Maandelijks archief: mei 2014

Villa Politica, of de leegte van het machtsspel

dwvdirupo Nu het ons voor de Belgische verkiezingen duidelijk is gemaakt dat we enkel nog voor of tegen Bart De Wever kunnen stemmen, in casu “tussen het PS-model en het N-VA-model”, kunnen we spreken van een polarisatie, en dat heet goed te zijn voor de kwaliteit van de democratie. Zelf heb ik altijd in polarisatie geloofd, het zijn de uitersten die het politieke debat zinvol maken. Herakleitos (“De oorlog is de vader van alle dingen”) is altijd mijn filosofische Urheber geweest. Maar de laatste tijd heb ik mijn twijfels. Is dit wel een echt duel, of lijkt het meer op een geënsceneerde worstelpartij? En wie ensceneert er dan eigenlijk? Met welk oogmerk? Cui bono? Wie heeft er baat bij?

Het ultieme pre-electoraal essay, dat alle rode potloden wil onscherp maken en alle stemcumputers viraal infecteert.

1.  Plutocratie: de zoektocht naar de onbewogen beweger

parlementDe vraag wie het debat tussen Di Rupo en De Wever, links en rechts, zou winnen, is veel minder essentieel dan de vraag wie het organiseert en bemeestert. De media? Maar wie zit er achter die media? De concerns? Het wereldkapitalisme? De G8? De Bilderberggroep? Een buitenaards dispatchcentrum in de Himalaya?

Deze vraag naar de plutocratie, de (geheime, discrete) macht achter en voorbij het politieke geharrewar, wordt veel te weinig gesteld.  Het vermoeden van een macht-achter-de-macht.  Wat Nietzsche omschreef als de “Wille zur Macht” gaat eigenlijk daarover: we bezitten geen macht, het is de macht zelf die ons bezit. Dus helpt ook het doden van tirannen niet, er komen er steeds weer andere in de plaats. De revolutie is een maat voor niets. En deze crux interesseert me als metapolitiek filosoof mateloos: wie of wat is voor deze herhaling verantwoordelijk?

In die zin is de doorsnee-analyse, dat Bart en Elio elkaar als tegenstrever uitkiezen, omdat hen dat goed uitkomt elk aan hun kant van de taalgrens, absoluut triviaal én veel te flatterend voor beiden. Ten gronde ben ik ervan overtuigd dat ze ook maar marionetten zijn en dat we moeten zoeken naar het subject achter deze oorlog. Of misschien wel achter elke oorlog. Waarom doen ze dit eigenlijk?   Onlangs woonde ik een hanengevecht bij, en dat was een eye-opener: die hanen hebben niets in de pap te brokken. Bij elk gevecht is er ook iemand die toekijkt en regisseert. Hij is de eigenlijke winnaar.

Doorheen het vermoeden dat alle polariteiten doorstoken kaart zijn, kunnen we nu eindelijk de overgeleverde Herakleitos-boutade helemaal tot het uiterste doordenken: de oorlog is de vader van alle dingen, dus is die vader ook de vader van alle oorlogen. Wie geeft dan nog om het kinderachtige duel tussen de zonen? De vraag naar de ultieme Godfather voert ons onmiddellijk naar de omvangrijke literatuur van de complottheorieën, die door geen ernstig mens au serieux worden genomen, en dat maakt ze des te plausibeler.

Ook Bart en Elio zijn maar kleine marionetten in een theater waarvan de regisseur heel moeilijk te benoemen is.

Compleet luidt dat Herakleitos-fragment overigens:

Oorlog is de vader van allen en koning van allen.
Sommigen laat hij goden zijn, anderen mensen.
Sommigen maakt hij tot slaven, anderen vrij.

Vader dus, met of zonder hoofdletter. Een niet-benoemde Koning. Herakleitos (en daarmee zijn voornaamste leerling, Friedrich Nietzsche) maakt de link tussen politieke kritiek, religieuze kritiek en psychoanalyse. Door die Vaderfiguur op te roepen (géén moederfiguur) maakt hij van de oorlog zelf eigenlijk maar een tragikomedie, een theaterstuk dat door Iemand van buiten het universum geschreven, bedacht, gedirigeerd is. Ergens moet er een absolute kracht zijn die, puur voor het plezier van het drijven zelf, al de rest in beweging zet. Onnoemelijke lichtheid en absolute zwaarte, in één formule vervat.  Deze hypothetische onbewogen beweger, noemen we hem Pluto, ensceneert de tegenstellingen… gewoon om zijn macht te bevestigen. Daarachter is er geen antwoord meer op de vraag “cui bono?”.

Elke grote complottheorie, die haast de kracht moet hebben van een scheppingsverhaal (scheppingsverhalen zijn trouwens de oervorm van de complottheorie), gist naar deze “transcendente” figuur, waarbij men moet bedenken dat talloze aardse godfathers als kleine regisseurs een klein vlooientheatertje mogen beheren. Elke dictator is maar een futiele stand-in voor Pluto, alias de Wille zur Macht, alias de Vader van Herakleitos.

De minachting voor het politieke bedrijf komt uit dat inzicht voort. Voor een echte alleenheerser zou ik nog buigen, maar alle dictators zijn slechts plaatsvervangers, stand-ins voor iets groter, onzichtbaar, ongrijpbaar. Om nog maar te zwijgen van verkozen politici. Macht is niet enkelvoudig, ze is gedelegeerd en uitbesteed, maar een criticus kan niet anders dan tenminste proberen het uiteinde van die ketting te vinden.  Een retrograde zoektocht naar de onbewogen beweger en oorsprong van alle tegenstellingen, waarbij men veroordeeld is om alle etappes en tussenpersonen in kaart te brengen. Ook de meest lachwekkende. Niccolò Machiavelli had minstens een vermoeden van die lange ketting. Hij is er halverwege afgevallen.

2. Democratie, of de macht van Niemand

stembureauDe ultieme machtsanalyse, als zoeken naar God via zijn plaatsvervangers: zeer snel worden zowel Elio di Rupo als Bart de Wever onooglijk klein, tot het formaat van dorpspolitici. Zij bespelen het publiek, en worden bespeeld.

Maar ondertussen is er natuurlijk ook de massa van de machtelozen, het publiek. Wat is de rol van het volk in deze enscenering? Pure toeschouwers? Schijn bedriegt, want in een democratie heeft het volk zelf de macht. Hoe kan dat? Hoe dit te rijmen met de complottheorie rond de onbewogen beweger?

Hiervoor moeten we weer uit een nieuw vaatje tappen, en het Nietzscheaanse gezegde “God is dood” toevoegen aan de Plutokratische algebra. We rekenen verder: als God-de-vader de oorlog ensceneert, én als God dood is, wie ensceneert dan de oorlog? Niemand? Inderdaad, de nagel op de kop: Mr. Nobody, alias de naamloze massamens, het andere uiteinde van de ketting. Diegene die geen enkele macht had, erft nu die macht, zonder ook maar enigszins te weten wat ermee aanvangen. Hij stemt dus, kleurt een bolletje rood, brengt de kemphanen in de arena. Lusteloos, volatiel, onvoorspelbaar, ongeïnteresseerd eigenlijk. En dat maakt die mijnheer Niemand, gek genoeg, tot een absolute schemertiran die de politieke klasse verwart en kwelt.

We vinden die omgekeerde slavernij vandaag terug in de politicus die zijn kiezers achterna loopt. Di Rupo en De Wever doen het beiden. Elk zijn ze veroordeeld om hun aanhang, die ze mathematisch vermeerderd willen zien, te behagen en naar de mond te praten. Bang zijn ze van de kiezer, de machteloze macht die willekeurig, haast blindeling zijn potlood laat vallen op het stembiljet.

Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid.

En zo is meteen het antwoord gegeven waarom we dat uiteinde van de machtsketting niet vinden: de Plutokratische logica heeft zich omgekeerd, en loopt van onder naar boven. De democratie is wel degelijk een feit, het volk regeert, maar het theater is er niet beter, schoner, fraaier op geworden. Integendeel. Een beroepsklasse van middelmatige demagogen heeft zijn intrede gedaan, volkspolitici die weten dat ze niets te zeggen hebben en dat ook niet erg vinden, want het is uiteindelijk een broodwinning als een ander. Het zijn sportlui, worstelaars, en spiegelen zich aan de sport, omdat ook hier de vedette leeft van zijn publiek. De sportvedette is de speelbal van de supportersmeute, zelfs zijn charisma bestaat maar bij genade van het publiek. Zo zijn we weer bij de hanengevechten, maar dan zonder Godfather.

Het volk regeert, wedt, kiest, bewondert, schiet af, zonder dat iets van boven uit, een willende macht, nog voor enig tegengewicht zou kunnen zorgen. Niets hindert nu nog de opstoot van het vulgus. Alleen door rond de pot te draaien, en net niet te zeggen waar het over gaat, verwerft de demagoog enig uitstel van executie. De demagoog, niet begrepen als “volksmenner” (dat is een slechte vertaling), maar als antenne die gedoemd is om de “signalen” van het volk op te pikken, wat dus “draagvlak” oplevert.

Anti-democratische cultuurpessimisten kunnen hier nu voluit gaan, en ze hebben gelijk: als de massa regeert, is het einde nabij. Uiteindelijk schenkt ons de democratie de bestuurders die we verdienen, en dat zijn de dorpsburgemeesters, met een mix van sluwheid en domheid. Plato voelde het aankomen, en dacht dat de filosofische koningen de wereld gingen redden. Een staatsgreep die mooi niet doorging: als het ultieme tegengewicht bovenaan verdampt, kan niemand de verticale top-down-ketting nog redden, ook geen verlichte despoot, zelfs niet met de meest edelmoedige en filantropische bedoelingen. De Atheense democratie was toe al geboren, Socrates had de straat al onveilig gemaakt.

3. Zoek de kip: Lysistrata – Xantippe

femenDe dictatuur deugt niet, de democratie nog minder. De machtsstrijd is leeg en wordt daarom steeds theatraler, een spel dat ons gaandeweg degouteert. Proefballonnen, leugentjes-om-bestwil, achterbaks gekonkel in de coulissen: als God niet dood was, viel hij ter plekke omver.

Des te meer wekt het verbazing, dat men vrouwen actief bij dit kinderachtig hanengevecht probeert te betrekken. Of beter: het past perfect in het plaatje, want echte, onzijdige toeschouwers die zich aan het publieke-politieke machtsspel onttrekken,- daar zit de zwakke plek van heel het circus.

Ik vernoemde Socrates –waarvoor Nietzsche een enorme minachting had-, maar eigenlijk wil ik het over Xantippe hebben, zijn vrouw die thuisbleef, zich niet met politiek bemoeide (was in het Athene van toen overigens niet toegestaan), maar hem desalniettemin probleemloos de baas kon. Hoe apolitieker de vrouw, hoe gevaarlijker ze is. Via de keuken bezit ze de macht om te belonen en te bestraffen, zelfs om te vergiftigen. Het verschil in levensverwachting tussen vrouwen en mannen heeft daar allicht mee te maken: er worden meer mannelijke partners geëlimineerd dan de statistieken laten vermoeden.

Deze zwarte-weduwe-moorden worden echter doorgaans vervangen door seksuele chantage: het is dikwijls veel leutiger om een man in bed de geneugten te ontzeggen, dan hem simpelweg om te brengen. Mannen hebben vrouwen meer nodig om hun lust te bevredigen, dan vice-versa. Terecht spreekt men van het huwelijk als geïnstitutionaliseerde prostitutie, met dien verstande dat ook hier de echtgenote/concubine de touwtjes in handen heeft door voorwaarden te verbinden aan de penetratie door de echtgenoot/cliënt. Anale seks staat aan de top. Vrouwen hebben er niets aan, maar als pasmunt en drukkingsmiddel is het voor hen een zegen. De dag dat vrouwen gemeenzaam beslissen om op die manier een politieke partij te promoten, zijn de dagen van alle andere partijen geteld.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht. Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. 

Uiteraard moeten we hier verwijzen naar Lysistrata, de komedie van de Griekse kluchtschrijver Aristofanes, waarin vrouwen zich op een onorthodoxe manier mengen in de Atheens-Spartaanse oorlog (Di Rupo – De Wever?) door de kemphanen aan beide zijden met een seksstaking te confronteren. Tussen de lakens dooft elke politieke machtsstrijd uit. Zie DSK en alle andere fallokraten. Onnodig te zeggen dat daarmee elk hanengevecht snel zijn glans verliest: vrouwen hebben geen politiek nodig, maar omgekeerd des te meer. Noem het de buitenspelval van Lysistrata (letterlijk: “zij die de macht ontbindt”) en Xantippe.

Wellicht daarom werd enkele dagen geleden een campagne opgestart om meer vrouwen in de politiek te krijgen, onder het motto “Let’s make it fifty-fifty”. Evenveel vrouwen als mannen in de regering, luidt het devies, en liefst ook in de administratieve topambten en alle parlementen die dit land rijk is. Een aantal politieke boegbeelden zet er zijn schouders onder. Vreemd genoeg een aantal oude ratten uit de tijd dat de dieren nog spraken en politiek een mannenzaak was, zoals Mark Eyskens, Herman de Croo en Willy Claes. En dat is heel logisch: een politieke recuperatie van het vrouwelijk electoraat is essentieel om een seksstaking – of erger- te vermijden.

Het vrouwelijk stemrecht, én deze “Make it fifty-fifty”-actie, hebben vooral tot doel om deze infra-politieke vrouwelijke subversie te bezweren.  Geef ze status, laat ze ook een petje dragen, en de dreiging van de keuken én het bed neemt af. Zo wordt die stem-vrouw-actie het summum van subtiele macho-strategie.

De conclusie is,- en het is niet de eerste keer dat het hierop uitdraait,- dat alleen buitenpolitieke krachten de machtslogica kunnen doorbreken. Vrouwen, blanco-stemmers, misschien zelfs dieren (die net daarom ook ooit wel stemrecht zullen krijgen, eens ze een “doelgroep” vormen). Het aantal blanco-stemmers en thuisblijvers in België (waar de opkomstplicht geldt) ligt nu rond de 15%. Dat is al de omvang van een middelgrote partij. Met de toenemende leegte van het machtsspel en de holheid van de woorden, wordt ook stemmen zelf een zinloze bezigheid.

Het beste wat vrouwen kan overkomen, is het verlies van hun stemrecht (in België ook een stemplicht). Dan geldt weer de wet van bed en keuken, en daar heeft de man geen verhaal. Dan komen heel andere scenario’s weer aan bod, waarin de oorlog en de kiesstrijd stilvallen wegens privé-problemen. Keuken, haard en bed zijn de drie gevarenzones, door de Grieken gezamenlijk als “oikos” betiteld, als tegenpool van de publieke “polis”, alias de Villa Politica.

Zo komen we eindelijk tot de enige echte oorlog die alle andere in de schaduw stelt, de meest extreme maar ook de meest opwindende: de oorlog tussen de seksen, het echte onderwerp van Aristophanes’ klucht. Met een gerust geweten kunnen we voor elk TV-debat de knop omdraaien en die ene Grote Oorlog voortzetten waar we gestopt waren.

 

 

 

 

 

 

Afslag 0: op zoek naar de vrolijke file

Voor een nieuwe filosofie van het wachten en het oponthoud

file2Al bijna 20 jaar wordt in Antwerpen gebakkeleid over de zogenaamde Oosterweelverbinding die het sluitstuk moet vormen van de Antwerpse Ring en het fileprobleem moet oplossen. De politiek verdrinkt erin, letterlijk. Momenteel wordt er een bitsige strijd gevoerd over het aantal rijstroken dat die Ring zal tellen: op sommige plekken 29, veel te veel volgens de Groenen. Willen ze dan meer files? Neen, natuurlijk niet, zelfs de voorstanders van de onthaasting willen geen stilstandverkeer en ijveren voor een “vlotte doorstroming”.

Gelukkig is er mobiliteitsexpert Kris Peeters (niet te verwarren met zijn naamgenoot, de Vlaamse Minister-President), die het over een existentiële boeg gooit: een file is gewoon een wachtrij, en het wachten kan men beter aangenaam doorbrengen, als verpozing. De tijd doden dus, zoals we zeggen. Gebruik de file om dingen te doen die u anders niet zou kunnen doen. Politiek-cultureel dynamiet, zo blijkt.

Modus Vivendi

file

E40, 5 mei 2014

Deze Kris Peeters heeft het niet voor auto’s en pleit al sinds mensenheugenis voor meer en beter openbaar vervoer. Maar ook daar is het alsmaar wachten tot de bus of de trein komt. In zijn jongste boek ‘Weg van mobiliteit’ durft hij eindelijk de file openbreken, en stelt hij dat we toch ook niet mopperen als we aanschuiven voor het Colosseum of een attractie in Bellewaerde. Waarom niet? Omdat we dit als een stuk quality time beschouwen, een vrijetijdsritueel.

Aldus luidde het explosieve zinnetje in een DS-interview met de mobiliteitsdeskundige: “Ik pleit ervoor te zoeken naar een modus vivendi met files. Dat is beter dan anderen én onszelf wijs te maken dat we ze ooit zullen oplossen.” Met andere woorden: het is vooral Hajo Beeckman van het Vlaams Verkeerscentrum, en andere filewatchers zoals Maarten Matienko van de automobilistenvereniging VAB,  die ons op de zenuwen werken met hun tijdingen over “fileleed” en hun stilstandsmelancholie. Het kan anders. Ooit heeft een radiozender het aangedurfd om een fileconcert te organiseren, ergens op een autostradeparking. Het sloeg niet aan, begrijpelijk: de automobilisten luisterden teveel naar Hajo Beeckman op de radio, en willen vooruit.

Wachten dus. Het bestaat als esthetische ervaring. Van de jager die urenlang zijn prooi observeert, over de duivenmelker, tot de triangelspeler in het orkest die twee uur rustmaten aftelt tot hij die ene ping mag laten horen. Dit Zen-motief geeft aan de wachttijd een totaal andere invulling, namelijk van de vervulling. Niet het beoogde doel primeert, maar wel het uitstel op zich, en de beleving daarvan. Op die manier is het uiteraard geen wachten meer, maar wordt de wachttijd een soort bubbel, een uitstulping in de lineaire tijd, een intermezzo. We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

In die zin zouden files ook kwaliteitsplekken kunnen worden waarop gekeuveld, gelachen, gegeten, gerookt, gespeeld, gediscussieerd, gevrijd wordt. Wachttijd die zich ontpopt tot quality time, en zo de vaste programma’s doorkruist. Af en toe ziet me ze ook: de wegbermtoeristen met opklaptafeltje (dikwijls Hollanders, kunnen we nog wat van leren) en de beachballspelers op het asfalt, als het echt helemaal en “hopeloos” dicht zit. Ook de zgn. “kijkfile” is een esthetisch moment van oponthoud dat de snelheidsdwang en de roep van de bestemming negeert: de file aan de overkant die als het ware de tegenliggers meesleurt in de traagte.

Onnodig te zeggen dat deze wachttijd, gesublimeerd tot kwaliteit, systeemverstorend werkt. Files worden door dat systeem dan ook graag becijferd als economische schade. Erger nog, zouden filegenoegens mensen op het idee zouden kunnen brengen dat aankomen er niet echt meer toe doet, hetgeen onze prestatiecultuur totaal zou bederven. Voor een groot deel is de Antwerpse BAM-obsessie rond die Ring ingegeven door die systemische paniek. Wat als mensen hun contactsleutel zouden omdraaien en zomaar in de berm gaan picknicken?

Leven, werken, lijden, wachten op Godot

GodotZo worden snelheid en doelgerichtheid primordiaal in een systeem dat het sublieme wachten  wil vermijden. Elke minuut file is er een teveel. Deze tijdopvatting is, vergis u niet, bij uitstek romantisch. Er is geen tijd meer, het moet vooruitgaan. De Faustische mens wil stromen en doorstromen, elke stilstand is achteruitgang. Het doel-einde fascineert zodanig, dat het wachten ondraaglijk wordt, getekend door een alles verterend ongeduld dat door Johann Wolfgang von Goethe een schier oneindig aantal maal geparafraseerd is, zoals in de overbekende passage uit Faust, waar hij Gretchen aan het spinnewiel aldus laat kankeren:

Meine Ruh ist hin
Mein Herz ist schwer
Ich finde, ich finde sie nimmer
und nimmermehr.
 

Richard Wagner zal dit ongeduld even later nog uitvergroten en hyperboliseren, zoals hij met alles deed, in zijn Tristan und Isolde, meer bepaald de inleiding van de 2de akte waar Isolde jachtig hijgend vooruitblikt op de lust van de seksuele gemeenschap. Deze vooruitblik maakt het heden tot een hel. Elke seconde is er een te veel, het leed is onnoemelijk. “10 minuten wachttijd” zou Hajo Beeckman met een grafstem verkondigen. Want zolang laat Wagner haar sudderen in haar foltering van de traagheid (“O spar mir des Zögerns Not!”).

Zo wordt het romantische ongeduld de prelude van de hedendaagse snelheidscultus, het utilitarisme én van de consumptiemaatschappij: alles is gericht op snelle vervulling, die even later weer een leegte oproept die even snel weer vervuld moet worden. Hoe vervelender het wachten, des te intenser wordt de drang naar vervulling. Ongemerkt echter wordt zo heel het leven een afzichtelijke, van onlust vervulde wachtrij: leren als wachten op een diploma, werken als wachten op een loon en de daaraan verbonden mogelijkheid om te consumeren, wachten op promotie en statusverhoging, dan wachten op het zo lang verwachte pensioen, tot men alleen nog op de dood kan wachten. Een wachttijd die dan via euthanasie ook ingekort kan worden.

We wachten al heel ons leven. Waarop wachten we om de wachttijd zelf tot levenskunst te maken, inderdaad, een modus vivendi?

De moderne economie is dus romantisch geframed, opgebouwd op uitstel én begeerte én ongeduld. Men moet lijden alvorens te genieten, zodat het doel primeert. Men zou niemand aan het werk krijgen moest het loon vooraf betaald worden, en het genot aan de beproeving zou vooraf gaan. U moet dus werken en niet-genieten om het genot te verdienen,- maar dat impliceert ook dat het werken nooit een esthetische kwaliteit op zich mag krijgen die het loon zelf zou kunnen vervangen. Werken is wachten, maar dan ingevuld als plichttijd waarbinnen men rechten op genot opbouwt. De workaholic, de mens die opgaat in de arbeid zelf, is dus even slecht voor een utilitair systeem als de werkloze of de luiaard. Het best functioneert onze economie dankzij tamelijk gealiëneerde arbeid, die wordt beleefd als een prikkloktijd “in afwachting van”.  Doorstromen blijft het sleutelwoord.

Het al even bekende toneelstuk van Samuel Beckett, “En attendant Godot” (1952), waarin Vladimir en Estragon wachten op een mysterieuze figuur die wel aangekondigd wordt, maar niet opdaagt, en waarbij de twee in afwachting maar wat rondhangen, stelt deze problematiek op scherp. We doen eigenlijk niets anders dan wachten, leven op vooruitzichten en beloften, zonder dat we erin slagen om dit wachten zelf op een zinnige en esthetische manier in te vullen. Het is ons niet gegund om kracht uit het heden te putten, alleen Godot houdt ons overeind. Het wachten is dus onnoemelijk monotoon en kwaliteitsloos zoals het stuk van Beckett zelf.

Heterotopie

Wetteren

In de bosjes tijdens een monsterfile op de E-40 (Autostradeparking Wetteren, 5/5/2014)

Om terug te keren naar immobiliteitsfilosoof Kris Peeters: hoe van deze monotonie een polyfonie maken, een kwaliteitscluster in de verkeersknoop? – dat is de hamvraag. Godot komt alleen als wij hem willen, dat betekent: als we hem niét meer willen, als fata morgana en demon van het uitstel. Zo wordt elk moment een vindplaats en elke vertraging een opportuniteit. 5 mei 2014, een dag zoals een ander, en toch weer niet, en eigenlijk niet na te vertellen, al probeerde James Joyce het in zijn Ulysses.

Deze zoektocht naar de vrolijke file is geen geitewollen-sokken zaak. Het “groene” gedachtengoed is bij uitstek een Westers-decadent vermoeidheidssyndroom waar we vanaf moeten geraken. Er zijn andere, meer authentieke modellen van onthechting. Ik verwees al naar Zen en het meditatieve moment, maar het zou evenzeer Zuid-Europees of Afrikaans kunnen zijn: de tijd naar zijn hand zetten, niet via de snelheid maar net via de traagte, de luiheid en de inefficiëntie, waardoor de doelen, altijd verbonden met een ideologie of een systeem, moeten wijken voor de middelen en het “hoe”, die een doel op zich worden.

Vreemd genoeg zal dat misschien ook het klimaatprobleem oplossen: zet de motor af terwijl u wacht en doe iets leuks. Dé fabriek zal niet draaien, maar uw fabriek wel. De verschuiving in het genotsperspectief van het doeleinde naar het wachten zelf, maakt dat Gretchen en Isolde zouden beseffen dat Faust en Tristan maar de wortel zijn die voor de ezel hangt, en dat het leven te kort is om iets na te jagen dat altijd elders is.

Zowel existentieel als socio-politiek kunnen de doeleinden nu verder wegdeemsteren en kunnen we ons eindelijk op het uitdijende heden gaan concentreren. We verlaten de politiek en zijn loze beloften. Wachten op vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkheid, het einde van België, de klasseloze maatschappij, het groot lot, het hiernamaals: het zijn allemaal verloren zaken, utopieën die het echte leven vergallen.

Het is voor mij als filosoof een kwestie van voortschrijdend inzicht: ooit zag ik in elke wachtrij een veruiterlijking van bureaucratisch despotisme. Nu, met het eindeloze wachten op de uitbreiding van de Antwerpse Ring, maar ook in het postkantoor en de supermarkt, begin ik te beseffen dat het vooral kwestie is om die wachttijd aan het systeem te onttrekken en daarbinnen autonome spellen of ander bedrijvigheden, zelfs micro-economieën te installeren.

In die zin laat de Franse filosoof Michel Foucault de utopie voor wat ze is, en introduceert hij de mogelijkheid van een heterotopie: plekken die noch publiek noch privaat zijn, maar iets ertussen, en uitnodigen tot een beleving van het hier en nu. Maar daar waar Foucault die plek van het intermezzo nog “architecturaal” en industrieel opvat, en verwijst naar bioscopen, pretparken, sauna’s en bordelen, belet niets ons om die “andere plek” gewoon willekeurig te installeren waar het ons goed uitkomt, namelijk vooral daar, ergens tussen het begin- en een eindpunt van de etappe, in het oponthoud. De wegbermen en de autostradeparkings dus, waar je ook (weliswaar nagemaakte) Cartier-horloges kunt kopen voor één Euro.

Trekt men deze lijn door, dan wordt elk besef van tijd en ruimte anders, en ontlenen we steeds meer identiteit aan de plekken waarop we stilstaan, zomaar. De vaste woonplaats zou dan verdwijnen, ook al staat ze nog op onze identiteitskaart, en wordt vervangen door een meer existentiële cluster van plekken, die samen eventueel een statistisch midden zouden kunnen vormen. Zo woont de pendelaar die dagelijks van Antwerpen naar Brussel rijdt, “heterotopisch” eerder ergens in Mechelen, zijnde het gemiddelde van alle denkbare en ondenkbare stopplaatsen op dat traject, waar zich files kunnen voordoen met alle interessante verwikkelingen van dien.

Het sublimeren van de wachttijd kan niet anders dan leiden tot een nieuw nomadisme waarin onderweg zijn belangrijker is dan de bestemming, en waarin de lust zich vooral realiseert in het heden, op tussenplaatsen. In die zin moeten de autostrades niet breder en de treinen niet stipter, want dat maakt het spel, de flirt of de romance net onmogelijk, en leidt ons tijdsbewustzijn opnieuw af naar de “onmogelijke liefde” als ultieme bestemming of eu-topie.

Het vinden van afslag 0 is niet eens een project, het is een potentie die zich constant voordoet, overal op elk moment. En hoe minder men zoekt, hoe lager de toerentalteller, hoe sneller hij gevonden wordt. Het Verkeerscentrum kijkt verslagen toe.

 

 

 

 

 

 

Het racisme is een humanisme

sartre_kopMet deze schandalig ogende titel parafraseer ik, zoals de lettervreters onder u al begrepen hebben, het essay van Jean-Paul Sartre uit 1946   “L’existentialisme est un humanisme”. Het is deze tekst van een lezing, gegeven op 29 oktober 1945 in de Club Maintenant te Parijs, die Sartre tot numero uno in het pantheon van de moderne Franse intellectuelen heeft gehesen. Een opgang die in dat land in die periode slechts met deze van Charles de Gaulle kan vergeleken worden.

Toch kreeg de filosoof met de kikkerogen toen al het verwijt dat hij met die lezingtitel de term “humanisme” tot een stoplap en passe-partout degradeert. Daar is iets van. Men zou dan verder kunnen gaan en boekjes publiceren onder de titel “Het vegetarisme is een humanisme” of “Petanque spelen is een humanisme”.

Iedereen en alles humanist? Het lijkt me een onvermijdelijke preconclusie. Onder het motto “Niets menselijks is me vreemd” van de Latijnse komedieschrijver Terentius, kan het woord “humanisme” inderdaad niets anders dan een containerbegrip zijn, dat wij allemaal met veel vreugde zelf invullen. Er zijn, tot spijt van het Humanistisch Verbond, zoveel humanisten en zoveel definities ervan, als er menselijke specimen op deze aardkluit rondlopen.

Het woord dan maar schrappen? Misschien. Tenzij men het net tot grondslag maakt van een nieuwe antropologie die “de mensheid” deconstrueert tot een kluwen van existenties die hun weg zoeken in een wereld die ze niet gemaakt hebben en die hen ook nauwelijks zal missen als ze verdwijnen.

Dat brengt ons meteen tot de kern van Sartres vertoog, rondom de vraag: wie ben ik en wat doe ik hier? En vooral gij, wat doet gij hier?

Existentie en identiteit: de filosoof kleedt zich uit

Sartre_zeeHoofdmotto van het Sartriaanse existentialisme is het overbekende adagium “De existentie gaat vooraf aan de essentie” (L’existence précède l’essence). Inderdaad,  ideologie, religie, filosofie, cultuur en moraal kunnen als “zingevers” wel mooie praatjes verkondigen en de schijn ophouden, maar uiteindelijk worden we naakt geboren en zijn we op weg van nergens naar nergens.  We zijn allen vreemdelingen, aliens, geworpenen. De zoektocht van het individu naar zichzelf en zijn plaats in de wereld is geen beschouwelijke, academische bezigheid maar een permanent soort individueel activisme dat soms meer weg heeft van gespartel: in het begin is er de daad. Pas in het handelen, en de keuzes die daarmee gepaard gaan, creëren we een “aura”, een individualiteit, een tweede huid, een als zinnig herkenbare levenswandel. Het existentialisme is met andere woorden een identiteitsfilosofie avant-la-lettre.

Dat Sartre de mosterd haalde bij (de onder de nazi’s vlijtig doorwerkende) Martin Heidegger, is algemeen bekend. Deze Duitse filosoof stond aan de verkeerde kant en moest zich in barre tijden uit de slag trekken, wat een verpletterende verantwoordelijkheid oplevert: leven is kiezen, en (meestal) verliezen. Heidegger was dus goed geplaatst om een bom te leggen onder drie millenia Westers denken, door elke metafysica af te zweren en het Dasein, het hier-en-nu van de enkeling, als handelend wezen, wereldverbeteraar, schone mens, smeerlap, collaborateur, of gewoon overlever, als enig geldig uitgangspunt te nemen.

De daad dus, en het er-zijn, be-staan (dit is de filosofie van de streepjescodes). Elke vrijheid heeft haar consequenties en wordt cash betaald, geen enkele daad is vrijblijvend, zomaar. Het weze overigens gezegd dat Heidegger veel radicaler was dan Sartre, en in 1949 zelfs opperde dat diens “humanisme” toch terug het abstracte, Cartesiaanse denken invoert en zich in de aloude ideeëngeschiedenis wil inschrijven. L’ être et le néant is inderdaad voor 99,999% van de mensheid compleet onleesbaar, geschreven in een duizelingwekkend filosofisch jargon, iets wat Heidegger zelf zorgvuldig vermeed. Een filosoof moet zich echt uitkleden, en niet stoppen bij het ondergoed.

De Andere en zijn lijfgeuren

Sartre_beauvoir2De vraag is hoe-dan-ook –en daar trekt Sartre de humanistische schuif open-, wat de betekenis is van de Andere in dit traject van het enkelvoudige Ik. Wel, primair is de andere onmisbaar om het eigen Ik te definiëren. We zijn niet alleen met zes miljard existenties die allemaal willen overleven en daartoe strategieën bedenken, er is ook een spiegelspel aan de gang waarin we toenadering zoeken en afstand nemen. We komen er maar achter wie we zijn, door te vergelijken en het verschil te ontdekken.

Dit gaat dus over sympathie en antipathie. Over emoties, affiniteit, afkeer, allergie. Mensen kiezen voor of tegen mensen, op een instinctmatige basis. De rationaliteit, het alibi, komt maar achteraf.

De erotiek is hier het absolute paradigma. Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie, positieve én negatieve. Kiezen is winnen en verliezen, insluiten en uitsluiten. Dat geldt voor individuen en voor groepen. Het hoort bij de menselijke existentie,- naar het schijnt heeft het met feromonen, geurstoffen te maken. “Ik kan hem niet ruiken”, het is in onze taal een gezegde voor iemand niet lusten. Het zit echt in de neus. Zo heb ik het enorm voor bakkersvrouwen, Aziaten en herdershonden. Ik mag homo’s en moslims niet, en dat is heel persoonlijk, en het is ook wederzijds. Ik zou hen nooit als poetshulp aannemen. Met negerinnen zou ik dan weer nooit het bed delen. Soms gaat het helemaal niet om categorieën maar om personen die ik niet kan luchten. Of net wel. Moet ik me daarvoor schamen? Of zijn het facetten van mijn eigen geaardheid? Mijn allerindividueelste perversiteit?

Een man die een vrouw kiest en erop verliefd wordt, kiest tegen alle andere vrouwen. Zij maakt op dat moment het absolute verschil. De liefde is de oervorm van discriminatie.

Liefde en haat houden elkaar in evenwicht, en bepalen de menselijke uitwisselingsprocessen. Deze chemie is het onderwerp van Goethe’s roman Die Wahlverwandtschaften (1809), waarin ratio en instinct tot in het uiterste tegenover elkaar komen te staan. Humanisme dus, maar altijd gespleten, gericht, gepolariseerd. Het criterium is volkomen individueel en willekeurig. De liefde en de seksualiteit zijn proto-vormen van racisme. Misschien heeft het existentialisme wel meer te maken met een Filosofie van de Eros, zoals de Vlaamse Sartriaan (en ooit mijn filosofische mentor) Leopold Flam (1912-1995) ze probeerde te formuleren, dan met algemene mensenrechtenkwesties.

“Anti-racisme”: de (niet meer zo) nieuwe pensée unique

meld We zijn goed een halve eeuw verder. Waar Heidegger voor waarschuwde, is uitgekomen: het humanisme is, alleszins in West-Europa, ontaard tot een ideologie van de totale nivellering. Sartre is na 1968 door politiek-links helemaal opgesabbeld tot een brij van politiek-correcte gemeenpraat die verschillen herleidt tot “diversiteit” en heel de maatschappij ziet als een gedepolariseerde smeltkroes van meningen, ideologieën, culturen, religiën.

“Discriminatie” is het woord waarmee elk gevoel van fundamenteel onderscheid wordt ontzenuwd, “racisme” wordt het nieuwe vloekwoord. In België is het “Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding” als overheidsinstantie permanent in de weer om burgers erop te betrappen die andere burgers, nu ja, als “anders” beschouwen. Inclusief meldpunten en kliklijnen. Inclusief afgewezen sollicitanten die de antiracismewet inroepen.

Het is bang afwachten tot een vrouw met een schorre viswijvenstem klacht indient bij het Centrum omdat ze de rol van Salome in de opera niet kreeg.

Uiteindelijk is zelfs zondigen-in-woorden-of-gedachten, het uiten van sympathie of antipathie, het subjectieve moment van de meningsuiting, verdacht en aan politiek-correct censuurschap onderworpen. De gesel van de tolerantie onderdrukt elk voor-oordeel over de Andere. Het existentialisme is daarmee dood, als antidoctrine van de vrije, zelfbewuste, zoekende enkeling. En het zijn vooral de zogenaamde progressieven die deze vrijheid ten grave dragen, om haar te vervangen door een anti-discriminatoire pensée unique die zowel de liefde als de haat, voor- of afkeur voor mensen, groepen, categorieën criminaliseert.

Het nieuwe, postmoderne kosmopolitisme wordt de vlag van dit ontaarde humanisme. Alle grenzen worden gesloopd, alle tegenstellingen weggevlakt. Het vreemde fenomeen doet zich dan voor dat links, in naam van de gelijkheid en de emancipatie, vrolijk meehuppelt met het neoliberale globalisme van de wereldmarkt, waarin multinationals de wet dicteren. De Europese Unie, met haar “vrij verkeer van personen, goederen en diensten”, wordt al evenzeer op handen gedragen door de linkerzijde. Terwijl het hier toch gaat om een homogenisering van de markt, in dienst van het grootkapitaal. Zo ontmoeten het wereldkapitalisme, het linkse internationalisme, en het door de overheid opgelegde gelijkheidsdenken, elkaar in een griezelig project van de ont-individualisering. Sartre, of wat er van rest, draait zich om in zijn graf.

Finkielkraut, of de banaan op het voetbalveld

banaanAls belangrijkste klokkenluider omtrent die kaalslag op identiteit geldt vandaag de Franse filosoof-columnist Alain Finkielkraut (°1949). Hij beschouwt het anti-racisme als dé ideologie van de 21ste eeuw, die de Andere en hét Andere reduceert tot een object in de veelkleurige etalage van de diversiteit. Net daardoor worden alle onverenigbaarheden bij voorbaat geannuleerd als immoreel, en krijgt “identiteit” iets satanisch. Men moet zichzelf leren haten en het eigene ontwaarderen als iets onrechtmatig toegeëigend, gestolen (“oikofobie”). Vanaf dan is de vervreemding totaal, het Ik een puur statistisch gegeven, en het Wij een apolair massagegeven, eventueel in nuttige doelgroepen opgesplitst.

Eigenlijk is Finkielkraut een Sartriaan van het zuiverste pompwater, en herbront hij het existentialisme vanuit de oertegenstelling tussen het Ik en de Andere. Het algehele discriminatieverbod dat de overheden vandaag in West-Europa willen opleggen, is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.  De overheid, de staat, het systeem, werkt vandaag als een identiteitsberovend mechanisme, hetgeen de kritische massa aanzienlijk doet zakken, wat voor een systeem altijd goed uitkomt. De macht fragmenteert én homogeniseert. De keuzevrijheid wordt daarom van dag tot dag onbenulliger: we kunnen kiezen uit 100 zenders op de kabel, die echter allemaal hetzelfde doen, uit 30 yoghourtmerken die allemaal hetzelfde smaken en overigens allemaal door één concern worden gefabriceerd, en uit een dozijn politieke partijen die allemaal ongeveer hetzelfde zeggen. Straks zult u de kleur van uw belastingsformulier kunnen kiezen, maar niet waarvoor u belastingen betaalt.

In zo’n feitelijke eenheidsmaatschappij is het benadrukken van verschillen een Satriaans gebaar, en is het zogenaamde racisme een verzetsdaad. Vandaar de titel van mijn stukje: het racisme is een humanisme. Een noodzakelijke antithese tegen een systeem dat de antithese heeft afgeschaft en dat als inhumaan moet bestempeld worden.

Het algehele discriminatieverbod is doorgeschoten tot een verbod op antipathie, dat eigenlijk ook een verbod inhoudt op het tegengestelde, de sympathie, de liefde dus.

Ik denk aan de supporter die een banaan gooit naar een gekleurde speler van de tegenpartij. Mag niet van de voetbalbond. Terwijl het niet eens om “racisme” in de letterlijke zin gaat (gebaseerd op raskenmerken dus), want hij gooit die banaan niet naar een neger van de eigen ploeg. Het gaat dus om een rudimentaire vorm van collectieve identiteitsbeleving, waar o.m. voetbal en sport vandaag hoofdzakelijk om draait.

Hier en daar wordt er dus nog gevloekt, met een banaan gegooid, en wordt de Andere nog echt benoemd, als anders, als vreemd en onbekend gekwalificeerd. De vreemdeling dus, die we sowieso voor elkaar zijn. Weinigen durven het woord nog gebruiken. Er is de “racistische” komiek Dieudonné M’bala M’bala. Er zijn Le Pen, Wilders, bij ons het Vlaams Belang,- blaffende honden die polariseren, het multiculfeestje bederven en het identitaire denken stuitend, soms ranzig, propageren. Allen zijn ze antiglobalistisch, nationalistisch dus, en tegen de EU. Allen staan ze in de marge van het politiek-maatschappelijk fatsoen en zijn ze ei-zo-na illegaal. Wat zou de politiek saai zijn zonder hen.

Web-democratie, subculturen en nieuwe identiteitsconstructies

FBToch is het twijfelachtig of die bananengooiers het nog lang zullen uitzingen. De sociale sancties zijn te sterk, de druk te groot. De angst voor de eenzaamheid en het isolement weegt. Voor een existentialistisch réveil zie ik veeleer mogelijkheden in de nieuwe “sociale” media, de mogelijkheid van autonome (zij het virtuele) gemeenschappen te creëren die zich wél afzetten tegen de Andere. Groepen die door positieve en negatieve discriminatie, insluiting en uitsluiting, op een of andere manier het verschil cultiveren en een identiteit construeren. We zijn allemaal elkaars racist, zowel in vriendschap als in vijandschap. Laat de vreemdeling vreemdeling zijn, de Andere die niét tot mijn levenssfeer behoort. En er ligt zelfs een geluk in het uitgesloten worden, omdat dit de meest extreme confrontatie is met de eigen identiteit, wat dan weer aanleiding kan geven tot nieuwe subculturen van refusés.

Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse anti-racismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen. 

Dus ja aan de homo’s en de hetero’s, de lesbiennes en de travestieten, de SM-clubs, hun geheime protocollen, hun inwijdingsrituelen, hun exclusieven. Via het web kunnen deze verboden gemeenschappen overleven en territoria creëren. De vreemdeling als uitzondering, exoot en nomade gedijt in dezelfde cybersfeer. Een racist voor iedereen, het lid van de éénmansvereniging met onnoemelijk strenge toelatingsvoorwaarden. Zo maximaal moet democratie kunnen gaan: naar singletons en republieken die maar één of een paar bewoners tellen.

Hoe minder het politiek systeem zich met die nieuwe identiteitsconstructies bezig houdt, hoe beter. Zowel de Neurenberger rassenwetten onder de nazi’s als de hedendaagse antiracismewetten zijn erop gericht om de mens zijn eigen reukorgaan te ontnemen.  Het subjectief en pluriform “racisme”, begrepen als existentieel discriminatiedenken, het onderscheiden en durven benoemen van de Andere, is duizenden malen minder erg dan het veralgemeende en uniforme anti-racisme, begrepen als weg naar de identiteitloze massacultuur. Het is een gedachte die door filosoof-jurist Matthias Storme al in 2005 werd geopperd, en wel in zijn Molinarilezing bij de ontvangst van de “Prijs voor de vrijheid”: discrimineren is een recht, een mensenrecht dat men niet aan de overheid moet uitbesteden.

grafEn dan is er, ten laatsten male, nog weerom de liefde. Het koppel sluit de wereld uit en heeft genoeg aan zichzelf. Bekijk de humanistische tortelduiven Jean-Paul en Simone, voor eeuwig verenigd. Daar, in deze copulatie, en nergens anders is het sexistentialisme ontstaan. Alleen oog voor elkaar hebben ze, enfin, zij toch voor hem.  Niets gunnen ze de rest, geen liefkozing, geen troetelwoord, nog geen banaan. Echte racisten zijn het.

 

 

Hoe de waarheid wordt uit een leugen

Ja, we stammen van de apen af. En ja, de aap is iets dommer, onhandiger, minder geëvolueerd. En wij dus iets meer. Zo ongenadig Siegmund Freud als pseudo-wetenschapper vandaag wordt afgebrand, zozeer wordt Charles Darwin, bedenker van de evolutietheorie, door de nieuwe lichting wetenschapsfilosofen verheerlijkt. Dat is opmerkelijk, want Darwin was, om in hun terminologie te blijven, een minstens even groot fantast en mythomaan als Freud. Er zijn nog meer gelijkenissen tussen beiden.

Van zoo naar zoölogie

aap

Tommy, London Zoo, ca. 1835

In 1871 verschijnt Darwin’s werk “On the Decent of Man, and Selection in Relation tot Sex”.     Niet alleen de theorie is fascinerend, maar ook de mythevorming is interessant,- mythes die Darwin deels zelf verzon en in stand hield.

Inderdaad, parallel met zijn actuele heiligverklaring komt ook steeds weer de legendarische onderzoeksreis (1831-1836) met het schip de Beagle op de proppen,- een reis waarin Darwin Zuid-Amerika, Australië, het zuiden van Afrika en diverse eilandengroepen in de Grote en Indische Oceaan bezocht. Dààr zouden de ideeën van de evolutietheorie vorm hebben gekregen rondom het provocatieve idee dat “de mens van de aap afstamt”. Daar, tussen de Galapagosschildpadden en de Falklandwolven, zijn de embryo’s van de latere theorieën ontstaan, daar kreeg de wetenschapper zijn geniale flits, voldoende om de rest van zijn levenswerk te voeden.

Jammer genoeg is dat een exotische fabulatie, geïnspireerd op de 16de– en 17de eeuwse ontdekkingsreizen. De waarheid is prozaïscher. Meer dan waarschijnlijk kreeg Charles Darwin de “flits” gewoon in de  door hem druk bezochte Londense Zoological Gardens. Al in 1835 was daar de eerste chimpansee aangekomen, Tommy genaamd. Hij kreeg dadelijk een streepjestrui en zeemanspet opgezet, en werd in een humanoide setting geplaatst, inclusief meubilair en allerlei huishoudelijke toestanden. Best mogelijk dat de oppassers die chimpansee ook min of meer als “menselijk” beschouwden. Met de zebra’s of de pythons beoefenden ze dat soort travestieën in elk geval niet. Tommy werd als huisdier behandeld: een dier dat men per definitie niet opeet of uitbuit, maar dat integendeel cohabiteert met de menselijke “meester”, die er soms zelfs een slaaf van wordt.

Darwin haalde dus de mosterd bij de oppassers van het Londense apenkot…. men dien verstande dat de empathische relatie met het huisdier er voor hem te veel aan was. Dus moest Tommy ingeframed worden in een theorie,- een afstammingstheorie nog wel, van het meer “beschaafde” uit het meer primitieve. Van zoo naar zoölogie dus. Of hoe de waarheid wordt uit een leugen.

Darwin haalde zijn ideeën gewoon bij de oppassers van de Londense Zoo, en fantaseerde zich vervolgens een wetenschappelijke ontdekkingsreis.

Dat doorkruist niet alleen de klassieke Darwin-urban legends, het plaatst ook de evolutieleer in een ander perspectief. Het lijkt erop dat Darwin die geklede aap ook terug wou uitkleden en in een hiërarchisch model plaatsen, waardoor hij een prototype, een primitievere voorvorm werd van de homo sapiens. Dat klopt uiteraard chronologisch, als paleontologie. Maar Darwin, die diepgelovig was, en een aanhanger van de Intelligent Design-doctrine, wou ook wetenschap en geloof verzoenen, vanuit de premis dat de mens de kroon is op de schepping.

Vercammen

Alexandra Vercammen en haar hangbuikzwijn

Darwin heeft Tommy dus uitgekleed en de aap terug verdierlijkt. De aap belandde, als specimen én species, terug op de ladder, ergens onder de homo sapiens. Terwijl de relatie tussen mens en huisdier deze verticale stelling negeert, bevestigt het boek “On the descent of Man…” hem terug. Een verdekte theologische ingreep, me dunkt.

Nog breder genomen, lijkt dit op een usurpatie die men als typisch mannelijk-intellectualistisch-Cartesiaans kan zien. We geven onze kat een rokje en zetten de hond mee aan tafel, maar ergens moet er dan altijd een theoreticus uit de hoek komen die de kat en de hond terug plaatst waar ze thuishoren, namelijk bij de primitievere zoogdieren en onder tafel. Geklede chimpansees horen niet thuis in de taxonomie noch in het evolutiestelsel. Ze verwarren de theoretici en maken het abstracte terug concreet. Meer en meer verschijnt de abstractie zelf als een mannelijk-rationele gewelddaad, om niet te zeggen: een machtsgreep. Ab-stractie, dit woord letterlijk te nemen: ont-trekken. Zoals het hangbuikzwijn, waar Alexandra Vercammen tot 2009 mee samenleefde, ook op gerechtelijk bevel werd afgevoerd.

Drie vrouwen, drie huisdieren

Mahler

Mahler, Alma en kinderen,

Onthoud alvast dat de abstractor Charles Darwin de huisaap Tommy ont-domesticeerde om in zijn groot plakboek te kunnen opnemen. En dat deze ontvreemding gebaseerd is op een vorm van intellectuele diefstal, toegedekt door een  stoer jongensverhaal, zijnde dat van de Beagle-expeditie. Diefstal, zei u? Ik ben ooit eens begonnen met een inventaris te maken van briljante mannen die op een of andere manier hun schittering ontleenden aan een wellicht nog briljantere vrouw, waarvan het licht uiteraard niet mocht schijnen.

Ik denk bv. aan Martha Bernays. Weinig kans dat de naam u iets zegt. Uit recent ontdekte briefwisseling kan men afleiden dat zij de principes van de psychoanalyse ontdekte, en dat Freud er achteraf wereldberoemd mee werd. Was zij zijn muze, of kunnen we hier gewoon van plagiaat spreken? (Zie ook het boek van Françoise Xenakis: “Zut, on a encore oublié Madame Freud”).   Freud zweeg er in elk geval in alle talen over, tenzij over… “zijn Muze”.

Ik loop even verder tot bij de illustere onbekende Mileva Maric. Ze was een briljant natuurkundige, gehuwd met een zekere Albert Einstein. Men vermoedt recent dat het basisidee van de relativiteitstheorie van haar afkomstig is, wellicht in bed toevertrouwd, en dat Einstein er op voortborduurde, via de erotogene formule E=mc2 , waarbij de massa (m) het vrouwelijk element is en de lichtsnelheid (c) het mannelijke. Een alchemistisch-hermafrodiete formule dus, die als het ware in haar lijf zat. Doch hola, geen energie zonder massa? Geen (mannelijke) wetenschap zonder vrouwelijke intuïtie?  Hij dumpte haar op tijd en hertrouwde. Niemand heeft verder nog iets van Mileva Maric gehoord…

Mileva had de relativiteitstheorie in haar lijf, maar Albert ging met de pluimen lopen: wie schrijft, die blijft.

Hetzelfde geldt, in een nog veel dramatischer vorm, voor een andere zogenaamde muze die anoniem moest blijven: Alma Mahler-Schindler, echtgenote van de componist Gustav Mahler. Ze was zelf een begaafd componiste, maar Mahler verbood haar te componeren. Het was ondenkbaar dat zij, als vrouw van het genie, ook maar één noot op papier zou zetten. Als kers op de taart bezong hij in de bekende Kindertotenlieder (1905) de dood van hun kinderen, tot afgrijzen van Alma. Ik haal deze drie vrouwen als voorbeeld van een veel omvangrijkere reeks, waarin de man zijn geklede apin terug ontkleedt en met de intellectuele buit gaat lopen.

vrouwen

Martha, Mileva en Alma: in de schaduw van het “genie”

Het mannelijk parasitisme is dus niet alleen sociaal-biologisch-familiair, maar vooral ook intellectueel. Men zou heel de geschiedenis van de wetenschap, én de wetenschap zelf, kunnen herschrijven vanuit die anonieme “muze” waarvan de wijsheid in een vertekende, geabstraheerde vorm werd genotuleerd tot theorie, leer, Boek. Vrouwen leven en beleven, mannen schrijven en beschrijven. Maar het leven is er eerst. Dus richt dat beschrijven zich tegen leven zelf én tegen de vrouwen die het be-leven. De geschreven cultuur is een doodscultuur.

De relativiteitstheorie én de psychoanalyse zijn dus maar “extracten” van een diepere kennis. Maar hoe die reconstrueren? Teruggaan naar het origineel, het lijkt ondenkbaar, want noch Martha, noch Mileva, noch Alma lieten enig geschreven spoor na,- dat werd hen uitdrukkelijk verboden door de Meester. Alleszins is het wel een aansporing om vandaag op zoek te gaan naar die sporen van wijsheid die onopgemerkt, anoniem, soms subversief tegen hét geofficialiseerde Weten ingaat. Deze vrouwelijke tegendraad ontdekken we o.m. in de alternatieve geneeskunde en de homeopathie, zgn. “pseudo-wetenschappen” waar de Darwin-apologeten enorm tegen te keer gaan. De cirkel is rond.

Abstractio en dismembratio: het exploot van de TV-kok

HuysentruytIk eindig opnieuw met de zoölogie, ditmaal in een culinair perspectief. Onlangs besloot TV-kok Piet Huysentruyt om de evolutietheorie gastronomisch te verfijnen, en wel door een levende kreeft een voor een de scharen af te breken, in twee te snijden en daarna op een vuur te roosteren. Vooral de triomfantelijke grijns van deze homo sapiens doet terugdenken aan de stelende intellectueel, nu uitgebalanceerd tot beul. Blijkbaar moeten het mannelijk-culinair intellect zichzelf bewijzen via een sadistisch soort machtsvertoon, bij voorkeur uit te werken op dieren die eigenlijk te jong zijn om te slachten. De gesublimeerde kindermoord, merkwaardig, dat Dutroux-trekje. Of het gastronomisch equivalent van de Kindertotenlieder.

Ik doe ook hier even de revue. Zo kan voor Peter Goossens van het Hof van Cleve het vlees niet jong genoeg zijn. “Melklam uit de Pyreneeën”, en Roulade “van een kalf dat nooit buitengelopen heeft” behoren tot zijn favoriete gerechten,- zo lezen we op het menu. Hoger vernoemde Piet Huysentruyt serveert dan weer met graagte “Piepkuiken op grootmoeders wijze”,- minuscule porties babyvlees waarvan er vermoedelijk een hele klad in de pan belanden om de normale honger te stillen. TV-kok en chemieprofessor Herwig Van Hove zag ik ooit eens met een sardonische grijns levende paling villen en in hete olie gooien.

De sadistische TV-kok: nooit was de karikatuur van de evolutietheorie zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

kreeftMaar nu dus Piet. Hij heeft de vrouwen uit de keuken verjaagd en demonstreert waar het mannelijk abstractievermogen toe in staat is. Met de dismembratio van de kreeft verdonkeremaant Piet H. ook deskundig elk spoor van vrouwelijk-empathische attitude tegenover de natuur en het leven. Nooit was de karikatuur van de evolutietheorie, als apologie voor de homo sapiens, zo duidelijk en zo weerzinwekkend.

Wat daarna in de media volgde, was een fijne academische discussie over de vraag wat zo’n kreeft nu precies voelt. Uiteraard weten wij het niet, we kunnen het niet vragen. De grote filosoof René Descartes geloofde alvast dat geen enkel dier tot lijden in staat is, wat de liefhebbers van vivisectie een paar honderd jaar lang als een vrijbrief hebben gezien voor de meest walgelijke experimenten.

Er is dus reden om te twijfelen aan de evolutietheorie. Niet feitelijk-paleontologisch, zelfs niet moreel of laat staan religieus, maar vooral vanuit de antroposofie,- vreemd, ik heb dat woord nooit eerder gebruikt. Zowel de evolutietheorie, de psychoanalyse als de relativiteitstheorie  lijken maar fantasmen, apocriefe aftreksels van iets veel wezenlijker, waar de mannelijke geest nauwelijks aan kan. Van Darwin tot Huysentruyt, en over alle andere genieën, hangt een zweem van machtsvertoon, opportunisme en leugen-om-bestwil. Blijven zoeken dus naar de verzwegen bron waaruit ze hebben geput.