Maandelijks archief: april 2014

Samen-leven als perfecte (zelf)moord

Criminologen en liefhebbers van misdaadromans kunnen dagenlang doorbomen over de manier hoe een perfecte moord zou kunnen gepleegd worden. De regels die altijd terugkomen zijn: geen naspeurbaar motief en ook geen duidelijke oorzaak.  In de limiet zou er van moord zelfs helemaal geen sprake zijn en houdt men het bij een “natuurlijk overlijden”.

Hier wordt het ook voor een filosoof interessant. Hoeveel “natuurlijke overlijdens” in ons midden zouden wel helemaal niét natuurlijk zijn? Het blijft giswerk en speculatie uiteraard. Er wordt overal en overvloedig gestorven, maar het aanwijzen van een dader en een motief blijft een zeer marginale uitzondering. Toch zou men, met een beetje paranoia, de zaken kunnen omkeren en het natuurlijk overlijden als een uitzondering beschouwen op een veel bredere, meer impliciete regel dat we allemaal elkaar om zeep helpen.  Een inleiding tot de crimisofie.

Stress en sociale homicide

etrangleur  “Gij zijt de nagel van mijn doodskist”, zei mijn grootmoeder altijd, toen ik weer eens de verkeerde krant uit de winkel had meegebracht. Per ongeluk, maar toch. En gelijk had ze: wellicht heb ik haar leven met maanden verkort door telkens weer die cholerieke stress uit te lokken, die gepaard gaat met een verhoging van de cortisolspiegels in het bloed, wat op langere termijn leidt tot een afbraak van het immuunsysteem.  Rekening houdend met het feit dat in ons dichtbevolkt universum iedereen iedereen regelmatig op de zenuwen werkt, zou men dus kunnen spreken van een langzame, onzichtbare slachtpartij. We doden elkaar, uit verveling, uit ergernis, of gewoon… per ongeluk. Niet met mes of pistool, maar via het traagwerkend gif, geproduceerd door de sociale interactie zelf.

In een intensere mate kan het dan gaan om pesten of stalking, die het slachtoffer tot zelfmoord aanzetten, zie de recente facebookmoorden. Maar dat hoeft eigenlijk helemaal niet. Moreel veel geruststellender is het om alles binnen de normale perken te houden en de modale druk op de omgeving aan te houden,- waarbij u uiteraard moet bedenken dat uzelf ook het mikpunt bent van die stille agressie.

We hoeven dus elkaar helemaal niet op te eten. Er voor elkaar zijn is al erg genoeg, zoals Sartre ons meedeelde: L’enfer, c’est les autres. Wat op zijn beurt dan weer te maken heeft met overpopulatie, te dicht op elkaar leven, te afhankelijk zijn van elkaar, én van een alles regulerende overheid.

Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Men mag stellen dat, ondanks de vooruitgang van de medische wetenschap en de daarmee verbonden verlenging van de levensverwachting, dit effect minstens voor de helft terug geneutraliseerd wordt door de sociale homicide en de sluipende vormen van zelfvergiftiging in en door de omgang. De charade van het assisenhof toont ons dan enkel de abnormale, compleet uit de hand gelopen gevallen van doding. Voor de rest verloopt alle sociaal geweld heel banaal, discreet, gewoon, doodgewoon.  Er zijn duizend manieren om stress op te roepen. Iemand negeren, of juist overbevragen. De sloddervos uithangen bij een netheidsmaniak. Te hete soep opdienen, iemand lang laten wachten, met een doofstomme een gesprek over Mozart beginnen. Verstrooidheid, onverschilligheid, alle vormen van tactloosheid zijn goed om de stresshormonen bij anderen op te wekken die ook mijn grootmoeder finaal hebben genekt.

Blijft dan natuurlijk nog de vraag naar de intentie: willen we echt de dood van de andere? Neen, allicht niet, of toch wel, en hier komt Freud ons gelukkig te hulp. Want gezien de moraal ons dat soort moordplannen verbiedt, hebben we hen verdrongen in de diepere lagen van ons onderbewustzijn. Niemand wil/mag dus nog een moordenaar zijn, maar iedereen doodt en lokt een “natuurlijk overlijden” uit, het ene na het andere, tot men zelf aan de beurt is.

Daarmee hebben we zowel motief, gelegenheid als middel voor de perfecte moord. En die heet: samen-leven. Meer moet dat niet zijn.

Death Nurse: dialectiek van de zorg

verpleegsterMet de moraal zijn we uiteraard nog niet klaar. Want wat doen we met begrippen als altruïsme, empathie, solidariteit… liefde? Juist, laat ik een extreem geval nemen.

Onlangs is een vriend van me gestorven die er vrij warmpjes inzat. Hij laat een treurende weduwe na, een stuk jonger dan hij. Iedereen is altijd vol lof over haar geweest, hoe ze hem vertroetelde, heerlijk kon koken, niets was te veel. Van dag tot dag zagen we hem ronder en blijer worden. Ook in bed was het heel druk, naar hij me ooit toevertrouwde: elke dag meerdere keren feest. Uiteindelijk is hij aan een infarct gestorven, te wijten aan overgewicht van al dat lekkers en, tja, vermoedelijk toch ook wegens de overmatige seksuele inspanningen waar ze hem toe dreef.

Natuurlijk kan men de weduwe niets verwijten, en alle geruchten over het uitzicht op de erfenis zijn pure laster. Dus houden we het misschien bij vertroetelen en vetmesten als… de perfecte moord. Niets aan de hand. Idem dito voor papa en mama die hun kinderen wekelijks verwennen met een McDonalds-menu: hamburgerrestaurants danken een groot deel van hun omzet aan dit soort ouderliefde. Toch gaat het, zoals iedereen ondertussen weet, om caloriebommen, doordrenkt in suiker en vet, die obesitas en diabetes veroorzaken. Puur vergif dus. Ongemakkelijk moeten we hier weerom Freud als joker bovenhalen: mogelijk speelt er bij die liefdevolle ouders een onderbewuste drang om van de kinderlast af te geraken, ook wel het Glaukos-complex genoemd, naar de Griekse mythe van koning Minos wiens zoontje in een honingvat verdronk.

Het verwennen is dus een tamelijk morbide bezigheid: het is agressie die eruit ziet als empathie. In alle mogelijke sociale activiteiten zou, onder de dekmantel van bezorgdheid en menslievendheid, minstens een component kunnen sluimeren die net in de andere richting wijst. De mantelzorg, vaak gezien als een extreme vorm van naastenliefde, heeft een binnenzak met een eigen, kleine, zwarte agenda. De hoogbejaarde oma en opa in huis nemen bijvoorbeeld: kinderen kunnen hen tot een hel worden en de stress-hormonen de pan laten uitspringen, wat de oudjes uiteraard nooit zullen toegeven. Elke reddende hand uit het moeras is ook een duwende hand. Elke omhelzing is de aanzet tot een wurggreep.

Ook liefde en naastenliefde kunnen knellen, verstikken, doden. Al dan niet met voorbedachte rade.

Zo krijgt die veel geroemde menselijke eigenschap van mede-lijden een dubbele bodem. Waarom voelt iemand met u mee? Wanneer wordt empathie plakkerig en drukkend? Wat kan die injectienaald allemaal bevatten? Het archetype van de verpleegster is samengesteld uit dat van de reddende engel en dat van de doodsbode. Met de regelmaat van een klok lezen we van bejaardenverzorgsters die hun patiënten doden. Soms voor de erfenis, of uit stress, maar soms ook, nu ja, uit menslievendheid. De liefde van het verstikkende kussen. Heel het euthanasiedebat is een afgeleide van deze ambiguïteit, cirkelend rond de vaststelling dat ook het doden uit medelijden de koelbloedigheid van een moordenaar vereist.

De dialectiek van de zorg slaat tenslotte zelfs op het brede fenomeen van de moderne verzorgingsstaat en de sociaaldemocratie. De discussie in de VS rond Obamacare, het nieuwe sociale zekerheidsstelsel dat door de huidige president in de steigers is gezet, gaat over die problematiek van het “verstikkende kussen”: iemand helpen is tegelijk iemand verzwakken, inkapselen, doden.  Heel het complexe apparaat van de zorgsector is tegelijk levensbevorderend én (eu-)thanatisch: de overheid als death nurse. Er is geen goede kant aan barmhartigheid: beoefent men haar, dan doodt men. Beoefent me haar niet, dan doodt men ook. We beseffen dat wel, ergens in ons binnenste, en proberen het idee te verdringen.

Net daarom blijft de verzorgingsstaat in Europa overeind: het is het enige middel om moreel-correct iets aan de groeiende populatie van niet-actieven te doen. We kunnen de ouderen en de zwakkeren niet laten omkomen van de honger, maar hen doodknuffelen, laten verdrinken in de honing, waarom niet. Zeer snel inderdaad takelen bejaarden af, eens ze in een RVT (Rust- en VerzorgingsTehuis) zijn terecht gekomen, ook al krijgen ze de beste zorgen, of juist daardoor. Mishandeling of verwaarlozing zijn uit den boze. Het nietsdoen, de slome saaiheid en de zoete doodsgeur die sowieso altijd in die instellingen hangt, zijn op zich de ideale elementen van een stervensbegeleiding.

Don Juan, of de esthetica van de uitzondering

SMWelke levensles kunnen we nu trekken uit dit verhaal, waar we elkaar allemaal op een of andere manier naar de andere wereld willen helpen, hetzij uit rivaliteit, hetzij uit filantropie? Kortweg: geen. Het geweld is overal, het zit in ons en het komt op ons af. Hoogstens kunnen uitzonderingstoestanden ontstaan, waarin het genot en het plezier tijdelijk de overhand nemen op de machtslogica’s. Er ontstaat dan een esthetische dimensie die in de seksualiteit wordt beleefd, ook en vooral de extreme seks zoals S.M. Alle geweld staat hier in dienst van de lust, waardoor de dood zelf, en zijn strategie van de perfecte moord, even tussen haakjes komt te staan. Ik denk aan mijn overleden vriend en zijn genotsmomenten aan tafel en in bed: ook al beraamde zijn vrouw een snood plannetje, in de aanloop naar en tijdens het orgasme heeft dat weinig belang. Wie zou zo niet willen gaan?

Voor de filosoof Søren Kierkegaard was Don Juan de belichaming van deze esthetische visie. Hij is geen banale verleider maar een gedreven zoeker naar topmomenten, singulariteiten waarin het universeel jeu de massacre even tot stilstand lijkt te komen.  Don Juan vervolgt en wordt vervolgd, alles ademt geweld uit, ook in de opera van Mozart. Maar tegelijk staan al zijn esbattementen, zowel het wapengekletter als die van de verleiding en het honingvat, in dienst van de pure lust, die zich tegenover de moraal stelt.

Uiteindelijk is het creatieve eveneens ingegeven door het lustprincipe, iets dat men doet voor het plezier, zonder sociale implicaties. Een gedicht schrijven of een taart bakken,- het zijn esthetische daden zonder agenda, zonder strategie.

De pure consumptie ervan, als genotsmiddel, evenzeer. Zelfs al is de taart vergiftigd, onze smaakpapillen vertellen het niet, en dat is het enige wat er op zo’n moment toe doet. De SM-seks is hier een sterke metafoor: in die toestand van opwinding ontpopt de death nurse zich, al is het maar heel even, tot echte liefdesgodin. Een uitzonderingsmoment dat zich helemaal buiten de samen-leving stelt.

Dat neemt noch de dood, noch het sterven, noch de homicide weg. Don Juan gaat er zelfs betrekkelijk snel aan ten onder, want ook voor de estheet wordt de sociale druk enorm naarmate zijn schuldregister vol geraakt. Toch is hij, in al zijn immoraliteit, een icoon geworden van het geweld dat zijn vervulling niet zoekt in de dood maar in de lust. En dat is dan ook de enige plek waar het leven zich aan de hel van de anderen onttrekt.

Advertenties

De weerman waarschuwt

Waarom intelligentie en kwaadaardigheid zo goed samengaan

Deboosere  Zopas vergastte Tv-weerman Frank Deboosere ons op een reeks tips waarmee de modale man/vrouw de klimaatopwarming kon te lijf gaan. Daaronder het devies: vleesconsumptie drastisch matigen! Dat wil ik zeer zeker, het is gewoon veel gezonder. Maar of die onthouding de wereld zal redden, is een andere vraag. Het gaat namelijk niet om de vleeseterij, maar om de slimme én gewelddadige manier hoe de prehistorische mens zich dat vlees toeëigende: via de jacht. Die lijkt definitief ten einde, want onze biefstuk komt uit de Colruyt en kost twee keer niks, dankzij de wereldwijde sojaproductie die alle landbouwgrond in beslag neemt, dit ten koste uiteraard van de kreperende keuterboer in de derde wereld, maar dat is weer een ander verhaal. Of toch niet.

Een zoektocht naar surrogaten en transformaties. En naar een antwoord op de vraag hoe geweld en intelligentie met elkaar vervlochten zijn.

 

Agri-cultura: het einde van de jacht

LascauxVergeet de Grieks-Romeinse oudheid, de renaissance en de industriële revolutie: het grote knikpunt in de menselijke geschiedenis situeert zich aan het einde van de ijstijd, tussen 10000 en 6000 voor Christus, wanneer de overgang van het nomadische bestaan van de jager/verzamelaar naar het sedentaire boerenleven zich voltrekt. Die overgang hebben we nooit verteerd. Alle beschavingsziekten komen daaruit voort, inclusief de politieke beheersingslogica, het machtsdenken en het economische uitbuitingsgedrag.

Inderdaad, het Latijnse woord “cultura” betekent letterlijk “verbouwing” (van gewassen), en slaat dus op de post-nomadische samenleving. Daarin veranderen de sociale verbanden én het menselijk organisme ingrijpend. Het slachten van dieren en het kweken van gewassen vereiste niet langer de behendigheid en het tactisch inzicht van de jacht. Een gevangen en halftam dier doodslaan kan iedereen.

In de plaats daarvan kwam een min of meer centralistisch beheer, een maatschappij met rechten en vooral plichten, en leerde de mens, als ontwapend individu, belastingen betalen. Vanuit die verknechting ontstond de oerstad en uiteindelijk de staat die het geweld monopoliseerde. Nieuwe klassen ontwikkelden zich, van meesters, knechten, ambachten, maar ook kunstenaars en intellectuelen, priesters, die allen in dienst stonden van het machtsstatus-quo. Zeer herkenbaar. Niet toevallig loopt het ontstaan van het monotheïsme min of meer gelijk met het ontstaan van de eerste stadstaten: de wereldlijke heerser was de rechtstreekse plaatsvervanger van de enige en absolute God.

Niet toevallig subsidieert de overheid tegenwoordig barbecues: zij symboliseren de totale onderhorigheid van het gecastreerde roofdier.

Onlangs werd een onderzoek gepubliceerd van Alison Macintosh (Universiteit Cambridge), die restanten van botten analyseerde uit de vruchtbare vallei van de Donauvallei, voor en na 5300 v.C., het ogenblik dat de eerste landbouwers zich er installeerden. Hij constateert een duidelijke fysische degradatie, een toenemende achteruitgang in de stevigheid van het skelet. De oorzaak is evident: als een lichaam, voor de jacht gemaakt, achter een ploeg gaat lopen of gewoon op een stoel gaat zitten, verkommert het. Zo verliep de bevolkingsaangroei, eigen aan het proto-stedelijk bestaan, parallel met een implosie van het menselijk organisme tot “zittend” lichaam. In evolutionair opzicht een fatale combinatie.

 

De metafoor van de barbecue

Waar Alison Macintosh het echter niet over heeft, is de nog veel zwaardere psychische aftakeling, zeg maar: de zwakzinnigheid die in de sedentaire gemeenschap ontstond.

Immers, het was de jacht die ons slim en alert had gemaakt, en dat vernunft vroeg om bestendig onderhoud en perfectionering. Daarom jagen katten en vossen op prooi, ook als ze geen honger hebben: om hun conditie en intelligentie op peil te houden.

Niet het vlees was dus de echte finaliteit van de jacht, wel de toenemende intelligentie, nodig om eraan te geraken: dagenlang rondzwerven, sporen zoeken, wapens maken, plannen beramen, verhalen vertellen. Hongerig, op scherp. De grotschilderingen van Altamira en Lascaux zijn er de neerslag van.

?????????????????????De sedentaire (“zittende”) mens echter, slaat het gevecht met de mammoet, als kunstbarende oefening, over en begeeft zich naar de Colruyt. De karikatuur van de jager-verzamelaar is de consument, graaiend tussen de supermarktrekken, of aanschuivend bij McDonalds. Hopen vlees worden binnengezwolgen, goedkoop vlees waar men zelfs geen dood dier meer in herkent. De metafoor van de barbecue toont het helemaal: een jager met een schortje, prikkend in een sissende worst. Dom en volgzaam bakt hij de geprepareerde satés gaar op een moment dat iedereen het doet. Niet toevallig subsidieert de overheid tegenwoordig barbecues: zij symboliseren de totale onderhorigheid van het gecastreerde roofdier.

Cultuur dus, als een symptoom van aftakeling en regressie, hoewel ze zichzelf als vooruitgang propageert. Een drievoudige degeneratie nog wel: fysiek, mentaal en sociaal.

We hebben onze gezondheid opgegeven, samen met het jagersbestaan. Vandaag zien we het resultaat: obesitas, diabetes, hart- en vaatziekten, naast een algemene malaise, eigen aan het dier in gevangenschap dat we allemaal zijn. We zijn bang of euforisch, lui of hectisch, kunnen geen gevaar meer inschatten, hebben bescherming nodig, kunnen niets nog zelf. Stress, de grote boosdoener, is de onvermijdelijke neerslag: rien ne va plus, we produceren testosteron voor niets en worden slijkevet. Neemt u nog een worstje.

 

Het systeem als nieuwe mammoet

verbodZo komen we naadloos terug bij de klimaatopwarming uit en de afkoeltips van de Weerman: de fundamenten van de global warming zijn daar, aan het einde van de laatste ijstijd, al gelegd, met het oprichten van de eerste mesthoop en het organiseren van de eerste barbecue. Tot op vandaag zou men het vleeseten kunnen zien als een decadent, zinledig ritueel, eigen aan de jager-zonder-prooi, helemaal ingebed in de sociale complexiteit van de grote nederzetting. De armoede in de derde wereld en het globale voedseltekort waren geen redenen om onze voedingsgewoonten te veranderen, integendeel, de overvoeding in de VS en Europa en het daarmee verbonden overgewicht neemt nog toe. Barsten zullen we van het vet. Dom zijn we geworden door de gebraden kippen die ons in de mond vliegen.

Allerlei pogingen zijn in het industriële tijdperk ondernomen om het jachtritueel te herstellen. Hoe lichaam én geest terug fit en alert maken? Eerst en vooral door te werken natuurlijk. Daarin verbruiken we wel calorieën (tenminste als het lichamelijke arbeid betreft), maar qua vernunft levert ze ons nauwelijks wat op, verzonken als de arbeid is in routine en planmatigheidd. In het post-industriële dienstentijdperk neemt de zittende arbeid overigens gestaag toe, met als gevolg nog meer overgewicht en bijbehorende ziektes.

Vervolgens ontwikkelden zich sport en fitness als restauratieve bezigheden: wel goed voor het lichaam, maar ook hier is de psychologie van de jacht en het daarmee verbonden tactisch denken van de doder afwezig. Want zeg nu zelf, wat voor een tactisch vernunft heeft iemand nodig die op een hometrainer rondjes draait? Nul.

Ten langen laatste rest ons nog één spoor om het jagersvernunft in ons brein te heractiveren en tenminste de hersendood proberen te vertragen: het sociale leven zelf als een jungle zien. Daarom hebben de slimsten en stoutsten onder ons het plan opgevat om dé mammoet uit te dagen die ons allen beschermt én kwelt: de macht zelf, het systeemgeweld dat zich met de eerste landbouwnederzettingen installeerde. In het laatste stadium van de sedentaire controlestaat verrijst een nieuwe nomade in spookvorm, wiens jachtterrein zo groot is als de samenleving zelf. Hij zwerft, jaagt, wordt opgejaagd, doodt, kan gedood worden. Hij is de verbreker, de overtreder, altijd op zijn hoede, steeds in een kat-en-muis-spel verwikkeld met de Grote Hereboer van weleer.

 

Eindspel

drivefastZo ontstaat een nieuwe en ultieme jachtruimte binnen de megapolis. Was het niet dé spelfilosoof Johan Huizinga, die in zijn “Homo ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur” wijst op de ernst van het spel? Welnu, hij krijgt zijn zin. Gedaan met rondjeslopen en allerlei sportieve flauwekul: het echte, serieuze spel, het eindspel, is dissident en crimineel van aard.

Wat door moraalpessimisten wordt beschouwd als de “intrinsieke slechtheid van de mens” is gewoon een restant van zijn jachtinstinct, klaar om terug uit te breken. In talloze vormen verschijnt nu die jager en uitdager als de roekeloze automobilist, de spookrijder, de pedofiel, de sluikstorter, de straatcrimineel, de belastingontduiker,… : allen zijn het min of meer als immoreel beschouwde naverschijningen van het menselijk roofdier, op zoek naar een nieuw jachtterrein en naar confrontaties met een monsterlijke vijand, in dit geval het systeem zelf.

Ondanks alle veiligheidsvoorschriften en de roep naar méér veiligheid wordt het gevaar gezocht en gekoesterd, en wel als illegale sensatie, lichaamstraining én hersengymnastiek. Inderdaad, welke wekenlange voorbereidingen en beraadslagingen vergt een bankoverval niet? Een kidnapping? Of zelfs een banale winkeldiefstal?

Wat door moraalpessimisten wordt beschouwd als de “intrinsieke slechtheid van de mens” is gewoon een restant van zijn jachtinstinct, klaar om terug uit te breken.

De overtreding vereist intelligentie en creëert er nieuwe. De regels volgen daarentegen, houdt ons dom. Er speelt daarbij altijd een evolutionair voordeel voor de dief ten opzichte van het systeem en de rechtsorde: domme dieven worden geklist, dus blijven alleen de slimme over, die hun kennis en genen doorgeven. Idem voor belasting ontduiken: de slimme fraudeurs glijden door de mazen van het net, nemen de meest vruchtbare vrouwtjes en kweken verder. De criminaliteit is de triomf van de menselijke intelligentie, ons vernunft is kwaadaardig, althans gezien door een moraalfilosofische bril. Wordt iemand zo slim dat hij de wereld kan vernietigen, dan zal hij dat in alle waarschijnlijkheid ook doen. De apocalyps is als het ware ingeschreven en geprogrammeerd in de menselijke evolutie zelf.

Ja dus, we gaan eraan, omdat een roofdier met een superbrein niet braver, vredelievender, altruïstischer, meer “ecologisch-bewust” wordt. Net integendeel.

Het is en blijft de onherleidbare antropologische essentie: weldenkendheid en pacifisme zijn symptomen van een traag, defect brein, en ze veroorzaken ook nieuwe domheid. Vandaar de lulligheid van het rood- en groen-links castratenkoor. Vandaar ook de onvoorstelbare klunzigheid van de VN-vredesmissies (die, ironisch genoeg, minstens twee keer, in ex-Joegoslavië en daarna in Ruanda, tot een genocide hebben geleid). Het is ook de reden waarom Europa en de VS vanuit hun morele superioriteitswaan geen antwoord hebben op het boosaardig vernunft van wolfmens Vladimir Poetin.

Tenslotte denk ik ook aan mezelf, als crimosoof: de dag dat ik met iedereen vrede sluit, mogen ze me hersendood verklaren. Alleen in het conflict, de provocatie en de vlucht blijft het brein scherp. Vandaar ook dit aanstootgevend stukje, weerom. Vooralsnog.

Via insecura: waarom mannen sterven onderweg

Over de grenzen van het veiligheidsdenken

Een opmerkelijke actie van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid (BIVV): een filmpje waarin hardrijders pardoes op hun eigen begrafenis terecht komen. Inclusief afscheidsredes, tranen met tuiten, gesnik: uiteraard bedoeld om lieden met een zware voet tot inkeer te brengen.

Motto van de campagne, een leuke woordspeling op zich: “Te snel gegaan”. Het BIVV (voorheen Via Secura) heeft al een serieuze staat van dienst met tal van knappe acties en gedenkwaardige slogans. Maar hier wordt natuurlijk een lijn overschreden, letterlijk dan: de lijn tussen leven en dood, deze en gene zijde. De paradox van een levende die zijn eigen begrafenis meemaakt roept onmiddellijk de vraag op naar de status van een echte dode die op zijn begrafenis zou komen “spoken”. Het is dan helemaal niet zeker dat die ons zou aanmanen tot meer voorzichtigheid. Stel dat het andersom was? Metafysisch glad ijs. De filosofie als via insecura?

De vrolijke dood

WalküreHet bijwonen van de eigen begrafenis is strikt genomen alleen mogelijk wanneer er leven is na de dood. Men is dan aanwezig in een ritueel waar men eigenlijk niets meer mee te maken heeft. Men “is” er, niet meer als rouwende, doch in een andere, verlichte staat, misschien wel vrolijk of extatisch.

Beethoven en Chopin speelden met het idee van hun eigen begrafenis, resp. in de derde symfonie en in de klaviersonate nr. 2 (de overbekende treurmars). Altijd is er een middendeel in grote terts: de doden lijken niet ongelukkig, al zit hun vrolijkheid verstopt in de obligate rouwceremonie van de nabestaanden,- volgens Freud omdat er latente schuldgevoelens bij die nabestaanden spelen. Dit dan weer vermengd met het gehakketak rond de erfenis. Maar goed, de dode als vrolijke eregast op zijn eigen begrafenis. Het idee is nog voor uitbreiding vatbaar. Wat als die doden zich voortdurend tussen ons ophouden?

Daarmee is de doos (of de lijkkist) van Pandora geopend: tussen de biomassa zit iets van een lichtere stof waarover wij, stervelingen alleen kunnen speculeren. Dat het om “onbekommerde anti-materie” gaat van schimmen, is dan misschien nog te zwak uitgedrukt. Mogelijk gaat het zelfs om mentale energie die ons probeert te verleiden om ook de overstap naar gene zijde te maken. Zoals de bruid haar boeket achter de rug gooit voor de volgende uitverkorene, zo duidt de overledene op een begrafenis ook aan wie na haar of hem komt.

De dood als uitdaging, met een subversieve schim als begeleider (psychopomp): we zitten nu natuurlijk ver van de boodschap rond verkeersveiligheid, eerder integendeel. Onvermijdelijk en onmerkbaar overschrijdt het denken over het leven de grens van dat leven, en dan wordt het sowieso speculatie, cum mortuis in lingua mortua (“met de doden in de dodentaal”). Een puur vermoeden dus: iets trekt ons van de overzijde aan. De doden of de dood zelf. Heel de tijd door. Bij de Grieken als Sirenenzang, en in de Germaanse mythologie vervrouwelijkt tot Walküre en hemelhoer voor de krijger, kunnen we dit erotisch fantasme rustig terug uitkleden tot op het niveau van een paranormale realiteit: levenswil en doodsdrift vormen één geheel. En het is deze laatste die ons wenkt en over de streep trekt. We willen haar ook, zonder het te willen. We weten dat ze er is, zonder het te weten. We zoeken haar, maar dat is niet nodig,- zij zoekt ons op.

Via insecura: het verkeer als kansspel

crashWaar Wagner in zijn Walkürenrit op een haast pornografische manier naar verwijst, is de notie van roes, snelheid en lawaai in het sterven, en de attractiviteit van het gevaar. Te snel gegaan! Of niet snel genoeg? Helden blazen hun laatste adem niet uit op het bed, maar sterven onderweg, in het heetste van de strijd en in galop. De zware voet dus. De auto is een harnas dat ten oorlog leidt.

Nu valt het verkeersveiligheidsfilmpje helemaal door de mand. Niet alleen worden wij op de begrafenis uitgenodigd door de gevallen snelheidsduivel om hem op te volgen, het verkeer lijkt ook zelf één groot slagveld dat ons de kans geeft om te gaan. De kans, jawel. Het is nooit zeker, maar daarom juist trekt het gemotoriseerde avontuur ons aan, als een Russische roulette. Het verkeer als kansspel en doodsbrenger: er is weinig nodig om dit denkbeeld te censureren als crypto-fascistisch. Toch lijkt er onder de huidige veiligheidsobsessie, door de overheid preventief en repressief gehandhaafd, een andere, tegengestelde lijn te lopen die het verkeer als (dodelijk) spel promoot.

Zo vloeien preventie en verlokking in elkaar. De dood wenkt, en het verkeer helpt ons graag een handje.

Er worden in België alleen al zo’n half miljoen auto’s per jaar verkocht, en de Ring rond Brussel wordt verbreed: Wagner glimlacht gelukzalig. Duitse wagens zoals BMW en Mercedes leiden de dans. Mogelijk speelt in het beheer van dat verkeer een onbewust gedoogbeleid tegenover de letale roeservaring, de roekeloosheid, het negeren van risico’s. Dat vooral mannen in het verkeer sterven (vrouwen lopen hooguit een deuk of een kras op tijdens het parkeren), voedt de idee dat het aloude gevecht met de prooi of met de vijand gesublimeerd is tot het razende traject van de joy-rider, spookrijder, op zoek naar de crash. Het verwrongen wrak als naspoor van het orgasme. Regelmatig zelfs rijden jonge mannen zich te pletter tegen een boom of een muur, zonder remsporen en zonder alcohol. Zelfs als men dit banaal klasseert als een “mogelijk geval van verdekte zelfdoding” miskent men nog de uitdagende, letale werking van het wegennet zelf, én de in onze hypothese werkzame krachten vanuit een “dodenrijk”.

Zo vloeien preventie en verlokking in elkaar. De dood wenkt, en het verkeer helpt ons graag een handje. Zoveel drempels, waarschuwingsborden en flitscamera’s er worden geïnstalleerd, zoveel worden ze genegeerd. Men wil slachtoffers vermijden, vooral kinderen die sterven, dat is iets verschrikkelijk. Maar wat met de zeven jongeren, aan veel te hoge snelheid met hun BMW gecrasht op de E314? Wat daagde hen uit om die rijdende tankwagen vanachter te rammen? Daarop kwam geen antwoord. Verboden vraag dan: is er iets dat nog uitsteeg boven hun levensdrift, namelijk de aantrekkingskracht van het gevaar en de dood?

Weg de angst

gevaarBij nader toezien is het gevaar overal: volgens de verzekeringsstatistieken gebeuren de meeste dodelijke ongevallen thuis. Het verkeer is niet de enige doodsoorzaak, maar het lijkt wel een krachtige verleider die door geen enkele veiligheidscampagne te temmen valt.

De conclusie is dat de eros/thanatos-ervaring aan de grondslag ligt van alle risico’s. Hoewel veiligheid dé postmoderne obsessie is, wordt de wereld er helemaal niet veiliger op. Hoewel Ban Ki Moon zich het vuur uit de sloffen loopt om vrede te stichten, met woorden vooral, houdt de oorlog niet op, integendeel. Alle doodsremmende instanties lokken tevens de dood uit, omdat het gevaar ons fascineert. De doodskop en zijn afgeleide, de gevarendriehoek, waarschuwt met beelden, maar zingt tegelijk het Nietzscheaanse refrein: „Man muss gefährlich leben”. Vandaar seks zonder condoom, rijden zonder gordel, het negeren van snelheidsbeperkingen. De verleiding blijft.

Deze donkere psychoanalyse, vermengd met een metafysisch vermoeden omtrent krachten die ons “van gene zijde” tegemoet komen en uitnodigen om het gevaar te benutten, kan een deel van de vrees wegnemen. Want angst, daar wordt een mens pas ziek van. Het vreet aan ons als een trage kanker. Dat de Vlaamse publieke zender uit een enquête (“De foto van Vlaanderen”) afleidt dat de Vlaming fundamenteel bang is voor van alles en nog wat, is dan ook een verkapte poging om een self-fulfilling prophecy te lanceren en de Vlaming ook echt bang te maken. Waarvoor? Voor zijn eigen schaduw? De schrik voor het gevaar en de doodsangst zijn attitudes die ons afsnijden van de complexe realiteit die het leven is.

De fobische mens leeft noch sterft, hij sluimert. Net om die lethargie te omzeilen wordt het gevaar gezocht en wordt er snel gestorven, eensklaps, fataal. Net op de climax is het gedaan. Ook ik zal sterven onderweg, en dat is goed. Noch de angst om te vertrekken, noch de begeerte om aan te komen zijn aan mij besteed. Fuck de eeuwige roem.

Zo krijgt de oproep tot voorzichtigheid vanuit de porseleinenkast iets panisch en ongezond. Natuurlijk loert de dood achter elke hoek van de straat, doch de schrik ervoor bederft alle levenslust. Het euthanasiedebat heeft de “gewilde dood” bespreekbaar gemaakt, als een laatste uitweg voor wie lijdt. Maar wat als hij ook een hoogte- en eindpunt betekent voor wie geniet?

Appels horen thuis in compote

GaugainHet verhaal is ondertussen bekend: een gepensioneerde arbeider uit Turijn had een werk van Paul Gauguin in zijn keuken hangen, als “verloren voorwerp” ooit gekocht voor twee keer niks. Het was al sinds 1970 gestolen uit de collectie van een rijke Engelse verzamelaar. Geschatte waarde van het werk, genaamd “Fruits sur une table ou nature au petit chien”: 35 miljoen Euro. De naam Gauguin zei de man hoegenaamd niets, hij vond het schilderijtje mooi hangen in de keuken. En gelijk heeft hij: appels horen in de keuken thuis.

Meteen een gelegenheid om nog eens aan linksdraaiende cultuurbiologie te doen, en door te bomen over de waanzin van het eeuwige kunstwerk, de verafgoding van het origineel, en de absurditeit om een stuk beschilderd doek te taxeren op 35 miljoen Euro.

Nature morte

FabreCultuurbiologie zei u? Jawel, de gespletenheid tussen leven en kunst, natuur en cultuur blijft me bezighouden. Ongenadig vreet de tijd, het ongedierte, maar ook onze eigen adem, aan de grote meesterwerken, die steeds weer moeten opgelapt worden. De natuur trekt zich van kunst niets aan.

Omgekeerd trekt kunst zich van de natuur niets aan, en, sterker nog, oefent ze een machtsgreep uit op het leven en de biomassa. Wanneer Leonardo da Vinci zijn Mona Lisa schildert, maakt hij van de levende vrouw die zijn model was, een spook. Hij vereeuwigt haar zogezegd -terwijl hij vooral zichzelf vereeuwigt- en ontneemt haar het lichaam.

Vroeger heb ik die bizarre manier van mummifiëren al in verband gebracht met de theorie dat mannen kunst voortbrengen uit rancune omdat ze geen kinderen kunnen baren. Hij vervreemdt en isoleert, balsemt en denaturaliseert zijn voorwerp. Hij haalt de natuur uit haar context en herkadreert haar binnen een zelfbepaald, willekeurig frame dat men als een gevangenis en een graftombe moet zien. Het kader is een tweedimensionele kist. In dit geval een praalgraf voor La Gioconda en haar bevroren lach. Humanistische hybris maar ook bedekte vrouwenhaat spreekt uit deze meesterwerken.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten voor dit vergrijp tegen het leven en de natuur.

Uitgerekend dit soort schilderijen is ook het uitverkoren voorwerp van kunstvandalisme (inkervingen, bijtend zuur…) waardoor men de Mona Lisa zelfs achter een glazen scherm heeft geplaatst. Mogelijk is voor vele toeschouwers de contradictie tussen de onaanraakbare mythe, en de onbekende vrouw van vlees en bloed die voor haar model stond, onverdraaglijk.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten. Idem dito voor Gauguin, die de eetbare vruchten en het hondje herleidt tot onverteerbare verf op een oneetbaar doek. Een misdaad tegen de natuur. In die zin moet dat verhaal van de barbaar uit Turijn, die de geschilderde appels van Gauguin in zijn keuken ophing, gezien worden als een restitutie, een rechtzetting. Een symbolische deconstructie van de nature morte. Zoals ik al zei: appels horen thuis in de keuken, in de compote en daarna in onze maag.

Terecht steigerde het kunst-onkundige gepeupel toen Jan Fabre bij ons met zijn hespenpilaren uitpakte (Gent, “Over The Edges”, 2000). Met eten mors je niet, zegt de volksmond terecht. Voedselkunst is belachelijk en pervers,- dat geldt zelfs voor de haute cuisine en haar neiging om te picturaliseren, eten op het bord te schilderen. Overigens dienden de met ham beklede zuilen van de Gentse universiteitsaula vrij snel verwijderd, wegens schimmelvorming, ondanks de plastic folie. Of hoe moeder Natuur haar gram haalt.

Zeepbelkunst

Men zou dat motief van het kunstwerk als gestolen-gestolde, bevroren natuur, kunnen afdoen als een theoretische discussie, ware het niet dat er met pronkstukken zoals ‘Fruits sur une table” wel degelijk nog wat anders mis is. Of eigenlijk hetzelfde.

De geschatte marktwaarde van 35 miljoen euro is namelijk een abstract cijfer dat op geen enkele manier nog “’realistisch” kan genoemd worden, t.t.z. in redelijke verhouding met de productiekost (materiaal, arbeid, honorarium van de artiest). De kunstmarkt creëert absurde meerwaardes die beleggers aantrekken, eerder dan liefhebbers. Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij. Werken die in kluizen worden bewaard, zijn niet alleen artistiek waardeloos (wegens publiek ontoegankelijk), ze zorgen ook voor zeepbeleffecten, het aanzuigen van enorme geldmassa’s die niet meer voor normale investeringen beschikbaar zijn. Grof geld dat aan kunst wordt uitgegeven komt niet in het reguliere economische productiecircuit terecht, maar blijft in de speculatieve “bubbel” hangen, om rustig het einde van de depressie af te wachten. Zo maakt kunst vooral een kleine elite nog rijker.

Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij.

grafiekIn dit pervers mechanisme verschijnen kapitaalkrachtige investeerders uit China, India, Rusland en natuurlijk de Golfstaten als grote spelers. Ze kannibaliseren het economisch systeem en gebruiken kunst als ultieme belegging op het moment dat andere zeepbellen op springen staan.  Bovenstaande grafiek toont hoe de omzetpieken van het kunstveilinghuis Sotheby’s telkens een crash voorspellen (achtereenvolgens het ontploffen van de internetzeepbel in 1999, de ineenstorting van de huizenmarkt in de VS en het failliet van Lehman Brothers in 2008, en de schuldencrisis van 2011). Dat betekent dat de superrijken de crisisbui zien hangen en massaal aandelen dumpen om kunst aan te kopen. Hetgeen de ineenstorting nog versnelt want daarmee wordt de kapitaalmarkt nog krapper en verhoogt nog het zuurtstoftekort voor de economie. Zo wordt de kunstzeepbel tegelijk symptoom en oorzaak van een systeem dat structureel altijd opnieuw moet crashen, en waarbij alleen de superrijken met voorkennis telkens hun vel redden.

Warmeluchtbakkers

HirstHet kan niet anders, of deze zeepbelkunst in een zeepbeleconomie moet ook zeepbelkunstenaars aantrekken. De Britse kunstcriticus en BBC-journalist Ben Lewis wijdde er een documentaire aan, getiteld “The Great Contemporary Art Bubble”. Hij geeft het voorbeeld van de Britse artiest Damien Hirst, die zich heeft toegelegd op in formol geconserveerde dierenkadavers. Jawel. Hirsch werd “ontdekt” door de steenrijke Britse kunstverzamelaar Charles Saatchi, en produceert uitsluitend in functie van de speculatieve markt, via een artistiek handelsmerk dat zorgvuldig wordt in stand gehouden, mede dankzij gewillige media en critici die allicht een graantje meepikken. Hij is het perfecte voorbeeld van een zeepbelkunstenaar die perfect de beurs in de gaten houdt en zijn prijzen weet op te drijven.

Op 15 september 2008, de dag dat Lehmann Brothers ten onder ging, verkocht Damien Hirst nog snel aan panikerende beleggers voor $ 127 500 000,- aan eigen “werk”. Waarna de crisis toesloeg. Iemand als Hirst moet men beschouwen als een warmeluchtbakker, een gewiekste oplichter die perfect inspeelt op de honger van steenrijke speculanten naar “veilige” beleggingen. In zijn zog opereren onze eigen Vlaamse hypekunstenaars, zoals Fabre, Delvoye, Tuymans en Borremans. Ze beheersen het marktspel compleet en spelen in op conjunctuurschommelingen en de vrees van beleggers voor drastische waardevermindering. Vooral als het economisch bergaf gaat doen ze gouden zaken.

Nutteloos en onterecht maken we ons boos op deze zeepbelkunstenaars: zij zullen stellen dat het traject van het kunstwerk doorheen de wereld deel uit maakt van het artistiek totaalproject. Het kunstwerk is een money-maker of moneytron (J.P. Van Rossem) en verdient als dusdanig ons respect. Of hoe het globalistische totaaldenken alle politieke kritiek wegveegt.

Creatieve industrie

wortelZo krijgen we een bizarre convergentie te zien tussen het kunstwerk als gedenatureerde natuur, en het kunstwerk met een opgepompte marktwaarde. Het is duidelijk dat artiesten net hier een belangrijk statement zouden kunnen maken, tegen het speculatieve kapitalisme.

In dat opzicht kan men de herwaardering bepleiten van zoiets als het kunstambacht, of, meer hedendaags: de creatieve industrie. Daarin wordt de marktwaarde van een kunstwerk enkel bepaald door de reële kost: materiaal, werkuren en –laten we niet krenterig zijn- een creativiteitsbonus. Door de beeldende kunst te integreren in het globale productieproces gaan we het parasitaire karakter tegen van de kunstenaar, maar ook de kannibalistische werking van de kunstmarkt. Een vrij copyright en een doorgedreven techniek van copiëren (“vervalsen”) en reproduceren helpt eveneens als preventie tegen zeepbelkunst en zeepbelkunstenaars. Het kunstwerk wordt vergankelijk als object, waardeloos als handelsgoed, maar oneindig multipliceerbaar. Hoe meer exemplaren van een werk, hoe minder het zich leent tot speculatie. Hoe twijfelachtiger de authenticiteit, hoe concreter (of meer persoonlijk) de waarde van iets wordt.

Daarbuiten wenkt ook de huis-, tuin- en keukenkunst als uiting van post-kapitalistische creativiteit: het nieuwe amateurisme waarin mensen gewoon dingen maken voor hun eigen plezier, en eventueel weggeven of voor een habbekrats verkopen. In deze configuratie koopt iemand dan, precies zoals de Turijnse arbeider, op de markt een schilderijtje voor een appel en een ei om in de keuken te hangen en niet om er zijn vermogen in te consolideren.

Straatkunst en graffiti, per definitie onverhandelbaar, zijn eveneens uitstekende strategieën tegen de vervreemding en de bubbelvorming. Een totale crash van de kunstmarkt kan een heilzame werking hebben op heel het economisch systeem, dat in essentie op ruil en uitwisseling moet gericht zijn, niet op bezit en meerwaarde.

Leve het lelijk fruit en de misvormde groenten dus, niet bestemd voor een stilleven maar gewoon voor compote. De “fruits sur une table ou nature au petit chien” kunnen op die manier misschien toch nog gered worden van Sotheby’s, als men tot het inzicht zou komen dat Gauguin maar een beetje kon schilderen en dat alles op een misverstand berust. Of misschien lustte hij geen appels. Het doek kan dan in Turijn blijven hangen om te vergelen, te krakeleren en uiteindelijk door beestjes opgepeuzeld te worden. Zoals zijn maker zelf. Cultuurbiologie dus, met de nadruk op het laatste.