouwd worden, iets om hem een goed gevoel te geven en fluitend de Mont Ventoux te laten  oprijden. Lance Armstrong geloofde in het placebo en won. Een straf staaltje psychokinese. Gezien zijn wonderbaarlijke genezing van teeltbalkanker, niet eens zo’n gekke theorie. Sportlui zijn overigens buitengewoon bijgelovig. Voetballers die het slipje van hun vrouw of lief in hun broekzak steken, wielrenners die absoluut eerst hun rechterschoen moeten aandoen, een tattoo, een masquotte, men kan het zo gek niet bedenken. Doping of zelfsuggestie?

En geloof het of niet: al in 1956 won stripheld Nero, dankzij een van die negen zogezegd “magische” peperbollen,…een zware bergrit in de Tour de France met 38 minuten voorsprong. Waarmee Marc Sleen het exploot van Armstrong, een halve eeuw later, voorspelt, maar hem ook definitief vrijpleit. Doping? Nepdoping? Is het immoreel om te geloven? Is een fraudeur die in zijn eigen leugens gelooft en ze realiseert, een fraudeur? Was Jezus een oplichter of een behoorlijk getalenteerde hypnotiseur die ook zichzelf in trance kon brengen?

Het simulacrum

armstrongU begrijpt dat dit niet over pillen of sport gaat, maar stilaan een ontologische kwestie wordt. De positivisten zitten hier met een enorm probleem: het causaliteitsprincipe wordt genadeloos aangevreten, en, erger nog,- de schijn bestaat niet. Waarheid en geloof vallen samen, dankzij de psychosomatische wisselwerking tussen lichaam en geest, en de kracht van de autosuggestie. Geef iemand een pil die hem gewichtloos maakt, en het zal werken, als hij er maar hard genoeg in gelooft.

Het is via dat inzicht dat Jean Baudrillard (1929-2007), protestfilosoof uit de jaren ’60 en ’70 van vorige eeuw, zijn afschuw tegenover het simulacrum (de schijnwerkelijkheid die zich tegenover de echte werkelijkheid opdringt, vooral dankzij de massamedia) opgeeft, om uiteindelijk de universaliteit ervan te erkennen. We kunnen ons overgeven aan de schijn, omdat ze geen schijn meer is, ze hercreëert onze werkelijkheid en verandert uiteindelijk de wereld, ze bepaalt de geschiedenis,- in de eerste plaats de kracht van het mentale en de ontgrenzing van ons eigen lichaam. Het is een van die simpele wijsheden waar de jongens en meisjes van SKEPP compleet naast kijken:

Het zijn net de dingen die niét werken, die ons eigen systeem aan het werk zetten. Alles is suggestie.

Dat is perfect van toepassing op Lance Armstrong, maar uiteindelijk wellicht zelfs op elke vorm van “tekst” (discours, verhaal, mythologie) die ons leven vorm geeft. We kopen niet de naakte auto, maar vooral het verhaal rond avontuur, vrouwen, snelheid. Waardoor zelfs de file een virtuele race wordt, mede dankzij de autoradio en andere mobilotica. Het geluk wordt gecreëerd door de belofte erop. “Placebo” betekent uiteindelijk “Ik zal behagen” of “Ik zal gelukkig maken”. En belofte maakt schuld.

Het placebo is met andere woorden overal,- het kan natuurlijk ook omslaan in zijn tegendeel, namelijk het nocebo (ziek worden of sterven door iets te geloven), zoals bij een roker die zoveel doodskoppen op zijn sigarettenpakje heeft gezien dat hij echt kanker krijgt,- de moderne versie van de “vervloeking”. Buiten die twee is er haast niets meer dat ons psychisch en sociaal functioneren als consument, mediagebruiker, kiezer bepaalt. Baudrillard sluit het tijdperk van de metafysica definitief af, maar opent dat van de postmoderne magie en de nieuwe religiositeit, gebaseerd op een dialectiek van de schijn.

Cultuur, geluk, bewustzijn.

Vergeet het atheïsme en de vrijdenkerij, het mensdom is nog nooit zo bijgelovig geweest. Maken de iPasalond en de iPhone ons gelukkig, doet een verblijf op een all-in-resort op Tenerife ons op krachten komen? Jazeker, want de reclame belooft het ons. Men kan hier niet zomaar spreken van bedrog of indoctrinatie, want het “werkt” echt, het gaat om hypnotische rituelen die ons aanspreken en waaraan we ons willen onderwerpen. Tussen het product en de consument staat de tekst (bijvoorbeeld de reclame, de bijsluiter) die de waarheid herschept. De metatekst dus, over het product. Zo zal de bijsluiter van het medisch placebo meegaan in de illusie, en zo de (zelf)genezing uitlokken.

Grappig is dat die logica van de self-fulfilling prophecy ook werkt in de wereld van de Cultuur met een grote C. Vooral juist daar. De nieuwste roman van Dimitri Verhulst, de Oscargenomineerde film ‘The Broken Circle Breakdown’, de Nationale Gedichtendag, Alphavillle,…. ze verhogen mijn gelukscoëfficiënt, ze maken me slim, innerlijk rijk, bewust, omdat het protocol (het geheel van begeleidende teksten, catalogi, programmaboekjes, achterflappen,…) dat wil. Ze zijn cultuurplacebo’s in de ware zin van het woord. Ze creëren waarheid en bewustzijn daar rond, zingeving, zelfverheffing, vanuit een promotionele omlijsting. Het werkt, ik kan het u verzekeren. Ooit stuurde ik voor De Standaard (waar mijn naam sinds jaar en dag zorgvuldig wordt geweerd) een kritisch opiniestukje over Jan Fabre in, onder een vrouwelijk pseudoniem. Niet alleen werd het dadelijk gepubliceerd, ook de VRT-nieuwsredactie ging ijverig op zoek naar de auteur van die opzienbare bijdrage. Waardoor de echte schrijver werd betrapt. Ik, Lance Armstrong?

Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was.

Aan Marc Sleen en zijn peperbollenverhaal moest ik denken, toen iemand me vertelde dat hij naRosas een opvoering van de dansproductie “Eight Lines” (Anne Teresa De Keersmaeker) “als herboren naar buiten kwam”. Ik geloof hem: de krantenrecensies, heel het toeleven naar de voorstelling, de prijs van het ticket, de verplaatsing, de investering in tijd, energie en Euro’s,… schept een zodanig verwachtingspatroon dat men de euforie zelf creëert. De prijs draagt bij tot de autosuggestie. Cultuur suggereert zin en brengt geluk: je betaalt geen 100 Euro voor een inkomticket, om nadien te zeggen dat de voorstelling maar niks was. Kritiek is hoe langer hoe minder een maatstaf. Het veroorzaakt alleen maar wrevel, ongemak, frustratie, ongeluk.

Vooral bij De Keersmaeker heb ik altijd de indruk gehad dat de metatekst over het ding, de naam, de status, het programma, belangrijker is dan het ding zelf. Bedoel ik nu dat de schoonheid van “Eight Lines” op bedrog berust? Neen, net niet,- de vermarkting van het artistiek product maakt gewoon de kwaliteit en zijn pragmatische doeltreffendheid uit. De media spelen een sleutelrol in het fabriceren van de metatekst, en tonen daarmee aan dat een dansvoorstelling in se niet verschillend is van een wasproduct of een GSM of een auto.

Baudrillard eindigt dus met te zeggen: neem en consumeer dit alles, creëer de illusies zelf, wees uw eigen homeopathische therapeut.

Alles zit tussen de twee oren, de rest hangt er maar bij

breinZo wordt dit, zoals alles, weer een aangelegenheid van het menselijk brein. Vergeet de filosofie en alle andere wetenschappen: alleen de hersenfysiologie doet ertoe. Maar de onmogelijkheid van het brein om zijn eigen criticus te zijn, maakt juist dat het zelfbedrog alomtegenwoordig is, en dat we de wereld creëren volgens onze eigen voorstelling. De hallucinatie voorbij. En daartoe is wil, aandrift, begeerte, energie nodig. Veel meer dan zomaar intelligentie. Meerbepaald de wil om endorfine (chemisch verwant aan morfine) aan te maken, de stof geproduceerd door de hypofyse, die verantwoordelijk is voor het geluksgevoel. Natuurlijk wil het geluk zichzelf vereeuwigen, hoe zou u zelf zijn.

Iets wat Arthur Schopenhauer (1788-1860) in zijn hoofdwerk “Die Welt als Wille und Vorstellung” al poneerde, zij het dat Arthur aan de kunst nog een apart plaatsje toebedeelde, als zou die aan het nuttige zelfbedrog ontsnappen. We weten ondertussen beter.

Voor de rationalisten, en al wie nog in de menselijke rede gelooft, is dat een onoverkomelijk probleem:

Blijkbaar houdt de menselijke geest ervan om zichzelf voor de gek te houden. De leugen zit diep in de kern van ons brein, als een zelfstimulerende mentale G-spot.

Alleen daardoor is het mogelijk dat seksuologen aan de universiteit van Texas 237 redenen kunnen verzinnen om seks te hebben, en dat als wetenschap verkopen. Waarna het ook een echte handleiding wordt om van bil te gaan, en ons leven beter, zinniger, bewustvoller maakt.

Langzamerhand wordt heel het verhaal van geloof, weten, kennis, willen, bewustzijn, dat van een slang die in haar eigen staart bijt. Het menselijk brein verschalkt zijn eigen waarheidsobsessie grandioos, net door de leugen te hanteren als iets dat waarheid creëert: “Ik weet dat het een placebo is, dus dat het niet werkt, maar toch gebruik ik het, omdat ik weet dat het werkt als ik erin geloof”. Verdomde breinkraker, nemen, die vergulde pil!

De toekomst is dus aan de gebedsgenezers, de goeroes, de duiveluitdrijvers, de Zarathustra’s, de seksuologen, de voorlichters, de charlatans en fraudeurs, de verkopers van alle mogelijke drankjes, poedertjes en elexirs. Zij zijn de begeleiders van ons zelfhypnotisch vermogen. Ze smeren ons rommel aan, maar net dat geeft ons brein de kans om zichzelf in de maling te nemen en de rommel te opwaarderen tot drug en elexir. Geen enkele diersoort is daartoe in staat. Het heeft geen zin de charlatans te verbannen, want dan houden we niets over, alleen bittere desillusie en wanhoop.

En daar heeft de natuur ons niet voor gemaakt. Althans, dat wil ik graag geloven.