Maandelijks archief: maart 2014

Het zwart gat, genaamd “geschiedenis”

BeerDe dood van Regine Beer (1920-2014), een van de laatste Joodse overlevenden van het uitroeiingskamp Auschwitz-Birkenau, betekent meteen ook dat Auschwitz en gelijkaardige verdoemde plekken uit die tijd dra echt tot de geschiedenis zullen behoren. Regine gaf tot op het laatste moment lezingen in scholen, verenigingen, e.d., om de herinnering levendig te houden en de jeugd te waarschuwen voor het fascisme. Maar onherroepelijk verdwijnen de getuigen en gaat ook Auschwitz tot de inventaris van jaartallen, plaatsnamen en feiten behoren. De geschiedenis van de geschiedenisboekjes dus. Dat zal een schok betekenen voor de nabestaanden, zeker voor de Joodse gemeenschap die de Holocaust een absolute en onherleidbare, mythische betekenis geeft, kwalitatief verschillend van alle andere genocides die onze beschaving telt. Waardoor het fenomeen ook onvermijdelijk in de greep kwam van de zionistische propaganda en de expansionistische retoriek van de staat Israël. Zie ook de perikelen rond het Mechelse Holocaustmuseum, onder druk van een bepaalde lobby uiteindelijk toch weer hertekend tot Joods memoriaal, en de kritiek daaromtrent van historicus Gie van den Berghe.

Stuitend maar geheel logisch is de terugslag van revisionistische en negationistische theorieën die de gaskamers naar het rijk der fabelen verwijzen. Robert Faurisson (° 1929) geldt als de stamvader van dat negationisme, dat overigens in de meeste Europese landen strafbaar is. De Holocaustontkenning, die op geen enkele empirische argumentatie steunt, is m.a.w. het pervers neveneffect van de Holocaustindustrie (een term van de Amerikaans-Joodse politicoloog Norman Finkelstein) die het fenomeen historisch isoleert en politiek instrumentaliseert. Beiden sluiten elkaar uit en houden elkaar in stand. Met dat verschil dat laatstgenoemde het recht van de overwinnaar uitoefent om sowieso geschiedenis te mogen schrijven. Hét groot verhaal dus, dat tot lering strekt.

Losgeslagen chimpansees

Auschwitz2

Auschwitz, 1945

De vraag is echter of die historische reconstructie iets anders kan zijn dan een karikatuur van zichzelf, omdat het verhaal jammer genoeg van meet af aan twee kanten heeft. Opnieuw moet ik Gie van den Berghe citeren, die stelt dat de waarheid van de slachtoffers ook altijd een andere, parallelle waarheid van de daders (en dus de beulen) impliceert. Wie waren ze, wat dreef hen, hoe kwamen ze daartoe? Waren de slachtoffers dan op het verkeerde moment op de verkeerde plaats?

Dat is een vraag die Regine Beer zich niet kon en ook niet hoefde te stellen, maar die wel lonkt vanuit dat zwart gat “geschiedenis” genaamd. Enig Schopenhaueriaans pessimisme is hier gewettigd. Het menselijk sadisme lijkt een habitus te zijn die overal zijn weg zoekt: we zijn gewoon wreedaardig, zoals onze naaste biologische verwanten, de chimpansees. Sterker nog: intelligentie en empathisch vermogen lijken de voorwaarde tot wreedheid, zijnde het gewild en bewust doen lijden van de andere. Wreedheid is gewoon negatieve empathie, die op een zeker moment zelfs met lustgevoelens bij de dader gepaard gaat.

De verwisselbaarheid van slachtoffer en beul maakt zelfs een hel als Auschwitz tot een historisch dubieus gegeven.

Ik verwijs naar het fameuze Milgram-experiment uit 1961 (niet toevallig het moment waarop Adolf Eichmann in Israël terecht stond) aan de universiteit van Yale. Daarin werden proefpersonen gevraagd om ondervraagden die een fout antwoord gaven, te bestraffen met electroshocks. Dat deden ze ook probleemloos, tot 450 Volt en onder luid geschreeuw van de slachtoffers. De “daders” waren geen nazi’s maar brave studenten die gewoon deden wat van hen verwacht werd. En die allicht toch ook enig plezier hadden in de hen toegekende macht over de andere.

De verwisselbaarheid van slachtoffer en beul maakt zelfs een hel als Auschwitz tot een historisch dubieus gegeven. We zijn allen losgeslagen chimpansees. Hoezeer de moraal zich ook inspant om goed en kwaad ondubbelzinnig te identificeren: ja, wij, weldenkende lieden, hadden in de juiste omstandigheden ook wel die kampbewaker kunnen zijn. Een gedachte die ik vroeger reeds als morele strikvraag stelde, toegepast op de Belgische volksvijand nr. 1: “Wat had u gedaan moest u Marc Dutroux zijn geweest?” Het enige logische antwoord is uiteraard: “Net hetzelfde, anders was ik Dutroux niet!”

ruanda

Ruanda, 1994

Wat de Joodse filosofe Hannah Arendt (1906-1975), net in verband met de Holocaust, de “banaliteit van het kwaad” heeft genoemd, namelijk het feit dat al die nazi’s gewoon deden wat van hen verwacht werd, ook de kampcommandant, is nog een understatement. De werkelijkheid is nog confronterender: er is helemaal geen goed of kwaad, er zijn alleen situaties en reflexen, belangen en drijfveren die tot dramatische collusies leiden. Net de fascistische methodes die de staat Israël er vandaag op nahoudt, naar eigen zeggen nodig voor het voortbestaan, bewijzen hoe snel de “good guy” een “bad guy” kan worden, ook weer gebonden uiteraard aan een ideologische lezing van de feiten.

De schuldvraag is dan uiteraard evenzeer gebonden aan partijdigheid. Een proces is een therapeutisch ritueel voor de samenleving, een duiveluitdrijving, maar geen waarheidsonderzoek. Op het Neurenbergproces in 1945-1946 bleek een groot deel van de beklaagden zich helemaal niet te realiseren dat ze een misdaad hadden begaan, laat staan één tegen de menselijkheid.  Ook Adolf Eichmann pleitte tijdens zijn proces onschuldig. Ik denk zelfs niet dat het puur om een tactisch manoeuvre ging om aan de doodstraf te ontsnappen: ze voelden zich echt als de proefpersonen in bovenstaand wetenschappelijk experiment, namelijk ingebed in een scenario, een ernstig spel met regels die moesten gevolgd worden.

Een situationistische lezing van de geschiedenis laat van die geschiedenis geen spaander heel. We kunnen net zo goed een roman lezen. Later verklaarde de nazi-jager Simon Wiesenthal dat Eichmann in een andere context net zo goed roodharigen had kunnen laten ombrengen, of alle mensen waarvan de familienaam met een K begon. Als ik die gedachtegang verder zet, had hij ook een gedreven missionaris in Afrika kunnen zijn, een sloppenwijkwerker in Brazilië, of een vrijheidsstrijder, misschien zelfs een Nobelprijswinnaar. Een weergaloze Jodenmop die eigenlijk heel het principe van de historische kritiek genadeloos om zeep helpt.

Een verhaal, verteld door een gek

Waterloo

Slag bij Waterloo, reenactment.

Welke lessen vallen er dan uit de geschiedenis te trekken? Kortweg: geen. Toch geen nuttige lessen om de toekomst te bepalen. Dat we ontaarde mensapen zijn wisten we al, verder bewijsmateriaal is niet nodig. Wie het niet zelf heeft meegemaakt, kan dus niet anders dan afstand nemen van de geschiedenis. De zogenaamde onverschilligheid/onwetendheid van de niet-betrokken generatie komt allicht voort uit dat ontnuchterend besef. De verplichte schoolbezoeken aan de Mechelse Dossin-kazerne, nu dus Holocaustmuseum, kunnen niet verhinderen dat een discrete ironie zich meester maakt van jonge bezoekers. Een ironie die de geschiedenis eerder bekijkt als “a tale, told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing”, zoals Shakespeare in Macbeth het leven kenschetst, dan als een consistent verhaal waar iets mee aan te vangen valt.

Voor historisch geconditioneerde humanisten is dat een ontzettende vaststelling. Er groeit vandaag een jeugd op voor wie Hitler een nobele onbekende is, en die W.O.I en W.O.II amper uit elkaar kan houden. Met de 100-jarige herdenking van het begin van de eerste wereldoorlog zijn de schooluitstappen niet te tellen, en komt er een heuse toeristische loopgravenhype op gang. Allen daarheen, er wordt gelachen en gespeeld, en waar er ingetogenheid heerst is ze opgelegd. Amateurgroepen komen in reenactments de Slag bij Passendale naspelen (in 1917 goed voor 500.000 échte doden) en vallen vrolijk voor dood neer, zonder dat iemand dit smakeloos of respectloos vindt. 1914-1918 is definitief geschiedenis. Vermaak en scherts duwen het drama weg. Voor wanneer een Auschwitz-komedie?

Terecht wijst de jeugd die onmogelijke opdracht af, om vanuit het verleden een maakbare toekomst te destilleren.

Deze onvermijdelijke transitie van individueel trauma naar collectief geheugen en zo naar het geschiedenisboek, tot aan de reenactment als parodie, maakt het vergeten mogelijk. Iets wat nu net al die Holocaustmusea ter wereld willen vermijden, maar toch: men kan niet leven en ageren vanuit een emotioneel en moreel bezwaarde overvolle geheugenschijf die het heden overschaduwt. We kunnen niet anders dan vergeten, bagatelliseren, dat wat in se onherroepelijk is en ons ook niets wijzer maakt. Daardoor is bv. ook de slachtpartij die Karel de Grote liet uitvoeren onder de Saksen in 782 vandaag maar een onbelangrijke voetnoot, terwijl er toen ook getormenteerde Regine Beers-en rondliepen die het probeerden na te vertellen. Het Dagboek van Anne Frank is een ontroerend document, maar welke lessen vallen er verder uit te trekken?

"Allo, allo", Britse parodie op het verzetsdrama

Ondertussen zijn Sabra/Shatila (1982), Ruanda (1994) en Srebrenica (1995) al gepasseerd. Niet altijd qua schaal en methodes vergelijkbaar met Auschwitz, maar dat is het net: de Holocaust gaat verder, ondanks de geschiedenis, hij heeft altijd een andere naam en eigenlijk is alles altijd anders, behalve de dood en het lijden. Terecht wijst de jeugd die onmogelijke opdracht af, om vanuit het verleden een maakbare toekomst te destilleren. Het is absurd om jongeren te confronteren met een vijfduizend jaar oude lijst van misdaden tegen de menselijkheid, inclusief een soort morele verantwoordelijkheid daarvoor, én tegelijk met de onveranderbaarheid van de menselijke natuur, zie nogmaals bovenstaand experiment. Het vergeten is dan geen vergetelheid, maar een actieve verwerping van een gemythologiseerde historiografie die men ons oplegt en die ons dwingt om zin te halen uit het verleden, als handboek en richtsnoer. Het feit dat we niets bijleren en amper wat onthouden deprimeert en lucht op tegelijk.

Misschien zit er helemaal geen logica in Auschwitz, geen transcendente waarheid, geen ultieme les, behalve dan de biologische waarheid van de mensaap en de verzamelde trajecten van elke deelnemer, slachtoffer of dader, gecollapst tot één absurde realiteit. Daar kan dan een film- en boekenindustrie van leven (een Holocaustindustrie op zich), het kan boeiende fictie, horror of moraliteiten opleveren, of historische reconstructies ten velde, of grappige persiflages, doch perspectief levert het niet op. Ik weet dat dit schandalig klinkt, maar het is nodig om de geschiedenis te demythologiseren, ten einde het heden te ontlasten.

Wat overblijft, is de daad op het moment zelf, en het momentane bewustzijn, in het enkelvoud: waarom doe ik dit? Wie of wat drijft me ertoe, hier en nu? Het teruggeworpen worden in het heden is de enige uitweg. Zonder de geschiedenis als alibi. Misschien is dat wel een ontsnappingsroute uit die tale, told by an idiot. Het lijkt me alleszins de enige mogelijke redding van het begrip “vrijheid”.

Advertenties

Kassablanka, of de ontembare kracht van onderbuikhumor

   Pleidooi voor meer seksisme en racisme

Aalst

Aalst, 2014, Voil Janetten

Gisteren, 21 maart, vierden ze bij de Verenigde Naties “The International Day for The Elimination of Racial Discrimination”. Uitstekend initiatief. Ware het niet dat onder het mom van antiracisme de vrijemeningsuiting onmerkbaar wordt ingesnoerd. Nu de politieke kruistocht in België tegen racisme en seksisme een nieuwe opstoot beleeft met dank aan Joëlle Milquet, is het veeleer zoeken naar vluchtheuvels waar de taboes nog genegeerd kunnen worden.

Daarbij dient in alle ernst de vraag gesteld worden naar de wortels van heel dat om zich heen grijpende complex van political correctness. Onmerkbaar versmallen de vrijheidsnormen richting de Carnavalsweek. Voor de rest mag niets meer. Via moralistische betogen rond antiracisme en antiseksisme vergroot de overheid haar greep op taal, gedrag en attitude. Het offensief komt zelfs niet in de eerste plaats vanuit conservatief-rechtse middens, maar veeleer vanuit “liberaal”-linksdenkende milieus.

Hoe resistent is de humor in dit alles? Viseren wij echt domme blondjes, negers, Marokkanen, homo’s, joden, of spotten we met het systeem zelf dat die grappen sanctioneert? En wat zijn de consequenties?

Utopisch denken, totalitair handelen, en politieke correctheid

De oorsprong van de teMohammedrm én van het fenomeen “politieke correctheid” liggen, eigenlijk niet verrassend, in het Amerika van de jaren ’70, toen de hippiegeneratie haar ideologie wou omzetten in een maatschappelijk systeem. Vrij snel botste het free speech-principe met de noodzaak tot conflictbeheersing, waarbij steeds maar meer werd geopteerd voor anticiperende politieke maatregelen die groepen, minderheden, enz. moest beschermen tegen de meerderheid (die haast als een fascistisch-totalitair corpus werd beschouwd). Deze minderhedendemocratie ontaardde vervolgens verder in een beteugeling van alle mogelijke gedragspatronen en taaluitingen die de maatschappelijke vrede zouden kunnen verstoren.

Naar de jaren ’80 en ’90 toe zou dit politiek-correcte denken vrijwel heel het politieke en mediatieke discours domineren. Onmerkbaar was men van free speech in full speech control terechtgekomen, en had het post ’68-denken de vorm aangenomen van een discreet totalitarisme, beheerst door een immer uitbreidende reeks taboes en don’ts. Tot op het hilarische af, zie de recente beslissing van het Gentse stadsbestuur om het woord “allochtoon” te schrappen.

Opmerkelijk is de idee van veiligheid en beveiliging achter deze doorgedreven political correctness. Ze spiegelt zich perfect aan de war against terror-doctrine van de rechterzijde, na 2001 en de aanslag op de WTC-torens.   Beide beogen ze de ideale maatschappij, de ene als gedachtepolitie, de andere via de alomtegenwoordige straatcamera en afluisterapparatuur. De veiligheidsobsessie van rechts en de politiek-correcte neurose van links zijn dus als het ware twee verschijningsvormen van dezelfde sociale utopie, die we, met dank aan George Orwell, kunnen ontmaskeren als één en hetzelfde regime van Big Brother.

Zo wordt het individu van twee kanten opgejaagd: enerzijds vanuit het linkse multiculturele harmoniedogma en de daaraan verbonden zelfcensuur (door de tegenstanders gekwalificeerd als “pensée unique”), en anderzijds vanuit het rechtse autoriteitsdenken dat veiligheid wil afdwingen met meer wetten, meer regels, meer repressie.

Linkse politieke correctheid en rechtse veiligheidsobsessie leiden beide tot hetzelfde Big Brother-syndroom. Humor is daar een antwoord op.

Met het oprukkende moslimfundamentalisme in Europa is die dubbele omsingeling van het individu in een nieuwe fase gekomen. Aan de politiek-correcte (“vrouwelijke”) kant ontaarde ze in een regelrecht Stockholm-syndroom, de affectie van de gijzelaar voor de gijzelnemer. Voortdurend wordt de vrijemeningsuiting ingeperkt en opgeofferd aan de eis van één groep om niet beledigd te worden, denken we bv. aan heel de soap rond de Deense Mohammed-cartoons in 2006. Aan de (“mannelijke”) rechterkant van de samenleving resulteert het fenomeen in een behoefte aan nog meer preventie en controle. Niemand stelt de straatcamera’s nog in vraag, ze zijn er gewoon… voor uw en mijn veiligheid.

In zo’n totalitaire veiligheidsdemocratie kan de subversiviteit nog maar van één kant komen: vanuit het in-dividu dat grenzen aftast, het gevaar zoekt en de macht uitdaagt. In twee opzichten, weerom: door de regels van de “goede smaak” te negeren, zelfs voorbij het wettelijke, en door zich ook echt als schietschijf op te stellen. Hier komt de humor in beeld. Niet deze van de kalendermoppen, maar de stoute, overtredende humor, gericht tegen de dubbele politieke dwangbuis.

Het is in dat Don Quixotte-achtig perspectief dat men het optreden moet zien van bijvoorbeeld de Franse komiek Dieudonné M’Bala M’Bala, wiens show  “Le mur” werd verboden, vanwege het antisemitisme. Mede dankzij de fameuze quenelle, het postmoderne fuck-you-gebaar dat door de censurerende overheid als een omgekeerde Hitlergroet wordt aanzien, overtreedt Dieudonné bewust alle regels van de politieke correctheid, maar ook van het wettelijk kader zelf. Het zijn echter niet de Joden die geviseerd worden: de Jodenmop is maar een middel om de taboemaatschappij zelf uit te dagen.

Humor en lichaamsvochten

KassablankaStill4

Guy Lee Thys: “Kassablanka” (2002)

Dieudonné bevindt zich daarbij in goed gezelschap. In 1905 publiceerde Sigmund Freud zijn studie “Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten”. Daarin wordt de mop ontleed als een uitbarsting van verdrongen drift. Hij onderscheidt daarin gradaties van subversiviteit. De goede, brave humor spreekt in metaforen, vermijdt conflicten en schikt zich naar de taboes. Sarcastische, scherpe, wrange humor anderzijds volgt uit een bruuske botsing tussen id en super ego, het onbewuste/driftmatige en het regelgevende. Het politiek-correcte kunnen we hier zonder meer gelijk stellen met dat super-ego,- datgene wat het plezier bederft en de lust onderdrukt. De associatie tussen humor (Latijn voor “vocht”) en de seksualiteit ligt dan voor de hand: de vertelde mop is een versluierde geslachtsdaad, liefst met een duidelijk en niet te lang uitblijvend hoogtepunt voor de man, terwijl vrouwen eerder een lange aanloop verkiezen, eventueel zonder “pointe”.

Humor kan dus eigenlijk maar ontstaan als tegenkracht in een min of meer repressieve omgeving, hetgeen overigens ook geldt voor cultuur en kunst an sich. Het verbod creëert de overtreding. Dat is eigenlijk exact wat Alain Finkielkraut zegt over het door de staat opgelegde antiracisme: het roept het racisme op, als krachtterm en stijlfiguur in het sociale theater. In de lagere regionen dus, bij het gepeupel alias de domme meerderheid welteverstaan. Op het internet en de zogenaamd ranzige fora. En in de voetbalstadions, waar de “racistische spreekkoren” verboden zijn en men vooral geen bananen naar donkerkleurige spelers van de tegenpartij mag gooien. Terwijl zoiets toch deel uitmaakt van het volkstheater, en het betaald voetbal daar een geschikte scène voor vormt, waartoe dient het anders.

Cultuur, zei u, met een grote C? Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld. Men moet haast in de underground en de porno gaan om racisme en seksisme artistiek voluit te zien affirmeren. Schandaleuze cultcineasten zoals Lars von Trier maken er een handelsmerk van, echter altijd met het risico dat zijn jodenmoppen eindigen in een regelrecht Berufsverbot. Gedaan dan met lachen.

Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld.

Dichter bij huis is er de film “Kassablanka” (2002) van de Antwerpenaar Guy Lee Thys, een groteske sociale satire, waarin een Vlaams rondneukend dom blondje, dochter van een verzuurde Vlaams-Blok-stemmer en zus van een neo-nazi-skinhead, het aanlegt met een Marokkaanse drugverslaafde homo, zoon van een wereldvreemde moslimpatriarch. Bimbo laat zich anaal pakken door makak. Een meer hilarische karikatuur van het multiculturele sprookje is moeilijk denkbaar. De film functioneert als één anekdotisch uitgedeinde racistische én sekistische mop die alle klassieke clichés door elkaar weeft, maar op zo’n manier dat de humor eigenlijk vooral het systeem uitdaagt, samen met de hegemonie van de cultureel-politieke elite die ons de politiek-correcte codes oplegt.

Dyab Abou Jahjah noemde de film niettemin een “belediging van de Arabische cultuur”, en dat was blijkbaar voldoende voor de collega’s van G.L. Thys om vooral niét in zijn voetsporen te treden, zeker niet na de moord op filmmaker Theo van Gogh in 2004. Het is dan ook niet vreemd dat het bij dit uniek experiment is gebleven. Er zijn me geen Vlaamse films bekend die het verder aandurfden om via Ensoriaanse humor de grenzen van de politieke correctheid te overschrijden. Met de hilarische satire “Camping Cosmos” (1996) van Jan Bucquoy leek nochtans een trend gezet, maar blijkbaar was vooral het viseren van de multiculturele samenleving een absoluut taboe. De schrik voor juridische vervolging ook, via het in 1993 opgerichte Centrum voor Gelijke Kansen en Antiracisme, deed schrijvers, kunstenaars en cineasten wel twee keer nadenken voor ze eraan begonnen.

Aus met de Witz

Pussy

Pussy Riot, Moskou, 2012

Het weze dus duidelijk: het probleem is niet de negermop, en zelfs niet de humorloze neger, maar vooral het systeem dat onze taal en denkpatronen tracht te stroomlijnen. In de optiek van Freud zal de subversieve humor net gedijen dankzij deze maatschappelijk-politieke onderdrukking. De vraag is alleen hoe rekbaar dit antagonisme is, en hoe lang Dieudonné M’Bala M’Bala nog vrij zal rondlopen. En of er nog een vervolg op Kassablanka komt. Als het sarcasme boven een bepaalde drempel uitstijgt, zullen de klachten wegens racisme onvermijdelijk worden en mag Dieudonné in de gevangenis moppen gaan vertellen, zo simpel is het.  Dat is dan de grap van de grap: humor die tegenstand voelt, neigt naar overdrijving en provocatie, om te eindigen tussen vier muren. Zie de onvergetelijke maar éénmalige act van Pussy Riot in de  Christus Verlosserkathedraal te Moskou.

Het ordinaire laarzenfascisme komt pas tevoorschijn als de humor dat groteske peil bereikt. In geen enkele periode werd er zo gelachen als tijdens de Weimar-republiek in het Duitsland van de jaren ’20. Tot de nazi’s zelf de politiek-correcte humor begon te introduceren met films als “Jud Süss”. Wie laatst lacht, best lacht. Hoewel, veel later circuleerde in kringen van Joden, die het overleefd hadden, volgende mop: “Weet je waar ‘Auschwitz’ vandaan komt? Het is aus met de Witz!”.

Lachen gebeurt altijd in het heden. Zoals seks overigens.

De continentale renaissance

 Als ik de titel zo bekijk, ziet hij er tamelijk aanstellerig uit. Maar het gaat dan ookRusland over grootse kwesties, en weer staat Vladimir Poetin in het brandpunt. Rusland is de nieuwe scope voor de komende honderd jaar, let op mijn woorden. In zoverre zelfs dat een revival van de aloude Slavistiek zich opdringt, heden gedoceerd op schimmige mini-departementjes die door elke universiteit vandaag als onrendabel worden beschouwd. Vanaf nu noemen we het echter ambitieus Ruslandkunde of Siberologie. Of breder nog: een Studie van het Continentale Denken in opmars, tegenover het maritieme wereldbeeld dat zich in vrije val bevindt. Dit gaat namelijk over véééél water en nattigheid.

Trage zondvloed

overstroming

Vlaanderen en Nederland, volgens bepaalde prognoses tegen 2100 bijna helemaal onder de zeespiegel

De flagrante tegenstelling tussen het nieuwe Russische zelfvertrouwen en het aandoenlijke Europese gestuntel omtrent Oekraïne en de Krim, heeft immers niet alleen een (geo-) politieke en economische achtergrond, maar uiteindelijk zelfs een klimatologische crux. Door de voorspelde stijging van de zeewaterspiegel zouden wereldsteden zoals Londen, Tokyo, New-York en Oostende–nog altijd dé centra van het financieel-economische systeem- onder water lopen. Per graad Celsius verhoging van de zeewatertemperatuur verwacht men een gemiddelde stijging van de zeespiegel met meer dan twee meter.  Heel West-Europa is bedreigd door deze trage zondvloed. Een land als Nederland wordt grotendeels (opnieuw) Noordzee, België en Frankrijk zouden gehalveerd worden. De VS, Canada, India en landen in de Pacific-zone zullen weliswaar niet helemaal verdwijnen, maar de beschikbare oppervlakte zal inkrimpen en cruciale economische zones in lager gelegen gebieden zullen ontruimd moeten worden. Dat zal een enorme chaos veroorzaken en een stormloop naar hoger gelegen gebieden. Met als gevolg een overheidsbeslag op onroerend goed, in een wanhoopspoging om iedereen nog een droge plek te geven. In Europa is migratiedruk naar Midden- en Oost-Europa onvermijdelijk. Dit uiteraard bovenop de Zuid-Noord-migratie vanuit Afrika, dan zienderogen verwoestijnt door diezelfde global warming.

Het nieuwe ijzeren gordijn zal in omgekeerde richting werken: om de West-Europeanen buiten te houden…

Zwitserland zit op rozen: niet toevallig dat ze daar deuren beginnen te sluiten. Maar vooral het uitgestrekte Eurazische binnenland komt in beeld, met vooraan het in oppervlakte grootste land ter wereld (17.075.400 km²) én met een lage bevolkingsdichtheid: de Russische federatie. Het land van Poetin, met zijn enorme olie- en gasvoorrraden, zal van de global warming weinig last hebben, eerder in tegendeel, want de Noordelijke vaarroutes worden ijsvrij. De Russische kustlijn aan de poolzee wordt –mocht die al smelten- grotendeels gestut door  Siberische bergkammen. De lager gelegen taiga en toendra zijn zo goed als onbewoond: laat maar vollopen (dat gebeurt trouwens elk jaar door het smeltwater van de zuidelijk gelegen rivieren).

Kortom: Poetin en de zijnen kunnen rustig toekijken hoe het water ons aan de lippen komt. Afgezien van de militaire onbeduidenheid, de politieke onbenulligheid en de economische teruggang van Europa, wordt de minachting vanwege de nieuwe tsaar voor deze regio onderhuids gevoed door waterpret: dit wordt hier een vollopend moeras met fel kwakende kikkers. De Oekraïners, de Balkan en de Baltische staten hebben dan ook ongelijk om het Westen op te vrijen en de Europese kaart te spelen: het nieuwe ijzeren gordijn, dat er zeker komt, zal werkzaam zijn in een omgekeerde richting, namelijk om Europeanen buiten te houden.

Club Med

Watersnood dus. Dat noopt ons tot een paar reflecties rond de bakermat van onze Europese cultuur: de Grieks-Helleense invloedsfeer.

Al van in de 9de eeuw voor Christus ontstond in en rond de Egeïsche zee (de kom tussen Griekenland, Turgriekenlandkije Kreta) een uniek cultuurgebied, bekend als de Ionische invloedssfeer. Ze is zonder meer de bakermat van de Westerse filosofie, cultuur én wetenschap. Thales en Pythagoras formuleerden er hun wiskundige stellingen, Democritos de atomenleer. Aischylos, Sophokles en Euripides gaven het publiekstheater vorm dat we tot op vandaag kennen. In Athene ontstond de democratie en de burgerrepubliek.

Water was het bindende grondelement van dit universum. Niet alleen als transportmiddel, maar ook en vooral als absoluut archetype, als organisch symbool voor het Griekse denken, samen te vatten in vijf woorden: vrijheid-beweeglijkheid-communicatie-associatie-participatie. Het Griekse denken is thalassofiel, zeegericht. Thales aanzag het water als dé archaische substantie, Plato expliceerde Herakleitos in de onsterfelijke quote “alles vloeit” (Panta Rhei).  Voeg daarbij de aloude mythische eenheid van microskosmos en macrokosmos (het kleine dat het grote beïnvloedt, en het grote dat zich in het kleine spiegelt), en we hebben zowat alle ingrediënten van heel de klassiek-Griekse Club Med-soep die tot op vandaag bij ons wordt opgediend. Ik spreek over Club Med, omdat we hier te maken hebben met een cultuur, gebaseerd op de vrije tijd, de lichaamsesthetiek en de lust. Strandgenoegens dus, met volop ruimte voor geestelijk freewheelen. De vrijhandel in het mediterrane bekken zorgde voor de verspreiding van het ideeëngoed.

Om het cru te stellen: de Grieken hebben tussen 800 en 200 voor Christus ongeveer alles al uitgevonden wat wij als ‘modern’ beschouwen, op gebied van kunst, wetenschap, levensfilosofie, politiek, cultuur.  Via het Christendom, het humanisme en de Verlichtingsfilosofie is dat mediterraan paradigma een aantal keer hertaald en van voetnoten voorzien, en uitgegroeid tot een soort Atlantische wereldfilosofie van democratie, burgerrechten, free speech en het vrij verkeer van personen/goederen/diensten. Europa, het zgn. “Avondland”, ziet zichzelf nog altijd als de stamhouder en erfgenaam van dit klassiek patrimonium, hoewel het fluïde wereldbeeld van de oude Grieken al lang over heel de planeet geprolifereerd is.

Dat zien we vandaag in de triomf van het wereldkapitalisme (het “vloeiende” geld, de beurs als systeem van communicerende vaten) en anderzijds de alomtegenwoordige communicatie-ideologie die gebiedt dat gedachten moeten uitgewisseld worden, woorden moeten circuleren, en culturen in interactie moeten treden (de multi- of interculturaliteit). Facebook en Twitter zijn aquatische, zelfs maritieme media, gebaseerd op de vloeibaarheid van alles en iedereen.

Verzopen Atlantis – Grexit

U  voelt het echter komen: het eindeloze teren op dat maritieme archetype heeft ons week eEngelandn lui gemaakt. Na haast 3000 jaar is dat fluïde paradigma helemaal uitgewerkt, zonder dat we echt zijn doorgeëvolueerd tot een nieuw wereldbeeld dat ook nieuwe inzichten en ontdekkingen zou mogelijk maken. De moderniteit is altijd maar een echo van de klassieke cultuur gebleven, en ontaardde langzamerhand in een karikatuur ervan. Het tijdperk van de communicatie lijkt dat van de cacofonie en de ruis te zullen worden. De cultus van de tolerantie en de dialoog  is dichtgeslibd tot incestueuze political correctness, vooral door links beoefend.

De postmoderne 21ste eeuw wordt dan ook de eeuw van de ontnuchtering. Politiek, economisch, wetenschappelijk en cultureel zijn we uitgepraat, er rest nog slechts het vertoon, de theatraliteit en de herhaling van steeds meer hetzelfde. De decadentie slaat toe en geeft een idee van de ruïnes die men enkele eeuwen later op de zeebodem zal vinden. Men slaagt er niet meer in om mentale energie constructief te benutten, iets waar de Grieken zo in uitblonken. De waanzinnig veel kostende Large Hadron Collider vindt het ontbrekende deeltje niet. Een kunstenaar maakt mondiaal furore met het produceren van kak. Het geglobaliseerde kapitalisme struikelt van crisis naar crisis. Het cultuurrelativisme en de dodelijke onernst van de liberale vrijemeningsmaatschappij geven de kans aan absoluut “on-Griekse” denksystemen zoals de Islam om heel de fluïde samenleving te laten over- en uitkoken. Niets werkt nog, de vrijheid gaat naadloos over in willekeur en suïcidaal nihilisme.

Meer dan een klimaatcatastrofe, wordt dit een cultuuromslag en het einde van een naar de zee en het water gerichte denk- en gevoelswereld.

En zo lijkt het verlaten van (of beter: de verbanning uit) de EU van Griekenland, waar het allemaal begon, een grotesk symbool voor het einde van het grote Europese watertijdperk. Vreemd dat men het surrealistische van dat Grexit-scenario niet opmerkt. Alleszins lijkt het erop dat de klassieke mythe van het verzonken eiland Atlantis de toekomst correct inschatte: we gaan naar de haaien, samen met alle logici, tragedieschrijvers, Platonisten, Aristotelianen, atomisten en hun nakomelingen. Terecht lacht de jeugd vandaag met de klassieke opvoeding. De democratie is uitgeteld, dat was een tot ceremonie uitgegroeide Griekse plaspauze. De Verlichtingsliteratuur moeten we zo snel mogelijk vergeten: veel te gevaarlijk bij overstromingen, alleen maar kans op kortsluiting. Gedaan de strandgeneugten. Ontsnappen aan het stijgende water wordt het devies. Het Oosten wenkt.

En zo zijn we terug bij de afsmelting van de poolkappen en het onderlopende laagland. Meer dan een klimaatcatastrofe, wordt dit een cultuuromslag en het einde van een naar de zee en het water gerichte denk- en gevoelswereld. De lang voorspelde “Untergang des Abendlandes” (Oswald Spengler, 1923) wordt op die manier niet alleen een metafysische, culturele kwestie, en zelfs niet alleen een verhaal van economische ineenstorting, maar ook gewoonweg een zaak van natte voeten.   Tijd om terug het IJzeren Gordijn over te steken, nu het nog kan.

De Siberische lente

Als het wereldbeeld van het fluïdum en het gematigde zeeklimaat wegdeemstert en wij, West-Europeanpoetinen allemaal drenkelingen worden, op zoek naar vaste bodem, is het dan niet logisch dat er een continentale cultuur opgang zal maken, waarvan Rusland mogelijk de gangmaker wordt? Hoe zou dat nieuwe wereldbeeld er dan uitzien?

Eerlijk gezegd is het vandaag gissen. Het bestuderen van Poetin en het actuele Kremlin is een van de methodes om inzicht te krijgen. Nu, en in de komende jaren. Wel weet ik nu al dat het zich van heel die Europese Verlichtingstraditie niets aantrekt, maar anderzijds wellicht niet minder rationeel en zelfs niet minder “humaan” is. Het ordent gewoon de dingen anders en stelt andere prioriteiten. Het hecht meer belang aan cohesie en minder aan excentriciteit. Het put zijn kracht uit ongeveer alles was het maritieme denken niét was: het is onverzettelijk, discreet, centralistisch, identitair, absolutistisch, non-verbaal, lakoniek. Minder materialistisch en minder hedonistisch. Nuchter en strategiebewust, maar in het emotionele spectrum dikwijls ook fatalistisch, pathetisch en melancholisch, gezwollen. De muziek van Tsaijkovski, Rachmaninov en Sjostakovitch is er een goede spiegel van. De Byzantijnse ritus is nooit ver weg en het transcendente godsbeeld spelen tussen door mee.

De verachting van Poetin t.o.v. de Eurocentrische Verlichtingsarrogantie, uitgeademd door hysterische clowns zoals Guy Verhofstadt, is geheel terecht.

Het Krim-schiereiland lijkt de breukzone te worden waar het nieuwe continentale denken en de (nog steeds door Europa gepromote) resten van de maritieme traditie tegenover elkaar staan. Geen twijfel mogelijk wie de winnaar zal zijn.  Alleszins biedt het Russische uitgestrekte continentaal plateau op middellange termijn een filosofisch-cultureel kader dat bij ons doorgaans “rechts”’ wordt genoemd, en dat ook in West-Europa vorm krijgt, vooral bij de onderklasse die de lager gelegen gebieden bewoont en het eerst de koffers zal moeten pakken. Het inruilen van vrijheid voor zekerheid en snelheid voor diepte/hoogte is een van de grondkenmerken van dat nieuwe continentalisme, samen met de behoefte aan collectieve identiteit en groepssubject. Een afkeer van het vrijheid-blijheid-verhaal en het ronduit infantiel geworden artistiek-intellectuele Narcisme hoort daar evenzeer bij. Pussy Riot is bij ons populair, de Russen zelf kijken erop neer.

Wie hier slechts old school nationalisme in ziet, vergist zich. Het gaat wel degelijk om het denken vanuit een vast platform, een aardplaat, en niet vanuit eilandjes in een lauwwaterbekken. Het leven zal wat lastiger worden, alle afstanden groter, de temperaturen wat extremer. Onze mental map kan niet anders dan mee-evolueren. Gedaan met het discussiëren over futiliteiten. Op de Trans-Siberische spoorlijn mokt men niet om een halve dag vertraging.

Het zal even wennen worden voor ons, Euro-emigranten. De Chinese en Russische literatuur lezen kan helpen om het Siberisch mentaal platform te begrijpen en te waarderen. Ook leren schaakspelen kan daartoe bijdragen. De Duitsers zullen het er mentaal minder moeilijk mee hebben dan bv. de Italianen, Fransen, Belgen en Nederlanders, omdat Duitsland altijd al de Midden-Europese continentale gedachte heeft gecultiveerd, met Kant en Hegel als filosofische uitschieters. Zie trouwens hoe goed Merkel met Poetin opschiet. Hegel mag dan wel de mediterrane Griekse cultuur enorm bewonderd hebben, zelf doet zijn monumentale ideeënarchitectuur veeleer Oost-Europees aan.

De opgang van rechts in West-Europa is zonder twijfel een anticiperen op de nieuwe Siberische lente. De verachting anderzijds van Poetin tegenover de Eurocentrische Verlichtingsarrogantie, uitgeademd door hysterische clowns zoals Guy Verhofstadt, is geheel terecht. De tijd speelt tegen ons, en in het Kremlin weet me dat heel goed. Tegenover de linkse vloeibaarheid staat de rechtse stolling. Steen, mineraal en kristal worden het nieuwe archetype, gas de wisselmunt. Het heeft echter geen zin om dat achterwaarts met termen als “fascisme” te verbinden. Een nieuwe wereld krijgt gestalte, ten koste van de oude, zoveel is zeker.

Hoe kritisch is kritiek?

Een stadsoorlog in Kiev, een omsingeling van de Krim-kazernes. Het zijn hoogdagen voor leerlingen in de politieke en militaire strategie. List en bedrog sluipen in dit verhaal: politiescherpschutters die rebellen blijken, krijgers in onherkenbare uniformen.

Veel meer nochtans dan deze ouverture tot een nieuwe Europese oorlog, intrigeerde me dMartine getuigenis van Abby Martin in de studio’s van de Poetingezinde propagandazender ”Russia Today”. Het nieuwsanker stak er zowaar een tirade af tegen Vladimir Poetin en de bezetting van de Krim. Nóg verrassender was de reactie van het regime: helemaal niets. Geen sanctie, geen ontslag, geen Siberisch werkkamp: ze kreeg nog net geen felicitaties. Na Pussy Riot is het blijkbaar tijd voor een nieuwe aanpak van Russische dissidenten, onder het motto: “Laat ze begaan”. Meteen was dit niet alleen de zoveelste gril van de nieuwe tsaar, maar ook een onthutsend spiegelbeeld van wat in onze eigen Westerse “vrije” samenleving gaande is.

Verlicht despotisme

Vladimir Putin

Poetin als judoka

Iemand moet Poetin duidelijk gemaakt hebben dat een kritische stem, toegekend aan de juiste persoon op een goed gekozen plek en tijdstip, meer bewegingsruimte voor een totalitair regime kan creëren. Die adviseur verdient zonder meer een medaille: hier is filosofische lectuur aan vooraf gegaan.

De Florentijnse filosoof-dichter Niccolò Machiavelli wees er in zijn “Il Principe” (1513) al op dat potentaten die zich alleen met vleiers omringen, hun ondergang tegemoet gaan. Er bestaat een soort entropiewet die zegt dat geïsoleerde macht, die enkel nog hoort wat hij wil horen, zijn greep op de dingen verliest en eindigt zoals Hitler in de Berlijnse bunker, mei 1945. Kritiekloze vleiers en ja-knikkers zijn de grootste bedreiging voor een heerser, ze dienen zonder meer gelikwideerd. Hitler besefte dat niet, Stalin evenmin (toen men hem wekte om te zeggen dat Duitsland Polen was binnengevallen, ontstak hij naar het schijnt in woede… tegen de leugenaar die hem die boodschap bracht).

De intelligente heerser luistert en gebruik kritiek als een hefboom voor zijn eigen macht. In dat opzicht getuigt het idee van de onbekende Poetin-raadgever om de rebel Abby Martin haar gang te laten gaan, van groot inzicht: allicht is hier de repressieve tolerantie terug uitgevonden.  Elke tegenstand is een hefboom naar méér macht (Poetin heeft niet voor niets een zwarte gordel judo). Dat maakt, bizar genoeg echter, ook de vranke journaliste tot een objectieve bondgenoot van het regime, om niet te zeggen een werktuig. Zelfs Pussy Riot en Femen kunnen op die manier gerecupereerd worden. Dat is interessant en verhelderend voor de manier hoe onze eigen vrijemeningscultuur functioneert. Hoe kritisch kan kritiek zijn?

De beruchte “vriendschap” tussen Frederik II van Pruisen en de revolutionaire filosoof VoltaireVoltaire geeft een verdere inkijk op deze synergie tussen macht en intellect. Frederik gebruikte Voltaire om slim te worden en op de hoogte te blijven van de tijdsgeest, terwijl Voltaire tussendoor spionneerde voor de Franse koning. Twee deugnieten waren het, elkaar waard. Ik wil het dan nog niet hebben over de minachting van Voltaire voor negers en zijn antisemitisme in illo tempore non suspecto. Voltaires legendarische subversiviteit, die hem tot op vandaag tot icoon van het kritisch denken en schrijven maakt, was voor een groot deel verweven met zijn positie van steuntrekker aan het hof van de Pruisische vorst. Deze was, in tegenstelling tot Louis XV, wél slim genoeg om een rebel aan zijn borst te koesteren en zich te laten voorlichten. De filosoof genoot van die status: eindelijk een machthebber die zijn teksten niet alleen leest maar ook wil toepassen. Het paringsritueel kon beginnen.

Macht zoekt intellect, en intellect zoekt macht. Het samengaan van die twee zou men cultuur kunnen noemen, daarbuiten bestaat er niets.

Het “Centrum van de Verlichting” zoals Voltaire (de enige van het revolutionaire gezelschap die een schuilnaam gebruikte, ook interessant) al in die tijd werd genoemd, kneedde zijn aristocratische intimus intellectueel én emotioneel tot de status van “verlicht despoot”,- een dictator dus die niét lijdt aan een bunkervisie en elke revolutie kan overleven. Hun briefwisseling, die bijna het karakter krijgt van liefdesproza, suggereert een homo-erotische band tussen raadgever een heerser. Aldus Voltaire aan zijn beschermheer: “Wij zijn geboren met een hart dat dorst naar hartstochten en waaraan wij moeten voldoen zonder ons door die verlangens te laten beheersen. Een van de grootste zegeningen die wij de mensheid kunnen brengen is bijgeloof en fanatisme uitroeien, de machthebbers beletten degenen te vervolgen die anders denken”.

Macht zoekt intellect, en intellect zoekt macht. Het samengaan van die twee zou men “cultuur” kunnen noemen, er bestaat geen alternatief. Frederik is de leerling die onderwezen en geadviseerd wordt. Omgekeerd levert de filosoof zijn (op zich steriele, krachteloze) kennis  uit aan de wilskrachtige monarch die de theorie in praktijk kan omzetten, de potentie in act. Zo worden vijanden vrienden, mogelijk zelfs minnaars. Wat zou deze intieme evenwichtsoefening beter kunnen uitdrukken dan het beeld van twee in elkaar verstrengelde worstelaars? Andermaal: hoe kritisch is kritiek?

En om nu terug te keren naar Poetin: toen hij de superrebel Edward Snowden in 2013 asiel gaf, moet er bij die erudiete klokkenluider toch een belletje zijn afgegaan. Voltaire in Potsdam? Snowden in Moskou? Les extrêmes se touchent? Hebben rebellen en dictators meer gemeen dan verbetenheid? Is de postmoderniteit toch ouder dan we dachten?

Enfant terrible

De term “verlichte despoot” moet dan ook gezien worden als een eufemisme: het gaat gewoon over intelligente dictators en een tactische recuperatie van intellect. De fascinatie vSartrean linkse intellectuelen voor dat verlicht absolutisme is algemener dan men denkt, ze schijnen elkaar echt aan te trekken. Exemplarisch is de reis gebleven van Jean-Paul Sartre in 1954 naar de Sovjet-Unie, waarna hij in Libération de onbeteugelde vrijheid van mening bezong in dat land. Goelags? Nooit van gehoord. Later zou de Chinese dictator Mao-Tse-Toeng de nieuwe held van links in het Westen worden.

Een en ander doet ons uiteindelijk, in het zog van Theodor “Adorno (“Dialektik der Aufklärung”, 1947), twijfelen aan dat onding zelf, “Verlichting genoemd. Wie of wat wordt er verlicht? En waartoe? Mogelijk ging het heel de tijd, vanaf Machiavelli, al om een bereidheid van kritisch intellect om de macht op te zoeken, eerst als antithese, die langzamerhand in synthese overgaat. Anders gezegd: machthebber en dissident hebben elkaar nodig, hun agenda’s convergeren,- ze delen dezelfde instrumentele rede, zoals Adorno zou zeggen. Het gepeupel kijkt gewoon toe en applaudisseert.

Democratie als façadedemocratie: ze zal heel deze planeet veroveren. De free-speechcultuur is een meer geslaagde voortzetting van het verlichte despotisme uit de 18de eeuw.

Dat brengt ons naadloos bij het groot maatschappelijk debat, als apotheose van de Westerse democratie. Olalala, wat gaat het er heerlijk luidruchtig aan toe op facebook en twitter. Wat genieten we toch met volle teugen van de free speech-cultuur. Het is echter niét zo dat in de meningencultuur alle meningen even belangrijk zijn. Het zijn de zgn. opiniemakers, het zootje columnisten, die zich opwerpen als actieve performanten van de vrijemeningscultuur. De rest is decor. Het hysterisch-theatraal karakter van hun prominent ideeënliberalisme fungeert echter dikwijls als alibi en dekmantel voor een inbedding in de machtsstructuren.

Hoet

Jan Hoet, rebel en lakei?

Journalisten, schrijvers, kunstenaars, kunstpausen, heel de academische reutemeut, traditioneel left-wing, allen stellen ze zich aan als grote en kleine Voltaires in Potsdam. Hoe meer deze enfants terribles orakelen, gesticuleren en bekritiseren, hoe beter voor het systeem. Cultuursubsidies allerhande maken de reflux nog vloeibaarder. De klassieke én nieuwe (sociale) media fungeren als verbindingskanaal tussen de intellectuele wereld en het politieke universum, dat de kritiek verwerkt als feedbackinformatie, “advies” dus. Iets gelijkaardigs merkt men met een consumentenorganisatie zoals Test-Aankoop: als “kritische” observatoren leveren ze de markt waardevolle indices over productontwikkeling en bevorderen heel het winstgevende spel van behoeftencreatie en – bevrediging.

Tal van ombudsdiensten tenslotte perfectioneren die recuperatieve relatie tussen kritiek en systeem: de ombudsman, doorgaans betaald door de instelling aan wie de kritiek is gericht, kanaliseert het ongenoegen en rapporteert aan zijn broodheer. Zelfs een “kwaliteitskrant” als De Standaard heeft nu een ombudsman/pispaal in dienst: veel handelbaarder dan externe mediakritiek. De ombudsman is de nar uit de middeleeuwen: een aanzuigpunt van hekel en spot, waardoor de druk van de ketel gaat en het systeem geïnformeerd blijft. Democratie als façadedemocratie: er bestaat geen ander. De free-speech-cultuur is een meer geslaagde voortzetting van het verlichte despotisme.

Underground

Al deze voortzettingen van de lijn Machiavelli-Voltaire doen me ernstig twijfelen aan de mogelijkheid om een systeem, een maatschappijstructuur, echt te ondermijnen. De kritiek is voorbestemd om met zijn onderwerp te fusioneren. Niet één keer, maar telkens opnieuw.

Poetin kan nog afgezet worden (en vervangen door een andere al dan niet verlichte despoot), maar wie of wat kunnen wij nog afzetten? De democratie is per definitie het optimum (Churchill: “het minst slechte systeem”), dus zal elk politiek stelsel, waar dan ook ter wereld, evolueren naar een democratie waarin… de vrijemeningsuiting perfect is afgestemd op de continuïteit van de macht. Achter de politieke macht zit uiteraard de economische macht, de geglobaliseerde vrijemarkteconomie van de beurs en de bankensector, die als zelfbesturend mechanisme niet meer vatbaar is voor omverwerping.

De underground, het vrijwillig verzaken van media-aandacht en dus systeemrecuperatie, is het enige wat ons van de corruptie kan redden.

De existentiële afgrond van de dissident is dan onvermijdelijk. De idee dat de
staatsveiligheid mijn politiek-incorrecte geschriften tolereert, niet om me te
vervolgen maar om ze als “input” te gebruiken ter versterking van het regime,
maakt elke pen bij voorbaat corrupt. Waartoe nog spreken, schrijven, agiteren, als de gedoogcultuur universeel wordt? Met deze annulering van de revolutie, en de vaststelling dat kritiek alleen maar het tegendeel oplevert, namelijk meer van hetzelfde of een variatie erop, kunnen echte dwarsliggers maar één ding doen: recht naar de hel vertrekken. Er is nog één ding erger dan een Siberisch strafkamp, en dat is de intellectuele harem.

De underground, het vrijwillig verzaken van media-aandacht en dus systeemrecuperatie, is het enige wat ons van de corruptie kan redden. Verdwijnen in de absolute marge en ophouden met intellectuele consumptie-artikelen af te leveren. De vraag is, of dit mollenwerk dan nog cultuur kan genoemd worden. De diepbetreurde rebel én intimus van het Belgische vorstenhuis Jan Hoet zou dit met klem ontkend hebben.

De cybernetica, een vrolijke wetenschap

WienerDit jaar is het een halve eeuw geleden dat Norbert Wiener (1894-1964) stierf, de vader van de moderne cybernetica. Het ziet er niet naar uit dat dit tot grote festiviteiten aanleiding zal leiden, hoewel deze raamwetenschap, die eigenlijk alle disciplines voedt,  als de apotheose van de natuurkunde moet beschouwd worden.

Norbert Wiener was zijn academische loopbaan gestart als zoöloog, schakelde over op filosofie en eindigde als wiskundige. Interessante wendingen, in het licht van ons verhaal. De titel van zijn sleutelwerk uit 1948, “Cybernetics or Control and Communication in the Animal and the Machine” zegt het al helemaal: er is geen wezenlijk verschil tussen een menselijk lichaam (met temperatuurregeling) en een WC-spoelsysteem (met bewegende vlotter die op een zeker niveau de watertoevoer afsluit). Beiden doen aan processturing en staan in interactie met de omgeving. Er is een input, een verwerking van dat signaal, en een output of terugkoppeling. Met Norbert Wiener wordt eindelijk de (metafysische) scheiding opgeheven tussen levende en dode materie.

De subjectiviteit als kanker

Via dit radicale denkbeeld kan men ook de mens zien als een van sensoren voorziene automaat die signdebatalen verwerkt en feedback geeft aan zijn omgeving. De dood (entropie) treedt op als die kringloop stokt. Communicatie moet zo min mogelijk metaforisch verlopen: de kortste weg is altijd de beste, hoe concreter hoe beter. De cybernetica is dan ook door-en-door prozaisch en weigert elk flou artistique tussen zender en ontvanger.

Vandaag zou men Wiener een autist of een Asperger-patiënt genoemd hebben. Gelukkig bestonden die ziektes toen nog niet en ging hij gewoon door het leven als een eigenzinnige theoreticus die zijn denkbeelden briljant én verbeten uitdroeg. De cybernetica is desondanks nooit populair geworden, en is zelfs vandaag nog altijd een vies begrip, mede dankzij apocalyptische robotfilms.

Toch is de boodschap van de cybernetica ecologisch en zelfs holistisch: heel de kosmos wordt opgevat als een systeem van systemen die in interactie zijn en een evenwicht uitmaken. Het geautomatiseerd karakter van dit proces druist in tegen elke religieuze levensbeschouwing, maar ook tegen de humanistische ethiek, allerhande levensfilosofieën en de zelfaanbidding van de zgn. “creatieve mens”. Er valt namelijk niets te creëren, alles draait op dynamische schablonen, routines en algoritmen die pragmatisch hun nu of onnut bewijzen. Er is geen god, geen almacht, geen leider, geen onbewogen beweger. In die zin is het woord “cybernetica” (stuurmanskunst) zelf een misleidende metafoor, want er is helemaal geen stuurman, de systemen sturen zichzelf.

Uiteraard zijn hier raakpunten met de evolutietheorie, die eveneens uitgaat van “automatische” veranderingsprocessen en aanpassingstrategieën. We zijn rechtop gaan lopen om beter te kunnen zien en we hebben snijtanden omdat we vleeseters zijn. Daar hoeft geen externe bestuurder aan te pas te komen: wat zich niet aanpast sterft af. Het individu speelt de kaart van de soort, en de soort creëert het individu.

De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen…

Maar op een zeker moment geraakt die logica verstoord, net daar waar de mens verschijnt en de herseninhoud gestaag toeneemt. U wil namelijk helemaal geen voertuig van de menselijke soort zijn, geen schakel van een ecosysteem, geen stukje van de evolutie, en zelfs niet van de geschiedenis. U wil gewoon… zichzelf zijn,- en dat is niet persé goed voor u zelf, laat staan voor het menselijk ras. Heel onze moderne samenleving is in dat bedje van het ontaarde subject ziek.  Alles is gericht op persoonlijke ontwikkeling, profilering en zelfverwezenlijking. Het schisma tussen individu en gemeenschap is onoplosbaar en neemt toe, naarmate onze herseninhoud groter wordt. Een fatale dynamiek.

In een bepaald stadium manifesteert die subjectiviteit zich echt als een kanker, een zich uitzaaiende bron van vervuiling en zelfdestructie. U drinkt, u rookt, u twittert, u schrijft gedichten, u valt schietend binnen in een kinderdagverblijf, u pleegt zelfmoord. U luistert naar symfonieën maar u maakt ook kernbommen.  Het Darwinisme geraakt niet uit deze paradox van het intelligente, egoistische dier dat zijn eigen voortbestaan doorlopend hypothekeert. Individueel én collectief.

Daarmee is de evolutieleer zelf passé. En het is de taal, de vergevorderde, symbolische en metaforische mensentaal, die het morbide karakter van ons intellect aantoont. De taal corrumpeert de communicatie, creëert het misverstand en blokkeert de feedback.  Het is volstrekt zinloos om onze intelligentie op die manier verder te ontwikkelen en het subject “literair” te omzwachtelen via allerlei hermetische codes.  Vaagheid en ruis hullen zich in een steeds grotere, dichtere wolk,- een pathologische nevel van privé-signalen die nergens meer uitkomen. Iedereen lult maar wat voor zich uit, in naam van de vrijemeningsuiting, de democratie en de artistieke vrijheid. De entropie is onontkoombaar.

De objectiviteit van het insect

Het bizarre nu is, dat zogezegd “lagere” diersoorten dat probleem helemaal hebben opgelost. Vooratermietenheuvell de insecten, meerbepaald mieren, bijen en wespen, hebben de subjectiviteit geannuleerd en de groepsidentiteit geperfectioneerd tot dé identiteit. Als u een mier ziet lopen, denkt u het met een levend wezen te maken te hebben, terwijl het eigenlijk een fragment is van het echte organisme, zijnde de kolonie. Hun cybernetisch systeem vertoont totaal geen kloof tussen het geheel en de delen. Als een mierenzwerm een rivier oversteekt, vormt ze een levende brug waarbij er wel een paar honderduizend exemplaren verdrinken, zonder dat de kolonie ook maar één moment wordt bedreigd.

Het lijkt een fascistisch denkbeeld om dat op de mens toe te passen: de groep als zwerm, waarin het individu totaal verdwijnt. Toch is de mierenkolonie geen hiërarchische structuur met een leider en een repressiemechanisme, maar een cybernetisch systeem met een immanente orde. Ze is zowat 145 miljoen jaar geleden ontstaan (voordien waren de beestjes wél solitair) en mag eigenlijk als de échte kroon van de evolutie beschouwd worden. Het insect is als het ware een fascinerend model van objectiviteit,- het is ondenkbaar dat een specimen hier zou uitwoekeren tot subject met een eigen agenda.

De bioloog Mark Moffet bestudeerde het intern communicatiesysteem van de mierenkolonie, gebaseerd op de uitwisseling van feromonen ofte geursignalen. Geen enkel flou is hier mogelijk: deze “taal” is volstrekt ruisvrij en te vergelijken met de intercellulaire communicatie binnen een gezond lichaam. Verwar dit fenomeen vooral niet met antropomorfe begrippen zoals “solidariteit” of sociale cohesie in de menselijke samenleving: hier is geen communicatiewetenschap nodig, er moet hier geen individualiteit getemperd worden, geen egoïsme beteugeld, geen democratie gereguleerd, omdat het individu gewoon niets betekent. Daardoor is ook de dood onbestaande, de kolonie sterft nooit.

Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: een chaotisch gewriemel van subjecten zonder doelmatigheid.

En raar maar waar: het houdt niet op bij de perfecte architectuur van de termietenheuvel en de volmaakte groepsobjectiviteit. Recente studies hebben uitgewezen dat deze heuvels volgens een welbepaald patroon worden opgetrokken, die een maximale output oplevert voor het ecosysteem van de Afrikaanse savanne: verluchting en bemesting van de bodem, aantrekken van micro-organismen, stimulering en versterking van de voedselketen. Ze zijn niet alleen gericht op de instandhouding van de eigen populatie, ze zijn ook nog eens landschapsarchitecten en integrale tuiniers van het savanne-biotoop. Anders gezegd: de termieten creëren zowel op micro- als op macrovlak de beste van alle mogelijke werelden.

Nu pas blijkt in wat voor eFRANCE-TRAFFIC-HOLIDAYSen inferno wij zijn terecht gekomen: een wriemelende massa die constant overhoop ligt met zichzelf, met een toenemende repressie als enig alternatief. L’enfer, c’est les autres. Het moderne verkeer is een tragikomische illustratie van onze onmogelijkheid om insect te worden: er is wel de massa, de chaos van individuen (kevers), maar er is geen objectieve doelmatigheid die hen uit dat individu-zijn ontheft. Er zijn regels (nu weer over het ritsen), maar ze worden nog het liefst genegeerd. Er zijn wegwijzers, markeringen, flitspalen, agenten, terwijl de oorlog van allen tegen allen toch blijft voortduren. Niet omdat we zo oorlogszuchtig zijn, maar gewoon… omdat de ego-pathologie, het primaat van de individuele existentie, ons parten speelt.

Biobot x drone: de kosmische libelle

Zo bekeken zit onze tijd erop, we kunnen de evolutie niet meer terugdraaien. Om het echter niet simpelweg aan de mieren, wespen, bijen, sprinkhanen en kakkerlakken over te lbiobot2aten,  zouden we met een ultieme, allerlaatste krachtinspanning van de ratio nog onze opvolger kunnen vormgeven, met de natuur als model. Een kunstinsect dus? Zoiets, ja.

Na jarenlang hun tijd verknoeid te hebben met een mistige zoektocht naar het Higgs-boson, zijn ze op de Harvard-universiteit (waar ook ene Norbert Wiener gedoctoreerd had, de cirkel is rond) eindelijk tot het inzicht gekomen dat het menselijk kennisproject zijn afscheidsfeestje mag vieren via de ontwikkeling van een robotpopulatie die compleet als een termietenkolonie werkt. Deze biobots zijn in staat om een kathedraal te bouwen zonder plan of architect. Ze gebruiken wat ze kunnen vinden, lopen elkaar nooit in de weg, en communiceren volgens een simpele binaire code. Het toevoegen of verwijderen van een aantal van deze biobots verandert niets aan de programmatuur, het zal alleen wat sneller of trager gaan.

Als mega-kolonie van vliegende kunst-insecten zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen…

Onderschat deze artificiële insecten niet. Dankzij de ‘intelligentie van de zwerm’ kunnen de biobots hun constructie flexibel aanpassen aan de situatie ter plaatse, ook al is die niet op voorhand gekend. Ze merken ook wanneer het fout begint te gaan, en breken het foute deel dan weer af, en dit zonder centrale planning. Deze verzoening van biologie en cybernetica maakt de plaats vrij voor de eindelijke geboorte van het menselijk insect, niet vanuit de biologische evolutie maar als ultiem, onbaatzuchtig product van het menselijk brein.

Van zodra ook hun voortplantingssysteem op punt staat (aseksueel, door cloning, zoals bij de “modernste” mierensoorten), kan het menselijk ras echt ophouden te bestaan. Ze werkdroneen op zonne-energie en bestaan uit bio-afbreekbare massa. Ik zie ook nog wel vleugels komen aan dat finale kunstinsect. Niet toevallig loopt de biobot-research in Harvard parallel met de ontwikkeling van de drones, kleine onbemande vliegtuigjes of helikopters. Momenteel is het nog ijzertuig, vooral ingezet voor militaire doeleinden, maar het lijdt geen twijfel dat ze snel zullen verburgerlijken en een huwelijk met de biobottechnologie zullen aangaan. Vergeet het gestuntel van Panamarenko en zijn veredeld schroot: hier komen de echte Batopillo’s. Als mega-kolonie van vliegende kunstinsecten, ietwat gelijkend op de reuzenlibellen uit het carboon, zullen ze een superidentiteit vormen die wellicht zelfs interplanetaire bruggen kan leggen, iets waar wij zelfs niet van kunnen dromen.

Daarmee opent de cybernetica –eindelijk- terug een oneindigheidsperspectief: de onsterfelijkheid van de kolonie en de uitgestrektheid van het heelal doen denken aan de filosofisch-dichterlijke luchtkastelen van weleer, maar dan zonder het filosofische, het dichterlijke en de luchtkastelen.

Norbert Wiener formuleert de melancholie van de menselijke intelligentie, maar heft ze meteen ook op in een vrolijke wetenschap, een ode aan het perfecte dier dat na ons komt. De menselijke geest die een kosmische libelle baart,- ruik ik daar zowaar toch een gnostisch verlossingsmotief? De Joodse afkomst van de atheïst Norbert Wiener is er misschien niet vreemd aan…