Appels horen thuis in compote

GaugainHet verhaal is ondertussen bekend: een gepensioneerde arbeider uit Turijn had een werk van Paul Gauguin in zijn keuken hangen, als “verloren voorwerp” ooit gekocht voor twee keer niks. Het was al sinds 1970 gestolen uit de collectie van een rijke Engelse verzamelaar. Geschatte waarde van het werk, genaamd “Fruits sur une table ou nature au petit chien”: 35 miljoen Euro. De naam Gauguin zei de man hoegenaamd niets, hij vond het schilderijtje mooi hangen in de keuken. En gelijk heeft hij: appels horen in de keuken thuis.

Meteen een gelegenheid om nog eens aan linksdraaiende cultuurbiologie te doen, en door te bomen over de waanzin van het eeuwige kunstwerk, de verafgoding van het origineel, en de absurditeit om een stuk beschilderd doek te taxeren op 35 miljoen Euro.

Nature morte

FabreCultuurbiologie zei u? Jawel, de gespletenheid tussen leven en kunst, natuur en cultuur blijft me bezighouden. Ongenadig vreet de tijd, het ongedierte, maar ook onze eigen adem, aan de grote meesterwerken, die steeds weer moeten opgelapt worden. De natuur trekt zich van kunst niets aan.

Omgekeerd trekt kunst zich van de natuur niets aan, en, sterker nog, oefent ze een machtsgreep uit op het leven en de biomassa. Wanneer Leonardo da Vinci zijn Mona Lisa schildert, maakt hij van de levende vrouw die zijn model was, een spook. Hij vereeuwigt haar zogezegd -terwijl hij vooral zichzelf vereeuwigt- en ontneemt haar het lichaam.

Vroeger heb ik die bizarre manier van mummifiëren al in verband gebracht met de theorie dat mannen kunst voortbrengen uit rancune omdat ze geen kinderen kunnen baren. Hij vervreemdt en isoleert, balsemt en denaturaliseert zijn voorwerp. Hij haalt de natuur uit haar context en herkadreert haar binnen een zelfbepaald, willekeurig frame dat men als een gevangenis en een graftombe moet zien. Het kader is een tweedimensionele kist. In dit geval een praalgraf voor La Gioconda en haar bevroren lach. Humanistische hybris maar ook bedekte vrouwenhaat spreekt uit deze meesterwerken.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten voor dit vergrijp tegen het leven en de natuur.

Uitgerekend dit soort schilderijen is ook het uitverkoren voorwerp van kunstvandalisme (inkervingen, bijtend zuur…) waardoor men de Mona Lisa zelfs achter een glazen scherm heeft geplaatst. Mogelijk is voor vele toeschouwers de contradictie tussen de onaanraakbare mythe, en de onbekende vrouw van vlees en bloed die voor haar model stond, onverdraaglijk.

Het stilleven (nature morte) is een graf, de schilder is de man die doodt en conserveert. We kunnen niet anders dan hem heimelijk haten. Idem dito voor Gauguin, die de eetbare vruchten en het hondje herleidt tot onverteerbare verf op een oneetbaar doek. Een misdaad tegen de natuur. In die zin moet dat verhaal van de barbaar uit Turijn, die de geschilderde appels van Gauguin in zijn keuken ophing, gezien worden als een restitutie, een rechtzetting. Een symbolische deconstructie van de nature morte. Zoals ik al zei: appels horen thuis in de keuken, in de compote en daarna in onze maag.

Terecht steigerde het kunst-onkundige gepeupel toen Jan Fabre bij ons met zijn hespenpilaren uitpakte (Gent, “Over The Edges”, 2000). Met eten mors je niet, zegt de volksmond terecht. Voedselkunst is belachelijk en pervers,- dat geldt zelfs voor de haute cuisine en haar neiging om te picturaliseren, eten op het bord te schilderen. Overigens dienden de met ham beklede zuilen van de Gentse universiteitsaula vrij snel verwijderd, wegens schimmelvorming, ondanks de plastic folie. Of hoe moeder Natuur haar gram haalt.

Zeepbelkunst

Men zou dat motief van het kunstwerk als gestolen-gestolde, bevroren natuur, kunnen afdoen als een theoretische discussie, ware het niet dat er met pronkstukken zoals ‘Fruits sur une table” wel degelijk nog wat anders mis is. Of eigenlijk hetzelfde.

De geschatte marktwaarde van 35 miljoen euro is namelijk een abstract cijfer dat op geen enkele manier nog “’realistisch” kan genoemd worden, t.t.z. in redelijke verhouding met de productiekost (materiaal, arbeid, honorarium van de artiest). De kunstmarkt creëert absurde meerwaardes die beleggers aantrekken, eerder dan liefhebbers. Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij. Werken die in kluizen worden bewaard, zijn niet alleen artistiek waardeloos (wegens publiek ontoegankelijk), ze zorgen ook voor zeepbeleffecten, het aanzuigen van enorme geldmassa’s die niet meer voor normale investeringen beschikbaar zijn. Grof geld dat aan kunst wordt uitgegeven komt niet in het reguliere economische productiecircuit terecht, maar blijft in de speculatieve “bubbel” hangen, om rustig het einde van de depressie af te wachten. Zo maakt kunst vooral een kleine elite nog rijker.

Het kunstwerk wordt, in plaats van esthetisch consumptieproduct, een speculatief fetisj. Eerst vervreemdde Gauguin de appels, daarna vervreemden verzamelaars/beleggers nogmaals het schilderij.

grafiekIn dit pervers mechanisme verschijnen kapitaalkrachtige investeerders uit China, India, Rusland en natuurlijk de Golfstaten als grote spelers. Ze kannibaliseren het economisch systeem en gebruiken kunst als ultieme belegging op het moment dat andere zeepbellen op springen staan.  Bovenstaande grafiek toont hoe de omzetpieken van het kunstveilinghuis Sotheby’s telkens een crash voorspellen (achtereenvolgens het ontploffen van de internetzeepbel in 1999, de ineenstorting van de huizenmarkt in de VS en het failliet van Lehman Brothers in 2008, en de schuldencrisis van 2011). Dat betekent dat de superrijken de crisisbui zien hangen en massaal aandelen dumpen om kunst aan te kopen. Hetgeen de ineenstorting nog versnelt want daarmee wordt de kapitaalmarkt nog krapper en verhoogt nog het zuurtstoftekort voor de economie. Zo wordt de kunstzeepbel tegelijk symptoom en oorzaak van een systeem dat structureel altijd opnieuw moet crashen, en waarbij alleen de superrijken met voorkennis telkens hun vel redden.

Warmeluchtbakkers

HirstHet kan niet anders, of deze zeepbelkunst in een zeepbeleconomie moet ook zeepbelkunstenaars aantrekken. De Britse kunstcriticus en BBC-journalist Ben Lewis wijdde er een documentaire aan, getiteld “The Great Contemporary Art Bubble”. Hij geeft het voorbeeld van de Britse artiest Damien Hirst, die zich heeft toegelegd op in formol geconserveerde dierenkadavers. Jawel. Hirsch werd “ontdekt” door de steenrijke Britse kunstverzamelaar Charles Saatchi, en produceert uitsluitend in functie van de speculatieve markt, via een artistiek handelsmerk dat zorgvuldig wordt in stand gehouden, mede dankzij gewillige media en critici die allicht een graantje meepikken. Hij is het perfecte voorbeeld van een zeepbelkunstenaar die perfect de beurs in de gaten houdt en zijn prijzen weet op te drijven.

Op 15 september 2008, de dag dat Lehmann Brothers ten onder ging, verkocht Damien Hirst nog snel aan panikerende beleggers voor $ 127 500 000,- aan eigen “werk”. Waarna de crisis toesloeg. Iemand als Hirst moet men beschouwen als een warmeluchtbakker, een gewiekste oplichter die perfect inspeelt op de honger van steenrijke speculanten naar “veilige” beleggingen. In zijn zog opereren onze eigen Vlaamse hypekunstenaars, zoals Fabre, Delvoye, Tuymans en Borremans. Ze beheersen het marktspel compleet en spelen in op conjunctuurschommelingen en de vrees van beleggers voor drastische waardevermindering. Vooral als het economisch bergaf gaat doen ze gouden zaken.

Nutteloos en onterecht maken we ons boos op deze zeepbelkunstenaars: zij zullen stellen dat het traject van het kunstwerk doorheen de wereld deel uit maakt van het artistiek totaalproject. Het kunstwerk is een money-maker of moneytron (J.P. Van Rossem) en verdient als dusdanig ons respect. Of hoe het globalistische totaaldenken alle politieke kritiek wegveegt.

Creatieve industrie

wortelZo krijgen we een bizarre convergentie te zien tussen het kunstwerk als gedenatureerde natuur, en het kunstwerk met een opgepompte marktwaarde. Het is duidelijk dat artiesten net hier een belangrijk statement zouden kunnen maken, tegen het speculatieve kapitalisme.

In dat opzicht kan men de herwaardering bepleiten van zoiets als het kunstambacht, of, meer hedendaags: de creatieve industrie. Daarin wordt de marktwaarde van een kunstwerk enkel bepaald door de reële kost: materiaal, werkuren en –laten we niet krenterig zijn- een creativiteitsbonus. Door de beeldende kunst te integreren in het globale productieproces gaan we het parasitaire karakter tegen van de kunstenaar, maar ook de kannibalistische werking van de kunstmarkt. Een vrij copyright en een doorgedreven techniek van copiëren (“vervalsen”) en reproduceren helpt eveneens als preventie tegen zeepbelkunst en zeepbelkunstenaars. Het kunstwerk wordt vergankelijk als object, waardeloos als handelsgoed, maar oneindig multipliceerbaar. Hoe meer exemplaren van een werk, hoe minder het zich leent tot speculatie. Hoe twijfelachtiger de authenticiteit, hoe concreter (of meer persoonlijk) de waarde van iets wordt.

Daarbuiten wenkt ook de huis-, tuin- en keukenkunst als uiting van post-kapitalistische creativiteit: het nieuwe amateurisme waarin mensen gewoon dingen maken voor hun eigen plezier, en eventueel weggeven of voor een habbekrats verkopen. In deze configuratie koopt iemand dan, precies zoals de Turijnse arbeider, op de markt een schilderijtje voor een appel en een ei om in de keuken te hangen en niet om er zijn vermogen in te consolideren.

Straatkunst en graffiti, per definitie onverhandelbaar, zijn eveneens uitstekende strategieën tegen de vervreemding en de bubbelvorming. Een totale crash van de kunstmarkt kan een heilzame werking hebben op heel het economisch systeem, dat in essentie op ruil en uitwisseling moet gericht zijn, niet op bezit en meerwaarde.

Leve het lelijk fruit en de misvormde groenten dus, niet bestemd voor een stilleven maar gewoon voor compote. De “fruits sur une table ou nature au petit chien” kunnen op die manier misschien toch nog gered worden van Sotheby’s, als men tot het inzicht zou komen dat Gauguin maar een beetje kon schilderen en dat alles op een misverstand berust. Of misschien lustte hij geen appels. Het doek kan dan in Turijn blijven hangen om te vergelen, te krakeleren en uiteindelijk door beestjes opgepeuzeld te worden. Zoals zijn maker zelf. Cultuurbiologie dus, met de nadruk op het laatste.

 

 

 

 

 

Advertenties

10 Reacties op “Appels horen thuis in compote

  1. Dat kunst duur gekocht en verkocht wordt, heeft er veel mee te maken dat superrijken met hun geld originaliteit en authenticiteit willen kopen.
    In mijn ogen kopen ze dan een artistieke drol…

    Een kunstenaar heeft de behoefte om zijn artistieke drol te leggen, goed of slecht, dat maakt eigenlijk niet zo veel uit, als hij het maar kwijt is.
    Voor gewone stervelingen is die artistieke drol, ook gewoon een drol.

    De kapitaalkrachtigen op deze aarde leven in een andere wereld, waar andere normen en waarden gelden, waardoor hun waardeoordeel over kunst voor ons onbegrijpelijk lijkt.

  2. Pingback: Johan Sanctorum: Nature morte | Golfbrekers

  3. Kristine Verelst

    Wat de relatie tussen beeldende kunst en voedsel betreft: dat is een oeroud fenomeen dat, denk ik, vooreerst met schaarste te maken had. De grotschilderingen in Altamira zijn niet zomaar wat graffiti, wellicht gaat het over mensen die honger hadden en in het uitbeelden van voedsel (prooi) een rituele bevrediging zagen, of een soort magische representatie.
    Het is pas in de barokschilderkunst van de 16de eeuw dat het stilleven, bv. met fruit, een genre op zich wordt. Maar de filosofie ervan is dubbelzinnig: het gaat over voedsel, weelde, maar het is wel (zeer realistisch) geschilderd, het is een vorm van gezichtsbedrog die afstand en onthouding suggereert. Men kan nu eenmaal van een schilderij niet eten! Later zal Magritte dat idee parafraseren met zijn bekend “Ceci n’est pas une pipe”.
    Die lijn van het simulacre lijkt J. Sanctorum door te trekken naar het wereldje van de kunsthandel, die het gezichtsbedrog veredelt tot iets wat op het randje van de zwendel staat. Hier vind ik wel dat Johan namen citeert die niet helemaal bij elkaar horen. Tuymans en Borremans zijn zeer zeker “speculatieve” schilders die het goed doen bij beleggers. Fabre daarentegen is wel een charlatan (“warmeluchtbakker”) maar zijn fameuze hespenzuilen hadden geen economische waarde, juist omdat ze al na twee weken beschimmeld waren. Daar zit dus een verschil, misschien speelde Fabre wel mee met het idee van vergankelijkheid. Jammer uiteraard van het gemeenschapsgeld, verspild aan dit soort fratsen.
    De conclusie van het artikel, over creativiteit en nieuw amateurisme (“iedereen kunstenaar) roept dan weer herinneringen op aan eerdere teksten over werken-voor-het-plezier en het idee van een algemeen basisinkomen (“It ’s the economy, stupid!” – (https://visionairbelgie.wordpress.com/2013/09/26/donjuan/)
    … waar nu ook de piratenpartij van Sarah Van Liefferinge zich lijkt op te inspireren.
    Kortom, een artikel met veel aspecten en zijwegen…

  4. Sabine de Boer

    Karel Appel zei ooit: “Ik rotzooi maar wat”. En Anton Heyboer liet zelfs op tv zien hoe hij binnen een minuut 10 bijna onbetaalbare kunstwerken op papier smeerde. Hij moest er zelf om lachen. Wat is kunst? Een naam? Als iets emoties oproept, ja, misschien. Dat doet de natuur ook, zonder dat daar mensenhanden aan te pas komen….

  5. Stefaan E.R. Oplinus

    Volledig mee eens Johan. Anderzijds is de verzamelwoede toch ook wel begrijpelijk. Stel je voor: iets in je huis hebben hangen wat de échte Rembrand Harmenszoon van Rijn heeft geschilderd. Op dezelfde afstand staan van het doek als de meester. Zijn penseelstreken met je eigen ogen kunnen volgen. Ik denk dat zoiets de oorsprong is van wat uitmondt in een kapitalistisch beleggingsproduct?

  6. Christa Van Acker

    Ja, waarom schildert een mens, misschien wel om dezelfde reden waarom mensen fotograferen. Alleen is dat goed en mooi schilderen en weergeven niet aan iedereen gegeven, terwijl iedereen als hij niet bibbert wel eens een goede foto kan nemen. Vastleggen, bewaren, genieten, iets meer doen dan werken, en nuttig bezig zijn met saaie dingen. Dat van die kunstwereld, ja, dat is een geval apart. De pausen die bepalen wat belangrijk is en waarde heeft en hoeveel waarde dat heeft en hun heilig woord dat wordt gehoord. En de bezichtzucht en prestigedrang die waarden omhoog drijft. Waarom rijden er mensen met een auto die een huis kost en waar veel mensen hun leven voor moeten werken en sparen om dat te kunnen bezitten. Wij gewone mensen komen niet in de buurt van en op de bezit en geldmogelijkheden om hun plafontop te bereiken. Een gekke wereld de kunstwereld. Maar hier op de grond, is er veel meer moois en goeds aan kunst bereikbaar en betaalbaar om er van te kunnen genieten. De wereld is heel veel groter dan de speculatieve heilige top.

  7. Pieter Vandenberghe

    Het is in ieder geval door veel meer mensen geapprecieerd dan een Van Gogh in een Japanse kluiszaal. Compote eten onder de appels van Gauguin. Super. Een chambre d’amis. Paul draait zich om op zijn eeuwig strand en glimlacht naar de zon.

  8. Ivan Van Lint

    De kunstenaars herleiden tot loonslaven met prikklok zal in mijn ogen het probleem niet oplossen; sluwe managers zullen met de winst gaan lopen. waarom geen lekker radikaal alternatief; stage in een tibetaans klooster met gekleurd zand. met engelengeduld een mandala opbouwen en zodra die voleindigd is, de borstel erdoor. weg gehechtheid, weg winstbejag, weg ijdelheid …

  9. Karina Uyttersprot

    vind dat een vreemde stelling, die van de kunstenaar die doodt en conserveert en zich daarom aan de natuur zou vergrijpen, integendeel, vele (nu net niet de mona lisa nee) van de Da Vinci vrouwen zijn juist bijzonder mooi en gracieus en natuurlijk en ontroeren ons tot op het bot omwille van hun verfijning die toch ook des wereld, des mensen is. Nature mortes net zo goed, of juist te meer, hoe licht dat weerkaatst of zich verdiept in een tinnen schaal kan weergegeven worden (Fantin La Tour bijv,) of de transparantie van druiven, van bloemen zodanig bloem dat je er met geen enkele theorie meer aan kunt, vanzelfsprekend zoals de natuur ze ook maakt. Daarin is het gelegen, dat de kunstenaar dat kan, iets zodanig brengen dat alle verhalen van wat afgebeeld wordt, gewoon vergaan, er totaal niet meer toe doen. En ja, de business maakt dat verschil niet, die wereld draait rond nominaties en prijzen, en wie daarin trapt, is gezien want bedriegt vooral zichzelf. Niet vergeten, voor wat, hoort wat, hoe meer prijzen, hoe holler de mens, Zal de zichzelf bedrieger worst wezen, als het bedrog zoveel miljoen opbrengt.
    Het is een keuze die we maken. En toch kunnen afbeeldingen van appels of citroenen of peren ons ook nog iets laten zien. Dat wat ook de groene jongens zeggen: welk dier / welke diersoort zal onze eeuw nog overleven ? In de Poggio a Caiano hangen natura mortes waar je duizelt, zovele soorten van een enkele vrucht en we zijn die allemaal kwijt, blijven over met diegene waar het meeste geld mee te verdienen viel evenredig met het minste werk ook de lelijkste. Een teken aan de wand voor wie echt van kunst houdt en dus van de natuur.

  10. Greta Troubleyn

    Weinig VISIE in dit postje lijkt me. Je begint met het schilderijtje van Gaugain wat vrij waardeloos in een Turijnse keuken hing en je eindigt met het daar waardeloos te laten hangen???
    (Zelf vind ik het afschuwelijk, geen Gaugain waardig en zou er nog geen 5 euro aan willen spenderen, maar dit terzijde).
    Laat er nu een gek en laat het dan een Chinees zijn, dan is het zo gek nog niet nu 35 miljoen euro voor wensen te betalen, is dit toch een kapitaalsinjectie voor Europa waar het sowieso verschillende wegen zal bewandelen.
    Voor de Chinees maakt het niet uit dat nadien de hele markt instort, het schilderij minder waard, hij heeft het ginder al lang kunnen commercialiseren en kapitaal verveelvoudigen, hem gaat het om de eer en het vereeuwigen van zijn naam verbonden aan Gaugain en hij ooit een zeer geslaagd zakenman was die een dergelijk bedrag kon neerleggen ervoor. Als later het schilderij uitgeleend wordt aan musea zal zijn familienaam prijken in de brochure “uit de privécollectie van”. Dat het schilderij daarna minder waarde heeft zal hem worst wezen.

    Dat sommige kunstenaars kunnen genieten van een hype kun je enkel maar toejuichen, het moeten niet allemaal Vincent Van Gogh’s zijn die zelf in de grootste ontberingen moest leven en er later dan een grote commercie rond draait, alhoewel hij dit zelf wel zou kunnen toejuichen vermoed ik.

    Compote is ook smossen met eten, want waarom de ongezondere compote eten als de appel er reeds in de natuur hangt (alhoewel ook niet meer, want we krijgen de oogst van het vorig jaar maar soit)? Voor de natuur is compote eten sowieso slecht, economisch uiteraard compote. Je kan het aan de cloaca van Delvoye koppelen, vermoedelijk zal de biomassa die je produceert van compote harder stinken dan die van appels.
    Misschien een leuke test voor studenten – een groep op appels en water zetten en een andere groep op compote en water – kijken wat de resultaten geven aan hoeveelheid, geur en fit gevoel ervan 😉 🙂