Een brug voor “Tomorrowland”

Over kunst als hersenspinsel en cultuur als zombificatie

Het was zowaar Kris Merckx, oudstrijder van de ultralinkse PVDA+ die het uitbracht: de provincie Antwerpen subsidieert voor 2 miljoen euro een werk van de Quinzekunstenaar Arne Quinze, dat de terreinen van het Tomorrowland-festival in Boom mag opsmukken. Links zet de aanval in op het cultuurestablishment,- dat is opmerkelijk. Voordien immers golden de culturo’s als de dam tegen de (extreem)rechtse barbarij en was populistische cultuurkritiek het handelsmerk van de rechterzijde (N-VA, VB, Wilders in Nederland).

Merckx’ argumenten zelf zijn opmerkelijk en allerminst triviaal. Dat de commerciële lobbykunst wordt geviseerd van artiest-marketeer Arne Quinze, die duidelijk een binnenweg neemt inzake het verwerven van openbare cultuursubsidies,- dat lijkt me nog een klassieke anti-liberale opwerping. Het feit dat Tomorrowland, een commerciële onderneming die behoorlijk wat winst maakt, dat zomaar cadeau krijgt,- ja, ook dat kunnen we plaatsen als kritiek van de linkerzijde. Zelfs het feit dat het construct zal worden opgetrokken in 140 ton tropisch hout recht uit het regenwoud, ook van die “groene” bezwaren val ik niet omver.

Dat het Tomorrowland-festival ontmaskerd wordt als een escapistisch hippiefeest waarin vooral het teugelloze consumentisme en de kritiekloze massa-euforie worden gehuldigd, via een soort overdosis aan decibels,- dat lijkt me al origineler en controversiëler, want de dag van vandaag lopen alle politici dit soort domme goed-gevoel-events achterna.

Maar dat de Quinze-brug door volksdokter Kris Merckx (en criticus Robrecht Vanderbeeken) naar de vuilbak verwezen wordt als een “stuk decoratief design dat naar zichzelf verwijst en naar het ego van zijn maker en zijn opdrachtgevers”,- dat is andere koek. Daarmee wordt namelijk impliciet heel de gebakken-lucht-sector van de (post-)moderne kunstelarij frontaal aangevallen, en wel in haar estethische en kunstsociologische essentie zelf. Wat staat het ding daar te doen? Tot wiens glorie? Hebben we het nodig, kunnen we er wat mee? Overstijgt het zijn eigen, door de betrokken dorpspolitici nagekakelde marketingpraat (“een brug die mensen verbindt”)?

Encefalogram

Het zijn vragen die ook over de Mozes van Michelangelo of over de 5de van Beethoven kunnen gesteld worden: als men alle verhalen en contexten rond een kunstwerk achterwege lpatiëntaat, inclusief het promotionele discours, dan eindigt men in het lichaam van de kunstenaar zelf, meer bepaald zijn hersenen waaruit het ontstond. Het is zo simpel als dat: het kunstwerk als momentopname van een brein, een spoor van hersenactiviteit.

In de limiet gaat heel deze brugkwestie zelfs niet meer over de opdrachtgevers en het schimmige subsidieverhaal, maar over het ego van Arne Quinze zelf, en de verschijning van het kunstwerk als secreet, afscheiding, letterlijk: hersenspinsel. Iets dat uit zijn hoofd komt en een eigen leven is gaan leiden. Een breinafdruk als het ware. En waarvan de lezing ook op een of andere manier terug naar dat orgaan moet leiden. Het lijkt me een interessante oefening om hoofdzaak van nevenzaken te onderscheiden, en de “ruis” rond zo’n object uit te filteren.

In de psychopathologie is die reductio ad cerebrum standaard: tekeningen van patiënten worden niet tot de status van “onbegrijpelijk-diepzinnig kunstwerken” verheven, maar gewoonweg aanzien als ventilaties van een (zieke) psyche. Niets belet ons om dat bij “normale” kunstenaars evenzeer te doen. Sommigen hebben zelf die weg gewezen. James Joyce betitelde zijn teksten als epiphanies (“verschijningen”),- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints. Eigenlijk zou men de lectuur van alle boeken van Joyce dus kunnen vervangen door die van een degelijk encefalogram, een driedimensionele hersenscan.

De brug is volstrekt overbodig, een EEC van de architect had kunnen volstaan. Vier miljoen uitgespaard!

Ook de surrealisten gaven met hun “écriture automatique” aan waar het in alle expressie en creativiteit om te doen is: om processen die zich in onze bovenkamer afspelen. Ludwig Wittgenstein heeft zich in dezelfde zin uitgelaten over zijn werk: de sleutel tot de lectuur ervan zit ergens onder zijn eigen schedel. Daarom is het ook onleesbaar en is die verschrikkelijke villa die hij in Wenen neerzette onbewoonbaar, tenzij men tekst én object leest als de allerindividueelste afdrukken van het allerindividueelste brein, om Willem Kloos te parafraseren..

Alle marketingpraat over kunst en cultuur kan nu van tafel worden geveegd. De lectuur van het kunstwerk loopt dood in de psychoanalyse van de kunstenaar, die op zijn beurt maar een voorspel is toEncefalogramt de klinische lectuur van zijn hersenmassa. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet de grijze blubber op zich, maar de processen, de elektriciteit daarbinnen. De breinfysiologie zit in de lift, en terecht: het zit allemaal tussen onze twee oren. Alles wat zich daar buiten afspeelt behoort tot het misverstand, de manipulatie, de misleiding. Maar dat betekent ook dat men kunst kan lezen als een monoloog, een ontlasting, een min of meer geësthetiseerde krabbel van een hand die door het centraal zenuwstelsel wordt gedicteerd. In een volgende fase kunnen we nu die krabbel vervangen door het electro-encefalogram (EEC) zelf. Einde van een lange lijdensweg die “exegese” heet.

En dat is nu precies wat die PvdA-dokter in zijn helder ogenblik beweert: de brug van Arne Quinze als “stuk decoratief design dat naar zichzelf verwijst en naar het ego van zijn maker”. Dat is een visionaire uitspraak waarvan hij de draagwijdte allicht zelf niet beseft. Als dit de essentie van kunst is –en niets wijst op het tegendeel, tenzij men nog gelooft in goddelijke “inspiratie”-, dan kan de rommel snel opgeruimd worden. Het gaat namelijk om hoopjes kak waarvan het forensisch onderzoek volledige klaarheid brengt inzake de auteur en zijn innerlijk gestel, zonder dat we onze eigen hersenen hoeven te pijnigen over de filosofische betekenis ervan. De brug is volstrekt overbodig, een EEC van de architect had kunnen volstaan. Vier miljoen uitgespaard!

Dit iconoclast standpunt werkt bevrijdend en beneemt onze alle lust om in Tomorrowland en andere culturele epicentra de waan te ondergaan. Het verklaart natuurlijk nog niet waarom de secreten van Arne Quinze desondanks zo succesvol zijn, en de onze enkel in het kleinste kamertje kunnen gedeponeerd worden. Daarvoor moeten we nog een laag verder afgraven. Hoe ontstaat Kunst met een grote K? Wat maakt een kunstenaar “groot”?

Vampirisme

Naar aanleiding van de dood van Harry Mulisch in november 2010 schreef ik een grafrede in demulisch_vampier vorm van een vampierentheorie. Het kwam erop neer dat de schrijver zijn energie ontleent aan de buitenwereld, meerbepaald het publiek. Door te lezen denkt men informatie op te nemen, maar in werkelijkheid staat men mentale energie af aan de schrijver, die de hersenen van de lezer “hackt” en in beslag neemt als onderdeel van zijn eigen, vergroot brein. Het publiek wordt een cloud van de schrijver, het wordt zijn virtuele eigendom,- terwijl de lezers natuurlijk denken dat het andersom is (de schrijver en zijn werk als “publiek domein”). Lukt de schrijver in dat opzet helemaal, dan sterft hij ook nooit: hij leeft namelijk verder in de door hem gecreëerde “wolk”, residerend in de hersenpannen van alle bewonderaars.

Het cultuurbedrijf als vampirisme: speciaal rond Harry Mulisch klopte dat aardig, gezien zijn voorliefde voor geheime genootschappen (de exclusieve Herenclub in Amsterdam) en de begrafenis die hij voor zich had besteld, omringd door een keur van collega’s-bloedzuigers. Met een schone kist dus, niks crematie, want de schrijver gaat niet echt dood, hij transfigureert en zal ons blijven bezoeken via het ritueel van de lectuur. Knoflook steeds bij de hand houden.

Zo evolueert de lezer-toeschouwer-fan-cultuurconsument naar de status van avatar: een gekoloniseerd lichaam.

Opmerkelijk is, dat een auteur als Lodewijk Van Deyssel (1864-1952) dit vampirisch moment van het schrijversschap zelf ook besefte, en zich als een bloedzuiger beschouwde. In zijn testament van 27 oktober 1892 staat dan ook te lezen: “Vóór mijn kist wordt gesloten, verzoek ik dat mijn hart doorstoken wordt”,- in de beste Dracula-traditie dus.

En dat is een belangrijke aanvulling op de zelfverwijzingsthese van Kris Merckx omtrent de conceptuele constructen van Quinze en C°. De (literaire of artistieke) vedette laat niet alleen hersenafdrukken achter,- hij/zij parasiteert ook via die objecten op zijn omgeving, zijn fans, de achterban. Het “stuk decoratief design” wordt een zuignap. Het geldt voor Beyoncé, Stromae, DJ Hardwell, evengoed als voor Dimitri Verhulst, Arne Quinze, Jan Fabre, of zelfs “popfilosofen” als Alain de Botton. Allen ontlenen ze hun succes aan de zombificatie van hun publiek.

Niet alle hersenen zijn dus evenveel waard. De cultuurmakers usurperen die van hun publiek. Zo evolueert de lezer-toeschouwer-fan-cultuurconsument naar de status van avatar: een gekoloniseerd lichaam. Vooral in de literatuur is dat opvallend: het boek maakt ons moe en suf. Nu weet u ook waarom. Grote, publieke kunst fungeert als zwart gat voor ons eigen bewustzijn, ze usurpeert, parasiteert, evacueert. Bij het verlaten van het museum of van de concertzaal of de festivalweide wandelen we dwaas en slaapdronken weg, als had iemand met een pijpje enkele centiliter hersenmassa uit onze schedel gezogen. Toch willen de teksten errond, de boekjes, programma’s, catalogi, recensies ons het tegendeel laten geloven: kunst verrijkt.

Neen dus, cultuur maakt ons dom. Het staat er, en nu ik het lees kan ik het amper geloven, want ook mijn brein willen afdrukken achterlaten en via teksten ook uw hersenen leegzuigen. Hou me tegen.

Mensenoffers

tomorrowlandIn dat opzicht had die Quinze-brug nergens beter kunnen staan dan op de terreinen van het Tomorrowland-festival: het kunstwerk als vampirische mond die de massa-energie afzuigt en draineert naar de bedenker. Er is wel degelijk een overdracht van mentale energie naar één punt. Via het door de kunstenaar gehanteerde crowd funding-systeem (fondsen zoeken bij het publiek zelf) krijgt die drainage zelfs een financieel sluitstuk. Het verklaart uiteindelijk ook waarom een conservatieve fatsoenspartij als de N-VA zich inlaat met Arne Quinze en Tomorrowland: de grote solidaire volkscohesie kan maar tot stand komen via een of andere “hacking” van de persoonlijke breinen. Hypnotische speeches van dictators zijn één mogelijkheid, maar de postmoderne inplanting van een hyperobject, ergens middenin een decibelorgie, is vandaag veel geloofwaardiger.

De gelijkenis tussen de volkstoeloop eertijds voor een nazi-parade en de actuele massahysterie op een dance- of technofestival is overigens frappant. Af en toe ontstaat er paniek en wordt er wat biomassa vertrappeld, zonder dat dit ook maar enigszins de pret bederft. Integendeel, het zijn mensenoffers die massificatie nog versterken.

De postmoderne democratie speelt zich dààr af, op de festivalweide, en nergens anders. Hoe meer volk op de been op één plek, hoe sneller de zombificatie. Men zou voor minder anti-democraat worden.

Advertenties

12 Reacties op “Een brug voor “Tomorrowland”

  1. Tjonge, hier moet ik nog wel even over nadenken. Misschien heb je wel gelijk. Maar ik voel me na een museum- of concertbezoek wel verrijkt. In elk geval is kunst een vorm van communicatie, en daagt de kunstenaar de kunst-consument uit om “iets te vinden” van zijn werk. Sinds het expressionisme is dat uitdagende element sterker geworden, en nu zie ik kunst die er wat mij betreft helemaal niet had hoeven zijn, ik voel me er niet door verrijkt en ik irriteer me allen aan de enorme geldbedragen die ervoor betaald worden en het eerbiedig geschrijf erover. Het gevoel dringt zich op van de nieuwe kleren van de keizer, en anders dan in de tijd van Andersen, zijn de media en de kunstwereld nu zo luidruchtig geworden, dat de stem van het jongetje dat roept dat de keizer naakt is, helemaal wordt overstemd. In de hedendaagse kunst zijn ook parels, maar die lijden onder de flutterigheid (vergeef me het woord) van de dure onzin-kunst, dat populistische politici de kans geeft om zich tegen de kostbare intellectualistische kunst-aanbidderij van de elite af te zetten, alles over één kam scherend.
    Voor de rest vind ik popfestivals beter dan massa-bijeenkomsten om een of andere Geliefde Leider toe te juichen.

  2. Benno Barnard

    Ik zeg het niet graag, maar wat een briljant stuk. Zelf vampier en zombie zijnde, kan ik dat wel beoordelen.

  3. Ralph Bisschops

    Schrijven/creëren is een ontzettend eenzame bezigheid. De schrijver/kunstenaar is moederziel alleen (zei al Hemingway). Het schrijvers- en kunstenaarsvampirisme is dus een symptoon van de meest trieste verlatenheid. Zonder het welwillende oog van tenminste één lezer/toeschouwer gaat het niet. Leopold Flam zei ooit, dat men ook voor God zou kunnen schrijven. Het proberen waard. Lukt het, God leeg te zuigen?

  4. Edward Wouters

    – Arne (Louis) XIV, en zijn rondborstig vrouwke Ann Lemmens, kunnen er alleen maar beter van worden.. Zijn er ‘kickbacks’ geregistreerd..? Belastingvrije giften naar bepaalde partijkassen..? Voel ik wat jaloezie..

    😀
    .

  5. Pingback: Johan Sanctorum: Zombificatie | Golfbrekers

  6. Ik zat eerst op facebook om te reageren, maar man, wat een gelul van mensen die de tekst van Sanctorum niet eens lezen. En jawel, Benno Barnard heeft gelijk: het IS een briljant stuk, ook in opbouw. Het begint en eindigt met Torrowland, duidelijk maar een kapstok. Eerst krijgen we de theorie van het hersenspinsel, maar in deel twee breekt de hel los met de vampierentheorie.
    Jammer dat Mulisch dit zelf niet kan lezen, hij zou er smakelijk om gelachen hebben. Dat neemt niet weg dat we op het einde wel in zak en as zitten. Waartoe dient nog cultuur, literatuur, het boek, als het maar is om onze hersenen leeg te zuigen? En wat is het alternatief? Het intacte, eenzame brein? Sterven hersencellen niet af bij werkloosheid?
    Leuke ironische wending, typisch voor Sanctorum, aan het einde: lees deze tekst dus NIET. Maar dat had ik dus al gedaan, jammer, te laat! 🙂

  7. Misschien zullen de resultaten van het Arnon Grunberg hersenexperiment u een antwoord bieden.

  8. En verder kan men het gebruikmaken van iemands onderzoeksmateriaal, uiteraard buiten diens wil om, geen vampirisme meer noemen maar diefstal.

  9. Beste Johan, je hebt een uitstekend stuk geschreven. Ik zeg het graag en duidelijk. De verbanden die je legt, zijn origineel maar buitengewoon interessant. Maar makkelijk is het stuk niet. Ik zal nederig zijn: ik moet toegeven dat ik het minstens twee keer heb gelezen.
    Maar net het feit dat ik dat heb gedaan, met intellectueel plezier overigens, mag je ego strelen.
    Ik zal me niet wagen aan commentaar op je vampierentheorie. Maar dat er interactie is tussen een kunstenaar en zijn publiek, is onloochenbaar. Alleen, ik denk dat die communicatie ‘inter’ageert. Dus niet eenzijdig van het publiek naar de kunstenaar, maar wederkerig. Geen kunst zonder interactie, zonder commentaar, zonder verheerlijking, zonder destructie, zonder emotie, zonder fysieke of intellectuele gewaarwordingen. Geen kunst zonder betrokkenheid dus.
    Anders is het entertainment, ook plezier genoemd. Ik durf wel te stellen dat Arne Q., die niet geheel toevallig uit dezelfde stad afkomstig is als die andere Q,, eerder in deze laatste categorie thuishoort. Zijn ‘kunst’ is wat het is: een blits verpakt verkooppraatje dat wat mag kosten. Het staat goed, is hip, hedendaags, vlot, en breed toegankelijk.
    Dat hij voor zijn ‘werk’ subsidie krijgt, doet mijn maag samentrekken, laat mij naar mijn portefeuille grijpen, sneller en krachtiger dan ik zou doen in een straat vol Roemeense migranten. Ik weet het, ik ben bevooroordeeld, maar ja, het gaat om kunst.

  10. Robrecht Vanderbeeken

    Dat de Quinze-brug een nieuwerwetse vorm van fascistische esthetiek is, o.a. vanwege de massademagogie, dat is dus een conclusie die ik in mijn stukje had weggelaten omdat de beoogde kritiek (met name op het hallucinant cultuurbeleid) dan zou weggezet kunnen worden vanwege een reductio ad hitlerum (het gaat ten slotte toch over N-VA-bestuur…). Ziedaar een opmerkelijke zelfcensuur: niet over Hitler beginnen in een kritiek op N-VA, terwijl je wel iets over fascistische esthetiek zou opmerken als het alleen over de kunstenaar of het festival zou gaan. Ook dat zegt wel veel over N-VA, don’t mention the war… . Laten we overigens niet vergeten dat het Holocaustmuseum in Mechelen een beeld van het feestende Tomorrowland als schrikbeeld gebruikt: het gevaar van de massa. (Tegelijk wel jammer dat er niet vooral de nadruk gelegd werd op de machthebbers die Hitler in het zadel zette: de academische en economische elite … niet de massa maar de machthebbers brachten de nazi’s aan de macht.).

    Heel goed ook, Johan, dat je aandacht geeft aan dat schandelijk cultuurbeleid in de Schorre. Wat uw analyse betreft, vier kanttekeningen. 1) Niet Kris Merckx maar ik maakte die inhoudelijke kritiek op Quinze als designer. Merckx klaagt in de eerste plaats het neoliberaal wanbeleid aan, en wijst er terloops op dat deze kunstenaar het via de beoordelingscommissies niet zou gelukt zijn subsidies te vangen. Hij vindt Quinze inderdaad niet veel soeps, denk ik, maar dat is voor hem bijzaak. 2) Ook heel wat ‘culturo’s’ maken die kritiek op Quinze (in een reactie op ‘de rode blokken’ in Oostende, dat andere ‘meesterwerk’ van Quinze, heb je Lieven Van den Abeele (De Witte Raaf) en heel wat andere ‘culturo’s’ die net dezelfde opmerking maakten: decoratief design dat slechts naar zichzelf verwijst en het ego van de maker) 3) Je neemt Quinze als een aanleiding om ineens de hele ‘pomo’-kunst weg te zetten, wat wel een brede zwaai is, net dat heet dan populisme, nietwaar? Er zit boeiende wereld van verschil tussen Quinze en Fabre, vind ik althans, omdat het in het laatste geval nog ergens over gaat. Ook daar is veel kritiek op te geven natuurlijk, zoals Frank Vande Veire al een hele tijd geleden deed in zijn bekende pamflet, ‘i love art, you love art…’. Ik ga hier zeker niet Fabre verdedigen, voor alle duidelijkheid. Ten slotte, 4) ik denk niet dat het wezen van de kunst eruit bestaat dat iets naar zichzelf verwijst en dus zo naar een hersenspinsel van de maker. Natuurlijk vertrekt kunst sowieso ergens uit de brein van een kunstenaar. Maar ook zonder de longen of de lever van diezelfde kunstenaar zou het werk er niet gekomen zijn, ik bedoel maar, best heel eng dat cognito-reductionisme. Ik zou zeggen: de essentie van kunst is dat het vooral niet zomaar alleen wat naar zichzelf en zijn maker verwijst. Maar een unieke zintuiglijke oefening of expressie, gelaagd met (kunst)historisch, of filosofisch, of politiek, of psychologisch, of wetenschappelijk, of …, inzichten.
    Kortom, het probleem bij Quinze is dat hij het niveau van de andere attracties die Tomorrowland fabriceert ter gelegenheid van hun dansbal zelfs niet overstijgt. Vandaar mijn vraag aan de gedeputeerden van N-VA: welk criterium hebben ze nu nog om een subsidieaanvraag van bijvoorbeeld Walibi of Plopsaland af te wijzen?

    @Edward Wouters, ‘Arne XIV’, geweldig, ik wou dat ik die gevonden had! Ook mooi om lezen dat Benno Barnard zich eindelijk eens als vampier out.

  11. Geachte Robrecht

    Laat ons zeggen dat dit een geslaagd voorbeeld is van ideeënsynergie, en weer eens wat anders dan het oeverloze polemiseren:
    1) De kritiek van Kris Merckx op Arne Quinze, vanuit het old-school-Marxisme en als beleidskritiek
    2) Tweede laag: jouw geslaagde analyse omtrent het “decoratief design dat slechts naar zichzelf verwijst en het ego van de maker” (een aspect weglaten, zelfcensuur dus, omdat het me zou kunnen vastpinnen, dat zou ik nooit doen, maar soit).
    3) Mijn lectuur van de twee vorige, opgenomen, verbreed en verdiept tot een globale cultuurkritische visie rond het kunstwerk (en zelfs algemener: elk artefact) als breinafdruk en de kunstenaar als vampier. Mét politieke implicaties omtrent massahysterie (ook in jouw analyse aanwezig). Natuurlijk is dat vampierenverhaal voor jou een aantal bruggen te ver, maar dat geeft niet, iedereen doet ermee wat hij wil, het is geen bijbel en zelfs niet eens een hypothese met wetenschappelijke pretenties. Maar misschien wel een middel om fenomenen beter te begrijpen.
    Wel vind ik het absoluut noodzakelijk om uit de ideologische stereotypes te treden (de fascistische slechterik, de goede linkse), want een politiek-correcte lezing van kunst en cultuur, dat werkt echt niet. Vandaar mijn min of meer permanent conflict met de kring rond het tijdschrift Rekto-Verso.

    Johan Sanctorum

  12. Robrecht Vanderbeeken

    Dag Johan,

    Er moet inderdaad veel meer creatieve kunstkritiek zijn, bij voorkeur nog diverser dan de kunst zelf. Ik zou het wel graag zo zien, maar Kris Merckx maakte geen marxistische kunstkritiek, wel een marxistische kritiek op dit neoliberaal beleid. Wie wil weten wat ‘volksdokter Kris Merckx’ (inmiddels gepensioneerd als arts maar politiek actief als provincieraadslid) zelf geschreven heeft over deze brug kan zijn vier Interpellaties/artikels hierover lezen op zijn blog http://krismerckx.be/

    Je hebt wel gelijk: er moet eens een stevige kunstkritiek komen, zonder al die vriendjespolitiek en angst om een potje te breken. Maar ik kijk er net naar uit om eindelijk eens een ‘politiek-correcte’ kritiek te horen, in de eigenlijke zin van het woord: vanuit ideologische analyse, vanuit een moreel besef dat er toe doet. Rekto:verso mag op dat vlak zeker ook nog wat gas bijgeven, vind ik. Het politiek-incorrecte, pissen tegen de kerk, hebben we al in overvloed gehad.

    Uw vampieren-analyse. Een mooi beeld, dat wel, maar mijn ervaring is eigenlijk omgekeerd (ik doe dit niet om contrair te doen…): ik geraak helemaal opgeladen als ik een goed werk zie/boek lees… . Na de 6 uur durende voorstelling Happy face/sad face van Needcompany, intussen helaas weeral enkele winters geleden, kon ik gewoon niet meer slapen als ik thuis kwam, veel te veel ‘bloed’ pompte rond. Er wordt veel onzin gemaakt, dat klopt natuurlijk, maar er zit af en toe wel een wonder tussen, het zal de wereld niet redden, maar het redt wel mensen. Ik voel eerder aderlatingen als ik naar sommige slaapverwekkende lezingen ga, onze TV bekijk, onze kranten lees. Pure lethargie, zelfs voor een opgewekt mens als ik.

    Om af te sluiten met iets waar je het wellicht over eens bent: op de dag dat Jan Hoet stierf maakte Reyers laat een kleine I.M. met Fabre, Tuymans en Delvoye op bezoek. Midas Dekkers mocht ook aanschuiven, hij wist wel niet wie Hoet was, maar goed, er zou een bruggetje volgen op het woord ‘stront’ om dan af te ronden met nog maar eens een babbeltje over de Cloaca van Delvoye. Zelfs VRT durft het niet aan die avond gewoon eens alleen bij dat ene bijzondere feit te blijven, het moest weer vol met entertainment, giechelen over stront, etc.

    Maar wat een dieptepunt toch alweer, dan sterft hun vriend en de man die hen op de kaart heeft gezet, ook dan geraken deze heren niet verder in puberaal anekdotisme, in banale zelfzucht, in dwaze praat eigenlijk. Toegeven dat ze het zonder Hoet eventueel niet gehaald zou hebben, nee hoor, ze hebben het natuurlijk allemaal zelf gedaan. Op die avond, met het overlijden van Hoet, werd m.i. een Vlaamse generatie 20ste eeuwse kunst afgesloten. Dat hebben we weer gehad, het was belangrijk & zinvol en confronterend & vervelend en supernarcistisch, etc, maar kunst die er vandaag toe doet, dat zal iets anders zijn.

    http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/programmas/reyerslaat/EP_140227_ReyersLaat