Kassablanka, of de ontembare kracht van onderbuikhumor

   Pleidooi voor meer seksisme en racisme

Aalst

Aalst, 2014, Voil Janetten

Gisteren, 21 maart, vierden ze bij de Verenigde Naties “The International Day for The Elimination of Racial Discrimination”. Uitstekend initiatief. Ware het niet dat onder het mom van antiracisme de vrijemeningsuiting onmerkbaar wordt ingesnoerd. Nu de politieke kruistocht in België tegen racisme en seksisme een nieuwe opstoot beleeft met dank aan Joëlle Milquet, is het veeleer zoeken naar vluchtheuvels waar de taboes nog genegeerd kunnen worden.

Daarbij dient in alle ernst de vraag gesteld worden naar de wortels van heel dat om zich heen grijpende complex van political correctness. Onmerkbaar versmallen de vrijheidsnormen richting de Carnavalsweek. Voor de rest mag niets meer. Via moralistische betogen rond antiracisme en antiseksisme vergroot de overheid haar greep op taal, gedrag en attitude. Het offensief komt zelfs niet in de eerste plaats vanuit conservatief-rechtse middens, maar veeleer vanuit “liberaal”-linksdenkende milieus.

Hoe resistent is de humor in dit alles? Viseren wij echt domme blondjes, negers, Marokkanen, homo’s, joden, of spotten we met het systeem zelf dat die grappen sanctioneert? En wat zijn de consequenties?

Utopisch denken, totalitair handelen, en politieke correctheid

De oorsprong van de teMohammedrm én van het fenomeen “politieke correctheid” liggen, eigenlijk niet verrassend, in het Amerika van de jaren ’70, toen de hippiegeneratie haar ideologie wou omzetten in een maatschappelijk systeem. Vrij snel botste het free speech-principe met de noodzaak tot conflictbeheersing, waarbij steeds maar meer werd geopteerd voor anticiperende politieke maatregelen die groepen, minderheden, enz. moest beschermen tegen de meerderheid (die haast als een fascistisch-totalitair corpus werd beschouwd). Deze minderhedendemocratie ontaardde vervolgens verder in een beteugeling van alle mogelijke gedragspatronen en taaluitingen die de maatschappelijke vrede zouden kunnen verstoren.

Naar de jaren ’80 en ’90 toe zou dit politiek-correcte denken vrijwel heel het politieke en mediatieke discours domineren. Onmerkbaar was men van free speech in full speech control terechtgekomen, en had het post ’68-denken de vorm aangenomen van een discreet totalitarisme, beheerst door een immer uitbreidende reeks taboes en don’ts. Tot op het hilarische af, zie de recente beslissing van het Gentse stadsbestuur om het woord “allochtoon” te schrappen.

Opmerkelijk is de idee van veiligheid en beveiliging achter deze doorgedreven political correctness. Ze spiegelt zich perfect aan de war against terror-doctrine van de rechterzijde, na 2001 en de aanslag op de WTC-torens.   Beide beogen ze de ideale maatschappij, de ene als gedachtepolitie, de andere via de alomtegenwoordige straatcamera en afluisterapparatuur. De veiligheidsobsessie van rechts en de politiek-correcte neurose van links zijn dus als het ware twee verschijningsvormen van dezelfde sociale utopie, die we, met dank aan George Orwell, kunnen ontmaskeren als één en hetzelfde regime van Big Brother.

Zo wordt het individu van twee kanten opgejaagd: enerzijds vanuit het linkse multiculturele harmoniedogma en de daaraan verbonden zelfcensuur (door de tegenstanders gekwalificeerd als “pensée unique”), en anderzijds vanuit het rechtse autoriteitsdenken dat veiligheid wil afdwingen met meer wetten, meer regels, meer repressie.

Linkse politieke correctheid en rechtse veiligheidsobsessie leiden beide tot hetzelfde Big Brother-syndroom. Humor is daar een antwoord op.

Met het oprukkende moslimfundamentalisme in Europa is die dubbele omsingeling van het individu in een nieuwe fase gekomen. Aan de politiek-correcte (“vrouwelijke”) kant ontaarde ze in een regelrecht Stockholm-syndroom, de affectie van de gijzelaar voor de gijzelnemer. Voortdurend wordt de vrijemeningsuiting ingeperkt en opgeofferd aan de eis van één groep om niet beledigd te worden, denken we bv. aan heel de soap rond de Deense Mohammed-cartoons in 2006. Aan de (“mannelijke”) rechterkant van de samenleving resulteert het fenomeen in een behoefte aan nog meer preventie en controle. Niemand stelt de straatcamera’s nog in vraag, ze zijn er gewoon… voor uw en mijn veiligheid.

In zo’n totalitaire veiligheidsdemocratie kan de subversiviteit nog maar van één kant komen: vanuit het in-dividu dat grenzen aftast, het gevaar zoekt en de macht uitdaagt. In twee opzichten, weerom: door de regels van de “goede smaak” te negeren, zelfs voorbij het wettelijke, en door zich ook echt als schietschijf op te stellen. Hier komt de humor in beeld. Niet deze van de kalendermoppen, maar de stoute, overtredende humor, gericht tegen de dubbele politieke dwangbuis.

Het is in dat Don Quixotte-achtig perspectief dat men het optreden moet zien van bijvoorbeeld de Franse komiek Dieudonné M’Bala M’Bala, wiens show  “Le mur” werd verboden, vanwege het antisemitisme. Mede dankzij de fameuze quenelle, het postmoderne fuck-you-gebaar dat door de censurerende overheid als een omgekeerde Hitlergroet wordt aanzien, overtreedt Dieudonné bewust alle regels van de politieke correctheid, maar ook van het wettelijk kader zelf. Het zijn echter niet de Joden die geviseerd worden: de Jodenmop is maar een middel om de taboemaatschappij zelf uit te dagen.

Humor en lichaamsvochten

KassablankaStill4

Guy Lee Thys: “Kassablanka” (2002)

Dieudonné bevindt zich daarbij in goed gezelschap. In 1905 publiceerde Sigmund Freud zijn studie “Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten”. Daarin wordt de mop ontleed als een uitbarsting van verdrongen drift. Hij onderscheidt daarin gradaties van subversiviteit. De goede, brave humor spreekt in metaforen, vermijdt conflicten en schikt zich naar de taboes. Sarcastische, scherpe, wrange humor anderzijds volgt uit een bruuske botsing tussen id en super ego, het onbewuste/driftmatige en het regelgevende. Het politiek-correcte kunnen we hier zonder meer gelijk stellen met dat super-ego,- datgene wat het plezier bederft en de lust onderdrukt. De associatie tussen humor (Latijn voor “vocht”) en de seksualiteit ligt dan voor de hand: de vertelde mop is een versluierde geslachtsdaad, liefst met een duidelijk en niet te lang uitblijvend hoogtepunt voor de man, terwijl vrouwen eerder een lange aanloop verkiezen, eventueel zonder “pointe”.

Humor kan dus eigenlijk maar ontstaan als tegenkracht in een min of meer repressieve omgeving, hetgeen overigens ook geldt voor cultuur en kunst an sich. Het verbod creëert de overtreding. Dat is eigenlijk exact wat Alain Finkielkraut zegt over het door de staat opgelegde antiracisme: het roept het racisme op, als krachtterm en stijlfiguur in het sociale theater. In de lagere regionen dus, bij het gepeupel alias de domme meerderheid welteverstaan. Op het internet en de zogenaamd ranzige fora. En in de voetbalstadions, waar de “racistische spreekkoren” verboden zijn en men vooral geen bananen naar donkerkleurige spelers van de tegenpartij mag gooien. Terwijl zoiets toch deel uitmaakt van het volkstheater, en het betaald voetbal daar een geschikte scène voor vormt, waartoe dient het anders.

Cultuur, zei u, met een grote C? Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld. Men moet haast in de underground en de porno gaan om racisme en seksisme artistiek voluit te zien affirmeren. Schandaleuze cultcineasten zoals Lars von Trier maken er een handelsmerk van, echter altijd met het risico dat zijn jodenmoppen eindigen in een regelrecht Berufsverbot. Gedaan dan met lachen.

Er zijn maar weinig kunstenaars die zich durven wagen aan het overschrijden van de politiek-correcte tabulatuur, vermits ze grotendeels in het systeem zijn ingekapseld.

Dichter bij huis is er de film “Kassablanka” (2002) van de Antwerpenaar Guy Lee Thys, een groteske sociale satire, waarin een Vlaams rondneukend dom blondje, dochter van een verzuurde Vlaams-Blok-stemmer en zus van een neo-nazi-skinhead, het aanlegt met een Marokkaanse drugverslaafde homo, zoon van een wereldvreemde moslimpatriarch. Bimbo laat zich anaal pakken door makak. Een meer hilarische karikatuur van het multiculturele sprookje is moeilijk denkbaar. De film functioneert als één anekdotisch uitgedeinde racistische én sekistische mop die alle klassieke clichés door elkaar weeft, maar op zo’n manier dat de humor eigenlijk vooral het systeem uitdaagt, samen met de hegemonie van de cultureel-politieke elite die ons de politiek-correcte codes oplegt.

Dyab Abou Jahjah noemde de film niettemin een “belediging van de Arabische cultuur”, en dat was blijkbaar voldoende voor de collega’s van G.L. Thys om vooral niét in zijn voetsporen te treden, zeker niet na de moord op filmmaker Theo van Gogh in 2004. Het is dan ook niet vreemd dat het bij dit uniek experiment is gebleven. Er zijn me geen Vlaamse films bekend die het verder aandurfden om via Ensoriaanse humor de grenzen van de politieke correctheid te overschrijden. Met de hilarische satire “Camping Cosmos” (1996) van Jan Bucquoy leek nochtans een trend gezet, maar blijkbaar was vooral het viseren van de multiculturele samenleving een absoluut taboe. De schrik voor juridische vervolging ook, via het in 1993 opgerichte Centrum voor Gelijke Kansen en Antiracisme, deed schrijvers, kunstenaars en cineasten wel twee keer nadenken voor ze eraan begonnen.

Aus met de Witz

Pussy

Pussy Riot, Moskou, 2012

Het weze dus duidelijk: het probleem is niet de negermop, en zelfs niet de humorloze neger, maar vooral het systeem dat onze taal en denkpatronen tracht te stroomlijnen. In de optiek van Freud zal de subversieve humor net gedijen dankzij deze maatschappelijk-politieke onderdrukking. De vraag is alleen hoe rekbaar dit antagonisme is, en hoe lang Dieudonné M’Bala M’Bala nog vrij zal rondlopen. En of er nog een vervolg op Kassablanka komt. Als het sarcasme boven een bepaalde drempel uitstijgt, zullen de klachten wegens racisme onvermijdelijk worden en mag Dieudonné in de gevangenis moppen gaan vertellen, zo simpel is het.  Dat is dan de grap van de grap: humor die tegenstand voelt, neigt naar overdrijving en provocatie, om te eindigen tussen vier muren. Zie de onvergetelijke maar éénmalige act van Pussy Riot in de  Christus Verlosserkathedraal te Moskou.

Het ordinaire laarzenfascisme komt pas tevoorschijn als de humor dat groteske peil bereikt. In geen enkele periode werd er zo gelachen als tijdens de Weimar-republiek in het Duitsland van de jaren ’20. Tot de nazi’s zelf de politiek-correcte humor begon te introduceren met films als “Jud Süss”. Wie laatst lacht, best lacht. Hoewel, veel later circuleerde in kringen van Joden, die het overleefd hadden, volgende mop: “Weet je waar ‘Auschwitz’ vandaan komt? Het is aus met de Witz!”.

Lachen gebeurt altijd in het heden. Zoals seks overigens.

Advertenties

7 Reacties op “Kassablanka, of de ontembare kracht van onderbuikhumor

  1. Zoals altijd, heb ik weer genoten van deze tekst.
    De “pensée unique” van links en rechts, is inderdaad een regelrechte aanslag op de democratie. Daarom is humor ook van levensbelang om dit eenzijdige denken te doorbreken.
    Deze tekst kan je zowel optimistisch als pessimistisch bekijken. Optimistisch omdat het onderbuikgevoel altijd zal zegevieren, en pessimistisch omdat het misschien eerst tot een grote confrontatie moet komen vooraleer er toegegeven wordt door de huidige machthebbers, dat hun zelfverklaarde-poltiek-correcte-gedachtegoed, toch niet zo correct is.

  2. Kristine Verelst

    Interessante en wederom zéér confronterende opinie. Het grappige over “politiek-correct” is ook dat links in Amerika al in de jaren ’80 de term ironisch gebruikte, bewust als ze zich waren van de contradictie in hun eigen attitude. Langzamerhand heeft rechts de term dan overgenomen om er de Orwelliaanse taalcensuur mee aan te duiden die om zich heen grijpt. Ik heb Kassablanka ook gezien, boeiende film. Al moraliseert Thys toch wat teveel, door er de “Zwarte Zondag” in 2004 als decor in te gebruiken. Het probleem met politiek-incorrecte satire is doorgaans dat ze zichzelf in de marge duwt. Zelfs het Franse Le Canard Enchâiné, een icoon op dat vlak, geraakt daar niet uit. Men heeft daardoor het gevoel dat ze elkaar nodig hebben en opheffen: de macht en de satire. Alleen als het echt uit de hand loopt, grijpt het systeem in. Poetin moet op dat gebied nog veel leren: soms is het beter om de grappenmakers gewoon hun gang te laten gaan. De therapeutische functie van de nar dus, inderdaad. Daarom is, zoals Johan zegt, humor altijd voorbestemd om een breekpunt te zoeken, een “point-of-no-return”.

  3. anna bijns

    Laten we rendez-vous geven aan de politiek correcte denkers als binnenkort , binnen onze grenzen, de jihad kreten rond hun oren vliegen

  4. Reinhilde Raspoet

    goed artikel Johan maar : volgens mij zijn het ook geen pleidooien of betogingen rond het moralistische en het anti-racisme ? maar misbruikt de Overheid en de Politiek, de Burgers en gaan ze zich te buiten aan het steeds meer versmallen van die vrije meningsuiting en acties, met telkens onder meer, ook die boetes tot op een absurde hoogte te brengen om de burgers klein te houden (angst en stress is hun motief)
    Dit komt door een kleine elitegroep die in ons land maar ook in Europa en Amerika de massa wil onderdrukken door misbruik van die macht.
    De moraal en ethiek komt er bij deze elitegroep NIET AAN TE PAS
    Ik eindig met te durven zeggen dat het allemaal te ver gevorderd is om er de HUMOR ( Point of no return) aan te koppelen die het allemaal zou kunnen in orde brengen na een tijd
    Daarom roep ik op : WORD ALLEMAAL WAKKER EN STA OP

  5. Eric Janssens

    Eén van mijn beste momenten het laatste jaar was toen ik las dat Assad zich kandidaat voor de Nobelprijs van de Vrede had gesteld. Geen grotere grapjas dan Assad, die door zijn humoristische kandidaatstelling het ganse Nobelprijscircus onderuit haalde. Middels die grap kon hij een rits oude, gefossiliseerde Zweden en hun aanhang uitgebreid te kakken zetten. Overigens heeft Poetin na zijn militaire inval op de Krim Assads voorbeeld gevolgd: ook hij vindt dat hij voor de Nobelprijs van de Vrede in aanmerking komt.
    Subversieve humor die een middelvinger opsteekt naar machthebbers kan grappig zijn, maar meestal ontstaat hij uit frustratie en is hij niet meer dan een verdamping van het onderliggende geweld. Betere humor komt van machthebbers zelf die andere machthebbers, die menen machtiger te zijn dan de eersten, een neus zetten. Een oorlog met humor als wapen is beter dan een atoomconflict, en alvast in die eerste soort oorlogsvoering zijn Poetin en Assad hun westerse tegenstrevers veruit de baas.

  6. Zowat 60 jaar geleden leerde ik op school dat er maar 1 mensenras bestaat en de rest van de levende wezens dieren en planten zijn.Als er een persoon met buitenlandse roots naast mij komt wonen en ik schiet er niet mee op,voel ik mij geen racist, maar als ik de enige ben geworden in de hele straat zonder allochtene roots dan begin ik toch te twijfelen;

  7. Pingback: Johan Sanctorum: Kassablanca | Golfbrekers